Categorie: blog

Onderzoek in de school

Een aanzienlijk deel van het onderzoek naar middelengebruik en eetgedrag richt zich op jongeren. En dat is niet geheel toevallig. Uit onderzoek blijkt immers dat jongeren meer risicogedrag vertonen dan jongere kinderen en volwassenen. Zo wordt bijvoorbeeld het eerste glas alcohol in de meeste gevallen tijdens de adolescentie gedronken, en ook de eerste sigaret wordt vaak opgestoken in deze fase van het leven. Daarnaast gaan jongeren in deze ontwikkelingsfase steeds meer experimenteren met het eten van suiker- en/of vetrijke voeding, zoals de welbekende energiedrankjes en frikandelbroodjes.

Een groot aantal wetenschappelijke studies heeft al verschillende factoren geïdentificeerd die van invloed kunnen zijn op het middelengebruik en het eetgedrag van jongeren. Zo blijkt bijvoorbeeld de mate waarin jongeren hun impulsen kunnen onderdrukken en de mate waarin zij op zoek zijn naar spanning en sensatie in hun omgeving gerelateerd te zijn aan de mate waarin zij dergelijk risicovol gedrag laten zien. In de laatste jaren richt onderzoek zich echter steeds vaker niet enkel op deze individuele factoren van jongeren zelf, maar ook op de invloed van de omgeving waarin jongeren zich bevinden.

Eén van de belangrijkste omgevingen van jongeren is de schoolomgeving, een omgeving waar jongeren zich 5 dagen per week bevinden. Tijdens de lessen en de pauzes, maar ook buiten schooltijd om, brengen jongeren hier een steeds groter deel van hun tijd door met klasgenoten. Aangezien het voor jongeren erg belangrijk is om vriendschappen te sluiten, en om “erbij” te horen en geaccepteerd te worden door leeftijdgenoten, richt steeds meer onderzoek zich op de invloed van klasgenoten op het gedrag van jongeren. Bij dit type onderzoek ligt de focus zeker niet altijd enkel op de academische prestaties van jongeren, maar ook steeds vaker op middelengebruik van jongeren. Zo lijkt bijvoorbeeld het alcoholgebruik en het rookgedrag van jongeren samen te hangen met dat van hun van hun vrienden op school.

foto_scholen_netwerk.jpg

Om te onderzoeken of schoolvrienden ook het eetgedrag van jongeren beïnvloeden, hebben onderzoekers van het Behavioural Science Institute (BSI) van de Radboud Universiteit het “G(V)OED voor elkaar!” onderzoek opgezet. Middels vragenlijsten wordt bij jongeren op school nagevraagd hoe frequent ze bepaalde gezonde en ongezonde producten consumeren. Ook wordt nagegaan wie hun (beste) vrienden zijn in de klas. Zo kan onderzocht worden of het eetgedrag van jongeren en dat van hun (beste) vrienden gerelateerd zijn aan elkaar. Daarnaast wordt onderzocht of bepaalde typen jongeren meer ontvankelijk zijn voor de invloed van vrienden. Zo kan gedacht worden aan jongeren die een lager welbevinden ervaren of jongeren met ouders die minder regels hebben over het eetgedrag van hun kinderen. Voor dit onderzoek volgen we ongeveer 700 jongeren en hun ouders over de eerste jaren van de middelbare school, om ook eventuele veranderingen over de tijd in kaart te kunnen brengen. In het voorjaar van 2020 staat de vierde en laatste meetronde van dit onderzoek op de planning.

Naast dit type onderzoek naar middelengebruik en eetgedrag, wordt er binnen het BSI nog veel meer onderzoek gedaan naar gedrag binnen de schoolcontext. Zo wordt er onderzoek gedaan naar onder andere pestgedrag, de ontwikkeling van taalvaardigheden, de inclusie van leerlingen met beperkingen, en sombere en angstige gevoelens die jongeren kunnen ervaren. Aangezien dit onderzoek van grote relevantie kan zijn voor de praktijk en we graag onze samenwerking met scholen verduurzamen, presenteren we als BSI zijnde graag de “BSI Scholen Netwerk Middag” op 31 januari 2020. Een netwerkdag voor, door en samen met scholen rondom gedragsonderzoek bij kinderen en jongeren tot en met 18 jaar, waarop praktijkpartners worden uitgenodigd om een kijkje te nemen in de keuken van ons onderzoek. In verschillende interactieve informatiesessies komen diverse onderzoeksonderwerpen aan bod. Wilt u graag meer informatie over deze middag of wilt u zich graag aanmelden? Dan kunt u terecht op deze website. Wellicht tot dan!

Deze blog werd geschreven door Nina van den Broek (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Ouderlijk welzijn in de opvoeding van jonge kinderen: A “two-way street” met implicaties voor gezondheidsinterventies

Vraag een ouder wat hem of haar het meest gelukkig maakt en het antwoord luidt: “Mijn kind(eren)!”. Er zijn inderdaad studies die aantonen dat ouders hogere welzijnscijfers rapporteren tijdens activiteiten met hun kind dan zonder hun kind.Echter, wanneer je de geluksniveaus van ouders met kinderen vergelijkt met die van hun kinderloze leeftijdgenoten, wordt een schril contrast zichtbaar. Ouders van kinderen, met name die van jonge kinderen, zijn over het algemeen minder gelukkig en ervaren vaker gevoelens van depressie en angst.Het krijgen en opvoeden van kinderen lijkt dus het welzijn van ouders te bepalen.

RADblog_Levie_Sept2019_foto

Omgekeerd bepaalt ouderlijk welzijn ook de opvoedingen dit heeft weer gevolgen voor de ontwikkeling en het welzijn van kinderen.Eerder onderzoek op het gebied van eetgedrag heeft aangetoond dat ouders met verminderd welzijn vaker specifieke opvoedtechnieken gebruiken die gerelateerd zijn aan overgewicht bij kinderen. Zo dwongen ouders met depressieve gevoelens hun kinderen vaker om hun eten op te eten, stond de tv in deze gezinnen tijdens het eten vaker aan, en aten kinderen van depressieve ouders minder vaak met het gezin aan tafel.Daarnaast gaven moeders met symptomen van depressie, angst of stress hun kind vaker eten als troost (emotioneel voeden) of beloning (instrumenteel voeden)en hadden gestreste moeders vaker kinderen die minder bewogen en meer stilzaten.7

Waarom passen ouders met verminderd welzijn vaker ongewenste opvoedtechnieken toe? Een mogelijke verklaring ligt in de beperkte psychologische beschikbaarheid en weerbaarheid van de ouders. Ouders met depressieve klachten bleken bijvoorbeeld voornamelijk bezig te zijn met hun eigen problemen.Somberheid, stress en angst maken het lastiger om aan te voelen wat een kind nodig heeft en om de opvoeding op deze behoeften af te stemmen. Sensitief ouderschap komt daardoor in het geding en automatische reactiepatronen liggen op de loer. Depressieve of gestreste ouders hebben misschien wel de intentie om niet toe te geven als het kind om snoep zeurt, maar staan niet in hun kracht om deze grens ook daadwerkelijk te verdedigen. Daarnaast is het denkbaar dat ouders die niet lekker in hun vel zitten zelf meer ongezond- en/of risicogedrag vertonen, zoals ongezond eten, weinig bewegen en roken, en hiermee een ongewenste voorbeeldfunctie voor hun kind vertonen.

Gegeven de relatie tussen ouderlijk welzijn en de ontwikkeling van het kind, kan het bevorderen van positief psychosociaal welzijn onder ouders mogelijk bijdragen aan het voorkomen van ongezonde en/of risicogedragingen en daaraan gerelateerde gezondheidsuitkomsten. Gezondheidsinterventies doen er daarom goed aan om te verkennen wat de mogelijkheden zijn tot het integreren van ouderlijk welzijn in hun programma. Enkele programma’s experimenteerden al met een geïntegreerde oudercomponent, zoals de Group Triple P obesitasinterventie. Deze module, gericht op stress en negatieve emoties in de opvoeding, werd door zowel ouders als professionals positief beoordeeld.9

Daarnaast loopt op de Radboud Universiteit het overgewichtpreventieprogramma Samen Happie!, waarin ook aandacht wordt besteed aan het welzijn van ouders. Een van de doelen van dit project is om te onderzoeken welke rol het welzijn van ouders speelt in de opvoeding die zij hun kind geven. Tegelijkertijd proberen we het welbevinden van ouders een boost te geven via oefeningen op het gebied van mindful ouderschap, positieve emoties en stressreductie. Deze krijgen ouders aangeboden via de Samen Happie! app en ouderbijeenkomsten. Op 28 november 2019 vindt bij de Radboud Universiteit het mini symposium “Gezond opvoeden: Hoe help je ouders op weg?” plaats, waarin het Samen Happie! project uitgebreid aan bod zal komen. Het volledige programma voor die middag vind je hier. Wil je op de hoogte blijven van het project of meer informatie ontvangen? Stuur dan een mailtje naar samenhappie@ru.nlof meld je aan voor het symposium.

Deze blog werd geschreven door Levie Karssen (junior onderzoeker bij het Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

1. Musick, K., Meier, A., & Flood, S. (2016). How parents fare: Mothers’ and fathers’ subjective wellbeing in time with children. American Sociological Review, 81, 1069-1095.
2. Herbst, C. M., & Ifcher, J. (2016). The increasing happiness of US parents. Review of Economics of the Household14, 529-551.
3. Wilson, S., & Durbin, C. E. (2010). Effects of paternal depression on fathers’ parenting behaviors: A meta-analytic review. Clinical Psychology Review30, 167-180.
4. Kuckertz, J. M., Mitchell, C., & Wiggins, J. L. (2018). Parenting mediates the impact of maternal depression on child internalizing symptoms. Depression and Anxiety35, 89-97.
5. Goulding, A. N., Rosenblum, K. L., Miller, A. L., Peterson, K. E., Chen, Y. P., Kaciroti, N., & Lumeng, J. C. (2014). Associations between maternal depressive symptoms and child feeding practices in a cross-sectional study of low-income mothers and their young children. International Journal of Behavioral Nutrition and Physical Activity11, 75.
6. Rodgers, R. F., Paxton, S. J., McLean, S. A., Campbell, K. J., Wertheim, E. H., Skouteris, H., & Gibbons, K. (2014). Maternal negative affect is associated with emotional feeding practices and emotional eating in young children. Appetite80, 242-247.
7. O’Connor, S. G., Maher, J. P., Belcher, B. R., Leventhal, A. M., Margolin, G., Shonkoff, E. T., & Dunton, G. F. (2017). Associations of maternal stress with children’s weight‐related behaviours: A systematic literature review. Obesity Reviews18, 514-525.
8. Murray, L., Kempton, C., Woolgar, M., & Hooper, R. (1993).  Depressed mothers’ speech to their infants and its relation to infant gender and cognitive development. Journal of Child Psychology and Psychiatry34, 1083– 1101.
9. Van Mourik, K., Crone, M. R., & Reis, R. (2018). Relevance of the intervention module “Coping with stress and unhelpful emotions” for parents living in multi-ethnic deprived neighborhoods. Children and Youth Services Review, 88, 426-433.

