Categorie: blog

Lang leve de liefde! Jongeren, Middelengebruik en Relaties

Het is inmiddels overduidelijk dat getrouwde stellen een betere gezondheid hebben, minder alcohol en drugs gebruiken en langer leven1,2. Factoren zoals hechting uit de vroege jeugd, toewijding aan de relatie en de sensitiviteit van de partner kunnen hieraan ten grondslag liggen3. Letterlijk dus ‘Lang leve de liefde’!

Wanneer jongeren flink experimenteren met roken, alcohol en drugs tijdens de puberteit wordt door de omgeving wel eens gedacht dat dit over zal gaan als ze een vriendje of vriendinnetje zullen krijgen. Maar is dit daadwerkelijk zo? Gebruiken ook jongeren die een relatie hebben minder alcohol en drugs?

Picture-Wedding-Toast.jpg

Om deze vraag te kunnen beantwoorden zijn grootschalige studies nodig die jongeren voor een lange tijd volgen en daarbij regelmatig hun middelengebruik meten en vragen naar hun romantische relaties. Er zijn wereldwijd maar een paar studies die dit gedaan hebben. De resultaten van deze studies laten zien dat de voordelige effecten van het huwelijk op middelengebruik niet gelden voor jonge adolescenten (rond de 16 jaar). Relaties bij jonge adolescenten hangen namelijk juist samen met méér alcohol en drugs gebruik4,5. Op deze jonge leeftijd zijn er nog meer negatieve effecten van relaties gevonden; zo zijn jongeren die op deze leeftijd een relatie hebben ook vaker depressief.

Omdat deze studies de jongeren gevolgd hebben totdat ze ongeveer totdat ze ongeveer 25 jaar oud zijn, is het vooral interessant te zien hoe de samenhang tussen alcohol en drugs gebruik en romantische relaties verandert tijdens de ontwikkeling. Zo is gevonden dat meer alcohol gebruik rond de 16 jaar de kans vergroot dat je tijdens de vroege volwassenheid een langdurige relatie (of meerdere langdurige relaties) hebt. En beide studies laten vervolgens zien dat er tijdens de jongvolwassenheid een omslagpunt zit. Stabiele relaties tijdens de jongvolwassenheid zijn namelijk juist voorspellend voor een afname in alcohol en drugs gebruik. Deze resultaten laten zien dat het belangrijk is alcoholgebruik onder jongeren ook te bekijken in de context van normatieve ontwikkeling en te realiseren dat alcoholgebruik, ondanks de overduidelijke negatieve gezondheidseffecten, ook bij kan dragen aan positieve ontwikkelingsuitkomsten op latere leeftijd, zoals het hebben van een stabiele relatie.

Als we al deze resultaten willen verklaren is het belangrijk dit vanuit een ontwikkelingsperspectief te doen. In één van de studies4 is bewijs gevonden dat het belangrijk is dat het krijgen van de relatie op het juiste moment in de ontwikkeling komt. Als dit te vroeg komt, kan de relatie andere ontwikkelingsgebieden belemmeren en op die manier bijdragen aan een toename in middelgebruik en ander risicogedrag. Wanneer stabiele relaties later tijdens de ontwikkeling komen en dit beter past bij de ontwikkeling kan het juist zorgen voor positieve gezondheidsuitkomsten, zoals minder middelengebruik. Het is hierbij erg belangrijk niet naar de exacte leeftijd te kijken maar naar het individuele ontwikkelingspad. Sommige jongeren zijn op eerdere leeftijd klaar voor een langdurige relatie dan anderen.

Kortom, lang leven de liefde dus, maar dan alleen wanneer je klaar bent voor toegewijde liefde!

Deze blog werd geschreven door Maartje Luijten (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Robles, T. F., Slatcher, R. B., Trombello, J. M., & McGinn, M. M. (2014). Marital quality and health: A meta-analytic review. Psychological bulletin140(1), 140.
2. Staff, J., Schulenberg, J. E., Maslowsky, J., Bachman, J. G., O’Malley, P. M., Maggs, J. L., & Johnston, L. D. (2010). Substance use changes and social role transitions: Proximal developmental effects on ongoing trajectories from late adolescence through early adulthood. Development and psychopathology22(4), 917-932.
3. Slatcher, R. B., & Selcuk, E. (2017). A social psychological perspective on the links between close relationships and health. Current directions in psychological science26(1), 16-21.
4. Furman, W., & Collibee, C. (2014). A matter of timing: Developmental theories of romantic involvement and psychosocial adjustment. Development and Psychopathology26(4pt1), 1149-1160.
5. Rauer, A. J., Pettit, G. S., Samek, D. R., Lansford, J. E., Dodge, K. A., & Bates, J. E. (2016). Romantic relationships and alcohol use: A long-term, developmental perspective. Development and psychopathology28(3), 773-789.

Alcoholgebruik onder de 18: ‘ouders doen niet wat ze kunnen’

Dat jongeren onder de 18 niet mogen drinken is algemeen bekend. Toch geeft 25% van de jongeren tussen de 12 en 16 jaar aan in de afgelopen 4 weken gedronken te hebben1. Als het gaat om alcoholpreventie is er dus nog een hoop werk aan de winkel. In preventiebeleid spelen ouders vaak een belangrijke rol. ‘Is dit wel terecht?’, kunt u zich afvragen. Het antwoord is ‘ja’, want uit onderzoek blijkt dat ouders een aanzienlijke invloed hebben op het al dan niet gebruiken van alcohol door hun minderjarige kinderen2.

Foto_Lieke

Een aantal weken geleden nam ik deel aan een bijeenkomst die was bedoeld om een eerste stap te zetten in de richting van een nieuw preventiebeleid rondom alcohol in mijn gemeente. Ik, uitgenodigd vanwege mijn taken als vrijwilliger bij een jongerenstichting die feestjes organiseert, kon het echter niet laten deze bijeenkomst te beschouwen vanuit mijn oogpunt als toekomstig orthopedagoog. Gestart werd met het bespreken van de knelpunten die de aanwezigen rondom het onderwerp ervaarden. Menigeen wees met de vinger naar de rol van ouders: “ouders doen niet wat ze kunnen”. Maar doet deze stelling er wel toe en hebben ouders daadwerkelijk invloed op het alcoholgebruik van hun kinderen?

De invloed van ouders is groot, zo blijkt uit wetenschappelijk onderzoek. Of jongeren op jonge leeftijd (tussen de 13 en 15 jaar) beginnen met drinken heeft voor ruim 20% te maken met de erfelijke aanleg en meer dan 50% met de gezinsomgeving3.  Hoewel ouders erfelijke aanleg doorgeven en hier niets aan kunnen veranderen, spelen zij weldegelijk een rol in de gezinsomgeving. Naast de invloed op het beginnen met drinken, hebben ouders ook invloed op hoe vaak er wordt gedronken en of er buitensporig wordt gedronken3. De mate van de invloed van ouders blijft bij jongeren tussen de 12 en 18 jaar ongeveer gelijk4.

Welk gedrag van ouders heeft er dan precies invloed? Ten eerste, het eigen alcoholgebruik. Wanneer ouders zelf drinken en/of alcohol in huis hebben, vergroot dit het risico op alcoholmisbruik door hun kinderen5. Ten tweede, de communicatie van ouders naar hun kind toe. Jongeren drinken minder als ouders hen wijzen op de negatieve gevolgen van alcohol6. Echter, wanneer ouders toegeeflijk zijn of een goedkeurende houding uitstralen als het gaat om alcoholgebruik, drinken jongeren meer5,6.

Naast het eigen alcoholgebruik van ouders en de communicatie over alcohol, heeft ook de algemene opvoeding invloed op het alcoholgebruik van kinderen. Een zogeheten warme opvoeding, een hechte en liefdevolle ouder-kind relatie, kan problemen met alcohol voorkomen7. Daarnaast werkt een gezonde mate van monitoring preventief ten aanzien van alcoholmisbruik, ouders weten in dit geval wat hun kind waar doet en met wie5.

Concluderend, blijkt dat ouders een grote invloed hebben op het gedrag van hun minderjarige kinderen als het gaat om alcoholgebruik. Preventiebeleid met betrekking tot deze jongeren richt zich dan ook niet voor niets op de ouders. Of het nu gaat om beginnen met drinken, hoe vaak er wordt gedronken of buitensporig drinken, ouders hoeven niet doelloos toe te kijken.

Deze blog werd geschreven door Lieke Overvelde voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag, master PWO, 2019.

Referenties
1. RIVM. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (2017). Alcoholgebruik scholieren naar geslacht. Verkregen van https://www.volksgezondheidenzorg.info/onderwerp/alcoholgebruik/cijfers-context/huidige-situatie#node-alcoholgebruik-scholieren-naar-leeftijd
2. Donaldson, C. D., Handren, L. M., & Crano, W. D. (2016). The enduring impact of parents’ monitoring, warmth, expectancies, and alcohol use on their children’s future binge drinking and arrests: A longitudinal analysis. Prevention science, 17(5), 606-614. doi:10.1007/s11121-016-0656-1
3. Vink, J. M. (2016). Zit middelengebruik en verslavingsgedrag in de familie? Over erfelijkheid en de zoektocht naar genen. Verslaving12(4), 243-255. doi:10.1007/s12501-016-0089-3
4. Schuler, M. S., Tucker, J. S., Pedersen, E. R., & D’Amico, E. J. (2019). Relative influence of perceived peer and family substance use on adolescent alcohol, cigarette, and marijuana use across middle and high school. Addictive Behaviors88, 99-105. doi:10.1016/j.addbeh.2018.08.025
5. Yap, M. B., Cheong, T. W., Zaravinos‐Tsakos, F., Lubman, D. I., & Jorm, A. F. (2017). Modifiable parenting factors associated with adolescent alcohol misuse: a systematic review and meta‐analysis of longitudinal studies. Addiction112(7), 1142-1162. doi:10.1111/add.13785
6. Kam, J. A., Basinger, E. D., & Abendschein, B. (2017). Do adolescent perceptions of parents’ alcohol consumption undermine or enhance what parents say about alcohol? The interaction between verbal and nonverbal messages. Communication Research44(3), 319-347. doi:10.1177/0093650214565922
7. Mak, H. W., & Iacovou, M. (2019). Dimensions of the Parent–Child Relationship: Effects on Substance Use in Adolescence and Adulthood. Substance Use & Misuse54(5), 724-736. doi:10.1080/10826084.2018.1536718

‘Even een ballonnetje doen…’: maar is dit wel zo onschuldig als het klinkt?

