Categorie: blog

Doe mee met het alRISCO lifestyle project!

De overgang van studeren naar werken is een belangrijke periode die gepaard gaat met vele mogelijkheden en uitdagingen voor persoonlijke ontwikkeling.1 Studenten en net afgestudeerden maken veranderingen mee die vaak samenhangen met het kiezen van een carrière pad, solliciteren naar een baan, verhuizen, (afscheid nemen van) het studentenleven en het aangaan van nieuwe relaties. Wat betreft rijping en cognitieve functies verandert het brein tot een leeftijd rond 25 jaar.2,3 Dit maakt deze overgangsperiode zeer relevant voor het bestuderen van cognitieve, sociale en emotionele factoren en hoe deze zich verhouden tot veranderingen in leefstijl. 

Een onderzoek naar cognitieve functies, leefstijlfactoren en levensgebeurtenissen

In het alRISCO lifestyle project gaan we er vanuit dat het focussen op veerkracht of positieve aanpassing de sleutel kan zijn om meer inzicht te krijgen in de overgangsperiode van studeren naar werken. In onze grote online longitudinale studie gaan we onderzoeken hoe jongvolwassenen omgaan met de veranderingen in hun leven en hoe dit hun leefstijl en welzijn beïnvloedt als ze het studentenleven achter zich laten.

Wat inspireerde dit onderzoek?
Er is behoefte aan meer kennis over factoren die samenhangen met positieve aanpassingen en veerkracht in de jongvolwassenheid. Dit in tegenstelling tot veel eerdere onderzoeken die focussen op de risico’s of negatieve uitkomsten. Het begrijpen hoe studenten en net afgestudeerden omgaan met levensveranderingen en tegenslagen kan waardevolle inzichten opleveren in preventie strategieën voor mentale gezondheid en welzijn van jongvolwassenen4.

Hoe onderzoeken we dit?
Met een aantal vragenlijsten en twee korte computertaken. De vragenlijsten omvatten verschillende onderwerpen gerelateerd aan emotionele, cognitieve en sociale factoren, evenals leefstijl en levensgebeurtenissen. De computertaken meten cognitief functioneren. Het gehele onderzoek zal online plaatsvinden. Je kunt dus vanuit huis meedoen op je laptop of pc. 

Kan ik meedoen? 
Ben je een Nederlandse student in het laatste jaar van je bachelor of bezig met een master? Dan kun je meedoen aan de screeningsvragenlijst die 5 minuten duurt. Uit de screeningsvragenlijst zullen we deelnemers selecteren voor de 2-jarige studie. De 2-jarige studie bestaat uit 5 metingen. Elke meting bestaat uit vragenlijsten (ongeveer 40 minuten) en computertaken (ongeveer 15 minuten). Je kunt tussendoor pauze nemen. In totaal zal het minder dan een uur duren per meting. In minder dan 5 uur van jouw tijd kan je dus een substantiële bijdrage leveren aan ons project! Meer details over deze studie staan beschreven aan het begin van de screeningsvragenlijst (zie link onderaan). 

Wat krijg ik als ik deelneem? 
Na het voltooien van de screeningsvragenlijst kan je meedoen aan een loterij voor BOL.com bonnen van 50 euro. Als je verder gaat met het longitudinale onderzoek, zal je 10 euro BOL.com bonnen ontvangen voor iedere meting waar je aan mee doet. Als je alle vijf de metingen voltooit, kan je deelnemen aan een loterij voor vouchers voor een verblijf in vakantieparken. Daarnaast houden we deelnemers op de hoogte van de voortgang van het project door middel van nieuwsbrieven zodat je meer kunt leren over ons onderzoek. Bovendien zullen we deelnemers die tot het einde van het onderzoek meedoen feedback geven over hun leefstijl (indien gewenst).

Doe mee aan het alRISCO lifestyle project en draag bij aan meer kennis over hoe studenten op een positieve manier om kunnen gaan met deze uitdagende maar enerverende fase in het leven :)!

Je kunt je aanmelden voor de screeningsvragenlijst via deze link: https://bit.ly/3iSXnMT

Volg ons op social media voor meer informatie:

Deze blog werd geschreven door Milagros Rubio (Radboud Universiteit, promovenda en projectleider van het alRISCO project; m.rubio@bsi.ru.nl) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Arnett JJ. Emerging adulthood: A theory of development from the late teens through the twenties. Am Psychol. 2000;55(5):469-480. doi:10.1037/0003-066X.55.5.469
2. Casey BJ, Galván A, Somerville LH. Beyond simple models of adolescence to an integrated circuit-based account: A commentary. Dev Cogn Neurosci. 2016;17:128-130. doi:10.1016/j.dcn.2015.12.006
3. Steinberg L. A Dual Systems Model of Adolescent Risk-Taking. 2008. doi:10.1002/dev.20445
4.  Kalisch R, Müller MB, Tüscher O. A conceptual framework for the neurobiological study of resilience. Behav Brain Sci. 2015;38(2015):e92. doi:10.1017/S0140525X1400082X

Vrouwen met Obesitas en Borstvoeding: Is ‘Borst’ wel ‘Best’?

Het is bekend dat borstvoeding bij vrouwen met obesitas vaak lastiger verloopt. Hiervoor zijn fysiologische verklaringen te bedenken, maar mogelijk is het tegelijkertijd een evolutionair aangepaste reactie zodat verdere ongezonde programmering via moedermelk niet in gang wordt gezet. Wat is tot nu toe bekend?

  • Meta-analyses van epidemiologische onderzoeken laten veelal zien dat borstvoeding samenhangt met een gezondere gewichtsontwikkeling van kinderen.1,2 Echter, een goede controle voor factoren die deze relatie verklaren is lastig en het is goed mogelijk dat moeders die kiezen voor borstvoeding ook vaker een gezondere eetomgeving voor hun kinderen creëren. 
  • Onderzoeken met andere typen designs die betere uitspraken kunnen doen over mogelijke causaliteit laten geen link zien tussen borstvoeding en gezondere gewichtsontwikkeling bij kinderen in de totale groep.3-5
  • Recente studies naar specifieke macronutriënten en hormonen in moedermelk laten zien dat moeders met obesitas ongunstigere macronutriënten (zoals ‘monosaccharides’ and ‘sugar alcohols’) en hormonen (leptine en insuline) hebben die op hun beurt samen lijken te hangen met een gewichtstoename bij kinderen gedurende de eerste levensjaren.6-9 Darmflora en smaakblootstelling spelen hierbij mogelijk ook een rol.10,11 Dierstudies ondersteunen de ongunstige impact van moedermelk van moederdieren met obesitas, specifiek wanneer moeders ook ongezond eetgedrag vertonen.12 Ongezond eetgedrag lijkt dus een belangrijk mechanisme te zijn bij deze mogelijke ‘obesitas-programmering’ via lactatie.  
Foto door Eric Froehling via Unsplash