‘Een wijntje drinken tijdens de zwangerschap, ik doe het soms…’

‘Geen alcohol drinken vóór, tijdens en ná de zwangerschap als je borstvoeding geeft’, het lijkt een vanzelfsprekend advies van de Gezondheidsraad1 gezien de negatieve gezondheidsgevolgen voor het ongeboren kind. Echter, uit de cijfers over alcoholgebruik vóór en tijdens de zwangerschap van de Monitor Middelengebruik en Zwangerschap – uitgevoerd door het Trimbos-instituut in 2016 en 20182 – blijkt dit advies voor sommigen moeilijker uitvoerbaar dan je zou denken, zeker onder hoogopgeleide Westerse vrouwen.

Alcohol vóór de zwangerschap
Hoewel de meerderheid van de vrouwen geen alcohol drinkt vanaf het moment dat ze weten dat ze zwanger zijn, heeft 44% van de vrouwen in de vier weken vóór de zwangerschap alcohol gedronken. Van de vrouwen die vóór de zwangerschap alcohol hebben gedronken, dronk 1,7% (bijna) dagelijks, 37% wekelijks, 42% enkele keren en 19% enkele slokjes. Het gaat dan om gemiddeld minder dan twee glazen per keer.2 Vooral 30-34 jarige vrouwen drinken alcohol vóór de zwangerschap en lopen daarmee een verhoog risico op een miskraam en foetale sterfte.3

Alcohol tijdens de zwangerschap
Vanaf het moment dat vrouwen weten dat ze zwanger zijn, vind er een daling plaats van het alcoholgebruik tot 4,2%. Het gaat dan in de meeste gevallen om het drinken van een slokjes alcohol. Vrouwen die alcohol drinken tijdens de zwangerschap lopen een verhoogd risico op miskramen, foetale sterfte en vroeggeboorte van het ongeboren kind. Daarnaast kan het geboren kind een laag geboortegewicht hebben en een achterstand in de motorische ontwikkeling oplopen. Bovendien wordt de kans op het Foetaal Alcohol Syndroom (FAS) groter als vrouwen overmatig drinken (i.e., > 14 glazen per week) of binge drinken (i.e., het drinken van ≥ 5 glazen per gelegenheid).2 Kinderen met FAS kunnen blijvende mentale en fysieke problemen hebben.4

Alcohol ná de zwangerschap
Nederlandse prevalentiecijfers omtrent het alcoholgebruik bij vrouwen die borstvoeding geven ontbreken. Er wordt geschat dat ongeveer de helft van de Westerse vrouwen die borstvoeding geven alcohol drinkt.5 Het geboren kind die via borstvoeding alcohol binnen heeft gekregen, drinkt niet alleen minder moedermelk, maar krijgt ook een ander slaap- waakritme. Er wordt aanbevolen om direct na het drinken van één standaardglas alcohol (i.e., bevat 10 gram ethanol in Nederland) gedurende drie uur geen borstvoeding te geven en geen moedermelk af te kolven voor latere voedingen. Bij het drinken van meer glazen alcohol wordt de duur van die periode langer (i.e., het aantal standaardglazen * drie uur = tijd geen borstvoeding/kolven).3

Alcoholvrij Zwanger
Heb je het warm gekregen met je groeiende buik of lacterende borsten na het lezen van bovenstaande, check dan de gratis cursus ‘Alcoholvrij Zwanger’: www.alcoholvrijzwanger.nl. Deze cursus richt zich op zwangere vrouwen die meer willen weten over alcohol tijdens de zwangerschap en biedt informatie, filmpjes, vragen en persoonlijke adviezen. Hoewel jouw geheugen je nu wellicht soms in de steek laat, onthoud dat geen alcohol drinken vóór, tijdens en ná de zwangerschap het beste is voor de gezondheid van jouw (ongeboren) kind.

Foto_zwanger_alcohol.jpg

Meer weten over Alcohol en Zwangerschap? Check de website van het Expertisecentrum Alcohol waar betrouwbare en toegankelijke wetenschappelijke kennis omtrent alcohol en alcoholpreventie voor professionals wordt gegeven: https://expertisecentrumalcohol.trimbos.nl/

Deze blog werd geschreven door Carmen Voogt (Trimbos-instituut en Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

  1. Gezondheidsraad (2015). Richtlijnen goede voeding 2015. Den Haag: Gezondheidsraad.
  2. Tuithof, M., Siauw, R., van Dorsselaer, S., & Monshouwer, K. (2017). Factsheet Monitor Zwangerschap en Middelengebruik. Utrecht: Trimbos-instituut.
  3. Gezondheidsraad (2005). Risico’s van alcoholgebruik bij conceptie, zwangerschap en borstvoeding. Den Haag: Gezondheidsraad
  4. Popova, S., Lange, S., Shield, K., Mihic, A., Chudley, A. E., Mukherjee, R. A., … & Rehm, J. (2016). Comorbidity of fetal alcohol spectrum disorder: a systematic review and meta-analysis. The Lancet, 387(10022), 978-987.
  5. Haastrup, M. B., Pottegård, A., & Damkier, P. (2014). Alcohol and breastfeeding. Basic & clinical pharmacology & toxicology, 114(2), 168-173.

Boek: Eetgedrag in balans

We worden overspoeld door een enorm aanbod van ongezonde en goedkope voedselverleidingen. Er zijn cafetaria’s op iedere hoek van de straat en in supermarkten ligt een overdaad aan snoepgoed. Om met deze ongezonde omgeving met voedselverleidingen om te gaan, heb je extra kennis en handvatten nodig om kinderen gezond op te voeden. Wetenschappelijke kennis over een gezonde eetopvoeding vindt haar weg niet altijd naar de praktijk. En dat is erg jammer, want er is al veel over bekend. Deze blog gaat over het boek “Eetgedrag in balans”, waarin een brug tussen wetenschap en praktijk wordt gemaakt. In het boek wordt aandacht besteed aan het vinden van de juiste balans als opvoeder in de mate van controle die je uitoefent op het eetgedrag van kinderen. Kinderen te veel dwingen om bijvoorbeeld groente te proeven of kinderen verbieden om bepaalde producten te eten werkt namelijk niet.

In het boek vind je tips die je kunt toepassen om ervoor te zorgen dat het makkelijker wordt voor kinderen om een gezond eetpatroon aan te leren. Zo wordt bijvoorbeeld besproken hoe je groente herhaaldelijk aanbiedt. Hierbij kun je bijvoorbeeld denken aan de variatie in momenten, de hoeveelheid en de combinatie met andere educatieve informatie (zoals groente en fruit boekjes en speelgoed) die je aanbiedt. Ook wordt besproken hoe je kinderen kunt aanmoedigen om groente en fruit te eten en hoe je kinderen vervolgens ook kunt belonen als ze daadwerkelijk een hapje proberen te proeven. De rol van de opvoeder wordt hierbij centraal gesteld. Je eigen gedrag, emoties en uitleg die je geeft als opvoeder kunnen bijvoorbeeld actief worden ingezet om kinderen te stimuleren. Als je bijvoorbeeld blij kijkt als je een hapje proeft, zullen kinderen ook sneller geneigd zijn om een hapje te proeven. Op identieke wijze zullen kinderen ook geneigd zijn om je ongezonde gedragingen als opvoeder over te nemen.

In “Eetgedrag in balans” wordt ook besproken hoe je er juist voor kunt zorgen dat kinderen niet te veel eten. Zo kun je als rolmodel bijvoorbeeld letten op wat, wanneer, hoeveel en hoe snel je eet. Naast je eigen gedrag, emoties en uitleg die je geeft, zijn regels ook belangrijk om te voorkomen dat kinderen te veel eten. Dit geldt zeker naarmate kinderen ouder worden. In het boek worden praktische tips gegeven waar je op kunt letten bij het invoeren van regels. Zo is het bijvoorbeeld belangrijk om regels positief te formuleren. Dus in plaats van: ‘Je mag niet twee biscuitjes’, zeg je: ‘Je mag 1 biscuitje’. Ook is het belangrijk om uit te leggen waarom je een regel hanteert, de regel consequent toe te passen en kinderen te belonen als ze zich aan de regel houden. In het boek worden ook praktische tips gegeven om de voedselomgeving vorm te geven. Zo kun je bijvoorbeeld kleinere borden gebruiken en kinderen daarbij zelf hun eigen eten laten opscheppen. Ook kun je de variatie van ongezond voedsel beperkt houden, buiten het zicht van kinderen opbergen en suikerhoudende drankjes standaard vervangen door water (met een smaakje). Dit klinkt misschien betuttelend, maar het vervangen van suikerhoudende drankjes door water is één van de meest simpele en consistente ‘dieet’-veranderingen die effect hebben op het terugdringen van overgewicht bij kinderen in de huidige ongezonde maatschappij.

Tot slot wordt in “Eetgedrag in balans” ingegaan op hoe je jouw kennis kunt delen met (andere) ouders door bijvoorbeeld op zoek te gaan naar een gedeelde motivatie en gedrag dat wel veranderd kan worden. Hier ligt naar mijn mening een belangrijke rol voor pedagogisch medewerkers en leerkrachten weggelegd.

Schermafbeelding 2019-07-01 om 18.20.23

Meer weten? Lees verder in het boek “Eetgedrag in balans”, dat onder andere verkrijgbaar is via bol.com.

Deze blog is geschreven door Dr. Junilla Larsen (Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs & dieet.

Drieling dol op Chinees eten – is voedselvoorkeur erfelijk bepaald?