Na een festival of een avondje uit zie ik de straten tegenwoordig vol liggen met metalen patronen en felgekleurde ballonnen. Het zijn de restanten van lachgasgebruik; iets dat de laatste jaren – met name onder jongeren en jongvolwassenen – explosief lijkt te zijn toegenomen1. Lachgas innemen om een roes te ervaren, stamt al uit de partyscene van de jaren negentig. Het verschil met toen is dat het tegenwoordig echter ook op grote schaal buiten het uitgaansleven plaatsvindt, veelal onder jongeren2. Naast dat het overmatige lachgasgebruik leidt tot overlast en vervuiling, maken zorgprofessionals zich grote zorgen over de gevolgen van het gas voor de gezondheid.

Foto_Inge

Het gebruik
Lachgas is een bijnaam voor het kleurloze, zoetgeurende gas distikstofoxide (N2O). Het wordt al geruime tijd gebruikt in de geneeskunde als kortwerkend narcose- of pijnstillingsmiddel en wordt daarnaast industrieel ingezet; o.a. als drijfgas voor slagroomspuiten3. In het geval van recreatief gebruik, wordt lachgas veelal met behulp van zo’n spuit in een ballon opgevangen en wordt het vervolgens door de gebruiker uit de ballon geïnhaleerd. Het inademen van het gas zorgt voor een kortdurende bewustzijnsdaling en een gevoel dat vergelijkbaar is met dronkenschap. Het kan bovendien leiden tot een lachkick, vandaar de (bij)naam4. Lachgas is doorgaans afkomstig uit slagroompatronen, die gemakkelijk te verkrijgen zijn. Sinds 2016 valt de verkoop van het gas immers onder de Warenwet en hierdoor mag het vrij verhandeld worden3.

De risico’s
Er heerst nog veel onduidelijkheid over de precieze effecten van recreatief gebruik van lachgas en in welke mate het gevaarlijk is voor de gezondheid van gebruikers. Het is namelijk nog maar in beperkte mate onderzocht, waardoor er momenteel (nog) weinig sterk bewijs is. Door het overgrote deel van de gebruikers wordt lachgas gezien als een risicoloos middel en bovendien wordt het niet als een ‘echte’ drug beschouwd3. Uit het beperkte onderzoek dat is gedaan blijkt dat lachgas wel degelijk nadelige effecten heeft. Zo kan het bijvoorbeeld leiden tot hoofdpijn, verminderd zicht en concentratievermogen, duizeligheid, vermoeidheid en/of tintelingen in de ledematen. Deze klachten zijn vermoedelijk het gevolg van een tijdelijk gebrek aan zuurstof in de hersenen na het inhaleren van het gas1, 3-5. Daarnaast is in meerdere onderzoeken een verband gevonden tussen overmatig, aanhoudend lachgasgebruik en een tekort aan vitamine B-12. Deze vitamine is essentieel voor een goede werking van ons zenuwstelsel en immuunsysteem en kan dan ook nare, chronische klachten en/of stoornissen tot gevolg hebben1, 4-7. Verder zijn er aanwijzingen dat lachgas een negatieve invloed kan hebben op het ontwikkelend brein en de rijping van het zenuwstelsel. Om die reden wordt het gebruik van lachgas voor jongeren en zwangere vrouwen in elk geval sterk afgeraden1, 2, 6.

Wat nu?
Het is om te beginnen van belang dat je beseft dat lachgas in principe niet bedoeld is voor consumptie; het is daarom ook het beste om het niet te gebruiken. Wil je dit toch, houdt de risico’s dan in je achterhoofd en gebruik het in beperkte mate: de meeste mensen nemen één ballon met lachgas, dus één patroon5, 6. Inhaleer het gas daarnaast uit een ballon en niet direct uit de spuit of het patroon; dit is om bevriezing van de lippen en/of longen te voorkomen. Combineer het lachgas ook niet met andere verdovende middelen en wees je ervan bewust dat het tijdens of na het gebruik niet verstandig is om aan het verkeer deel te nemen. Ondanks dat de roes snel weer verdwijnt, blijven de effecten van het gas immers nog uren na-ijlen.

Deze blog werd geschreven door Inge Tankink, voor de cursus: Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag, master PWO, 2019.

Referenties
1. Van Goor, M., Nabben, T., Van Laar, M., & Van der Pol, P. (2018). Factsheet Lachgas. Utrecht: Trimbos-Instituut.
2. Nabben, T., Van der Pol, P., & Korf, D.J. (2017). Roes met een luchtje. Gebruik, gebruikers en markt van lachgas. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
3. Luijk, S. J., & Nijkamp, L. M. (2019). Recreatief lachgasgebruik en gezondheidsrisico’s. JGZ Tijdschrift voor Jeugdgezondheidszorg, 51(1), 2-7.
4. Niesink, R. (2014). Lachgas (distikstofoxide): farmacologische en toxicologische aspecten. Verslaving, 10(4), 62-72.
5. Kaar, S. J., Ferris, J., Waldron, J., Devaney, M., Ramsey, J., & Winstock, A. R. (2016). Up: The rise of nitrous oxide abuse. An international survey of contemporary nitrous oxide use. Journal of Psychopharmacology, 30(4), 395-401.
6. https://www.gezondheidenco.nl/lachgas-experimenteren-met-ballonnetjes/
7.  RIVM (2016). Beoordeling gezondheidsrisico’s lachgas (N2O). Bilthoven: RIVM (NL).
8. Lan, S. Y., Kuo, C. Y., Chou, C. C., Kong, S. S., Hung, P. C., Tsai, H. Y., … & PCHAN Study Group. (2019). Recreational nitrous oxide abuse related subacute combined degeneration of the spinal cord in adolescents–A case series and literature review. Brain and Development, 41(5), 428-435.

 

Dronken in de derde helft

Biertjes na de wedstrijd om de overwinning te vieren of om het verlies te verdrinken. Wat doet alcohol met je lichaam na een sportieve inspanning? En hoe hangt alcoholconsumptie samen met ons beweeggedrag?

Alcohol vertraagt het herstel van je spieren na een wedstrijd of een training. Tijdens het sporten raakt je vochtbalans verstoord door zweten, neemt je energievoorraad af doordat je spieren energie verbranden en ontstaan er kleine scheurtjes in je spiervezels wat we voelen als spierpijn1. Naast rust is voeding belangrijk voor een optimaal herstel na een sportieve inspanning. Hoeveel en wat je precies moet eten en drinken hangt af van de sport die je beoefent en hoelang de inspanning duurt. Helaas is gezonde voeding na de wedstrijd vaak van lagere prioriteit dan een biertje drinken met je teamgenoten.

Drinken in de derde helft_nov19

Als we kijken naar de manier waarop onze gedragingen met elkaar samenhangen, dan is de combinatie tussen alcoholconsumptie en sporten opmerkelijk. Doorgaans zien we dat een gezonde gedraging (wandelen) sterk samenhangt met andere gezonde gedragingen (groente- en fruitconsumptie). Ook ongezonde gedragingen (tv-kijken en vet eten) hangen sterk met elkaar samen2. Bij de combinatie alcohol en sport gaat deze clustering van gedrag niet op. Een ongezonde gedraging (alcoholconsumptie) hangt samen met een gezonde gedraging (bewegen). Een tijd lang werd gedacht dat mensen met een gemiddelde alcoholconsumptie (4 tot 14 glazen per week) gezonder waren dan hun niet-drinkende leeftijdsgenoten, doordat hun sterftecijfer lager was3. Later bleek dat deze relatie verklaard werd doordat gemiddelde drinkers actiever zijn en gezonder eten dan niet-drinkers.

De opmerkelijke samenhang tussen sport en alcoholconsumptie wordt volgens onderzoekers ondersteund door de overtuiging dat hard werken beloond mag worden en dat overwinningen gevierd moeten worden3. Trouwe supporters sluiten graag aan bij het vieren van een overwinning, zij beginnen vaak al voor de derde helft met hun eerste alcoholische versnaperingen. Klinkt als een gezellige bedoening, maar soms wordt vergeten dat men nog met de auto terug naar huis moet… Alcoholconsumptie op de sportclub kan dan ook leiden tot gevaarlijke situaties in het verkeer. Het terugdringen of de preventie van alcoholgebruik op sportlocaties is slechts onderwerp van een handjevol wetenschappelijke studies4,5. Aanbevelingen vanuit deze studies zijn: ontwikkel, evalueer en handhaaf alcoholbeleid op de sportclub, biedt alternatieven, zowel voor het drinken van alcohol als voor inkomsten voor de clubkas en neem de tijd voor de invoering van alcoholpreventie.

Vorig jaar is alcoholpreventie op sportlocaties opgenomen in het Nationaal Preventieakkoord, onder het thema ‘gezonde sportomgeving’6. Deelnemende partijen spreken hierin de ambitie uit dat in 2040 minimaal 80% van de sportverenigingen met een eigen accommodatie een gezonde sportomgeving bieden. Sportkantines worden de komende jaren gestimuleerd om expliciet alcoholbeleid te formuleren. Zo is het niet langer de bedoeling dat amateursportclubs contracten afsluiten met drankfabrikanten voor alcoholreclame langs de lijn en betekent dit het einde van de happy hours en meters bier in de kantine. Misschien moeten we alvast gaan nadenken over hoe we over een paar jaar onze sportieve overwinningen op een andere manier kunnen gaan vieren…

Deze blog werd geschreven door Pauline Geuijen (Radboudumc) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Barnes, J. (2014) Alcohol: impact on sports performance and recovery in male athletes. Sports medicine, 44(7):909-19. doi: 10.1007/s40279-014-0192-8.
2. Niedermeier, M., Frühaf, A., Kopp-Wilfing, P., Rumpold, G., & Kopp, M. (2018). Alcohol consumption and physical activity in Austrian college students – a cross-sectional study. Substance use & misuse, 53(10):1581-90. doi: 10.1080/10826084.2017.1416406.
3. Leasure, J., Neighbors, C., Henderson, C., & Young, C. (2015) Exercise and alcohol consumption: what we know, what we need to know, and why it is important. Frontiers in Psychiatry 6:156. doi: 10.3389/fpsyt.2015.00156.
4. Kingsland, M., Wiggers, J., Vashum, K., Hodder, R., & Wolfenden, L. (2016). Interventions in sports settings to reduce risky alcohol consumption and alcohol-related harm: a systematic review. Systematic Reviews, 5:12. doi: 10.1186/s13643-016-0183-y.
5. Kolar, C., von Treuer, K. (2015). Alcohol misuse interventions in the workplace: a systematic review of workplace and sports management alcohol interventions. International Journal of Mental Health and Addiction 13(5). doi: 10.1007/s11469-015-9558-x
6. Rijksoverheid (2018) Maatregelen in het Nationaal Preventieakkoord. Geraadpleegd van https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/gezondheid-en-preventie/nationaal-preventieakkoord

Hoe zorg je dat jouw kind vrijwillig gezond voedsel opschept?