Opvallend is dat veel recente studies naar specifieke macronutriënten en hormonen in moedermelk afsluiten met de conclusie dat borstvoeding bij vrouwen met obesitas gepromoot dient te worden, ondanks eventuele ongunstige gewichtseffecten bij kinderen, omdat borstvoeding bij lijkt te dragen aan ouder-kind bonding, het kind beschermt tegen infectieziektes en diarree, en het voor de moeder stress-reducerend kan werken en gemiddeld gezien bescherming biedt tegen de ontwikkeling van borstkanker. Hierbij dient echter een aantal aspecten in oogschouw te worden genomen: mogelijke effecten van ouder-kind bonding zijn gemiddeld gezien klein; infectieziektes en diarree zijn bedreigender in ontwikkelingslanden dan in geïndustrialiseerde samenlevingen; en bij vrouwen met obesitas vergroot borstvoeding mogelijk zelfs het risico op borstkanker.13 Dit doet mij – in combinatie met de eerder besproken punten – concluderen dat ‘borst’ misschien wel niet ‘best’ is bij vrouwen met obesitas. Evolutionaire theorieën zijn vanzelfsprekend lastig toetsbaar. We zullen dus niet weten of sprake is van een fysiologisch aangepaste reactie die borstvoeding bemoeilijkt bij vrouwen met obesitas. Echter, toekomstig dieet/obesitas-interventie onderzoek en effecten op lactatie en ontwikkeling van kinderen bij vrouwen met obesitas is belangrijk en kan verdere inzichten bieden in causale relaties en onderliggende mechanismen. Hierbij dienen onderzoekers ook open te staan voor de vraag of borstvoeding bij vrouwen met obesitas in specifieke situaties (zoals bijvoorbeeld voedselverslaving en genetische gevoeligheid voor borstkanker) wel gewenst is, mede gezien het feit dat steeds meer geavanceerde kunstmelkproducten op de markt komen.

Deze blog werd geschreven door Junilla Larsen (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Yan J, Liu L, Zhu Y, Huang G, Wang PP. The association between breastfeeding and childhood obesity: a meta-analysis. BMC public health. 2014;14(1):1267.
2. Qiao J, Dai L-J, Zhang Q, Ouyang Y-Q. A meta-analysis of the association between breastfeeding and early childhood obesity. Journal of pediatric nursing. 2020;53:57-66.
3. Smithers LG, Kramer MS, Lynch JW. Effects of breastfeeding on obesity and intelligence: causal insights from different study designs. JAMA pediatrics. 2015;169(8):707-8.
4. Colen CG, Ramey DM. Is breast truly best? Estimating the effects of breastfeeding on long-term child health and wellbeing in the United States using sibling comparisons. Social Science & Medicine. 2014;109:55-65.
5. Martin RM, Kramer MS, Patel R, Rifas-Shiman SL, Thompson J, Yang S, et al. Effects of promoting long-term, exclusive breastfeeding on adolescent adiposity, blood pressure, and growth trajectories: a secondary analysis of a randomized clinical trial. JAMA pediatrics. 2017;171(7):e170698-e.
6. Saben JL, Sims CR, Piccolo BD, Andres A. Maternal adiposity alters the human milk metabolome: associations between nonglucose monosaccharides and infant adiposity. The American Journal of Clinical Nutrition. 2020.
7. Sims C, Lipsmeyer M, Turner D, Andres A. Human milk composition differs by maternal BMI in the first 9 months postpartum. Current Developments in Nutrition. 2020;4(Supplement_2):1080-.
8. Lagström H, Rautava S, Ollila H, Kaljonen A, Turta O, Mäkelä J, et al. Associations between human milk oligosaccharides and growth in infancy and early childhood. The American Journal of Clinical Nutrition. 2020;111(4):769-78.
9. Isganaitis E, Venditti S, Matthews TJ, Lerin C, Demerath EW, Fields DA. Maternal obesity and the human milk metabolome: associations with infant body composition and postnatal weight gain. The American Journal of Clinical Nutrition. 2019;110(1):111-20.
10. Abenavoli L, Scarpellini E, Colica C, Boccuto L, Salehi B, Sharifi-Rad J, et al. Gut microbiota and obesity: a role for probiotics. Nutrients. 2019;11(11):2690.
11. Spahn JM, Callahan EH, Spill MK, Wong YP, Benjamin-Neelon SE, Birch L, et al. Influence of maternal diet on flavor transfer to amniotic fluid and breast milk and children’s responses: a systematic review. The American journal of clinical nutrition. 2019;109(Supplement_1):1003S-26S.
12. Kislal S, Shook LL, Edlow AG. Perinatal exposure to maternal obesity: Lasting cardiometabolic impact on offspring. Prenatal Diagnosis. 2020;40(9):1109-25.
13. Connor AE, Visvanathan K, Baumgartner KB, Baumgartner RN, Boone SD, Hines LM, et al. Pre-diagnostic breastfeeding, adiposity, and mortality among parous Hispanic and non-Hispanic white women with invasive breast cancer: the Breast Cancer Health Disparities Study. Breast cancer research and treatment. 2017;161(2):321-31.

Wijnen, wijnen, wijnen: wel of niet tijdens de coronacrisis?

Ondanks dat ik zelf geen druppel alcohol drink keek ik met veel plezier naar de afleveringen van Chateau Meiland waar de familie elke kleine tegenslag èn elk succesje als excuus gebruikte om te “wijnen”. Alcoholgebruik wordt in onze maatschappij geassocieerd met gezelligheid. Als je een Spa rood op een feestje neemt, dan word je al snel als saai bestempeld. Dat geldt in algemene zin in de samenleving, maar ook in specifieke zin voor studenten (zie ook 1). Cijfers van het Trimbos instituut laten zien dat 58,5% van de volwassen Nederlandse bevolking zich niet houdt aan de alcohol richtlijn. Die richtlijn is om helemaal geen alcohol te drinken of niet meer dan 1 glas per dag. Zo’n 8,5% van de bevolking drinkt overmatig, dat wil zeggen: meer dan 14 (vrouwen) of 21 (mannen) glazen alcohol per week 2. Voor universitair studenten ligt dit percentage hoger: zo’n 17% voldoet aan de criteria voor overmatig drinken 3.

Afbeelding blog jacqueline

Afbeelding van: dekarikaturist.nl

Uit eerder onderzoek weten we dat individuele verschillen in problematisch alcoholgebruik ongeveer voor de helft verklaard worden door erfelijke aanleg en voor de helft door omgevingsfactoren 4. Die omgevingsfactoren bestaan voor veel mensen uit sociale bijeenkomsten, zoals borrels, etentjes of feestjes. In maart van dit jaar, toen ons land in een ‘intelligente lockdown’ ging om de verdere verspreiding van het coronavirus in te dammen, werd onze omgeving opeens drastisch veranderd. De horeca moest dicht, evenementen werden afgelast, grote bijeenkomsten werden verboden, scholen en universiteiten schakelden over op online onderwijs en mensen werden opgeroepen om (zoveel mogelijk) thuis te werken. Sociale situaties waarin normaal gesproken veel alcohol gedronken wordt kwamen dus (bijna) niet meer voor. Wat is het effect van dit natuurlijke experiment op het alcoholgebruik van Nederlanders?