Vorige week heb ik de indrukwekkende documentaire ‘Three Identical Strangers’ gezien. Deze documentaire gaat over 3 jongens die vlak na de geboorte geadopteerd zijn door drie verschillende gezinnen. Ze weten niets van elkaars bestaan. Totdat één van de jongens op 19-jarige leeftijd naar een nieuwe school gaat en daar door iedereen ‘herkend’ wordt. Zijn dubbelganger bleek het jaar daarvoor op die school gezeten te hebben. Ze ontdekken dat ze tweelingbroers zijn. Dit wordt groot nieuws en staat in alle kranten. Een leeftijdsgenoot ziet in de krant een foto staan van twee jongens die als twee druppels water op hemzelf lijken. Hij blijkt broer nummer drie te zijn… ze zijn een identieke drieling (zie foto1)! Het wordt een enorm mediacircus. Ze zijn te gast in talkshows, geven interviews en iedereen vindt het een geweldig verhaal. De gelijkenissen worden benadrukt, hun uiterlijk is identiek, hun gebaren zijn hetzelfde, ze roken hetzelfde merk sigaretten en ze houden alle drie van Chinees eten… Later blijken er ook wel verschillen te zijn, en de rest van de documentaire laat een droeviger verhaal zien2.

foto-three-identical-strangers.jpg

Een belangrijk onderdeel van de documentaire is de vraag waarom deze drie jongens in drie verschillende gezinnen werden geplaatst. Waarom konden ze niet bij elkaar blijven en samen opgroeien? En waarom wisten de jongens (en hun adoptie ouders) niet van het bestaan van de broers? In de documentaire is te zien dat het adoptiebureau de ontwikkeling van de jongens nauwgezet volgde. Tegen de adoptieouders werd gezegd dat ze wilden kijken of adoptiekinderen zich hetzelfde ontwikkelen als niet-geadopteerde kinderen. Echter, uit de documentaire blijkt dat de scheiding van de drieling onderdeel was van een psychologisch experiment van psycholoog Peter Neubauer3, die met dit experiment antwoord hoopte te vinden op de nature (aangeboren) versus nurture (aangeleerd) kwestie. Door genetisch identieke personen te plaatsen in verschillende omgevingen zou je kunnen zien wat belangrijker is voor hun ontwikkeling: hun erfelijke aanleg of de opvoeding. Een bizar en onethisch experiment wat in deze tijd ondenkbaar is.

Gelukkig zijn er andere manieren om de nature – nurture vraag te beantwoorden, bijvoorbeeld door het vergelijken van eeneiige en twee-eiige tweelingparen die samen in hetzelfde gezin opgegroeid zijn en op vrijwillige basis deelnemen aan wetenschappelijk onderzoek. Als eeneiige (genetisch identieke) tweelingparen meer op elkaar lijken dan twee-eiige tweelingparen (die de helft van hun genen delen) speelt erfelijke aanleg (ook) een rol. Op deze manier zijn al vele vragen beantwoord over de rol van erfelijke aanleg en opvoeding bij persoonlijkheid en gedrag (zie bijvoorbeeld een eerdere blog over rookgedrag4).

Momenteel buigen we ons over de vraag in hoeverre erfelijke aanleg een rol speelt bij de voorkeur voor bepaald voedsel. Lust je graag spruitjes? Of is sushi je lievelingseten? Engels onderzoek laat zien dat er voedingsclusters zijn (bijvoorbeeld fruit, vlees, sterke kruiden of zoete snacks) waar sommige mensen hoog in scoren en andere mensen lager, en dat erfelijke aanleg een rol speelt bij deze voorkeuren5. De drie jongens in de documentaire waren alle drie dol op Chinees eten. Is dat toeval? Op de avond dat ik de film ‘Three Identical Strangers’ bekeek at ik van te voren een hapje met Dorret Boomsma (oprichter van het NTR: Nederlands Tweelingen Register6), haar dochter en twee eeneiige tweelingparen: Kirsten (de student die het voedselvoorkeur onderzoek uitvoert) en haar tweelingzus Carmen, en Erik en Peter (net als de drieling in de film zijn Erik en Peter opgegroeid in verschillende gezinnen en hebben ze elkaar pas later leren kennen). Beide tweelingparen bestelden hetzelfde drankje, maar ze namen wel iets anders te eten… Kunnen we hier conclusies uit trekken? Om valide conclusies te trekken over de vraag of erfelijke aanleg een rol speelt bij voedselvoorkeur zijn zeer grote samples en betrouwbare vragenlijsten nodig. In samenwerking met het NTR analyseren we momenteel de rol van erfelijke aanleg bij voedselvoorkeur in bijna 8000 volwassen tweelingen. Laten we de resultaten van deze grote en valide studie maar afwachten voordat we conclusies trekken!

Deze blog is geschreven door Prof. dr. Jacqueline Vink (Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs & dieet.

Referenties
1. Bron foto: http://moveablefest.com/tim-wardle-three-identical-strangers/
2. Zie o.a. https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/three-identical-strangers-is-onrustbarende-en-droeve-film-over-menselijke-fascinatie-voor-het-meerlingschap~bd6734a7/
3. Wikipedia pagina over Peter Nuebauer: https://en.wikipedia.org/wiki/Peter_B._Neubauer
4. Blog: https://rad-blog.com/2016/06/13/roken-op-world-no-tobacco-day/
5. Sharafi M, Lachance G, Pirastu N, Mohney RP, MacGregor A, Feskens EJ, Duffy V, Spector TD, Menni C. Food Preference Patterns in a UK Twin Cohort. Twin Res Hum Genet. 2015 Dec;18(6):793-805.
6. Website Nederlands Tweelingen Register: https://tweelingenregister.vu.nl/

 

De (on)mogelijkheden van genetisch onderzoek naar verslaving

Er wordt enorm veel onderzoek gedaan naar de genetische oorzaken van middelengebruik en verslaving. Regelmatig verschijnt in de media bericht dat er genen zijn gevonden ‘voor’ bijvoorbeeld rookverslaving of cannabisgebruik. Maar wat kunnen we nou eigenlijk met deze informatie?

addiction genetics

Onmogelijk: genmodificatie
Een voor de hand liggende gedachte zou zijn om met de kennis die we nu hebben uiteindelijk methodes te ontwikkelen om ons genetisch materiaal aan te passen zodat we minder kans hebben om verslaafd te raken. Maar helaas: alle ethische en praktische kwesties nog daar gelaten is dit onmogelijk. Complex gedrag wordt door enorm veel genetische varianten beïnvloed, die allemaal maar een hele kleine invloed hebben. Deze varianten zijn niet alleen maar betrokken bij verslavingsgedrag, ze kunnen ook geassocieerd zijn met heel andere dingen. Dit heet ‘pleiotropie’ en zorgt ervoor dat verschillende kenmerken op genetisch niveau overlappen. Zo hebben we genetische varianten gevonden voor cannabisgebruik die ook invloed hebben op iemands persoonlijkheid en bijdragen aan een hoog opleidingsniveau1. Daar wil je liever niet aan knutselen!

Mogelijk: risicovoorspelling op groepsniveau
We kunnen ons genetisch materiaal dus niet veranderen, maar het zou ook al heel nuttig zijn als we konden bepalen hoe groot iemands genetische risico was om middelen te gebruiken of verslaafd te raken. Dit kunnen we doen aan de hand van de resultaten van genoomwijde associatie studies (GWAS). Dit zijn studies waarbij in het hele genoom wordt gekeken welke varianten een verband tonen met een kenmerk. Als we weten welke genetische varianten geassocieerd zijn met verslaving, kunnen we kunnen we per persoon een optelsom maken van het aantal risicovarianten (een zogenaamde ‘polygenetische risicoscore’) en daarmee voorspellen hoe groot de kans op verslaving is. Heel goed zijn deze voorspellingen helaas niet, vaak verklaren risicoscores slechts een paar procent van het verslavingsgedrag2. Daarom wordt dit alleen nog gedaan op groepsniveau in de onderzoekscontext.

Binnenkort mogelijk: risicovoorspelling in de praktijk
Als dit soort risicovoorspellingen preciezer wordt, zijn er veelbelovende mogelijkheden om deze toe te passen. Nu al bestaan er tests om te kijken of iemand een genetische variant heeft die geassocieerd is met de effectiviteit van een behandeling, zoals een test voor een OPRM1 variant die de effectiviteit van een medicijn tegen alcoholisme beïnvloedt3. Dit soort tests is nu nog beperkt zinvol, maar naarmate genetische testen goedkoper worden, de onderzoekspopulaties van genetisch onderzoek groter, en onze kennis van (zeldzame) genetische varianten rijker, is de kans groot dat we meer en meer precieze voorspellingen kunnen doen op basis van iemands DNA. Stel je voor dat we bijvoorbeeld met een krachtige polygenetische risicoscore konden bepalen of iemand gebaat zou zijn bij een behandeling om te stoppen met roken (iets wat in de onderzoekscontext al in beperkte mate lijkt te werken4), of dat we bij adolescenten al konden voorspellen wie er risico lopen op alcoholverslaving om onze preventies op hen te richten… Genetisch onderzoek zal in de toekomst enorm kunnen gaan bijdragen aan het bestrijden van middelengebruik en verslaving!

Deze blog werd geschreven door Joëlle Pasman (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Pasman, J. A., Verweij, K. J. H., Gerring, Z., Stringer, S., Sanchez-Roige, S., Treur, J. L., . . . Vink, J. M. (2018). GWAS of lifetime cannabis use reveals new risk loci, genetic overlap with psychiatric traits, and a causal influence of schizophrenia. Nature Neuroscience, 21(9), 1161-1170.
2. Vink, J. M., Hottenga, J. J., de Geus, E. J., Willemsen, G., Neale, M. C., Furberg, H., & Boomsma, D. I. (2014). Polygenic risk scores for smoking: predictors for alcohol and cannabis use? Addiction109(7), 1141-1151.
3. Sluiter, R. L., Kievit, W., van der Wilt, G. J., Schene, A. H., Teichert, M., Coenen, M. J., & Schellekens, A. (2018). Cost-effectiveness analysis of genotype-guided treatment allocation in patients with alcohol use disorders using naltrexone or acamprosate, using a modeling approach. European Addiction Research24(5), 245-254.
4. Musci, R. J., Masyn, K. E., Uhl, G., Maher, B., Kellam, S. G., & Ialongo, N. S. (2015). Polygenic score × intervention moderation: An application of discrete-time survival analysis to modeling the timing of first tobacco use among urban youth. Development and Psychopathology, 27(1), 111-122.

Liever te dik in de kist, dan een feestje gemist?

Iedereen kent het dilemma wel: je hebt een verjaardag en de gastheer vraagt of je een stukje taart wil. Je directe reactie is ‘ja lekker!’, maar een goede tweede reactie is ‘moet ik dat wel doen, want eigenlijk wil ik wat gezonder eten’. Dit soort keuzes maken we niet alleen tijdens verjaardagsvisites, maar gedurende de hele dag. Ga ik nu studeren voor goede studieresultaten of spreek ik gezellig met vrienden af? Rook ik nu een sigaret, ook al weet ik dat het slecht is voor mijn gezondheid? Welke kant het muntje op valt bij deze keuzes is individueel bepaald en hangt samen met de mate waarin we gevoelig zijn voor directe beloningen ten opzichte van beloningen in de toekomst1. Hoe vaak we kiezen voor deze directe of uitgestelde beloningen heeft natuurlijk een effect op ons gedrag en onze gezondheid2.