Op 7 augustus 2019 lanceerde de Rabobank in samenwerking met Kelvin Boerma (bekend als Kalvijn) het YouTube-kanaal Opscheppers en op 22 september 2019 werd de eerste video geüpload2. Het doel van het kanaal is om kinderen kennis bij te brengen over voedselproductie en hen bewust te maken van gezonde opties1. Dat is hard nodig, want 13,5% van de Nederlandse kinderen tussen de 4 en 20 jaar heeft overgewicht 3. Het hebben van overgewicht heeft negatieve consequenties. Zo hebben kinderen met overgewicht een vergroot risico op het ontwikkelen van diabetes type 24, ofwel suikerziekte. Later in het leven is er onder andere een verhoogd risico op hart- en vaatziekten4. Het is dus tijd dat kinderen aan de slag gaan met gezond voedsel.

Foto_AnneFrance

Wat is jouw lievelingseten? Het is een vraag die vaak voorkomt in vriendenboekjes, of die aan kinderen gesteld wordt met hun verjaardag, als zij mogen kiezen wat er die avond gegeten wordt. Is het antwoord dat bij jouw kind opkomt een gezonde optie? Van veel kinderen is het lievelingseten één van de drie P’s, namelijk pizza, patat of pannenkoeken1.

Als het lievelingseten van jouw kind één van de drie P’s is, is dat natuurlijk nog geen probleem. Het eten van ongezond voedsel is nu eenmaal aantrekkelijker dan het eten van gezond voedsel. Dit komt doordat mensen een voorkeur hebben voor voedsel dat zout of zoet van smaak is5. Vooral in het geval van zoet voedsel, neemt het vetpercentage toe als de zoetigheid toeneemt5. Qua smaak heeft zoet of vet voedsel dus de voorkeur, maar het is een stuk ongezonder’.

Het eten van gezonde maaltijden zorgt ervoor dat je kind de benodigde voedingsstoffen binnenkrijgt. Maar hoe zorg jij dat jouw kind zich interesseert voor een gezond eetpatroon, zodat het hier ook zelf voor gaat kiezen? Als ouder heb je een voorbeeldfunctie wat betreft het eetpatroon van je kind. Zo zorgt de aanwezigheid van groente en fruit in huis voor een positief effect, omdat het kinderen aanmoedigt te kiezen voor een gezond tussendoortje6. Daarbij zorgt de steun die kinderen ervaren van hun ouders voor extra motivatie om groente en fruit te eten6. Naast dat het belangrijk is om gezond eten in huis te hebben, is het van invloed op kinderen of ouders het eten zelf ook nuttigen. Zien eten doet eten, is hier dan ook van toepassing. Als ouders zelf meer groente en fruit eten, gaan hun kinderen dit ook doen7. Van het omgekeerde effect is ook sprake, dat wil zeggen dat het minder eten of drinken van ongezond voedsel door ouders leidt tot een afname van de consumptie van het ongezonde voedsel bij hun kinderen7. Een ander positief effect is het samen maken van beslissingen omtrent eten, in plaats van keuzes opleggen via ouderlijke controle7. Een voorbeeld hiervan is om samen het lunchpakket van je kind te bepalen. En wil je toch een keer vrije tijd van je voorbeeldfunctie, maar wel je kind leren de gezonde keuze te maken? Dan is er altijd nog Opscheppers2, om je een handje te helpen.

Deze blog werd geschreven door Anne-France de Ronde voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag, master PWO, 2019.

Referenties

  1. Banken.nl. (20 september 2019). Rabobank motiveert kinderen gezonder te eten via nieuw kanaal op YouTube. Geraadpleegd van https://www.banken.nl/nieuws/21905/rabobank-motiveert-kinderen-gezonder-te-eten-via-nieuw-kanaal-op-youtube.
  2. YouTube-kanaal Opscheppers. Geraadpleegd van https://www.youtube.com/channel/UCOAhwYWknhHNBk8AxdlztsA.
  3. Rijksoverheid. (23 november 2018). Nationaal Preventieakkoord. Geraadpleegd van https://www.rijksoverheid.nl/documenten/convenanten/2018/11/23/nationaal-preventieakkoord.
  4. Chu, D. T., Nguyet, N. T. M., Dinh, T. C., Lien, N. V. T., Nguyen, K. H., Ngoc, V. T. N., … & Tran, Q. H. (2018). An update on physical health and economic consequences of overweight and obesity. Diabetes & Metabolic Syndrome: Clinical Research & Reviews, 12(6), 1095-1100.
  5. Bolhuis, D. P., Costanzo, A., & Keast, R. S. (2018). Preference and perception of fat in salty and sweet foods. Food Quality and Freference, 64, 131-137.
  6. Young, E. M., Fors, S. W., & Hayes, D. M. (2004). Associations between perceived parent behaviors and middle school student fruit and vegetable consumption. Journal of Nutrition Education and Behavior, 36(1), 2-12.
  7. Ma, Z., & Hample, D. (2018). Modeling Parental Influence on Teenagers’ Food Consumption: An Analysis Using the Family Life, Activity, Sun, Health, and Eating (FLASHE) Survey. Journal of Nutrition Education and Behavior, 50(10), 1005-1014.

Onderzoek in de school

Een aanzienlijk deel van het onderzoek naar middelengebruik en eetgedrag richt zich op jongeren. En dat is niet geheel toevallig. Uit onderzoek blijkt immers dat jongeren meer risicogedrag vertonen dan jongere kinderen en volwassenen. Zo wordt bijvoorbeeld het eerste glas alcohol in de meeste gevallen tijdens de adolescentie gedronken, en ook de eerste sigaret wordt vaak opgestoken in deze fase van het leven. Daarnaast gaan jongeren in deze ontwikkelingsfase steeds meer experimenteren met het eten van suiker- en/of vetrijke voeding, zoals de welbekende energiedrankjes en frikandelbroodjes.

Een groot aantal wetenschappelijke studies heeft al verschillende factoren geïdentificeerd die van invloed kunnen zijn op het middelengebruik en het eetgedrag van jongeren. Zo blijkt bijvoorbeeld de mate waarin jongeren hun impulsen kunnen onderdrukken en de mate waarin zij op zoek zijn naar spanning en sensatie in hun omgeving gerelateerd te zijn aan de mate waarin zij dergelijk risicovol gedrag laten zien. In de laatste jaren richt onderzoek zich echter steeds vaker niet enkel op deze individuele factoren van jongeren zelf, maar ook op de invloed van de omgeving waarin jongeren zich bevinden.

Eén van de belangrijkste omgevingen van jongeren is de schoolomgeving, een omgeving waar jongeren zich 5 dagen per week bevinden. Tijdens de lessen en de pauzes, maar ook buiten schooltijd om, brengen jongeren hier een steeds groter deel van hun tijd door met klasgenoten. Aangezien het voor jongeren erg belangrijk is om vriendschappen te sluiten, en om “erbij” te horen en geaccepteerd te worden door leeftijdgenoten, richt steeds meer onderzoek zich op de invloed van klasgenoten op het gedrag van jongeren. Bij dit type onderzoek ligt de focus zeker niet altijd enkel op de academische prestaties van jongeren, maar ook steeds vaker op middelengebruik van jongeren. Zo lijkt bijvoorbeeld het alcoholgebruik en het rookgedrag van jongeren samen te hangen met dat van hun van hun vrienden op school.

foto_scholen_netwerk.jpg

Om te onderzoeken of schoolvrienden ook het eetgedrag van jongeren beïnvloeden, hebben onderzoekers van het Behavioural Science Institute (BSI) van de Radboud Universiteit het “G(V)OED voor elkaar!” onderzoek opgezet. Middels vragenlijsten wordt bij jongeren op school nagevraagd hoe frequent ze bepaalde gezonde en ongezonde producten consumeren. Ook wordt nagegaan wie hun (beste) vrienden zijn in de klas. Zo kan onderzocht worden of het eetgedrag van jongeren en dat van hun (beste) vrienden gerelateerd zijn aan elkaar. Daarnaast wordt onderzocht of bepaalde typen jongeren meer ontvankelijk zijn voor de invloed van vrienden. Zo kan gedacht worden aan jongeren die een lager welbevinden ervaren of jongeren met ouders die minder regels hebben over het eetgedrag van hun kinderen. Voor dit onderzoek volgen we ongeveer 700 jongeren en hun ouders over de eerste jaren van de middelbare school, om ook eventuele veranderingen over de tijd in kaart te kunnen brengen. In het voorjaar van 2020 staat de vierde en laatste meetronde van dit onderzoek op de planning.

Naast dit type onderzoek naar middelengebruik en eetgedrag, wordt er binnen het BSI nog veel meer onderzoek gedaan naar gedrag binnen de schoolcontext. Zo wordt er onderzoek gedaan naar onder andere pestgedrag, de ontwikkeling van taalvaardigheden, de inclusie van leerlingen met beperkingen, en sombere en angstige gevoelens die jongeren kunnen ervaren. Aangezien dit onderzoek van grote relevantie kan zijn voor de praktijk en we graag onze samenwerking met scholen verduurzamen, presenteren we als BSI zijnde graag de “BSI Scholen Netwerk Middag” op 31 januari 2020. Een netwerkdag voor, door en samen met scholen rondom gedragsonderzoek bij kinderen en jongeren tot en met 18 jaar, waarop praktijkpartners worden uitgenodigd om een kijkje te nemen in de keuken van ons onderzoek. In verschillende interactieve informatiesessies komen diverse onderzoeksonderwerpen aan bod. Wilt u graag meer informatie over deze middag of wilt u zich graag aanmelden? Dan kunt u terecht op deze website. Wellicht tot dan!