Het Trimbos instituut schrijft dat het nog lastig is om vast te stellen wat de coronacrisis precies voor invloed heeft op het alcoholgebruik in Nederland. De beperkte cijfers die er zijn geven nog weinig helderheid. Zo blijkt bijvoorbeeld dat er tijdens de coronacrisis meer alcohol werd verkocht dan vóór de coronacrisis. Maar halen mensen nu een hele doos met wijn in plaats van één fles omdat ze de supermarkt willen mijden, of omdat ze meer drinken? 5 De verwachting is dat veel mensen minder zijn gaan drinken tijdens de coronacrisis. Dit zijn waarschijnlijk de mensen die met name tijdens sociale bijeenkomsten dronken. Maar er zijn ook aanwijzingen dat een kleine groep Nederlanders juist méér is gaan drinken tijdens de coronacrisis. Dit kan komen door onzekerheid, stress, eenzaamheid of verveling in deze onzekere periode. Wat de korte en langere termijn gevolgen zijn van de coronacrisis op het alcoholgebruik is nog onbekend 5.

En wat zullen de effecten zijn binnen een studentenpopulatie waar relatief veel overmatige gebruikers zijn, maar waar alcoholgebruik zich over het algemeen in sociale situaties afspeelt? Deze vraag kan binnenkort beantwoord worden dankzij een groot Europees onderzoek wat geïnitieerd is door de Universiteit Antwerpen. Tijdens de lockdown in mei 2020 zijn er vragenlijsten verstuurd naar studenten van verschillende Europese universiteiten en hogescholen. Studenten van de Radboud universiteit deden ook mee. Ik kan niet wachten om samen met collega’s in die data te duiken en antwoord te krijgen op deze vraag wat de coronacrisis doet met alcoholgebruik onder studenten. En gelukkig komt er binnenkort weer een nieuw seizoen van Chateau Meiland, zodat ik ook (op een niet-wetenschappelijke manier) antwoord krijg op de vraag of de coronacrisis invloed heeft op de mate van wijnen bij de familie Meiland!

Deze blog werd geschreven door Jacqueline Vink (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Alcohol drinken als student, is dat de norm? T. van der Snee. 20 juni 2020. https://tianvandersnee.fhj.nl/2020/06/22/alcohol-drinken-als-student-is-dat-de-norm/
2. Factsheet riskant alcohol gebruik in Nederland. K. Monshouwer, M. Tuithof en S. van Dorsselaer. Trimbos Instituut 2018 https://www.trimbos.nl/docs/bd1d5260-16d8-4d3f-a151-09f983d61d4c.pdf
3. Alcohol, tabak en drugs gebruik door studenten. Inventarisatie van (onderzoeken naar) prevalentieschattingen onder MBO-, HBO- en WO-studenten in Nederland. S. van Dorsselaer en F.X. Goossens. Trimbos instituut 2015. https://www.trimbos.nl/docs/f5a4716f-a658-4a45-81ff-ac1682139a4e.pdf
4. Zit middelengebruik en verslavingsgedrag in de familie? Over erfelijkheid en de zoektocht naar genen. Jacqueline Vink. Tijdschrift Verslaving (2016) 12:243-255.
5. Alcoholgebruik in tijden van corona. N. van Hasselt. Trimbos Instituut 20 juni 2020. https://www.trimbos.nl/actueel/blogs/blog/alcoholgebruik-in-tijden-van-corona

Growing in the face of challenge: What the COVID-19 pandemic can teach us about reducing substance use?

The COVID-19 pandemic has affected everyone in one way or another. These global events can flood us with uncertainty and can challenge our world-views. Naturally, the pandemic has forced us to re-organize our life priorities – health being the number one. Most research about disaster events has focused on the relationship with negative consequences, such as negative emotions, mental health disorders (post-traumatic stress disorder (PTSD), anxiety and depression), and increases in substance use1–3. It can’t be denied that negative consequences are important and should not be overlooked. But is it all there is to it? For example, highly stressful life experiences can also bring a new sense of meaning to life. Could a life-crisis result in a new lifestyle that discourages maladaptive behaviours such as substance use?

nathan-dumlao-mNLymMqX7iE-unsplash3

Posttraumatic growth (PTG) describes the phenomenon in which critical life experiences result in (positive) transformation4,5. This concept does not contradict the hardships of stressful life events; it highlights the potential for positive change that can co-exist in a critical situation. To experience this growth, an individual would have to perceive a threat, an “inflection point”, in which his or her established set of schemas do not longer suffice. It goes beyond returning to a pre-crisis state, but it is about experiencing meaningful development. This idea of growth after stress is very attractive, but you may wonder whether this remains a philosophical suggestion or whether empirical studies can support the growth of vulnerable individuals amid challenging life events.

PTG is a relatively new concept in psychological research. Overall, it can be measured by five domains of growth5: a) gratitude and alteration of life priorities; b) greater relationship quality; c) increases in perception of personal strength; d) acknowledgement of new opportunities; and e) engagement in existential questions. Post-traumatic growth has been explored mainly in connection with general psychological well-being and adjustment after highly stressful life events. Not many studies have looked into the association between the mentioned domains of growth and substance use. However, there are some indications of a relationship between stressful life events, PTG, and a decrease in problematic substance use.

Some research has explored the positive impact of stressful events in substance use in at-risk populations6. For example, qualitative interviews of ex-smokers smoking have described to be “at a critical” point in their lives when they quitted 7. Furthermore, a very large study of 4569 young adults found that experiencing stressful events was associated with decreases in alcohol use mainly for dependent drinkers8. These stressful life events could have acted as a “critical transition point” for them. However, as they did not measure PTG per se, the interpretation remains speculative. Interestingly, a two-year study in adolescents at risk for maladaptive behaviours applied a PTG scale to quantify the relationship between amount of stressful-life events, PTG and substance use6. They did find that higher stressful events were associated with increased substance use in adolescence; however, those who could find positive change in life altering events were more protected against problematic alcohol and cannabis use.

Finally, some preliminary results about general COVID-19 mental health and positive appraisal supports this idea for mental health9. A positive evaluation of these events appears to protect against psychological distress amid the COVID-19 pandemic. Particularly, those who reported that they could learn and change for the better, both personally and as a society, preserved a good mental health during the first weeks of the European Corona lockdown. We still need to determine whether this same mechanism can apply to substance use behaviour specifically for the COVID-19 pandemic, although the described literature does provide some indications.

To summarize, our ability to learn from a specific, life-altering, event may influence how we modify unhealthy patterns (such as decreasing substance use). Yet, this stressful experience may have to provide a critical transition point, and “eye-opening” experiences for those engaged in substance use. It might not be about the accumulation of stressful life events in itself, but about how that particular event has shaken your life views and has presently impacted you. Now it may be your job to find personal meaning in this corona situation and ask yourself some tough questions!