De onlangs overleden Walter Mischel was één van de eerste onderzoekers die het maken van dit soort keuzes onderzocht onder jonge kinderen. Hij deed dit door middel van het bekende Marshmallow Experiment3, waarbij hij kinderen in een ruimte zette en ze één marshmallow gaf die ze op mochten eten als ze dat wilden. Voordat hij de ruimte uitging vertelde hij de kinderen echter dat als ze het volhielden om vijftien minuten te wachten en de marshmallow niet zouden opeten, ze dan twee marshmallows zouden krijgen. Een ogenschijnlijk simpel experiment, maar met enorm grote implicaties. Hij toonde namelijk gedurende jarenlang onderzoek aan dat de kinderen die in dit experiment zwichtten voor de verleiding, minder goede resultaten lieten zien op andere gebieden. Het opeten van die ene marshmallow op jonge leeftijd is namelijk gelinkt aan slechtere studie resultaten, meer gezondheidsklachten, meer kans op ADHD, verslaving of overeten, en meer kans op psychische klachten op latere leeftijd4. Echter, het omgekeerde is ook waar: de kinderen die in staat waren om te wachten tot de 15 minuten om waren, laten juist betere uitkomsten zien op de lange termijn4.

foto radblog hanneke

Bij volwassenen onderzoeken we dit soort keuzes vaak met computertaken waarbij we proefpersonen vragen om een keuze te maken uit twee opties5. Als proefpersoon wordt je dan gevraagd te kiezen tussen een geldbedrag, bijvoorbeeld €10,-, dat je direct kan krijgen of een hoger geldbedrag, bijvoorbeeld €50,-, dat je ontvangt na een bepaalde wachtperiode, bijvoorbeeld twee weken. We leggen proefpersonen een heel aantal van dit soort keuzes voor waar we de bedragen en wachtperiode variëren, zodat we per individu kunnen berekenen wanneer zij voor de directe beloning gaan en wanneer voor de uitgestelde beloning5. Ook onder volwassenen is zeer betrouwbaar vastgesteld dat de mate waarin proefpersonen kiezen voor de directe beloning gelinkt is aan slechtere uitkomsten op cognitief, fysiek, psychologisch en emotioneel gebied6.

Hoe beter we dus in staat zijn om de directe verleiding te weerstaan en te kiezen voor een beloning in de toekomst, hoe meer kans op een succesvoller en gezonder leven. Sommige mensen zijn van nature beter in het weerstaan van verleiding, maar uit recent onderzoek blijkt dat het misschien ook mogelijk is om mensen te trainen hier beter in te worden7. Er zijn veel verschillende manieren om dit te trainen, maar het grootste gedeelte van deze trainingen is erop gericht om individuen te helpen focussen op de toekomst of hun toekomstige zelf8. Voordat we proefpersonen alle keuzes tussen directe en uitgestelde beloningen voorleggen, laten we ze eerst een verouderde versie van zichzelf zien. Hoewel je toekomstige zelf normaal best ver weg staat, komt die door zo’n soort manipulatie veel dichterbij. Het blijkt dan ook dat proefpersonen na het zien van hun verouderde zelf, vaker kiezen voor de uitgestelde beloning. Het concreter maken van de persoon die je later wordt, zorgt er dus voor dat mensen zich realiseren dat het ook wel fijn is als die persoon gezond is en daardoor wordt het gemakkelijker om de directe verleiding te weerstaan.

Hoewel dit heel veelbelovend onderzoek is, staat het nog maar in de kinderschoenen. Want: de effecten op zo’n computertaak staan natuurlijk niet garant voor effecten in het dagelijkse leven. Kiezen deze individuen ook daadwerkelijk vaker voor minder impulsieve en gezondere opties en heeft dat ook een direct effect op hun gedrag en gezondheid? Uiteindelijk kunnen dit soort trainingen mensen hopelijk de tools geven om een goede balans te vinden tussen soms een ja en soms een nee tegen dat verjaardagstaartje, omdat het leven ook vaak een feestje mag zijn!

Deze blog werd geschreven door Hanneke Scholten (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Ainslie, G. (1975). Specious reward: A behavioral theory of impulsiveness and impulse control. Psychological Bulletin, 82, 463-496. doi: 10.1037/h0076860
2. MacKillop, J., Amlung, M. T., Few, L. R., Ray, L. A., Sweet, L. H., & Munafò, M. R. (2011). Delayed reward discounting and addictive behavior: A meta-analysis. Psychopharmacology, 216, 305-321. doi: 10.1007/s00213-011-2229-0
3. Mischel, W., Ebbesen, E.B., & Zeiss, A.R. (1972). Cognitive and attentional mechanisms in delay of gratification. Journal of Personality and Social Psychology, 21, 204–18. doi: 10.1037/h0032198
4. 
Mischel, W., Ayduk, O., Berman, M. G., Casey, B. J., Gotlib, I. H., Jonides, J., … & Shoda, Y. (2010). ‘Willpower’over the life span: Decomposing self-regulation. Social Cognitive and Affective Neuroscience, 6, 252-256. doi: 10.1093/scan/nsq08
5. 
Green, L., & Myerson, J. (2004). A discounting framework for choice with delayed and probabilistic rewards. Psychological Bulletin, 130, 769–792. doi: 10.1037/0033-2909.130.5.769
6. Bickel, W. K. (2015). Discounting of delayed rewards as an endophenotype. Biological Psychiatry, 77, 846-847.
7. Koffarnus, M. N., Jarmolowicz, D. P., Mueller, E. T., & Bickel, W. K. (2013). Changing delay discounting in the light of the competing neurobehavioral decision systems theory: A review. Journal of Experimental Analysis of Behavior, 99, 32-57. doi: 10.1002/jeab.2.
8. Kuo, H. C., Lee, C. C., & Chiou, W. B. (2016). The power of the virtual ideal self in weight control: Weight-reduced avatars can enhance the tendency to delay gratification and regulate dietary practices. Cyberpsychology, Behavior, and Social Networking, 19, 80-85. doi: 10.1089/cyber.2015.0203.

Op weg naar een gezonder Nederland…

‘Een gezonder Nederland… Dat is wat we willen bereiken’. Een duidelijke boodschap, met visie voor de toekomst. Deze boodschap komt rechtstreeks uit de inleiding van het onlangs uitgebrachte Nationaal Preventieakkoord (VWS, 2018). Het akkoord richt zich op een pakket aan maatregelen en interventies om problematisch alcoholgebruik, roken en overgewicht terug te dringen. Een voorbeeld van gedegen preventie vond men in IJsland. Het afgelegen eiland heeft een preventie aanpak die ook beschreven wordt in het Nationaal Preventieakkoord. Dit is niet verrassend, want in IJsland is een spectaculaire afname van middelengebruik onder jongeren waargenomen.

Twintig jaar geleden stond IJsland bekend als het land waar jongeren veel alcohol dronken en veel rookten. Er is vanuit de IJslandse overheid gekozen voor een rigoureuze aanpak om het middelengebruik onder jongeren aan te pakken.De gedachte die hieraan ten grondslag lag was dat preventie zich moest richten op een aantal (wetenschappelijk bewezen) beschermende factoren van middelengebruik. Denk hierbij aan communicatie met ouders2, sociale betrokkenheid en participatie in sport.3

Jongeren in IJsland vullen jaarlijks een vragenlijst in met onderwerpen als middelengebruik, de relatie met ouders en vrijetijdsbesteding. De informatie uit deze vragenlijst wordt vertaald naar een aanpak die gedragen wordt door zowel wetenschap, beleidsvoerders en de praktijk. Bij de IJslandse aanpak wordt ingezet op 1) het snel verspreiden van de bevindingen uit de vragenlijsten, 2) gepast advies op gemeenschapsniveau (bijvoorbeeld aan scholen en buurten) en 3) het creëren van betrokkenheid op gemeenschapsniveau. Deze aanpak faciliteert een vlotte vertaling naar de praktijk waarbij men zich richt op het verminderen van risico’s en het versterken van beschermende factoren.

Succesvolle voorbeelden hiervan zijn het instellen van buurtbewaking na 8 uur en ervoor zorgen dat jongeren een betere vrijetijdsbesteding hebben. Zo trekt men jaarlijks 300 euro per kind uit om uit te geven aan sport en recreatie. En dat dit succesvol is, blijkt weer uit later onderzoek wat heeft aangetoond dat het IJslandse preventiemodel geassocieerd is met een afname in middelengebruik.3 Nu wordt er door IJslandse jongeren vergeleken met andere Europese langen juist het minst gedronken en gerookt. Dronkenschap in de afgelopen maand is bij 15 en 16-jarigen gedaald van 43% naar 5% in en dagelijks roken is gedaald van 23% naar 3%.

ijsland figuur

Uiteraard verschilt Nederland in een aantal opzichten met IJsland (naast een andere cultuur heeft IJsland bijvoorbeeld maar 300.000 inwoners). Momenteel wordt onderzocht wat de werkzame elementen zijn van de IJslandse aanpak voor Nederland en hoe zij geïmplementeerd kunnen worden. Zo voert bijvoorbeeld het Trimbos-instituut in samenwerking met het Nederlands Jeugd Instituut (NJI) een pilot onderzoek uit (een test) waarbij dergelijke vragenlijsten ingezet worden in zes gemeenten in Nederland.Het doel hiervan is om een overzicht te krijgen wat voor risicogebieden voor jongeren aangepakt kunnen worden en evalueren op wat voor manier een dergelijke aanpak in Nederland ingezet kan worden.

Preventie is een cruciaal element in het verminderen van risicogedrag zoals problematisch alcoholgebruik.Het Nationaal Preventieakkoord vormt daardoor een belangrijke stap voor het voorkomen van gezondheidsschade ten gevolge van alcoholgebruik, roken en obesitas in Nederland.