Deze blog werd geschreven door Nina van den Broek (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Ouderlijk welzijn in de opvoeding van jonge kinderen: A “two-way street” met implicaties voor gezondheidsinterventies

Vraag een ouder wat hem of haar het meest gelukkig maakt en het antwoord luidt: “Mijn kind(eren)!”. Er zijn inderdaad studies die aantonen dat ouders hogere welzijnscijfers rapporteren tijdens activiteiten met hun kind dan zonder hun kind.Echter, wanneer je de geluksniveaus van ouders met kinderen vergelijkt met die van hun kinderloze leeftijdgenoten, wordt een schril contrast zichtbaar. Ouders van kinderen, met name die van jonge kinderen, zijn over het algemeen minder gelukkig en ervaren vaker gevoelens van depressie en angst.Het krijgen en opvoeden van kinderen lijkt dus het welzijn van ouders te bepalen.

RADblog_Levie_Sept2019_foto

Omgekeerd bepaalt ouderlijk welzijn ook de opvoedingen dit heeft weer gevolgen voor de ontwikkeling en het welzijn van kinderen.Eerder onderzoek op het gebied van eetgedrag heeft aangetoond dat ouders met verminderd welzijn vaker specifieke opvoedtechnieken gebruiken die gerelateerd zijn aan overgewicht bij kinderen. Zo dwongen ouders met depressieve gevoelens hun kinderen vaker om hun eten op te eten, stond de tv in deze gezinnen tijdens het eten vaker aan, en aten kinderen van depressieve ouders minder vaak met het gezin aan tafel.Daarnaast gaven moeders met symptomen van depressie, angst of stress hun kind vaker eten als troost (emotioneel voeden) of beloning (instrumenteel voeden)en hadden gestreste moeders vaker kinderen die minder bewogen en meer stilzaten.7

Waarom passen ouders met verminderd welzijn vaker ongewenste opvoedtechnieken toe? Een mogelijke verklaring ligt in de beperkte psychologische beschikbaarheid en weerbaarheid van de ouders. Ouders met depressieve klachten bleken bijvoorbeeld voornamelijk bezig te zijn met hun eigen problemen.Somberheid, stress en angst maken het lastiger om aan te voelen wat een kind nodig heeft en om de opvoeding op deze behoeften af te stemmen. Sensitief ouderschap komt daardoor in het geding en automatische reactiepatronen liggen op de loer. Depressieve of gestreste ouders hebben misschien wel de intentie om niet toe te geven als het kind om snoep zeurt, maar staan niet in hun kracht om deze grens ook daadwerkelijk te verdedigen. Daarnaast is het denkbaar dat ouders die niet lekker in hun vel zitten zelf meer ongezond- en/of risicogedrag vertonen, zoals ongezond eten, weinig bewegen en roken, en hiermee een ongewenste voorbeeldfunctie voor hun kind vertonen.

Gegeven de relatie tussen ouderlijk welzijn en de ontwikkeling van het kind, kan het bevorderen van positief psychosociaal welzijn onder ouders mogelijk bijdragen aan het voorkomen van ongezonde en/of risicogedragingen en daaraan gerelateerde gezondheidsuitkomsten. Gezondheidsinterventies doen er daarom goed aan om te verkennen wat de mogelijkheden zijn tot het integreren van ouderlijk welzijn in hun programma. Enkele programma’s experimenteerden al met een geïntegreerde oudercomponent, zoals de Group Triple P obesitasinterventie. Deze module, gericht op stress en negatieve emoties in de opvoeding, werd door zowel ouders als professionals positief beoordeeld.9

Daarnaast loopt op de Radboud Universiteit het overgewichtpreventieprogramma Samen Happie!, waarin ook aandacht wordt besteed aan het welzijn van ouders. Een van de doelen van dit project is om te onderzoeken welke rol het welzijn van ouders speelt in de opvoeding die zij hun kind geven. Tegelijkertijd proberen we het welbevinden van ouders een boost te geven via oefeningen op het gebied van mindful ouderschap, positieve emoties en stressreductie. Deze krijgen ouders aangeboden via de Samen Happie! app en ouderbijeenkomsten. Op 28 november 2019 vindt bij de Radboud Universiteit het mini symposium “Gezond opvoeden: Hoe help je ouders op weg?” plaats, waarin het Samen Happie! project uitgebreid aan bod zal komen. Het volledige programma voor die middag vind je hier. Wil je op de hoogte blijven van het project of meer informatie ontvangen? Stuur dan een mailtje naar samenhappie@ru.nlof meld je aan voor het symposium.

Deze blog werd geschreven door Levie Karssen (junior onderzoeker bij het Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

1. Musick, K., Meier, A., & Flood, S. (2016). How parents fare: Mothers’ and fathers’ subjective wellbeing in time with children. American Sociological Review, 81, 1069-1095.
2. Herbst, C. M., & Ifcher, J. (2016). The increasing happiness of US parents. Review of Economics of the Household14, 529-551.
3. Wilson, S., & Durbin, C. E. (2010). Effects of paternal depression on fathers’ parenting behaviors: A meta-analytic review. Clinical Psychology Review30, 167-180.
4. Kuckertz, J. M., Mitchell, C., & Wiggins, J. L. (2018). Parenting mediates the impact of maternal depression on child internalizing symptoms. Depression and Anxiety35, 89-97.
5. Goulding, A. N., Rosenblum, K. L., Miller, A. L., Peterson, K. E., Chen, Y. P., Kaciroti, N., & Lumeng, J. C. (2014). Associations between maternal depressive symptoms and child feeding practices in a cross-sectional study of low-income mothers and their young children. International Journal of Behavioral Nutrition and Physical Activity11, 75.
6. Rodgers, R. F., Paxton, S. J., McLean, S. A., Campbell, K. J., Wertheim, E. H., Skouteris, H., & Gibbons, K. (2014). Maternal negative affect is associated with emotional feeding practices and emotional eating in young children. Appetite80, 242-247.
7. O’Connor, S. G., Maher, J. P., Belcher, B. R., Leventhal, A. M., Margolin, G., Shonkoff, E. T., & Dunton, G. F. (2017). Associations of maternal stress with children’s weight‐related behaviours: A systematic literature review. Obesity Reviews18, 514-525.
8. Murray, L., Kempton, C., Woolgar, M., & Hooper, R. (1993).  Depressed mothers’ speech to their infants and its relation to infant gender and cognitive development. Journal of Child Psychology and Psychiatry34, 1083– 1101.
9. Van Mourik, K., Crone, M. R., & Reis, R. (2018). Relevance of the intervention module “Coping with stress and unhelpful emotions” for parents living in multi-ethnic deprived neighborhoods. Children and Youth Services Review, 88, 426-433.

‘Een wijntje drinken tijdens de zwangerschap, ik doe het soms…’

‘Geen alcohol drinken vóór, tijdens en ná de zwangerschap als je borstvoeding geeft’, het lijkt een vanzelfsprekend advies van de Gezondheidsraad1 gezien de negatieve gezondheidsgevolgen voor het ongeboren kind. Echter, uit de cijfers over alcoholgebruik vóór en tijdens de zwangerschap van de Monitor Middelengebruik en Zwangerschap – uitgevoerd door het Trimbos-instituut in 2016 en 20182 – blijkt dit advies voor sommigen moeilijker uitvoerbaar dan je zou denken, zeker onder hoogopgeleide Westerse vrouwen.

Alcohol vóór de zwangerschap
Hoewel de meerderheid van de vrouwen geen alcohol drinkt vanaf het moment dat ze weten dat ze zwanger zijn, heeft 44% van de vrouwen in de vier weken vóór de zwangerschap alcohol gedronken. Van de vrouwen die vóór de zwangerschap alcohol hebben gedronken, dronk 1,7% (bijna) dagelijks, 37% wekelijks, 42% enkele keren en 19% enkele slokjes. Het gaat dan om gemiddeld minder dan twee glazen per keer.2 Vooral 30-34 jarige vrouwen drinken alcohol vóór de zwangerschap en lopen daarmee een verhoog risico op een miskraam en foetale sterfte.3

Alcohol tijdens de zwangerschap
Vanaf het moment dat vrouwen weten dat ze zwanger zijn, vind er een daling plaats van het alcoholgebruik tot 4,2%. Het gaat dan in de meeste gevallen om het drinken van een slokjes alcohol. Vrouwen die alcohol drinken tijdens de zwangerschap lopen een verhoogd risico op miskramen, foetale sterfte en vroeggeboorte van het ongeboren kind. Daarnaast kan het geboren kind een laag geboortegewicht hebben en een achterstand in de motorische ontwikkeling oplopen. Bovendien wordt de kans op het Foetaal Alcohol Syndroom (FAS) groter als vrouwen overmatig drinken (i.e., > 14 glazen per week) of binge drinken (i.e., het drinken van ≥ 5 glazen per gelegenheid).2 Kinderen met FAS kunnen blijvende mentale en fysieke problemen hebben.4

Alcohol ná de zwangerschap
Nederlandse prevalentiecijfers omtrent het alcoholgebruik bij vrouwen die borstvoeding geven ontbreken. Er wordt geschat dat ongeveer de helft van de Westerse vrouwen die borstvoeding geven alcohol drinkt.5 Het geboren kind die via borstvoeding alcohol binnen heeft gekregen, drinkt niet alleen minder moedermelk, maar krijgt ook een ander slaap- waakritme. Er wordt aanbevolen om direct na het drinken van één standaardglas alcohol (i.e., bevat 10 gram ethanol in Nederland) gedurende drie uur geen borstvoeding te geven en geen moedermelk af te kolven voor latere voedingen. Bij het drinken van meer glazen alcohol wordt de duur van die periode langer (i.e., het aantal standaardglazen * drie uur = tijd geen borstvoeding/kolven).3

Alcoholvrij Zwanger
Heb je het warm gekregen met je groeiende buik of lacterende borsten na het lezen van bovenstaande, check dan de gratis cursus ‘Alcoholvrij Zwanger’: www.alcoholvrijzwanger.nl. Deze cursus richt zich op zwangere vrouwen die meer willen weten over alcohol tijdens de zwangerschap en biedt informatie, filmpjes, vragen en persoonlijke adviezen. Hoewel jouw geheugen je nu wellicht soms in de steek laat, onthoud dat geen alcohol drinken vóór, tijdens en ná de zwangerschap het beste is voor de gezondheid van jouw (ongeboren) kind.