This blog was written by Milagros Rubio (Radboud University) for RAD-blog, the blog about smoking, alcohol, drugs and diet.

References
1. Wu P, Liu X, Fang Y, et al. Alcohol abuse/dependence symptoms among hospital employees exposed to a SARS outbreak. Alcohol Alcohol. 2008;43(6):706-712. doi:10.1093/alcalc/agn073
2. Lau JTF, Yang X, Pang E, Tsui HY, Wong E, Yun KW. SARS-related perceptions in Hong Kong. Emerg Infect Dis. 2005;11(3):417-424. doi:10.3201/eid1103.040675
3. Brooks SK, Webster RK, Smith LE, et al. The psychological impact of quarantine and how to reduce it: rapid review of the evidence. Lancet. 2020;395(10227):912-920. doi:10.1016/S0140-6736(20)30460-8
4. Tedeschi RG, Calhoun LG. The posttraumatic growth inventory: Measuring the positive legacy of trauma. J Trauma Stress. 1996;9(3):455-471. doi:10.1002/jts.2490090305
5. Tedeschi RG, Calhoun LG. Posttraumatic Growth : Conceptual Foundations and Empirical Evidence ” Posttraumatic Growth : A Developmental Perspective. Psychol Inq. 2004;15(1):1-18. doi:10.1207/s15327965pli1501
6. Arpawong TE, Sussman S, Milam JE, et al. Posttraumatic growth, stressful life events, and relationship with substance use behaviors among alternative high school students: a prospective study. Psychol Heal. 2015;30(4):475-494. doi:10.1080/08870446.2014.979171
7. Tsourtos G, Ward PR, Muller R, et al. The importance of resilience and stress to maintaining smoking abstinence and cessation: A qualitative study in Australia with people diagnosed with depression. Heal Soc Care Community. 2011;19(3):299-306. doi:10.1111/j.1365-2524.2010.00973.x
8. Hoyland MA, Latendresse SJ. Stressful life events influence transitions among latent classes of alcohol use. Psychol Addict Behav. 2018;32(7):727-737. doi:10.1037/adb0000412
9. Veer IM, Riepenhausen A, Zerban M, Wackerhagen C, Hajduk M. Mental resilience in the Corona lockdown : First empirical insights from Europe. :1-15.

Na corona nu een middelengebruik pandemie?

Hoewel wetenschappelijk bewijs nog ontbreekt (onderzoek loopt tenslotte per definitie achter de feiten aan) zijn er aanwijzingen dat de coronacrisis impact heeft op ons rook- en drinkgedrag. Er zijn twee mogelijke scenario’s: 1) we gebruiken minder omdat we ons minder vaak in sociale situaties bevinden waarin we voorheen rookten en dronken, of 2) we gebruiken meer omdat we meer stress en verveling ervaren die we te lijf gaan met alcohol en tabak. Aangezien dit tegengestelde processen zijn zou je netto geen toename moeten zien in middelengebruik; en inderdaad laten de verkoopcijfers van tabak en alcohol geen duidelijke trend in één richting zien.

Niks om je zorgen over te maken dus? Misschien toch wel, als je bedenkt dat ook matig gebruik van tabak en alcohol je immuunsysteem aantasten. Ook is het waarschijnlijk dat er groepen zijn die substantieel meer gaan gebruiken. Tijdens de SARS-epidemie constateerden wetenschappers bijvoorbeeld een toename in alcoholmisbruik en –afhankelijkheid onder het ziekenhuispersoneel dat onder grote druk stond1. Ook na een ander groot collectief trauma, namelijk de aanslag op het WTC in New York in 2001, was er een toename in het aantal mensen dat grote hoeveelheden alcohol in één keer dronk.2 Ondanks dat er minder gegevens beschikbaar zijn over het effect van crisis op rookgedrag, is het plausibel dat in ieder geval een deel van de (ex-)rokers meer gaat roken in crisisperiodes, aangezien stress geassocieerd is met roken3.

De wetenschappelijke literatuur beschrijft een aantal processen die waarschijnlijk ten grondslag liggen aan deze relatie tussen stress en middelengebruik. Ten eerste kun je genetisch kwetsbaar zijn voor middelengebruik, en stressvolle gebeurtenissen kunnen die kwetsbaarheid ‘triggeren’. Ook het beloningssysteem in het brein speelt daarbij een rol; alcohol heeft bijvoorbeeld invloed op hoe stress wordt verwerkt in de hersenen4. Ten tweede speelt de uitputting van wilskracht een belangrijke rol. Als je je wilskracht vergelijkt met een spier, kun je je voorstellen dat die op gegeven moment moe wordt als je teveel wilskracht moet aanwenden in je dagelijks leven5, bijvoorbeeld om je aan de quarantaine voorschriften te houden. Een alternatief idee is dat stress leidt tot verschuivingen in motivatie, aandacht, en emotie waardoor je minder geneigd ben tot dingen die je moet doen, en meer geneigd bent tot dingen die je wilt doen, zoals hieronder weergegeven6.

7-5_zelfcontrole_modelMaar: er is ook goed nieuws. In de theoretische modellen over wilskracht en zelfcontrole is herstel een belangrijke component. Als stress afneemt zal de wilskracht vanzelf weer opladen, net zoals spieren herstellen na inspanning. Ook kun je je voorstellen dat veranderingen in de situatie vanzelf de raderen van motivatie, emotie, en aandacht weer de andere kant op zullen draaien. Met andere woorden: veel van de mensen die nu een toename laten zien in rook- en drinkgedrag zullen dat zelfstandig weer terug weten te brengen als de coronacrisis onder controle is. De boodschap die we van zoveel kanten horen en ook nu weer geldt is dan: houd vol en houd moed.

Deze blog werd geschreven door Joëlle Pasman (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Wu, P., Liu, X., Fang, Y., Fan, B., Fuller, C. J., Guan, Z., … & Litvak, I. J. (2008). Alcohol abuse/dependence symptoms among hospital employees exposed to a SARS outbreak. Alcohol & Alcoholism, 43(6), 706-712.
2. Welch, A. E., Caramanica, K., Maslow, C. B., Cone, J. E., Farfel, M. R., Keyes, K. M., … & Hasin, D. S. (2014). Frequent binge drinking five to six years after exposure to 9/11: findings from the World Trade Center Health Registry. Drug and Alcohol Dependence, 140, 1-7.
3. Finkelstein, D. M., Kubzansky, L. D., & Goodman, E. (2006). Social status, stress, and adolescent smoking. Journal of Adolescent Health, 39(5), 678-685.
4. Wand G. (2008). The influence of stress on the transition from drug use to addiction. Alcohol Research & Health: The Journal of the National Institute on Alcohol Abuse and Alcoholism, 31(2), 119–136.
5. Muraven, M., & Baumeister, R. F. (2000). Self-regulation and depletion of limited resources: Does self-control resemble a muscle?. Psychological Bulletin, 126(2), 247.
6. Inzlicht, M., Schmeichel, B. J., & Macrae, C. N. (2014). Why self-control seems (but may not be) limited. Trends in Cognitive Sciences, 18(3), 127-133.