Deze blog werd geschreven door Koen Smit (Trimbos Instituut / Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Sigfusdottir ID, Kristjansson AL, Thorlindsson T, Allegrante JP (2008). Trends in prevalence of substance use among Icelandic adolescents, 1995–2006. Subst Abuse Treat Prev Policy 3:12.
2. Ryan SM, Jorm AF, Lubman DI, Ryan M, Jorm F, Lubman I (2010). Parenting factors associated with reduced adolescent alcohol use: a systematic review of longitudinal studies. Aust N Z J Psychiatry 44:774–783.
3. Kristjansson AL, Sigfusdottir ID, Thorlindsson T, Mann MJ, Sigfusson J, Allegrante JP (2016). Population trends in smoking, alcohol use and primary prevention variables among adolescents in Iceland, 1997-2014. Addiction 111:645–652.
4. Catalano RF, Fagan AA, Gavin LE, Greenberg MT, Irwin CE, Ross DA, Shek DTL (2012). Worldwide application of prevention science in adolescent health. Lancet (London, England) 379:1653–64.
5. Website: https://www.trimbos.nl/actueel/nieuws/bericht/nederlandse-gemeenten-experimenteren-met-ijslandse-aanpak-middelengebruik

Op weg naar een rookvrije generatie

De beweging ‘op weg naar een rookvrije generatie’ is het afgelopen jaar veel in het nieuws geweest. De rookvrije generatie is een initiatief van de Hartstichting, KWF kankerbestrijding en het Longfonds. Samen met organisaties, het publiek en de politiek willen zij inzetten op de bescherming van onze kinderen tegen rook uit de omgeving. Dit is van groot belang, omdat meerokende kinderen een grotere kans hebben om later zelf te gaan roken1,2. Uit onderzoek weten we dat een deel van de niet-rokende jongeren meer symptomen van nicotine afhankelijkheid rapporteren op het moment dat er meer gerookt wordt in hun sociale omgeving3,4,5. Bij nicotine afhankelijkheid symptomen kun je bijvoorbeeld denken aan ‘craving’. Craving betekent in dit geval dat je heel erg veel zin hebt in een sigaret. Meeroken kan dus leiden tot het ontwikkelen van symptomen van nicotineafhankelijkheid, zelfs wanneer jongeren zelf niet roken.

plaatje-rookvrije-generatie.jpg

Daarnaast zet de beweging in op het verminderen van de verleiding om te beginnen met roken door bijvoorbeeld het beperken van de promotie van de verkoop van tabaksproducten. Dit omdat eerder onderzoek heeft uitgewezen dat tabaksdisplays visuele prikkels vormen die bij rokers het verlangen naar een sigaret kunnen stimuleren6. Daarnaast hebben studies aangetoond dat met name jongeren gevoelig zijn voor tabaksreclame. Er zijn aanwijzingen dat de kans op beginnen met roken onder jongeren vergroot wordt door een verhoogde blootstelling aan tabaksdisplays7,8. Inzetten op het verminderen van de verleiding om te beginnen met roken is dus erg belangrijk.

In het onlangs gelanceerde preventie akkoord wordt gestreefd naar een rookvrije generatie in 2040, wat betekent dat over grofweg 20 jaar geen enkele jongere nog rookt. Om dit te realiseren is verandering nodig. Zo werd vorig jaar in de media bericht dat er in verschillende gemeenten initiatieven gaande zijn om zones in te stellen met een rookverbod. De gemeente Groningen is de eerste gemeente in Nederland met rookvrije zones. Het gaat hier om een rookverbod in tientallen straten, op stoepen en bij bushaltes in de buurt van ziekenhuizen, scholen, theaters, kinderdagverblijven en speeltuinen waar al een rookverbod geldt. Op de website van de beweging ‘op weg naar een rookvrije generatie’ https://rookvrijegeneratie.nl/zij-zijn-op-weg/ staan als inspiratie een aantal mooie voorbeelden van mensen, organisaties en gemeenten die zich inzetten voor een rookvrije generatie. Als werknemer van het Trimbos-instituut kan ik met trots zeggen dat deze organisatie sinds 2019 ook rookvrij is. Ook dit is weer een mooie verandering op weg naar een rookvrije generatie, waarbij elke bijdrage helpt. Wil jij nou ook een rookvrije organisatie, kijk dan voor tips over hoe jij jouw organisatie rookvrij kunt maken op https://www.trimbos.nl/themas/stoppen-met-roken1/rookbeleid-in-organisaties/

Deze blog werd geschreven door Joyce Dieleman (Radboud Universiteit en Trimbos Instituut) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Leonardi-Bee, J. et al. (2011). Exposure to parental and sibling smoke and the risk of smoking uptake in childhood and adolescence: a systematic review and meta-analysis. Thorax, 66, 847-855.
2. Voorhees, C. C. et al. (2011). Peers, tobacco advertising, and secondhand smoke exposure influences smoking initiation in diverse adolescents. American Journal of Health Promotion, 25, 1-11.
3. Schuck, K. et al. (2010). Responses to environmental smoking in never-smoking children: can symptoms of nicotine addiction develop in response to environmental tobacco smoke exposure? Journal of Psychopharmacology, 27(6), 533-540
4. Bélanger, M. et al. (2008). Nicotine dependence symptoms among young never-smokers exposed to secondhand tobacco smoke. Addictive Behaviors, 33, 1557-1563.
5. McGrath, J.J. et al (2018). Airborne Nicotine, Secondhand Smoke, and Precursors to Adolescent Smoking. Pediatrics, 141, S63:S74.
6. Carter, B.L. and Tiffany, S.T. (1999). Meta-analysis of cue-reactivity in addiction research. Addiction 94, (3), 327- 340
7. Carter, O.B., Mills, B.W., and Donovan, R.J. (2009). The effect of retail cigarette pack displays on unplanned purchases: results from immediate postpurchase interviews. Tob Control 18, (3), 218-221
8. Clattenburg, E.J., Elf, J.L., and Apelberg, B.J. (2013). Unplanned cigarette purchases and tobacco point of sale advertising: a potential barrier to smoking cessation. Tob Control 22, (6), 376-381

Geen frisdrank met suiker meer verkrijgbaar op scholen: een goede stap in de strijd tegen suikerhoudende drankjes

De consumptie van suikerhoudende drankjes is ontzettend hoog onder jongeren1. Onder suikerhoudende drankjes vallen niet alleen energie- en frisdranken, maar ook vruchtendrankjes, sportdrankjes, zoete zuiveldrankjes en koffie en thee mét suiker2. Wij Nederlanders, consumeren dagelijks gemiddeld 35 gram suiker alleen al uit suikerhoudende drankjes2. Dit terwijl de totále aanbevolen hoeveelheid suiker per dag 25 gram is3. Dit betekent dus dat wij met het drinken van alleen suikerhoudende drankjes al ver boven de aanbevolen hoeveelheid suiker zitten. Uit een Amerikaans onderzoek bleek dat deze consumptie van suikerhoudende drankjes onder jongeren zelfs nog hoger was. Jongens consumeerde gemiddeld 68 gram suiker per dag aan suikerhoudende drankjes en meisjes 43 gram per dag4. Deze hoge consumptie van suikerhoudende drankjes is zorgwekkend, aangezien deze gepaard gaat met gezondheidsrisico’s zoals overgewicht en obesitas, maar daarnaast ook een vergroot risico geeft op hart- en vaatziekten, verhoogde tandcariës en een slechte geestelijke gezondheid5. Het is dus belangrijk dat er verandering komt in het drinkgedrag van suikerhoudende drankjes onder jongeren. De vraag is alleen, hoe doen we dat?

Plaatje_Emilie

Een jaar geleden was het een hot topic in meerdere kranten “Geen suikerhoudende frisdrank meer op school”6, “Verkoop suikerhoudende frisdrank op middelbare scholen stopt”7 en “Ongezonde frisdranken verdwijnen van scholen”8. In alle krantenartikel wordt gepleit dat frisdrankproducenten eind 2018 stoppen met het leveren van frisdrank aan scholen, light-frisdranken worden nog wel geleverd9. Dit betekent dat het bijna zo ver zou moeten zijn, het kopen van suikerhoudende frisdranken op scholen is over een paar maanden niet meer mogelijk.

Het Voedingscentrum geeft aan dat dit een goede stap is in de strijd tegen overgewicht10. Als we willen dat onze kinderen gezonder gaan eten en drinken is het belangrijk dat ze op school ook enkel gezond eten en drinken kunnen krijgen. Kinderen brengen immers een groot deel van hun tijd door op school. Wanneer gezond eten en drinken de norm wordt, wordt het voor de kinderen makkelijker een gezond eet- en drinkpatroon te ontwikkelen10. Echter, is het de vraag of de afschaffing van frisdranken op alleen school genoeg is om de consumptie te verminderen.

Niet alleen de aanwezigheid van frisdrank op scholen speelt een belangrijke rol, maar ook de invloed van ouders is belangrijk in de consumptie van suikerhoudende drankjes. Met name omdat zij het makkelijk maken om suikerhoudende dranken te drinken wanneer deze thuis aanwezig zijn12,13. Wanneer kinderen makkelijk toegang hebben tot suikerhoudende dranken, is de kans veel groter dat zij deze ook zullen gaan drinken. Daarnaast spelen ouders mogelijk ook een belangrijke rol door ‘modelling’. Bij het modelling mechanisme, doet het kind het gedrag van de ouder na. Wanneer het kind dus ziet dat de ouder veel frisdrank drinkt, is de kans groter dat het kind dit ook gaat doen14.

Kortom, er zijn verschillende factoren die van invloed lijken te zijn op de consumptie van suikerhoudende drankjes bij jongeren. Het afschaffen van frisdranken op scholen lijkt een goede stap te zijn in de strijd tegen overgewicht. Op dit moment wordt er bij de Radboud Universiteit onderzoek gedaan naar de invloed van vrienden en ouders op de consumptie van suikerhoudende drankjes bij jongeren. Hopelijk kan dit onderzoek nog meer inzichten geven in de (veranderende) rol van ouders en vrienden bij de consumptie van de suikerhoudende drankjes door jongeren, en daarmee leiden tot nieuwe interventies.

Deze blog werd geschreven door Emilie van Tetering, master student Pedagogische Wetenschappen en Onderwijskunde, Radboud Universiteit.