Foto_zwanger_alcohol.jpg

Meer weten over Alcohol en Zwangerschap? Check de website van het Expertisecentrum Alcohol waar betrouwbare en toegankelijke wetenschappelijke kennis omtrent alcohol en alcoholpreventie voor professionals wordt gegeven: https://expertisecentrumalcohol.trimbos.nl/

Deze blog werd geschreven door Carmen Voogt (Trimbos-instituut en Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

  1. Gezondheidsraad (2015). Richtlijnen goede voeding 2015. Den Haag: Gezondheidsraad.
  2. Tuithof, M., Siauw, R., van Dorsselaer, S., & Monshouwer, K. (2017). Factsheet Monitor Zwangerschap en Middelengebruik. Utrecht: Trimbos-instituut.
  3. Gezondheidsraad (2005). Risico’s van alcoholgebruik bij conceptie, zwangerschap en borstvoeding. Den Haag: Gezondheidsraad
  4. Popova, S., Lange, S., Shield, K., Mihic, A., Chudley, A. E., Mukherjee, R. A., … & Rehm, J. (2016). Comorbidity of fetal alcohol spectrum disorder: a systematic review and meta-analysis. The Lancet, 387(10022), 978-987.
  5. Haastrup, M. B., Pottegård, A., & Damkier, P. (2014). Alcohol and breastfeeding. Basic & clinical pharmacology & toxicology, 114(2), 168-173.

Boek: Eetgedrag in balans

We worden overspoeld door een enorm aanbod van ongezonde en goedkope voedselverleidingen. Er zijn cafetaria’s op iedere hoek van de straat en in supermarkten ligt een overdaad aan snoepgoed. Om met deze ongezonde omgeving met voedselverleidingen om te gaan, heb je extra kennis en handvatten nodig om kinderen gezond op te voeden. Wetenschappelijke kennis over een gezonde eetopvoeding vindt haar weg niet altijd naar de praktijk. En dat is erg jammer, want er is al veel over bekend. Deze blog gaat over het boek “Eetgedrag in balans”, waarin een brug tussen wetenschap en praktijk wordt gemaakt. In het boek wordt aandacht besteed aan het vinden van de juiste balans als opvoeder in de mate van controle die je uitoefent op het eetgedrag van kinderen. Kinderen te veel dwingen om bijvoorbeeld groente te proeven of kinderen verbieden om bepaalde producten te eten werkt namelijk niet.

In het boek vind je tips die je kunt toepassen om ervoor te zorgen dat het makkelijker wordt voor kinderen om een gezond eetpatroon aan te leren. Zo wordt bijvoorbeeld besproken hoe je groente herhaaldelijk aanbiedt. Hierbij kun je bijvoorbeeld denken aan de variatie in momenten, de hoeveelheid en de combinatie met andere educatieve informatie (zoals groente en fruit boekjes en speelgoed) die je aanbiedt. Ook wordt besproken hoe je kinderen kunt aanmoedigen om groente en fruit te eten en hoe je kinderen vervolgens ook kunt belonen als ze daadwerkelijk een hapje proberen te proeven. De rol van de opvoeder wordt hierbij centraal gesteld. Je eigen gedrag, emoties en uitleg die je geeft als opvoeder kunnen bijvoorbeeld actief worden ingezet om kinderen te stimuleren. Als je bijvoorbeeld blij kijkt als je een hapje proeft, zullen kinderen ook sneller geneigd zijn om een hapje te proeven. Op identieke wijze zullen kinderen ook geneigd zijn om je ongezonde gedragingen als opvoeder over te nemen.

In “Eetgedrag in balans” wordt ook besproken hoe je er juist voor kunt zorgen dat kinderen niet te veel eten. Zo kun je als rolmodel bijvoorbeeld letten op wat, wanneer, hoeveel en hoe snel je eet. Naast je eigen gedrag, emoties en uitleg die je geeft, zijn regels ook belangrijk om te voorkomen dat kinderen te veel eten. Dit geldt zeker naarmate kinderen ouder worden. In het boek worden praktische tips gegeven waar je op kunt letten bij het invoeren van regels. Zo is het bijvoorbeeld belangrijk om regels positief te formuleren. Dus in plaats van: ‘Je mag niet twee biscuitjes’, zeg je: ‘Je mag 1 biscuitje’. Ook is het belangrijk om uit te leggen waarom je een regel hanteert, de regel consequent toe te passen en kinderen te belonen als ze zich aan de regel houden. In het boek worden ook praktische tips gegeven om de voedselomgeving vorm te geven. Zo kun je bijvoorbeeld kleinere borden gebruiken en kinderen daarbij zelf hun eigen eten laten opscheppen. Ook kun je de variatie van ongezond voedsel beperkt houden, buiten het zicht van kinderen opbergen en suikerhoudende drankjes standaard vervangen door water (met een smaakje). Dit klinkt misschien betuttelend, maar het vervangen van suikerhoudende drankjes door water is één van de meest simpele en consistente ‘dieet’-veranderingen die effect hebben op het terugdringen van overgewicht bij kinderen in de huidige ongezonde maatschappij.

Tot slot wordt in “Eetgedrag in balans” ingegaan op hoe je jouw kennis kunt delen met (andere) ouders door bijvoorbeeld op zoek te gaan naar een gedeelde motivatie en gedrag dat wel veranderd kan worden. Hier ligt naar mijn mening een belangrijke rol voor pedagogisch medewerkers en leerkrachten weggelegd.

Schermafbeelding 2019-07-01 om 18.20.23

Meer weten? Lees verder in het boek “Eetgedrag in balans”, dat onder andere verkrijgbaar is via bol.com.

Deze blog is geschreven door Dr. Junilla Larsen (Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs & dieet.

Drieling dol op Chinees eten – is voedselvoorkeur erfelijk bepaald?

Vorige week heb ik de indrukwekkende documentaire ‘Three Identical Strangers’ gezien. Deze documentaire gaat over 3 jongens die vlak na de geboorte geadopteerd zijn door drie verschillende gezinnen. Ze weten niets van elkaars bestaan. Totdat één van de jongens op 19-jarige leeftijd naar een nieuwe school gaat en daar door iedereen ‘herkend’ wordt. Zijn dubbelganger bleek het jaar daarvoor op die school gezeten te hebben. Ze ontdekken dat ze tweelingbroers zijn. Dit wordt groot nieuws en staat in alle kranten. Een leeftijdsgenoot ziet in de krant een foto staan van twee jongens die als twee druppels water op hemzelf lijken. Hij blijkt broer nummer drie te zijn… ze zijn een identieke drieling (zie foto1)! Het wordt een enorm mediacircus. Ze zijn te gast in talkshows, geven interviews en iedereen vindt het een geweldig verhaal. De gelijkenissen worden benadrukt, hun uiterlijk is identiek, hun gebaren zijn hetzelfde, ze roken hetzelfde merk sigaretten en ze houden alle drie van Chinees eten… Later blijken er ook wel verschillen te zijn, en de rest van de documentaire laat een droeviger verhaal zien2.

foto-three-identical-strangers.jpg

Een belangrijk onderdeel van de documentaire is de vraag waarom deze drie jongens in drie verschillende gezinnen werden geplaatst. Waarom konden ze niet bij elkaar blijven en samen opgroeien? En waarom wisten de jongens (en hun adoptie ouders) niet van het bestaan van de broers? In de documentaire is te zien dat het adoptiebureau de ontwikkeling van de jongens nauwgezet volgde. Tegen de adoptieouders werd gezegd dat ze wilden kijken of adoptiekinderen zich hetzelfde ontwikkelen als niet-geadopteerde kinderen. Echter, uit de documentaire blijkt dat de scheiding van de drieling onderdeel was van een psychologisch experiment van psycholoog Peter Neubauer3, die met dit experiment antwoord hoopte te vinden op de nature (aangeboren) versus nurture (aangeleerd) kwestie. Door genetisch identieke personen te plaatsen in verschillende omgevingen zou je kunnen zien wat belangrijker is voor hun ontwikkeling: hun erfelijke aanleg of de opvoeding. Een bizar en onethisch experiment wat in deze tijd ondenkbaar is.

Gelukkig zijn er andere manieren om de nature – nurture vraag te beantwoorden, bijvoorbeeld door het vergelijken van eeneiige en twee-eiige tweelingparen die samen in hetzelfde gezin opgegroeid zijn en op vrijwillige basis deelnemen aan wetenschappelijk onderzoek. Als eeneiige (genetisch identieke) tweelingparen meer op elkaar lijken dan twee-eiige tweelingparen (die de helft van hun genen delen) speelt erfelijke aanleg (ook) een rol. Op deze manier zijn al vele vragen beantwoord over de rol van erfelijke aanleg en opvoeding bij persoonlijkheid en gedrag (zie bijvoorbeeld een eerdere blog over rookgedrag4).

Momenteel buigen we ons over de vraag in hoeverre erfelijke aanleg een rol speelt bij de voorkeur voor bepaald voedsel. Lust je graag spruitjes? Of is sushi je lievelingseten? Engels onderzoek laat zien dat er voedingsclusters zijn (bijvoorbeeld fruit, vlees, sterke kruiden of zoete snacks) waar sommige mensen hoog in scoren en andere mensen lager, en dat erfelijke aanleg een rol speelt bij deze voorkeuren5. De drie jongens in de documentaire waren alle drie dol op Chinees eten. Is dat toeval? Op de avond dat ik de film ‘Three Identical Strangers’ bekeek at ik van te voren een hapje met Dorret Boomsma (oprichter van het NTR: Nederlands Tweelingen Register6), haar dochter en twee eeneiige tweelingparen: Kirsten (de student die het voedselvoorkeur onderzoek uitvoert) en haar tweelingzus Carmen, en Erik en Peter (net als de drieling in de film zijn Erik en Peter opgegroeid in verschillende gezinnen en hebben ze elkaar pas later leren kennen). Beide tweelingparen bestelden hetzelfde drankje, maar ze namen wel iets anders te eten… Kunnen we hier conclusies uit trekken? Om valide conclusies te trekken over de vraag of erfelijke aanleg een rol speelt bij voedselvoorkeur zijn zeer grote samples en betrouwbare vragenlijsten nodig. In samenwerking met het NTR analyseren we momenteel de rol van erfelijke aanleg bij voedselvoorkeur in bijna 8000 volwassen tweelingen. Laten we de resultaten van deze grote en valide studie maar afwachten voordat we conclusies trekken!