Waarom drink jij? – en waarom drinkmotieven belangrijk zijn, juist nu

De motivatie om een glas alcohol te drinken is belangrijk om te kunnen bevatten waarom we überhaupt een glas wijn of een biertje drinken. Het motivationele model van alcoholgebruik beschrijft dat we drinken omdat we een verandering willen in hoe we ons voelen.1 Motieven of redenen waarom we drinken worden verdeeld op basis van 1) een toename in positieve emoties en een afname van negatieve emoties en 2) interne veranderingen (bijvoorbeeld jezelf beter voelen) en externe veranderingen (bijvoorbeeld dat je mee kan doen met je vrienden). Dit resulteert breed genomen in vier motieven om te drinken.2

1) Sociaal drinken. Het meeste onderzoek over drinkmotieven is gedaan onder adolescenten en jongvolwassenen. Een terugkerend resultaat onder verschillende leeftijden en culturen is dat jongeren en jongvolwassen vooral drinken uit sociale beweegredenen, het sociale motief. Denk hierbij aan het idee dat feestjes gezelliger worden of uitgaan leuker wordt door te drinken. Sociaal drinken gaat er dus om dat de tijd die je doorbrengt met vrienden leuker wordt.

2) Drinken om je  ‘aan te passen’ aan anderen, ook wel het conformiteitsmotief genoemd. Het gaat erom dat mensen drinken omdat de mensen om hun heen het ook doen – en om erbij te horen. Mensen die om deze reden drinken, drinken veelal matig, omdat zij vaak een klein slokje drinken omdat ‘het zo hoort’. Denk bijvoorbeeld aan een klein slokje champagne tijdens het inluiden van het nieuwe jaar.

3) Drinken om de roes te voelen, het enhancement motief. Hierbij drinken mensen voor de lol die alcohol hun brengt. Denk bijvoorbeeld aan dat je drinkt om meer energie te krijgen, of dat je drinkt om het rozige effect van alcohol te voelen. Dit motief wordt vaak in verband gebracht bij mensen met extroverte en impulsieve persoonskenmerken – en bij mensen die sensatie zoeken. Dit motief is vaak in verband gebracht met zwaar drinken, net als het volgende motief.

4) Drinken om problemen te vergeten, ook wel het copingmotief genoemd. Mensen drinken dan alcohol om om te gaan met moeilijkheden in het leven doordat zij  bijvoorbeeld angstige of  depressieve gevolens hebben. Alcohol wordt hierbij gebruikt als ‘zelfmedicatie’ en zorgt voor een tijdelijke verlichting. Ondanks dat dit effectief wordt bevonden op de korte termijn, kan dit juist de problemen die aan het alcoholgebruik ten grondslag liggen in stand houden of verergeren. De problemen bestaan immers nog wanneer je de volgende dag opstaat.

Maar wat zegt dit?
Het motivationele model is ontwikkeld om de motieven van zware drinkers te ontdekken, evenals het verklaren van alcoholgebruik van verschillende type drinkers.3 Een kanttekening hierbij is dat onderzoek naar motieven vooral gebaseerd is op het alcoholgebruik onder adolescenten en jongvolwassenen.4 Drinkmotieven worden in de klinische praktijk gebruikt om interventies beter aan te laten sluiten op het achterliggende motief van het alcoholgebruik van iemand. Daarnaast kunnen motieven je eigen alcoholgebruik verklaren. Bijvoorbeeld door de volgende keer voordat dat je een biertje of wijntje drinkt jezelf de vraag te stellen: “waarom doe ik dit eigenlijk?”.

radblog koen foto

Waarom zijn drinkmotieven juist nu belangrijk?
Het is interessant om te bedenken hoe – ten tijde van corona- de bovenstaande drinkmotieven (of type drinkers) meer of minder van toepassing zijn. Omdat de meerderheid van ons nu in sociale isolatie zitten, zal sociaal drinken buitenshuis minder vaak voorkomen, wellicht uitgezonderd van de online borrelsessies onder vrienden. Ook kan het nu erg verleidelijk zijn om een extra glas te pakken om de stress te vergeten (coping drinkmotief). Wanneer je je bijvoorbeeld realiseert dat je drinkt vanwege het verlichten van stress, of voor het verminderen van verveling bestaat de kans dat je sneller en vaker een glas pakt.

Ten slotte wordt er in deze periode door verschillende gezondheidsinstanties, kennisinstituten en media opgeroepen tot het bewustzijn rondom verslavende middelen zoals drugs, tabak en alcohol. Klik op de links voor praktische tips.

Deze blog werd geschreven door Koen Smit (La Trobe University / Trimbos Instituut / Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Cox, W. M., & Klinger, E. (1990). Incentive motivation, affective change, and alcohol use: A model. In W. M. Cox (Ed.), Why people drink. Parameters of alcohol as a reinforcer (pp. 291 – 314). New York: Gardner Press.
2. Cooper, M. L. (1994). Motivations for alcohol use among adolescents: Development and validation of a four-factor model. Psychological Assessment, 6, 117–128.
3. Cooper, M. L., Kuntsche, E., Levitt, A., Barber, L. L, & Wolf, S. (2016). Motivational models of substance use: A review of theory and research on motives for using alcohol, marijuana, and tobacco. In K. J. Sher (Ed.), ​The Oxford handbook of substance use and substance use disorders (p. 375–421). Oxford University Press.
4. Kuntsche, E., Knibbe, R., Gmel, G., & Engels, R. (2005). Why do young people drink? A review of drinking motives. Clinical psychology review25(7), 841-861.

Hoe betrek je ouders bij gezondheidsinterventies?

Gezondheidsinterventies zijn enkel effectief als ze de doelgroep bereiken waarvoor de interventie ontwikkeld is. Interventies voor jeugd betrekken vaak (ook) ouders in hun doelgroep. Zij zijn immers degenen die de gezondheid van hun kind monitoren en vormen via hun opvoeding en voorbeeldgedrag. Desalniettemin is de ouderbetrokkenheid bij gezondheidsbevorderingsprogramma’s over het algemeen laag.1,2 Het achterhalen van succesfactoren voor het bereiken en betrekken van ouders is daarom een cruciaal onderdeel in het ontwikkelen van effectieve interventies. In deze blog delen we onze inzichten over het stimuleren van ouderbetrokkenheid vanuit een recente themabijeenkomst waarbij professionals werkzaam bij universiteiten, hogescholen en gezondheidsinstellingen (zoals GGD’s en het Voedingscentrum) aanwezig waren.