Referenties
1. Grimm, G. C., Harnack, L., & Story, M. (2004). Factors associated with soft drink consumption in school-aged children. Journal of the American Dietetic Association, 104, 1244-9. doi:10.1016/j.jada.2004.05.206
2. Sluik, D., Engelen, A., & Feskens, E. (2013). Suikerconsumptie in Nederland. Resultaten uit de Nederlandse voedselconsumptiepeiling 2007-2010. Wageningen University and Research Centre.
3. Kenniscentrum Suiker & Voeding. Hoeveel suikers eten we gemiddeld in Nederland. Retrieved from: http://www.kenniscentrumsuiker.nl/faq/131-faq/635-hoeveel-suikers-eten-we-gemiddeld-in-nederland
4. Park, S., Blanck, H. M., Sherry, B., Brener, N., & O’Toole, T. (2012). Factors associated with sugar-sweetened beverage intake among united states school. The Journal of Nutrition, 142(2), 306-312. doi:10.3945/jn.111.148536
5. Van der Horst, K., Kremers, S., Ferreira, I., Singh, A., Oenema, A., & Brug, J. (2007). Perceived parenting style and the consumption of sugar-sweetened beverages by adolescents. Health Education Research, 22, 295-304. doi:10.1093/her/cyl080
6. De Telegraaf. (2017, 6 september). Geen suikerhoudende frisdrank meer op school. Geraadpleegd van https://www.telegraaf.nl/nieuws/333968/geen-suikerhoudende-frisdrank-meer-op-school.
7. Rtl Nieuws. (2017, 6 september). Verkoop suikerhoudende frisdrank op scholen stopt. Geraadpleegd van https://www.rtlnieuws.nl/nederland/artikel/2602386/verkoop-suikerhoudende-frisdrank-op-middelbare-scholen-stopt
8. Bouwman, C. (2017, 6 september). Ongezonde frisdranken verdwijnen van scholen. Geraadpleegd van https://www.nrc.nl/nieuws/2017/09/06/ongezonde-frisdranken-verdwijnen-van-scholen-a1572408
9. Nederlandse Vereniging Frisdranken, Waters, Sappen. (2017, 5 september). Forse aanpassingen op frisdrank assortiment op middelbare scholen. Geraadpleegd van http://www.frisdrank.nl/nieuws/forse-aanpassing-frisdrankassortiment-op-middelbare-scholen
10. Het Voedingscentrum. (2017, 6 september). Minder suiker in frisdranken op school goede stap in strijd tegen overgewicht. Geraadgpleegd van https://www.voedingscentrum.nl/nl/nieuws/geen-suikerhoudende-dranken-meer-op-middelbare-scholen.aspx.
11. Treur, J. L., Boomsma, D. I., Ligthart, L., Willemsen, G., & Vink, J. M. (2016). Heritability of high sugar consumption through drinks and the genetic correlation with substance use. The American Journal of Clinical Nutrition, 104, 1144-50.
12. Patrick, H., & Nicklas, T. A. (2005). A review of family and social determinantns of children’s eating patterns and diet quality. Journal of the American College of          Nutrition, 24, 83-92. doi:10.1080/07315724.2005.10719448
13. Van Lippevelde, W., Te Velde, S. J., Verloigne, M., De Bourdeaudhuij, I., Manios, , Bere, E., . . . Maes, L. (2013). Associations between home- and family-related factors and fruit juice and soft drink intake among 10- to 12- year old children. The ENERGY project. Appetite, 61, 59-65.doi:10.1016/j.appet.2012.10.019
14. Tibbs, T., Haire-Joshu, D., Schechtman, K.B., Brownson, R.C., Nanney, M.S., Houston, C., & Auslander, W. (2001). The relationship between parental   modeling, eating patterns, and dietary intake among African-American parents. Journal of the Academy of Nutrition and Dietetics, 101, 535-541. doi:10.1016/S0002-8223(01)00134-1

 

 

Alcohol onder de 18 jaar is verboden, maar iedereen mag alcoholvrije dranken kopen. Welk effect heeft dat op jongeren?

Alcoholgebruik wordt geaccepteerd in de Nederlandse samenleving. De meeste Nederlanders drinken wel eens alcohol. Eigenlijk is het bij jongeren niet de vraag of ze gaan drinken, maar wanneer ze beginnen met het drinken van alcohol4,9. In Schiermonnikoog heeft de enige supermarkt op het eiland de keuze gemaakt om ook geen alcoholvrije dranken meer onder de 18 jaar te verkopen. Dit omdat de Waddeneilanden het alcoholmisbruik door jongeren willen terugdringen. Op een afstandje is geen verschil te zien tussen alcoholvrij of alcoholhoudend bier, wat het handhaven ervan moeilijk maakt. Daarbij vinden zij het geen gezicht om kinderen met alcoholvrije bierflesjes te zien rondlopen. Cijfers wijzen uit dat de jeugd te veel drinkt, maar ondertussen laten we de jongeren wel legaal wennen aan het drinken van en uit een alcoholvrij bierflesje7.

Plaatje_Laura

Eén van de maatregelen die de overheid heeft ingezet om het alcoholgebruik onder jongeren uit te stellen en de consumptie van alcohol te verminderen, is de legale leeftijd om alcohol te drinken van 16 jaar naar 18 jaar te verhogen. Sinds 2014 is het strafbaar om alcoholhoudende dranken te nuttigen in het openbaar voor jongeren onder de 18 jaar. Ondanks dat de alcoholleeftijd naar 18 jaar is gegaan, is alcoholvrij bier beschikbaar gebleven voor alle leeftijden.

Volgens GGD Noord- en Oost-Gelderland lijken steeds meer ouders zich bewust te zijn geworden van de schadelijke gevolgen van alcohol voor jongeren onder de 18 jaar. Toch koopt 8% van de ouders weleens alcoholvrijbier voor hun 10-12 jarige kind5. Er bestaat empirisch bewijs voor een sterke samenhang tussen het drinkgedrag van jongeren en de normen van ouders tegenover alcoholgebruik3,8. Dus wat zegt het kopen van alcoholvrij bier door ouders voor hun kinderen, wellicht onbewust, over hun normen wat betreft alcoholgebruik?

Deskundigen van het Trimbos raden het drinken van alcoholvrij bier sterk af voor jongeren. Jongeren leren met het drinken van alcoholvrij bier de smaak van bier kennen, het gevoel van een bierflesje in de hand hebben en ze leren dat bier drinken normaal is en erbij hoort. Mogelijk is de stap naar het drinken van alcohol daardoor sneller gezet. Dit past bij de ‘cue-reactivity-theory’. Deze theorie stelt dat hoe meer men blootgesteld wordt aan gerelateerde stimuli (prikkels), dit het daadwerkelijke gebruik van middelen uitlokt. In dit geval zal dus het drinken uit een alcoholvrij bierflesje een gerelateerde prikkel kunnen zijn. Deze ‘cue’ kan er voor zorgen dat jongeren op vrij jonge leeftijd al zin krijgen in het nuttigen van alcohol1. Meerdere studies laten zien dat de toegang tot alcohol op jonge leeftijd leidt tot een hoger risico om op latere leeftijd meer te drinken2,6. Onderzoek naar de gevolgen van alcoholvrije dranken zou gepast zijn. Wellicht heeft toegang tot alcoholvrij bier dezelfde gevolgen op latere leeftijd als de toegang tot alcoholhoudend bier.

Al met al is alcoholvrij bier in principe een goed alternatief, maar dit geldt voornamelijk voor (jong)volwassenen zegt Trimbos. Natuurlijk is het gebruik van alcoholvrij bier onder jongeren nog altijd beter dan alcoholgebruik zelf. Gezien de boodschap die jongeren meekrijgen door het drinken van alcoholvrije dranken en de mogelijke gevolgen hiervan zijn, is het wellicht een goed idee om voor alcoholvrije dranken ook een minimum leeftijd in te stellen.

Deze blog werd geschreven door Laura Visser, master student Pedagogische Wetenschappen en Onderwijskunde, Radboud Universiteit.

Referenties
1. Babor, T.F., Robaina, K., Noel, J.K., & Ritson, E.B. (2017). Vulnerability to alcohol-related problems: a policy brief with implications for the regulation of alcohol marketing. Addiction, 112(1), 94-101.
2. Casswell, S., Pledger, M., & Pratap, S. (2002). Trajectories of drinking from 18 to 26 years: Identification and prediction. Addiction, 97, 1427-1437.
3. Gilligan, C., Kypri, K., & Lubman, D. (2012). Changing parental behaviour to reduce risky drinking among adolescents: Current evidence and future directions. Alcohol and Alcoholism, 47(3), 349-354.
4. Hibell, B., Guttormsson, U., Ahlström, S., Balakireva, O., Bjarnasson, T., Kokkevi, A., & Kraus, L. (2009). The 2007 ESPAD Report. Substance use among students in 35 European countries. Stockholm: The Swedish council for information on alcohol and other drugs (CAN).
5. Kindermonitor. (2017). GGD Noord- en Oost-Gelderland – Leefstijl van kinderen verbeterd! Geraadpleegd op 19 oktober 2018, van https://www.ggdnog.nl/nieuws-2/item/publiek-nieuws/leefstijl-van-kinderen-verbeterd
6. Paschall, M. J., Grube, J. W., Black, C., Flewelling, R. L., Ringwalt, C. L., & Biglan, A. (2007). Alcohol outlet characteristics and alcohol sales to youth: Results of alcohol purchase surveys in 45 Oregon communities. Prevention Science, 8(2), 153-159.
7. RTLNieuws. (2018, 14 juli). Onder de 18 een alcoholvrij biertje? Niet op Schiermonnikoog. Geraadpleegd op 19 oktober 2018, van https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/nederland/artikel/4286616/onder-de-18-een-alcoholvrij-biertje-niet-op-schiermonnikoog
8. Spijkerman, R., Van Den Eijnden, R. J. J. M., Overbeek, G. J., & Engels, R. C. M. E (2007). The impact of peer and parental norms and behaviour on adolescent drinking: The mediating role of drinker prototypes. Psychology and Health, 22, 7-29.
9. Verdurmen, J., Monshouwer, K., van Dorsselaer, S., Lokman, S., Vermeulen-Smit, E., & Vollebergh, W. (2012). Jeugd en riskant gedrag 2011. Kerngegevens uit het peilstationsonderzoek scholieren. Utrecht: Trimbos Instituut.

Afvallen in je slaap?

De cijfers liegen er niet om en we ontkomen er niet meer aan. Het gemiddelde gewicht van de bevolking stijgt steeds meer. Ook onder kinderen is dit een groot probleem. Volgens het Rijkinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is overgewicht bij kinderen de laatste decennia sterk toegenomen. Op dit moment heeft bijna 14% van de kinderen in Nederland van 4 t/m 17 jaar overgewicht. In Nederland wordt er al veel aandacht aan dit onderwerp besteed. Zo is de overheid bezig met het verbeteren van het voedings- en beweegpatroon van kinderen. Sporten en bewegen wordt toegankelijker gemaakt en een koekje op het schoolplein lijkt steeds meer verleden tijd te worden. In de wetenschap lijkt er echter steeds duidelijker bewijs te zijn dat ook slaap een grote rol kan spelen bij overgewicht onder kinderen. Wat als een goed slaapritme een gedeelte van het gewichtsprobleem bij kinderen kan oplossen?

Omdat een groot percentage van kinderen met obesitas hun verhoogde gewicht meeneemt naar de volwassenheid, is het belangrijk om hier vroeg op in te spelen. 40% van de kinderen met overgewicht behouden een verhoogd gewicht tijdens hun adolescentie en 75-80% van de adolescenten met obesitas behouden deze obesitas de rest van hun leven1. De wetenschap is het erover eens dat er meerdere factoren lijken mee te spelen in de ontwikkeling van overgewicht bij kinderen. Vaak wordt er tijdens deze onderzoeken gekeken naar omgevingsfactoren van het kind, maar de laatste jaren wordt er steeds meer onderzoek gedaan naar de invloed van slaap op het gewicht van kinderen.