Deze blog is geschreven door Prof. dr. Jacqueline Vink (Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs & dieet.

Referenties
1. Bron foto: http://moveablefest.com/tim-wardle-three-identical-strangers/
2. Zie o.a. https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/three-identical-strangers-is-onrustbarende-en-droeve-film-over-menselijke-fascinatie-voor-het-meerlingschap~bd6734a7/
3. Wikipedia pagina over Peter Nuebauer: https://en.wikipedia.org/wiki/Peter_B._Neubauer
4. Blog: https://rad-blog.com/2016/06/13/roken-op-world-no-tobacco-day/
5. Sharafi M, Lachance G, Pirastu N, Mohney RP, MacGregor A, Feskens EJ, Duffy V, Spector TD, Menni C. Food Preference Patterns in a UK Twin Cohort. Twin Res Hum Genet. 2015 Dec;18(6):793-805.
6. Website Nederlands Tweelingen Register: https://tweelingenregister.vu.nl/

 

De (on)mogelijkheden van genetisch onderzoek naar verslaving

Er wordt enorm veel onderzoek gedaan naar de genetische oorzaken van middelengebruik en verslaving. Regelmatig verschijnt in de media bericht dat er genen zijn gevonden ‘voor’ bijvoorbeeld rookverslaving of cannabisgebruik. Maar wat kunnen we nou eigenlijk met deze informatie?

addiction genetics

Onmogelijk: genmodificatie
Een voor de hand liggende gedachte zou zijn om met de kennis die we nu hebben uiteindelijk methodes te ontwikkelen om ons genetisch materiaal aan te passen zodat we minder kans hebben om verslaafd te raken. Maar helaas: alle ethische en praktische kwesties nog daar gelaten is dit onmogelijk. Complex gedrag wordt door enorm veel genetische varianten beïnvloed, die allemaal maar een hele kleine invloed hebben. Deze varianten zijn niet alleen maar betrokken bij verslavingsgedrag, ze kunnen ook geassocieerd zijn met heel andere dingen. Dit heet ‘pleiotropie’ en zorgt ervoor dat verschillende kenmerken op genetisch niveau overlappen. Zo hebben we genetische varianten gevonden voor cannabisgebruik die ook invloed hebben op iemands persoonlijkheid en bijdragen aan een hoog opleidingsniveau1. Daar wil je liever niet aan knutselen!

Mogelijk: risicovoorspelling op groepsniveau
We kunnen ons genetisch materiaal dus niet veranderen, maar het zou ook al heel nuttig zijn als we konden bepalen hoe groot iemands genetische risico was om middelen te gebruiken of verslaafd te raken. Dit kunnen we doen aan de hand van de resultaten van genoomwijde associatie studies (GWAS). Dit zijn studies waarbij in het hele genoom wordt gekeken welke varianten een verband tonen met een kenmerk. Als we weten welke genetische varianten geassocieerd zijn met verslaving, kunnen we kunnen we per persoon een optelsom maken van het aantal risicovarianten (een zogenaamde ‘polygenetische risicoscore’) en daarmee voorspellen hoe groot de kans op verslaving is. Heel goed zijn deze voorspellingen helaas niet, vaak verklaren risicoscores slechts een paar procent van het verslavingsgedrag2. Daarom wordt dit alleen nog gedaan op groepsniveau in de onderzoekscontext.

Binnenkort mogelijk: risicovoorspelling in de praktijk
Als dit soort risicovoorspellingen preciezer wordt, zijn er veelbelovende mogelijkheden om deze toe te passen. Nu al bestaan er tests om te kijken of iemand een genetische variant heeft die geassocieerd is met de effectiviteit van een behandeling, zoals een test voor een OPRM1 variant die de effectiviteit van een medicijn tegen alcoholisme beïnvloedt3. Dit soort tests is nu nog beperkt zinvol, maar naarmate genetische testen goedkoper worden, de onderzoekspopulaties van genetisch onderzoek groter, en onze kennis van (zeldzame) genetische varianten rijker, is de kans groot dat we meer en meer precieze voorspellingen kunnen doen op basis van iemands DNA. Stel je voor dat we bijvoorbeeld met een krachtige polygenetische risicoscore konden bepalen of iemand gebaat zou zijn bij een behandeling om te stoppen met roken (iets wat in de onderzoekscontext al in beperkte mate lijkt te werken4), of dat we bij adolescenten al konden voorspellen wie er risico lopen op alcoholverslaving om onze preventies op hen te richten… Genetisch onderzoek zal in de toekomst enorm kunnen gaan bijdragen aan het bestrijden van middelengebruik en verslaving!

Deze blog werd geschreven door Joëlle Pasman (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Pasman, J. A., Verweij, K. J. H., Gerring, Z., Stringer, S., Sanchez-Roige, S., Treur, J. L., . . . Vink, J. M. (2018). GWAS of lifetime cannabis use reveals new risk loci, genetic overlap with psychiatric traits, and a causal influence of schizophrenia. Nature Neuroscience, 21(9), 1161-1170.
2. Vink, J. M., Hottenga, J. J., de Geus, E. J., Willemsen, G., Neale, M. C., Furberg, H., & Boomsma, D. I. (2014). Polygenic risk scores for smoking: predictors for alcohol and cannabis use? Addiction109(7), 1141-1151.
3. Sluiter, R. L., Kievit, W., van der Wilt, G. J., Schene, A. H., Teichert, M., Coenen, M. J., & Schellekens, A. (2018). Cost-effectiveness analysis of genotype-guided treatment allocation in patients with alcohol use disorders using naltrexone or acamprosate, using a modeling approach. European Addiction Research24(5), 245-254.
4. Musci, R. J., Masyn, K. E., Uhl, G., Maher, B., Kellam, S. G., & Ialongo, N. S. (2015). Polygenic score × intervention moderation: An application of discrete-time survival analysis to modeling the timing of first tobacco use among urban youth. Development and Psychopathology, 27(1), 111-122.

Liever te dik in de kist, dan een feestje gemist?

Iedereen kent het dilemma wel: je hebt een verjaardag en de gastheer vraagt of je een stukje taart wil. Je directe reactie is ‘ja lekker!’, maar een goede tweede reactie is ‘moet ik dat wel doen, want eigenlijk wil ik wat gezonder eten’. Dit soort keuzes maken we niet alleen tijdens verjaardagsvisites, maar gedurende de hele dag. Ga ik nu studeren voor goede studieresultaten of spreek ik gezellig met vrienden af? Rook ik nu een sigaret, ook al weet ik dat het slecht is voor mijn gezondheid? Welke kant het muntje op valt bij deze keuzes is individueel bepaald en hangt samen met de mate waarin we gevoelig zijn voor directe beloningen ten opzichte van beloningen in de toekomst1. Hoe vaak we kiezen voor deze directe of uitgestelde beloningen heeft natuurlijk een effect op ons gedrag en onze gezondheid2.

De onlangs overleden Walter Mischel was één van de eerste onderzoekers die het maken van dit soort keuzes onderzocht onder jonge kinderen. Hij deed dit door middel van het bekende Marshmallow Experiment3, waarbij hij kinderen in een ruimte zette en ze één marshmallow gaf die ze op mochten eten als ze dat wilden. Voordat hij de ruimte uitging vertelde hij de kinderen echter dat als ze het volhielden om vijftien minuten te wachten en de marshmallow niet zouden opeten, ze dan twee marshmallows zouden krijgen. Een ogenschijnlijk simpel experiment, maar met enorm grote implicaties. Hij toonde namelijk gedurende jarenlang onderzoek aan dat de kinderen die in dit experiment zwichtten voor de verleiding, minder goede resultaten lieten zien op andere gebieden. Het opeten van die ene marshmallow op jonge leeftijd is namelijk gelinkt aan slechtere studie resultaten, meer gezondheidsklachten, meer kans op ADHD, verslaving of overeten, en meer kans op psychische klachten op latere leeftijd4. Echter, het omgekeerde is ook waar: de kinderen die in staat waren om te wachten tot de 15 minuten om waren, laten juist betere uitkomsten zien op de lange termijn4.

foto radblog hanneke

Bij volwassenen onderzoeken we dit soort keuzes vaak met computertaken waarbij we proefpersonen vragen om een keuze te maken uit twee opties5. Als proefpersoon wordt je dan gevraagd te kiezen tussen een geldbedrag, bijvoorbeeld €10,-, dat je direct kan krijgen of een hoger geldbedrag, bijvoorbeeld €50,-, dat je ontvangt na een bepaalde wachtperiode, bijvoorbeeld twee weken. We leggen proefpersonen een heel aantal van dit soort keuzes voor waar we de bedragen en wachtperiode variëren, zodat we per individu kunnen berekenen wanneer zij voor de directe beloning gaan en wanneer voor de uitgestelde beloning5. Ook onder volwassenen is zeer betrouwbaar vastgesteld dat de mate waarin proefpersonen kiezen voor de directe beloning gelinkt is aan slechtere uitkomsten op cognitief, fysiek, psychologisch en emotioneel gebied6.

Hoe beter we dus in staat zijn om de directe verleiding te weerstaan en te kiezen voor een beloning in de toekomst, hoe meer kans op een succesvoller en gezonder leven. Sommige mensen zijn van nature beter in het weerstaan van verleiding, maar uit recent onderzoek blijkt dat het misschien ook mogelijk is om mensen te trainen hier beter in te worden7. Er zijn veel verschillende manieren om dit te trainen, maar het grootste gedeelte van deze trainingen is erop gericht om individuen te helpen focussen op de toekomst of hun toekomstige zelf8. Voordat we proefpersonen alle keuzes tussen directe en uitgestelde beloningen voorleggen, laten we ze eerst een verouderde versie van zichzelf zien. Hoewel je toekomstige zelf normaal best ver weg staat, komt die door zo’n soort manipulatie veel dichterbij. Het blijkt dan ook dat proefpersonen na het zien van hun verouderde zelf, vaker kiezen voor de uitgestelde beloning. Het concreter maken van de persoon die je later wordt, zorgt er dus voor dat mensen zich realiseren dat het ook wel fijn is als die persoon gezond is en daardoor wordt het gemakkelijker om de directe verleiding te weerstaan.