RAD-blog_Levie

Wat werkt?
Een eerste stap in het succesvol bereiken van ouders is het inhaken bij problemen of behoeften die zij ervaren. Niet voor niets is de needs assessment van de doelgroep het uitgangspunt voor interventieontwikkeling volgens het Intervention Mapping Protocol.3 Het moet voor ouders duidelijk zijn wat zij uit de interventie kunnen halen. Zet bij het benaderen van ouders de persoonlijke relevantie voor het interventieprogramma daarom centraal. Bij preventieve interventies kan het inhaken bij ervaren problemen een uitdaging zijn, omdat je ouders moet motiveren voor deelname aan een interventie voor een probleem dat nog niet bestaat.1,4 Zeker in dat geval kan het helpen om in de interventie te focussen op plezier tussen ouder en kind. Maak meedoen leuk en gezellig en faciliteer waar mogelijk dat zowel ouders als kinderen actief meedoen aan het interventieprogramma. Voorbeelden zijn samen dansen en zingen (met peuters) en gezamenlijke beweegchallenges met het gezin (bij kinderen op de basisschool). Maak meedoen bovendien gemakkelijk en toegankelijk. Zorg ervoor dat werving- en interventiematerialen naast aansprekend, ook eenvoudig te begrijpen zijn. Zo wordt het mogelijk ook ouders uit kwetsbare groepen bij de interventie te betrekken. Het zijn namelijk vaak de risicofactoren voor gezondheidsproblematiek (o.a. een lage sociaaleconomische positie en laaggeletterdheid) die samenhangen met een verlaagde kans dat ouders participeren in interventieprogramma’s. 2 Wat betreft toegankelijkheid kan het helpen om gebruik te maken van momenten waarop ouders toch al aanwezig moeten zijn voor (of met) hun kind. Denk hierbij aan ouderavonden, informatiebijeenkomsten en controleafspraken, waarin informatie specifiek voor dat moment wordt gekoppeld met informatie uit de interventie. Dit sluit tevens aan bij ons laatste inzicht: zoek aansluiting bij bestaande structuren. Bed de interventie in bij erkende programma’s of breng deze onder bij voor ouders bekende organisaties. Liefst zijn vanuit deze structuren personen beschikbaar die voldoende tijd hebben om zich in te zetten voor ouderbetrokkenheid en al in contact staan met ouders: zogenoemde sleutelfiguren. Denk bijvoorbeeld aan pedagogisch medewerkers indien de interventie plaatsvindt op de kinderopvang. Of leerkrachten en mentoren wanneer het gaat om een interventie op school. Vanuit hun band met ouders beschikken sleutelfiguren over kennis van de gezinssituatie en kunnen daardoor effectief inhaken bij de problemen of behoeften die de ouder ervaart.

Tot slot
Uit recent onderzoek bleek dat het aansluiten bij bestaande structuren in combinatie met focussen op spel en plezier een effectieve manier was om te zorgen dat ouders zich opgaven voor een opvoedinterventie.5  In hoeverre deze factoren er ook aan bijdragen dat ouders mee blijven doen met het programma en er wat van leren, moet apart worden bekeken. De factoren die ervoor zorgen dat ouders zich opgeven (‘enrollment’) zijn namelijk niet per definitie dezelfde als de factoren die ervoor zorgen dat zij gedurende het programma blijven participeren (‘retention’) en dat zij hetgeen ze in de interventie geleerd hebben ook daadwerkelijk toepassen in het dagelijks leven (‘involvement’).5 Interventies die meer ouders bij hun programma willen gaan betrekken doen er daarom goed aan om hierin onderscheid te maken in de verschillende facetten van ouderbetrokkenheid.

Deze blog werd geschreven door Levie Karssen (junior onderzoeker aan de Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Garvey, C., Julion, W., Fogg, L., Kratovil, A., & Gross, D. (2006). Measuring participation in a prevention trial with parents of young children. Research in Nursing & Health, 29, 212–222. https://doi. org/10.1002/nur.20127
2. Axford, N., Lehtonen, M., Kaoukji, D., Tobin, K., & Berry, V. (2012). Engaging parents in parenting programs: Lessons from research and practice. Children and Youth Services Review, 34, 2061–2071. https://doi.org/10.1016/j.childyouth.202.06.011.
3. Eldredge, L. K. B., Markham, C. M., Ruiter, R. A., Fernández, M. E., Kok, G., & Parcel, G. S. (2016). Planning health promotion programs: an intervention mapping approach. John Wiley & Sons.
4. Whittaker, K. A., & Cowley, S. (2010). An effective programme is not enough: A review of factors associated with poor attendance and engagement with parenting support programmes. Children and Society, 26, 138–149. https://doi.org/10.1111/j.1099-0860.2010. 00333.x
5. Hackworth, N. J., Matthews, J., Westrupp, E. M., Nguyen, C., Phan, T., Scicluna, A., … & Nicholson, J. M. (2018). What influences parental engagement in early intervention? Parent, program and community predictors of enrolment, retention and involvement. Prevention Science19(7), 880-893. https://doi.org/10.1007/s11121-018-0897-2

De “Kiss Better” campagne

Stoppen met roken interventies voor jongeren zijn schaars. Dit is best gek als je bedenkt dat het merendeel van de rokers is begonnen met roken tijdens de adolescentie.1 Cijfers laten zien dat er zelfs een lichte stijging is van het aantal rokers bij jongeren tussen de 16 en 25 jaar.2,3 Ook weten we dat hoe eerder iemand begint met roken, des te groter de afhankelijkheid op latere leeftijd.4 Het is dus van groot belang dat er interventies ontwikkeld worden die jongeren helpen stoppen met roken.

In mijn zoektocht naar mogelijke interventies voor jongeren, stuitte ik via een collega vanuit het Trimbos Instituut (Claire de Neree) op een Campagne in de stad Odense in Denemarken genaamd Kiss Better ofwel KysBedre in het Deens. De insteek van deze campagne vond ik erg leuk en daarom wil ik deze graag met jullie delen.

Foto_Blog_Joyce

De campagne is ontwikkeld onder leiding van Anette Stensgaard als onderdeel van Odense Smokefree, ofwel het rookvrij maken van Odense. Om dit te bewerkstelligen zijn de onderzoekers in gesprek gegaan met rokende en niet-rokende jongeren. Uit deze focus groepen bleek o.a. dat jongeren het vies vinden om te zoenen met iemand die rookt (als je zelf niet rookt). Ook bleek dat de rokende jongeren maar weinig interesse hadden voor de negatieve gevolgen van roken voor de gezondheid (zwarte longen, hart- en vaatziekten). Jonge rokers werden echter wel getriggered door de gevolgen voor je liefdesleven (impotentie en verminderde vruchtbaarheid). De gesprekken met de jongeren resulteerden in de campagne: Kiss Better, speciaal ontwikkeld voor jonge rokers tussen de 15 en 25 jaar.

De boodschap van de Campagne: Zoenen is fijn, ook met een roker, maar een ‘frisse zoen’ is toch fijner. In de campagne koppelen ze effecten van roken aan de effecten van zoenen. Bijvoorbeeld: Veel mensen roken om stress te verminderen. Probeer eens een zoen, dit vermindert ook stress.

De Campagne loopt nog maar kort, dus over de effecten is nog niet veel te zeggen. Anette is echter hoopvol gezien de facebook pagina in korte tijd bijna 1800 volgers heeft, waarvan 69% tussen de 13 en 24 jaar oud. Dezelfde aantallen worden gezien voor Instagram.