Plaatje_Loes

Tijdens slaap gaat het lichaam door verschillende essentiële fysiologische processen die het lichaam nodig heeft voor verschillende condities. Zo speelt slaap een grote rol in de afgifte van hormonen, metabolische veranderingen en in de levensstijl van een persoon, wat kan resulteren in obesitas2. Ook kan minder slaap er direct voor zorgen dat je overdag meer trek en honger hebt3. Er is steeds meer bewijs dat zowel de lengte van slaap als de kwaliteit van slaap invloed hebben op het gewicht van kinderen4. Er zijn verschillende meta-analyses gedaan naar de relatie tussen slaap en obesitas bij kinderen. Deze laten zien dat kinderen en adolescenten die korter slapen tot wel twee keer zo veel kans hebben om overgewicht of obesitas te krijgen vergeleken met de kinderen en adolescenten die langer slapen2,5,6. Met name jonge kinderen lijken een groter risico te lopen.

Omdat verschillende studies duidelijk bewijs laten zien voor een relatie tussen gebrek aan slaap bij kinderen en een vergrote kans op obesitas, zou het goed zijn om de kennis over slaap te verwerken in de preventie en interventie van obesitas. De meeste interventies focussen zich op dit moment voornamelijk op diëten en fysieke activiteit, maar er zijn al aanwijzingen dat het verwerken van de kennis die we hebben over slaap in interventies kan zorgen voor een afname van obesitas bij kinderen7. Hoewel de onderzoeken over de effectiviteit hiervan nog in de kinderschoenen staan, kunnen we vanavond al een begin maken. Stop je kinderen vanavond dus lekker op tijd onder de wol zodat zij een goede nachtrust hebben.

Deze blog werd geschreven door Loes de Leijer, master student Pedagogische Wetenschappen en Onderwijskunde, Radboud Universiteit.

Referenties
1. Lifshitz, F. (2008). Obesity in Children. Journal of Clinical Research in Pediatric Endocrinology, 2, 53-60.
2. Li, L., Zhang, S., Huang, Y., & Chen, K. (2017). Sleep Duration and Obesity in Children: A Systematic Review and Meta-analysis of Prospective Cohort Studies. Journal of Paediatrics and Child Health, 53, 378-385.
3. Spiegel, K., Tasali, E., Penev, P., Van Cauter, E. (2004). Brief Communication: Sleep Curtailment in Healthy Young Men is Associated with Decreased Leptin Levels, Elevated Ghrelin Levels, and increased hunger and appetite. Annals of Internal Medicine, 141, 846-850.
4. Kumar, S. (2017). Review of Childhood Obesity: from Epidemiology, Etiology, and Comorbidities to Clinical Assessment and Treatment. Mayo Clinic Proceedings, 92, 251-265.
5. Douglas, S. (2016). Relationship between Sleep and Obesity among Children in the Guelpgh Family Health Study (Master of Science Thesis, University of Guelph).
6. Fatima, Y., Doi, S. A. R. (2014). Longitudinal Impact of Sleep on Overweight and Obesity in Children and Adolescents: a Systematic Review and Bias-adjusted Meta-analysis. Obesity Reviews, 16, 137-149.
7. Dawson-McClure, S., Brotman, L. M., Theise, R., Palamar, J. J., Kamboukos, D., Barajas, G., & Calzada, E. J. (2014). Early Childhood Obesity Prevention in Low-Income, Urban Communities. Journal of Prevention and Intervention in the Community, 42, 152-166.

Brief aan Science: Verslaving hoort er ook bij!

Verslavend gedrag moet ook meegenomen worden bij (genetisch) onderzoek naar de onderliggende oorzaken van psychiatrische aandoeningen. Dit was de hoofdboodschap van een brief die ik samen met een collega naar het tijdschrift Science heb gestuurd.

29102018-RADblog-Jacqueline-plaatje.docx-2641247741-1540810299933.jpgDe aanleiding hiervoor was een indrukwekkende publicatie in het juni-nummer van Science1. De grote groep auteurs noemt zichzelf het ‘Brainstorm Consortium’ en ze beschrijven in hun artikel wat de genetische correlaties zijn tussen verschillende psychiatrische en neurologische aandoeningen. Een genetische correlatie geeft weer hoeveel genetische overlap er is tussen twee aandoeningen met behulp van een getal tussen 0 en 1, of in andere woorden of het grotendeels dezelfde genen zijn die van invloed zijn op die aandoeningen (= hoge correlatie) of juist totaal verschillende genen (= lage correlatie). Dit levert informatie op of de onderliggende mechanismen overlappen of juist niet, en dat kan uiteindelijk consequenties hebben voor de behandelingsstrategie.

De auteurs onderzochten 10 psychiatrische aandoeningen, waaronder ADHD, depressie, bipolaire aandoeningen en schizofrenie. Echter, middelengebruik en verslaving werd niet meegenomen in de categorie psychiatrische aandoeningen (roken werd alleen als risicofactor genoemd). Dat was voor ons aanleiding om een brief te sturen naar Science.

Wat zijn onze argumenten?

  1. Verslaving is ook onderdeel van het internationale classificatiesysteem voor psychiatrische aandoeningen (DSM-5).
  2. Criteria voor een diagnose ‘verslaafd’ zijn, net als bij andere psychiatrische aandoeningen, grotendeels gebaseerd op gedragsmatige symptomen. Bij verslaving gaat het bijvoorbeeld om gevoelens van trek/zucht (craving), het opgeven van sociale activiteiten en het interacteren met het dagelijks functioneren.
  3. Verslaving gaat vaak samen met andere psychiatrische aandoeningen, zoals depressie of ADHD. En als iemand zowel verslaafd is als een andere psychiatrische aandoening heeft is de prognose voor beide vaak slechter.
  4. De neurobiologische mechanismen hebben sterke overeenkomsten, zo zijn grotendeels dezelfde hersengebieden betrokken bij verslaving en bij andere psychiatrische aandoeningen.
  5. De behandeling van verslaving en andere psychiatrische aandoeningen heeft sterke overeenkomsten wat betreft psychotherapeutische aanpak.

Dit zijn allemaal belangrijke punten om te beargumenteren dat bij onderzoek naar genetische correlaties tussen psychiatrische aandoeningen ook verslavingen, verslavend gedrag en middelengebruik meegenomen zouden moeten worden. En inderdaad, als we naar de bestaande literatuur kijken zien we duidelijke voorbeelden dat genetische correlaties tussen verslavend gedrag en psychiatrische aandoeningen (tabel B) net zo hoog zijn als tussen de andere psychiatrische aandoeningen onderling (tabel A).

29102018 RADblog Jacqueline - plaatje2

Het is daarom belangrijk om bij verder onderzoek naar de (genetische) relatie tussen psychiatrische aandoeningen onderling ook verslavend gedrag en middelengebruik mee te nemen.  Om dit duidelijk te maken aan een breed (wetenschappelijk) publiek hebben mijn collega en ik een brief gestuurd aan Science, en die is in september van dit jaar gepubliceerd!4 In eerste instantie hadden we een stuk geschreven van zo’n 1000 woorden, met een mooie tabel erbij. Helaas bleek dit niet het geschikte format te zijn om te reageren op een eerder gepubliceerd artikel, dus hebben we het ingekort tot 300 woorden en moesten we de tabel weglaten. Hopelijk is het ook in 300 woorden gelukt om onze boodschap over te brengen aan de wetenschappelijke wereld, en gelukkig mocht ik in deze blog wel 500 woorden besteden aan dit belangrijke onderwerp!

Deze blog werd geschreven door Jacqueline Vink (BSI, Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Brainstorm Consortium et al., Analysis of shared heritability in common disorders of the brain. Science (New York, N.Y.)360, eaap8757 (2018).
2. Walters, R.K. et al., Trans-ancestral GWAS of alcohol dependence reveals common genetic underpinnings with psychiatric disorders. bioRxiv (2018).
3. Pasman, J.A. et al., GWAS of lifetime cannabis use reveals new risk loci, genetic overlap with psychiatric traits, and a causal influence of schizophrenia. Nature Neuroscience 21, 1161-1170 (2018).
4. Vink, J.M. & Schellekens, A. Relating addiction and psychiatric disorders. Science 361, 1323-1324 (2018).

Welk type eter ben jij? Verslag Radboud Invites

Op zaterdag 6 oktober 2018 was een groepje RAD-bloggers, waaronder ikzelf, aanwezig op de Radboud Universiteit om een workshop te geven getiteld: “Welk type eter ben jij? Test jezelf!”. We gaven deze workshop in het kader van Radboud Invites, een feestelijke dag waarop de Radboud Universiteit en het Radboudumc hun deuren openden om hun 95ste verjaardag te vieren. Met ruim 120 activiteiten van zeven verschillende faculteiten hebben de universiteit en het ziekenhuis laten zien wat ze allemaal in huis hebben. In deze blog zal ik kort verslag doen over de workshop die we gaven tijdens deze  inspirerende dag.

picture 1

RAD-bloggers Levie en Nina tijdens de voorbereidingen van de workshop

Tijdens Radboud Invites gaven wij op meerdere momenten een workshop waarin deelnemers konden testen welk type eter zij zijn. Bij binnenkomst konden deelnemers een wat gezonder snackje (een appel en druiven) of een wat ongezonder snackje (een candybar en zakje snoep) kiezen. Daarna vulden zij de zelftest in en berekenden ze hun persoonlijke eetscore. Uit de scores van het eerste deel van de zelftest kwam naar voren in hoeverre deelnemers emotionele eters, externe eters, of lijngerichte eters waren1. In andere woorden konden deelnemers testen of ze vaak de neiging hebben te gaan eten door emoties, of ze gevoelig zijn voor voedselprikkels uit de omgeving, of dat ze juist voortdurend op hun gewicht letten bij het maken van voedselkeuzes. Hierna gaf Junilla Larsen food for thought door de stand van zaken in de wetenschap rondom deze typeringen uiteen te zetten. Zo bleek bijvoorbeeld uit haar praatje dat mensen die hoog scoren op emotioneel eten, een grotere kans hebben om over de tijd aan te komen in gewicht en om eetstoornissen te ontwikkelen2.

picture 2

Bij aankomst konden deelnemers hier een zelftest en iets lekkers pakken. Na de workshop konden deelnemers kiezen of hun vragenlijst gebruikt mag worden voor wetenschappelijk onderzoek, of dat ze liever hadden dat hun vragenlijst werd vernietigd (zie de dozen links)