Hoewel dit heel veelbelovend onderzoek is, staat het nog maar in de kinderschoenen. Want: de effecten op zo’n computertaak staan natuurlijk niet garant voor effecten in het dagelijkse leven. Kiezen deze individuen ook daadwerkelijk vaker voor minder impulsieve en gezondere opties en heeft dat ook een direct effect op hun gedrag en gezondheid? Uiteindelijk kunnen dit soort trainingen mensen hopelijk de tools geven om een goede balans te vinden tussen soms een ja en soms een nee tegen dat verjaardagstaartje, omdat het leven ook vaak een feestje mag zijn!

Deze blog werd geschreven door Hanneke Scholten (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Ainslie, G. (1975). Specious reward: A behavioral theory of impulsiveness and impulse control. Psychological Bulletin, 82, 463-496. doi: 10.1037/h0076860
2. MacKillop, J., Amlung, M. T., Few, L. R., Ray, L. A., Sweet, L. H., & Munafò, M. R. (2011). Delayed reward discounting and addictive behavior: A meta-analysis. Psychopharmacology, 216, 305-321. doi: 10.1007/s00213-011-2229-0
3. Mischel, W., Ebbesen, E.B., & Zeiss, A.R. (1972). Cognitive and attentional mechanisms in delay of gratification. Journal of Personality and Social Psychology, 21, 204–18. doi: 10.1037/h0032198
4. 
Mischel, W., Ayduk, O., Berman, M. G., Casey, B. J., Gotlib, I. H., Jonides, J., … & Shoda, Y. (2010). ‘Willpower’over the life span: Decomposing self-regulation. Social Cognitive and Affective Neuroscience, 6, 252-256. doi: 10.1093/scan/nsq08
5. 
Green, L., & Myerson, J. (2004). A discounting framework for choice with delayed and probabilistic rewards. Psychological Bulletin, 130, 769–792. doi: 10.1037/0033-2909.130.5.769
6. Bickel, W. K. (2015). Discounting of delayed rewards as an endophenotype. Biological Psychiatry, 77, 846-847.
7. Koffarnus, M. N., Jarmolowicz, D. P., Mueller, E. T., & Bickel, W. K. (2013). Changing delay discounting in the light of the competing neurobehavioral decision systems theory: A review. Journal of Experimental Analysis of Behavior, 99, 32-57. doi: 10.1002/jeab.2.
8. Kuo, H. C., Lee, C. C., & Chiou, W. B. (2016). The power of the virtual ideal self in weight control: Weight-reduced avatars can enhance the tendency to delay gratification and regulate dietary practices. Cyberpsychology, Behavior, and Social Networking, 19, 80-85. doi: 10.1089/cyber.2015.0203.

Op weg naar een gezonder Nederland…

‘Een gezonder Nederland… Dat is wat we willen bereiken’. Een duidelijke boodschap, met visie voor de toekomst. Deze boodschap komt rechtstreeks uit de inleiding van het onlangs uitgebrachte Nationaal Preventieakkoord (VWS, 2018). Het akkoord richt zich op een pakket aan maatregelen en interventies om problematisch alcoholgebruik, roken en overgewicht terug te dringen. Een voorbeeld van gedegen preventie vond men in IJsland. Het afgelegen eiland heeft een preventie aanpak die ook beschreven wordt in het Nationaal Preventieakkoord. Dit is niet verrassend, want in IJsland is een spectaculaire afname van middelengebruik onder jongeren waargenomen.

Twintig jaar geleden stond IJsland bekend als het land waar jongeren veel alcohol dronken en veel rookten. Er is vanuit de IJslandse overheid gekozen voor een rigoureuze aanpak om het middelengebruik onder jongeren aan te pakken.De gedachte die hieraan ten grondslag lag was dat preventie zich moest richten op een aantal (wetenschappelijk bewezen) beschermende factoren van middelengebruik. Denk hierbij aan communicatie met ouders2, sociale betrokkenheid en participatie in sport.3

Jongeren in IJsland vullen jaarlijks een vragenlijst in met onderwerpen als middelengebruik, de relatie met ouders en vrijetijdsbesteding. De informatie uit deze vragenlijst wordt vertaald naar een aanpak die gedragen wordt door zowel wetenschap, beleidsvoerders en de praktijk. Bij de IJslandse aanpak wordt ingezet op 1) het snel verspreiden van de bevindingen uit de vragenlijsten, 2) gepast advies op gemeenschapsniveau (bijvoorbeeld aan scholen en buurten) en 3) het creëren van betrokkenheid op gemeenschapsniveau. Deze aanpak faciliteert een vlotte vertaling naar de praktijk waarbij men zich richt op het verminderen van risico’s en het versterken van beschermende factoren.

Succesvolle voorbeelden hiervan zijn het instellen van buurtbewaking na 8 uur en ervoor zorgen dat jongeren een betere vrijetijdsbesteding hebben. Zo trekt men jaarlijks 300 euro per kind uit om uit te geven aan sport en recreatie. En dat dit succesvol is, blijkt weer uit later onderzoek wat heeft aangetoond dat het IJslandse preventiemodel geassocieerd is met een afname in middelengebruik.3 Nu wordt er door IJslandse jongeren vergeleken met andere Europese langen juist het minst gedronken en gerookt. Dronkenschap in de afgelopen maand is bij 15 en 16-jarigen gedaald van 43% naar 5% in en dagelijks roken is gedaald van 23% naar 3%.

ijsland figuur

Uiteraard verschilt Nederland in een aantal opzichten met IJsland (naast een andere cultuur heeft IJsland bijvoorbeeld maar 300.000 inwoners). Momenteel wordt onderzocht wat de werkzame elementen zijn van de IJslandse aanpak voor Nederland en hoe zij geïmplementeerd kunnen worden. Zo voert bijvoorbeeld het Trimbos-instituut in samenwerking met het Nederlands Jeugd Instituut (NJI) een pilot onderzoek uit (een test) waarbij dergelijke vragenlijsten ingezet worden in zes gemeenten in Nederland.Het doel hiervan is om een overzicht te krijgen wat voor risicogebieden voor jongeren aangepakt kunnen worden en evalueren op wat voor manier een dergelijke aanpak in Nederland ingezet kan worden.

Preventie is een cruciaal element in het verminderen van risicogedrag zoals problematisch alcoholgebruik.Het Nationaal Preventieakkoord vormt daardoor een belangrijke stap voor het voorkomen van gezondheidsschade ten gevolge van alcoholgebruik, roken en obesitas in Nederland.

Deze blog werd geschreven door Koen Smit (Trimbos Instituut / Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Sigfusdottir ID, Kristjansson AL, Thorlindsson T, Allegrante JP (2008). Trends in prevalence of substance use among Icelandic adolescents, 1995–2006. Subst Abuse Treat Prev Policy 3:12.
2. Ryan SM, Jorm AF, Lubman DI, Ryan M, Jorm F, Lubman I (2010). Parenting factors associated with reduced adolescent alcohol use: a systematic review of longitudinal studies. Aust N Z J Psychiatry 44:774–783.
3. Kristjansson AL, Sigfusdottir ID, Thorlindsson T, Mann MJ, Sigfusson J, Allegrante JP (2016). Population trends in smoking, alcohol use and primary prevention variables among adolescents in Iceland, 1997-2014. Addiction 111:645–652.
4. Catalano RF, Fagan AA, Gavin LE, Greenberg MT, Irwin CE, Ross DA, Shek DTL (2012). Worldwide application of prevention science in adolescent health. Lancet (London, England) 379:1653–64.
5. Website: https://www.trimbos.nl/actueel/nieuws/bericht/nederlandse-gemeenten-experimenteren-met-ijslandse-aanpak-middelengebruik

Op weg naar een rookvrije generatie

De beweging ‘op weg naar een rookvrije generatie’ is het afgelopen jaar veel in het nieuws geweest. De rookvrije generatie is een initiatief van de Hartstichting, KWF kankerbestrijding en het Longfonds. Samen met organisaties, het publiek en de politiek willen zij inzetten op de bescherming van onze kinderen tegen rook uit de omgeving. Dit is van groot belang, omdat meerokende kinderen een grotere kans hebben om later zelf te gaan roken1,2. Uit onderzoek weten we dat een deel van de niet-rokende jongeren meer symptomen van nicotine afhankelijkheid rapporteren op het moment dat er meer gerookt wordt in hun sociale omgeving3,4,5. Bij nicotine afhankelijkheid symptomen kun je bijvoorbeeld denken aan ‘craving’. Craving betekent in dit geval dat je heel erg veel zin hebt in een sigaret. Meeroken kan dus leiden tot het ontwikkelen van symptomen van nicotineafhankelijkheid, zelfs wanneer jongeren zelf niet roken.

plaatje-rookvrije-generatie.jpg

Daarnaast zet de beweging in op het verminderen van de verleiding om te beginnen met roken door bijvoorbeeld het beperken van de promotie van de verkoop van tabaksproducten. Dit omdat eerder onderzoek heeft uitgewezen dat tabaksdisplays visuele prikkels vormen die bij rokers het verlangen naar een sigaret kunnen stimuleren6. Daarnaast hebben studies aangetoond dat met name jongeren gevoelig zijn voor tabaksreclame. Er zijn aanwijzingen dat de kans op beginnen met roken onder jongeren vergroot wordt door een verhoogde blootstelling aan tabaksdisplays7,8. Inzetten op het verminderen van de verleiding om te beginnen met roken is dus erg belangrijk.