Het is dus nog afwachten of de Campagne effect heeft en of het aanspreken van jongeren met het thema liefde en seks beter werkt dan de meer reguliere campagnes rondom gezondheid. Mochten er binnenkort resultaten zijn, dan zal ik deze met jullie delen.

Ben je benieuwd naar de Campagne? Bekijk dan hier de facebook pagina: https://www.facebook.com/kysbedreodense/

Deze sci-fly werd geschreven door Joyce Dieleman (Trimbos Instituut/ Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Department of Health and Human Services (2012). Preventing Tobacco Use Among Youth and Young Adults: A report of the Surgeon General. Atlanta, GA, U.S.: Department of Health and Human Services.
2. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) (2016). Gezondheidsenquête. Afkomstig van http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=83021NED&D1=0,3-4,17-22&D2=3-13,16&D3=0&D4=I&VW=T
3. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) (2017). Jongvolwassenen roken, drinken en blowen meer dan 25-plussers. Afkomstig van https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2017/04/jongvolwassenen-roken-drinken-en-blowen-meer-dan-25-plussers
4. National Institute for Health and Care Excellence (2009). School-based interventions to prevent the uptake of smoking among children and young people: cost-effectiveness review. Birmingham: NICE, University of Birmingham.

Thuisbezorgd op het schoolplein

Steeds vaker laten jongeren ongezonde maaltijden bezorgen op middelbare scholen. Dit gebeurt vooral op scholen met een gezonde schoolkantine. Naast het feit dat het ongewenst is om ongezonde voeding op school te nuttigen, zouden bezorgers met scooters op het schoolplein voor overlast zorgen volgens de scholen. Verschillende scholen hebben het bestellen van maaltijden inmiddels verboden, maar dit zorgt weer voor andere problemen. Jongeren hebben toch de behoefte om ongezond te eten en zullen dit ergens anders gaan halen, bijvoorbeeld in de dichtstbijzijnde supermarkt.

foto_bezorger

Maar waarom hebben jongeren toch steeds die drang naar ongezonde voeding? Hoewel jongeren een positieve houding tegenover gezond eten en drinken hebben, lijken ze ook een positieve houding te hebben richting ongezonde voeding, zoals snacks, snoep, en dranken met veel suiker.1 Er bestaat vaak een discrepantie tussen de houding van jongeren en het eigen gedrag. Zo vinden de meeste jongeren het niet normaal om iedere dag frisdrank te drinken, maar doet het merendeel dit zelf (ongemerkt) wel.1 Uit onderzoek blijkt dat jongeren het vooral belangrijk vinden dat iets lekker smaakt. In een studie waarin onderzocht is of jongeren gezond eten belangrijk vinden, blijkt dat met name smaak erg belangrijk is.2 Wat ook meespeelt is dat gezondheidsproblemen wat verder van jongeren af staan, onder andere door hun leeftijd, wat het lastiger voor hen maakt om de link tussen ongezond eten en gezondheid te leggen. Gezondheid is een ver-van-hun-bedshow.2

Omdat jongeren op de middelbare school voor het eerst zelfstandig worden in wat ze eten en omdat ze vaak meer zakgeld krijgen hebben ze meer mogelijkheden om ongezonde keuzes te maken wat hun voeding betreft.3,4 Vanwege deze nieuwe autonomie kunnen jongeren zich tegen hun ouders gaan afzetten en op school juist dingen te eten die ze thuis niet mogen eten. Wanneer ouders thuis voor gezonde maaltijden zorgen hebben jongeren het gevoel dat dit hun ongezonde eetgedrag rechtvaardigt, want ze krijgen immers gezonde voeding binnen via deze maaltijden.2 Bij het kopen van voedsel tijdens schooltijden wordt vaker een meer bewuste keuze gemaakt.5 Een van de redenen hiervoor is dat dit eten met eigen geld gekocht wordt. Het is overigens niet een vaststaand gegeven dat “ongezonde” producten een beter imago hebben bij jongeren dan “gezonde” producten. Gezonde dure producten kunnen ook een goed imago hebben vanwege de hoge prijs of het luxe karakter.

Veel jongeren geven aan dat ze het lastig vinden verleidingen van ongezonde voeding te weerstaan. Er wordt aangegeven dat ouders en vrienden geen gezond voorbeeldgedrag vertonen en het kan deel uitmaken van de cultuur op school of in de vriendengroep om gezamenlijk ongezonde voeding te kopen en te consumeren.6,7 Het gebeurt ook nog wel eens dat geld bij elkaar wordt gelegd, waardoor overleg ontstaat tussen jongeren over de te kopen ongezonde producten. Bij jongeren kan dan ook meespelen dat er angst is om buiten de groep te vallen.8 Het bestellen van maaltijden kan een manier zijn om populair (proberen) te zijn. Er kan namelijk worden laten zien dat de jongere het geld heeft om onbekommerd te bestellen.  Het kan echter ook zijn dat het bestelgedrag van ongezonde maaltijden op school juist overgenomen wordt van anderen, zoals bijvoorbeeld ouders of vrienden. Veel mensen bestellen al hun benodigdheden online, naast maaltijden, ook hun boodschappen, kleding of boeken. Dit voorbeeld koopgedrag kan doorwerken naar jongeren op het schoolplein, waarbij het gemak van het online bestellen waarop staat.

Met het hedendaagse gemak om direct toe te geven aan ongezonde verleidingen via een app op je telefoon rijst de vraag of een gezonde schoolkantine dan nog wel nut heeft. Het kan natuurlijk niet voorkomen dat jongeren ongezond eten, maar het kan het zeker wel verminderen. Naast de thuisomgeving biedt een school een van de meest invloedrijke omgevingen voor jongeren en moet daarin de gezonde opties wel faciliteren.

Deze blog werd geschreven door Maaike Koning (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet. 

Referenties
1. JOGG R. Pubers willen wel gezond leven, maar doen het niet. https://jongerenopgezondgewichtnl/userfiles/Nieuws/JUST_JOGG_TeamAlertRapport_NL4_defpdf.
2. Ridder MAM, Heuvelmans M, Visscher, T, Seidell, J. , Renders, C.M. . We are healthy so we can behave unhealthily : A qualitative study of the health behaviour of Dutch lower vocational students. Health Education 2010;110:30-42.
3. Ferris KA, Babskie E, Metzger A. Associations between food-related parenting behaviors and adolescents’ engagement in unhealthy eating behaviors: The role of nutrition knowledge. Int J Aging Hum Dev. 2017;84(3):231-46.
4. Lytle LA, Seifert S, Greenstein J, McGovern P. How do children’s eating patterns and food choices change over time? Results from a cohort study. Am J Health Promot. 2000;14(4):222-8.
5. Tacken GMLW, M.A. de; Veggel, R.J.F.M. van; Sijtsema, S.J.; Ronteltap, A.; Cramer, L.; Reinders, M.J. . Voorbij het broodtrommeltje ; Hoe jongeren denken over voedsel. Den Haag : LEI, onderdeel van Wageningen UR (Rapport / LEI : Onderzoeksveld Consumenten & gedrag ) – ISBN 9789086154784 – 134. 2010.
6. Salvy SJ, de la Haye K, Bowker JC, Hermans RC. Influence of peers and friends on children’s and adolescents’ eating and activity behaviors. Physiol Behav. 2012;106(3):369-78.
7. Salvy SJ, Kluczynski MA, Nitecki LA, O’Connor BC. Peer influence on youth’s snack purchases: a laboratory analog of convenience store shopping. Eat Behav. 2012;13(3):233-9.
8. Higgs S. Social norms and their influence on eating behaviours. Appetite. 2015;86:38-44.