Het tweede deel van de zelftest bestond uit een relatief nieuwe vragenlijst, die nagaat of mensen een neiging hebben tot voedselverslaving. In deze vragenlijst heeft een Amerikaanse onderzoeksgroep de criteria van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), waaraan voldaan moet worden bij een verslaving aan alcohol of drugs, vertaald naar het eten van junk food3,4. Voorbeelden van deze criteria zijn craving (een sterk verlangen hebben om junk food te eten), tolerantie (over de tijd steeds meer junk food nodig hebben om hetzelfde, fijne gevoel te krijgen), en ontwenning (last hebben van onthoudingsverschijnselen als geen junk food gegeten wordt). In onze workshop vulden de deelnemers deze nieuwe vragenlijst in en checkten ze of ze voldeden aan de opgestelde criteria voor voedselverslaving. Hierna vertelde Jacqueline Vink over een unieke studie, uitgevoerd door RAD-bloggers, waarin deze nieuwe voedelverslavingsvragenlijst door ruim 2500 jongeren is ingevuld. Hieruit kwam naar voren kwam dat meisjes vaker voedselverslaafd zijn dan jongens, en dat jongeren met overgewicht vaker voedselverslaafd zijn dan jongeren met normaal of ondergewicht5.

picture 3

RAD-bloggers Junilla Larsen (links) en Jacqueline Vink (rechts) vertellen over onderzoek naar type eters en voedselverslaving

Zoals je misschien wel op de foto’s kan zien, vond de workshop plaats op een hele bijzondere locatie, namelijk in het bar lab. Het bar lab is uniek, omdat het zo is ingericht dat het op een gezellige kroeg lijkt. Het idee hierachter is dat “participanten” aan onderzoek zich meer op hun gemak voelen en zich zodoende ook op een meer natuurlijke manier gaan gedragen. Dankzij de ingevulde vragenlijst kunnen wij in de toekomst nagaan of verschillende type eters (emotionele, externe, en lijngerichte eters) een grotere of kleinere kans hebben op het ontwikkelen van voedselverslaving. Ook kunnen we bekijken of de keuze voor een gezonder versus ongezonder snackje gerelateerd is aan hun scores op de vragenlijst. Wij willen de bezoekers van harte bedanken voor hun deelname en hun inspirerende vragen. Wij hebben weer volop input voor ons onderzoek gekregen, en hebben genoten van deze bijzondere dag!

picture 4

De inrichting van het bar lab

Deze blog werd geschreven door Nina van den Broek (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Van Strien, T., Frijters, J. E., Bergers, G. P., & Defares, P. B. (1986). The Dutch Eating Behavior Questionnaire (DEBQ) for assessment of restrained, emotional, and external eating behavior. International Journal of Eating Disorders, 5, 295-315.
2. Koenders, P., & Van Strien, T. (2012). Emotioneel eten heeft een sterkere invloed op de gewichtstoename dan leefstijlgedrag in een prospectief onderzoek onder 1562 bankmedewerkers. Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, 20, 430-430.
3. Gearhardt, A. N., Corbin, W. R., & Brownell, K. D. (2009). Food addiction: An examination of the diagnostic criteria for dependence. Journal of Addiction Medicine, 3, 1-7.
4. Gearhardt, A. N., Corbin, W. R., & Brownell, K. D. (2009). Preliminary validation of the Yale Food Addiction Scale. Appetite, 52, 430-436.
5. Mies, G. W., Treur, J. L., Larsen, J. K., Halberstadt, J., Pasman, J. A., & Vink, J. M. (2017). The prevalence of food addiction in a large sample of adolescents and its association with addictive substances. Appetite, 118, 97-105.

Verslaafd aan je telefoonscherm? De effecten van smartphonegebruik op de mentale en emotionele gezondheid van jongeren

De kranten staan er vol mee en iedereen heeft er wel een mening over: smartphonegebruik. Op menig verjaardagsfeestje wordt hierover gediscussieerd met vaak een duidelijke generatiekloof: jongeren zweren bij hun mobiele telefoon en zien veel voordelen van alle technologische ontwikkelingen, terwijl oudere generaties huiverig zijn en vooral negatieve consequenties benoemen, zoals eenzaamheid en verslaving1. Moeten wij ons zorgen maken over de tijd die jongeren besteden op hun smartphones?

Ook veel wetenschappers houden zich bezig met deze vraag en ook hier zijn de meningen verdeeld. Enerzijds heeft een groep onderzoekers de noodklok geluid over de effecten van het smartphonegebruik van jongeren op hun psychologisch functioneren. Op basis van een grote studie2 waarin onderzoekers de opkomst van digitale technologie naast de toename in depressie en suïcide cijfers hebben gelegd, werd geconcludeerd dat jongeren die meer tijd besteden aan hun smartphones ook vaker depressieve of suïcidale klachten hebben. Jongeren die meer tijd besteden aan andere activiteiten, zoals sporten of huiswerk, laten juist minder psychische problemen zien. Op basis van deze resultaten, die breed zijn uitgemeten in de media, is er inderdaad grote reden tot zorg. En misschien belangrijker: dit beeld lijkt aan te sluiten bij de grote angst die veel ouders, hulpverleners en leerkrachten voelen ten aanzien van het smartphonegebruik van jongeren.

cell-phone-addiction

Echter, een andere groep onderzoekers probeert dit beeld wat te nuanceren door deze studie kritisch tegen het licht te houden3,4. Het feit dat deze twee ontwikkelingen namelijk vlak na elkaar plaatsvinden hoeft niet te betekenen dat het een door het ander veroorzaakt wordt. Er zijn veel andere factoren, zoals de genetische opmaak en de opvoeding van jongeren, die invloed hebben op de mentale gezondheid4. Bovendien is het veel waarschijnlijker dat het type activiteiten die jongeren online doen of met wie ze die activiteiten doen een grotere invloed hebben op hun psychische gezondheid dan alleen de hoeveelheid schermtijd4,5. Daarnaast zijn er meerdere studies die laten zien dat gematigd smartphone gebruik juist leidt tot een stijging in het psychisch welzijn van jongeren5,6.

Sociale media en games bieden namelijk een context voor creativiteit en socialiteit: gevoelens en gedachten kunnen gemakkelijker geuit worden, sociale vaardigheden en zelfvertrouwen kunnen worden getraind en jongeren kunnen gemakkelijker en langduriger met leeftijdgenoten in contact komen5,7,8. Bijna alle jongeren hebben dagelijks contact met vrienden via hun smartphones, voelen zich daardoor meer verbonden met hun vrienden en ontvangen daardoor meer sociale steun van hun vrienden5,8. Jongeren die geen smartphone hebben, missen dit soort sociale activiteiten die vaak fungeren als verlenging van face-to-face contact en kunnen zich daardoor juist eenzaam of buitengesloten voelen5. Recent Nederlands onderzoek laat ook zien dat er, gelukkig, maar relatief weinig jongeren problematisch sociale media of game gedrag vertonen7. Op basis van deze data lijkt het luiden van de noodklok minder noodzakelijk, hoewel er zeker meer onderzoek nodig is naar welke factoren kunnen leiden tot problematisch smartphonegebruik en daaraan gerelateerde psychische klachten.

Samenvattend weten we eigenlijk nog steeds te weinig om duidelijke conclusies te trekken. Voor nu lijkt het erop dat we te maken hebben met een zogenaamde u-curve: te weinig én te veel smartphone gebruik is niet wenselijk voor jongeren4,5. Voor ouders, hulpverleners en leerkrachten is het aan te raden om het schermgebruik van jongeren te monitoren, omdat jongeren inderdaad een ongezonde relatie ten aanzien van hun smartphone kunnen ontwikkelen7. Naast monitoring is interesse in zowel de online als offline leefwereld van jongeren van cruciaal belang: wat doen jongeren eigenlijk op hun mobieltje en wat maakt de aantrekkingskracht zo groot? Een gedeelte van de angst die volwassen voelen ten aanzien van smartphonegebruik kan namelijk liggen in onbegrip over hoe technologie is ingebed in het leven van jongeren1. Meer kennis hierover kan een gedeelte van deze zorg wegnemen1. In de toekomst is het noodzakelijk om een vinger aan de pols te houden, maar ook om ons onderbuikgevoel niet de overhand te laten krijgen en verandering als vooruitgang te zien.

Voor meer informatie over welke media voor welke leeftijden geschikt zijn en tips over smartphonegebruik en monitoring, zie dan https://www.commonsensemedia.org/. Om je eigen schermtijd bij te houden, kun je meerdere apps downloaden (Android: Quality Time; IOS: Moment). Wil je op de hoogte blijven van de effecten van sociale media en video games op de mentale en emotionele gezondheid van kinderen en jongeren, volg dan, naast onze RAD-blogs, ook onze blogs op www.gemhlab.com (over Games for Mental Health).

Deze blog werd geschreven door Hanneke Scholten (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Boyd, D. (2014). It’s complicated: The social lives of networked teens. New Haven, CT: Yale University Press
2. Twenge, J. M., Joiner, T. E., Rogers, M. L., & Martin, G. N. (2018). Increases in depressive symptoms, suicide-related outcomes, and suicide rates among U.S. adolescents after 2010 and links to increased new media screen. Clinical Psychological Science, 6, 3-17. doi: 10.1177/2167702617723376
3. Daly, M. (2018). Social-media use may explain little of the recent rise in depressive symptoms among adolescent girls. Clinical Psychological Science, 6, 295-295. doi: 10.1177/2167702617750869
4. Nir, E. (2018). Social media has the “exact same negative effect on depression” as eating potatoes. Retrieved from: https://medium.com/behavior-design/social-media-has-the-exact-same-negative-effect-on-depression-as-eating-potatoes-2fcd2c1c4310
5. Przybylski, A. K., & Weinstein, N. (2017). A large-scale test of the goldilocks hypothesis: Quantifying the relations between digital-screen use and the mental well-being of adolescents. Psychological Science, 28, 204-215. doi: 10.1177/0956797616678438
6. Coyne, S. M., Padilla‐Walker, L. M., Holmgren, H. G., & Stockdale, L. A. (2018). Instagrowth: A longitudinal growth mixture model of social media time use across adolescence. Journal of Research on Adolescence. doi: 10.1111/jora.12424
7. Stevens, G., Van Dorsselaer, S., Boer, M., De Roos, S., Duinhof, E., Ter Bogt, T., Van den Eijnden, R., Kuyper, L., Visser, D., Vollebergh, W., & De Looze, M. (2018). HBSC 2017. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland. Utrecht, NL: Trimbos Instituut.
8.Van Dorsselaer, S. A. F. M., Tuithof, M., Verdurmen, J. E. E., Spit, M., Van Laar, M. & Monshouwer, K. (2016). Jeugd en riskant gedrag 2015: Kerngegevens uit het peilstationsonderzoek scholieren. Utrecht, NL: Trimbos-instituut.