In het onlangs gelanceerde preventie akkoord wordt gestreefd naar een rookvrije generatie in 2040, wat betekent dat over grofweg 20 jaar geen enkele jongere nog rookt. Om dit te realiseren is verandering nodig. Zo werd vorig jaar in de media bericht dat er in verschillende gemeenten initiatieven gaande zijn om zones in te stellen met een rookverbod. De gemeente Groningen is de eerste gemeente in Nederland met rookvrije zones. Het gaat hier om een rookverbod in tientallen straten, op stoepen en bij bushaltes in de buurt van ziekenhuizen, scholen, theaters, kinderdagverblijven en speeltuinen waar al een rookverbod geldt. Op de website van de beweging ‘op weg naar een rookvrije generatie’ https://rookvrijegeneratie.nl/zij-zijn-op-weg/ staan als inspiratie een aantal mooie voorbeelden van mensen, organisaties en gemeenten die zich inzetten voor een rookvrije generatie. Als werknemer van het Trimbos-instituut kan ik met trots zeggen dat deze organisatie sinds 2019 ook rookvrij is. Ook dit is weer een mooie verandering op weg naar een rookvrije generatie, waarbij elke bijdrage helpt. Wil jij nou ook een rookvrije organisatie, kijk dan voor tips over hoe jij jouw organisatie rookvrij kunt maken op https://www.trimbos.nl/themas/stoppen-met-roken1/rookbeleid-in-organisaties/

Deze blog werd geschreven door Joyce Dieleman (Radboud Universiteit en Trimbos Instituut) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Leonardi-Bee, J. et al. (2011). Exposure to parental and sibling smoke and the risk of smoking uptake in childhood and adolescence: a systematic review and meta-analysis. Thorax, 66, 847-855.
2. Voorhees, C. C. et al. (2011). Peers, tobacco advertising, and secondhand smoke exposure influences smoking initiation in diverse adolescents. American Journal of Health Promotion, 25, 1-11.
3. Schuck, K. et al. (2010). Responses to environmental smoking in never-smoking children: can symptoms of nicotine addiction develop in response to environmental tobacco smoke exposure? Journal of Psychopharmacology, 27(6), 533-540
4. Bélanger, M. et al. (2008). Nicotine dependence symptoms among young never-smokers exposed to secondhand tobacco smoke. Addictive Behaviors, 33, 1557-1563.
5. McGrath, J.J. et al (2018). Airborne Nicotine, Secondhand Smoke, and Precursors to Adolescent Smoking. Pediatrics, 141, S63:S74.
6. Carter, B.L. and Tiffany, S.T. (1999). Meta-analysis of cue-reactivity in addiction research. Addiction 94, (3), 327- 340
7. Carter, O.B., Mills, B.W., and Donovan, R.J. (2009). The effect of retail cigarette pack displays on unplanned purchases: results from immediate postpurchase interviews. Tob Control 18, (3), 218-221
8. Clattenburg, E.J., Elf, J.L., and Apelberg, B.J. (2013). Unplanned cigarette purchases and tobacco point of sale advertising: a potential barrier to smoking cessation. Tob Control 22, (6), 376-381

Geen frisdrank met suiker meer verkrijgbaar op scholen: een goede stap in de strijd tegen suikerhoudende drankjes

De consumptie van suikerhoudende drankjes is ontzettend hoog onder jongeren1. Onder suikerhoudende drankjes vallen niet alleen energie- en frisdranken, maar ook vruchtendrankjes, sportdrankjes, zoete zuiveldrankjes en koffie en thee mét suiker2. Wij Nederlanders, consumeren dagelijks gemiddeld 35 gram suiker alleen al uit suikerhoudende drankjes2. Dit terwijl de totále aanbevolen hoeveelheid suiker per dag 25 gram is3. Dit betekent dus dat wij met het drinken van alleen suikerhoudende drankjes al ver boven de aanbevolen hoeveelheid suiker zitten. Uit een Amerikaans onderzoek bleek dat deze consumptie van suikerhoudende drankjes onder jongeren zelfs nog hoger was. Jongens consumeerde gemiddeld 68 gram suiker per dag aan suikerhoudende drankjes en meisjes 43 gram per dag4. Deze hoge consumptie van suikerhoudende drankjes is zorgwekkend, aangezien deze gepaard gaat met gezondheidsrisico’s zoals overgewicht en obesitas, maar daarnaast ook een vergroot risico geeft op hart- en vaatziekten, verhoogde tandcariës en een slechte geestelijke gezondheid5. Het is dus belangrijk dat er verandering komt in het drinkgedrag van suikerhoudende drankjes onder jongeren. De vraag is alleen, hoe doen we dat?

Plaatje_Emilie

Een jaar geleden was het een hot topic in meerdere kranten “Geen suikerhoudende frisdrank meer op school”6, “Verkoop suikerhoudende frisdrank op middelbare scholen stopt”7 en “Ongezonde frisdranken verdwijnen van scholen”8. In alle krantenartikel wordt gepleit dat frisdrankproducenten eind 2018 stoppen met het leveren van frisdrank aan scholen, light-frisdranken worden nog wel geleverd9. Dit betekent dat het bijna zo ver zou moeten zijn, het kopen van suikerhoudende frisdranken op scholen is over een paar maanden niet meer mogelijk.

Het Voedingscentrum geeft aan dat dit een goede stap is in de strijd tegen overgewicht10. Als we willen dat onze kinderen gezonder gaan eten en drinken is het belangrijk dat ze op school ook enkel gezond eten en drinken kunnen krijgen. Kinderen brengen immers een groot deel van hun tijd door op school. Wanneer gezond eten en drinken de norm wordt, wordt het voor de kinderen makkelijker een gezond eet- en drinkpatroon te ontwikkelen10. Echter, is het de vraag of de afschaffing van frisdranken op alleen school genoeg is om de consumptie te verminderen.

Niet alleen de aanwezigheid van frisdrank op scholen speelt een belangrijke rol, maar ook de invloed van ouders is belangrijk in de consumptie van suikerhoudende drankjes. Met name omdat zij het makkelijk maken om suikerhoudende dranken te drinken wanneer deze thuis aanwezig zijn12,13. Wanneer kinderen makkelijk toegang hebben tot suikerhoudende dranken, is de kans veel groter dat zij deze ook zullen gaan drinken. Daarnaast spelen ouders mogelijk ook een belangrijke rol door ‘modelling’. Bij het modelling mechanisme, doet het kind het gedrag van de ouder na. Wanneer het kind dus ziet dat de ouder veel frisdrank drinkt, is de kans groter dat het kind dit ook gaat doen14.

Kortom, er zijn verschillende factoren die van invloed lijken te zijn op de consumptie van suikerhoudende drankjes bij jongeren. Het afschaffen van frisdranken op scholen lijkt een goede stap te zijn in de strijd tegen overgewicht. Op dit moment wordt er bij de Radboud Universiteit onderzoek gedaan naar de invloed van vrienden en ouders op de consumptie van suikerhoudende drankjes bij jongeren. Hopelijk kan dit onderzoek nog meer inzichten geven in de (veranderende) rol van ouders en vrienden bij de consumptie van de suikerhoudende drankjes door jongeren, en daarmee leiden tot nieuwe interventies.

Deze blog werd geschreven door Emilie van Tetering, master student Pedagogische Wetenschappen en Onderwijskunde, Radboud Universiteit.

Referenties
1. Grimm, G. C., Harnack, L., & Story, M. (2004). Factors associated with soft drink consumption in school-aged children. Journal of the American Dietetic Association, 104, 1244-9. doi:10.1016/j.jada.2004.05.206
2. Sluik, D., Engelen, A., & Feskens, E. (2013). Suikerconsumptie in Nederland. Resultaten uit de Nederlandse voedselconsumptiepeiling 2007-2010. Wageningen University and Research Centre.
3. Kenniscentrum Suiker & Voeding. Hoeveel suikers eten we gemiddeld in Nederland. Retrieved from: http://www.kenniscentrumsuiker.nl/faq/131-faq/635-hoeveel-suikers-eten-we-gemiddeld-in-nederland
4. Park, S., Blanck, H. M., Sherry, B., Brener, N., & O’Toole, T. (2012). Factors associated with sugar-sweetened beverage intake among united states school. The Journal of Nutrition, 142(2), 306-312. doi:10.3945/jn.111.148536
5. Van der Horst, K., Kremers, S., Ferreira, I., Singh, A., Oenema, A., & Brug, J. (2007). Perceived parenting style and the consumption of sugar-sweetened beverages by adolescents. Health Education Research, 22, 295-304. doi:10.1093/her/cyl080
6. De Telegraaf. (2017, 6 september). Geen suikerhoudende frisdrank meer op school. Geraadpleegd van https://www.telegraaf.nl/nieuws/333968/geen-suikerhoudende-frisdrank-meer-op-school.
7. Rtl Nieuws. (2017, 6 september). Verkoop suikerhoudende frisdrank op scholen stopt. Geraadpleegd van https://www.rtlnieuws.nl/nederland/artikel/2602386/verkoop-suikerhoudende-frisdrank-op-middelbare-scholen-stopt
8. Bouwman, C. (2017, 6 september). Ongezonde frisdranken verdwijnen van scholen. Geraadpleegd van https://www.nrc.nl/nieuws/2017/09/06/ongezonde-frisdranken-verdwijnen-van-scholen-a1572408
9. Nederlandse Vereniging Frisdranken, Waters, Sappen. (2017, 5 september). Forse aanpassingen op frisdrank assortiment op middelbare scholen. Geraadpleegd van http://www.frisdrank.nl/nieuws/forse-aanpassing-frisdrankassortiment-op-middelbare-scholen
10. Het Voedingscentrum. (2017, 6 september). Minder suiker in frisdranken op school goede stap in strijd tegen overgewicht. Geraadgpleegd van https://www.voedingscentrum.nl/nl/nieuws/geen-suikerhoudende-dranken-meer-op-middelbare-scholen.aspx.
11. Treur, J. L., Boomsma, D. I., Ligthart, L., Willemsen, G., & Vink, J. M. (2016). Heritability of high sugar consumption through drinks and the genetic correlation with substance use. The American Journal of Clinical Nutrition, 104, 1144-50.
12. Patrick, H., & Nicklas, T. A. (2005). A review of family and social determinantns of children’s eating patterns and diet quality. Journal of the American College of          Nutrition, 24, 83-92. doi:10.1080/07315724.2005.10719448
13. Van Lippevelde, W., Te Velde, S. J., Verloigne, M., De Bourdeaudhuij, I., Manios, , Bere, E., . . . Maes, L. (2013). Associations between home- and family-related factors and fruit juice and soft drink intake among 10- to 12- year old children. The ENERGY project. Appetite, 61, 59-65.doi:10.1016/j.appet.2012.10.019
14. Tibbs, T., Haire-Joshu, D., Schechtman, K.B., Brownson, R.C., Nanney, M.S., Houston, C., & Auslander, W. (2001). The relationship between parental   modeling, eating patterns, and dietary intake among African-American parents. Journal of the Academy of Nutrition and Dietetics, 101, 535-541. doi:10.1016/S0002-8223(01)00134-1