Weersta die verleidelijke cue: Wees actief!

Ken je dit? Je wilt graag stoppen met roken, minder alcohol drinken of minder snacken? Maar het lukt niet! Het afleren van ongezonde gewoontes is vaak lastig. Ook omdat je in het dagelijks leven vaak geconfronteerd wordt met allerlei verleidelijke ‘cues’, of omdat bepaalde gevoelens of gemoedstoestanden het verlangen naar bepaalde producten oproepen. Nu toont onderzoek aan dat sporten en beweging kan helpen bij het weerstaan van verleidelijke ‘cues’ en bij het verminderen van gevoelens van verlangen (‘craving’)1-3. Het is dus niet verwonderlijk dat sporten steeds vaker als additionele therapie in de verslavingszorg wordt ingebouwd. Echter, helaas blijkt sporten in de context van therapie geen duidelijke extra effecten te genereren op de daadwerkelijke percentages onthouding op lange termijn na therapie4-5. Hoe komt dit?

runningshoes

Een verklaring is dat mensen het sporten op lange termijn niet volhouden en terugvallen in oude patronen. Daarnaast blijkt dat slechts enkele onderzoeken in therapiecontext sporten ook daadwerkelijk inzetten om gevoelens van verlangen naar bepaalde producten of middelen te weerstaan5. In de eerdere experimentele studies met veelbelovende effecten werd het sporten of bewegen daadwerkelijk gebruikt ten tijde van gevoelens van verlangen (‘Als je een sigaret wilt opsteken, dan ga je wandelen of push-ups doen’). Gevoelens van verlangen werden de kop ingedrukt door ze systematisch te vervangen door een activiteit (sporten of beweging) en de automatische connectie tussen de cue (bijvoorbeeld de geur van een sigaret of stress) en het gedrag (bijvoorbeeld roken) werd ‘verbroken’ (of beter gezegd: vervangen door nieuwe reacties). Er is hier vermoedelijk een parallel te trekken met ‘cue-exposure therapie’, waar mensen ook wordt geleerd om niet op cues in te gaan. De inzet van actieve strategieën maakt het makkelijker om verleidelijke (rook) cues in het dagelijks leven te weerstaan6.

Naast dat een activiteit zoals sporten je direct kan helpen om verleidelijke cues te weerstaan, zijn er ook velerlei positieve psychobiologische effecten van sporten. Maar wat nu als je een hekel hebt aan sporten? Mijn hypothese is dat elke activiteit die je zélf kiest behulpzaam kan zijn om cues te weerstaan. Zo is er ook een studie waarin mensen beschreven dat bijvoorbeeld het nemen van een slokje water zeer behulpzaam was op het moment dat ze naar een sigaret verlangden7. Het belangrijkste is dat je een activiteit kiest die je zelf vol kunt houden. Ook op lastige momenten.

Deze blog werd geschreven door Junilla Larsen (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Roberts, V., Maddison, R., Simpson, C., Bullen, C., & Prapavessis, H. J. P. (2012). The acute effects of exercise on cigarette cravings, withdrawal symptoms, affect, and smoking behaviour: systematic review update and meta-analysis. Psychopharmacology, 222(1), 1-15.
2. Ledochowski, L., Ruedl, G., Taylor, A. H., & Kopp, M. J. P. O. (2015). Acute effects of brisk walking on sugary snack cravings in overweight people, affect and responses to a manipulated stress situation and to a sugary snack cue: A crossover study. PloS one, 10.
3. Taylor, A. H., Oh, H., Cullen, S. J. M. H., & Activity, P. (2013). Acute effect of exercise on alcohol urges and attentional bias towards alcohol related images in high alcohol consumers. Mental Health and Physical Activity, 6, 220-226.
4. Hallgren, M., Vancampfort, D., Giesen, E. S., Lundin, A., & Stubbs, B. J. B. J. (2017). Exercise as treatment for alcohol use disorders: systematic review and meta-analysis. British Journal of Sports Medicine, 51(14), 1058-1064.
5. Ussher, M. H., Faulkner, G. E. J., Angus, K., Hartmann‐Boyce, J., & Taylor, A. H. (2019). Exercise interventions for smoking cessation. Cochrane Database of Systematic Reviews. doi:10.1002/14651858.CD002295.pub6
6. Albarracín, D., Wilson, K., Chan, M.-p. S., Durantini, M., & Sanchez, F. J. H. p. r. (2018). Action and inaction in multi-behaviour recommendations: a meta-analysis of lifestyle interventions. Health Psychology Review, 12, 1-24.
7. Angeli, M., Hatzigeorgiadis, A., Comoutos, N., Krommidas, C., Morres, I. D., & Theodorakis, Y. J. A. b. (2018). The effects of self-regulation strategies following moderate intensity exercise on ad libitum smoking. Addictive Behaviors, 87, 109-114.

Lang leve de liefde! Jongeren, Middelengebruik en Relaties

Het is inmiddels overduidelijk dat getrouwde stellen een betere gezondheid hebben, minder alcohol en drugs gebruiken en langer leven1,2. Factoren zoals hechting uit de vroege jeugd, toewijding aan de relatie en de sensitiviteit van de partner kunnen hieraan ten grondslag liggen3. Letterlijk dus ‘Lang leve de liefde’!

Wanneer jongeren flink experimenteren met roken, alcohol en drugs tijdens de puberteit wordt door de omgeving wel eens gedacht dat dit over zal gaan als ze een vriendje of vriendinnetje zullen krijgen. Maar is dit daadwerkelijk zo? Gebruiken ook jongeren die een relatie hebben minder alcohol en drugs?

Picture-Wedding-Toast.jpg

Om deze vraag te kunnen beantwoorden zijn grootschalige studies nodig die jongeren voor een lange tijd volgen en daarbij regelmatig hun middelengebruik meten en vragen naar hun romantische relaties. Er zijn wereldwijd maar een paar studies die dit gedaan hebben. De resultaten van deze studies laten zien dat de voordelige effecten van het huwelijk op middelengebruik niet gelden voor jonge adolescenten (rond de 16 jaar). Relaties bij jonge adolescenten hangen namelijk juist samen met méér alcohol en drugs gebruik4,5. Op deze jonge leeftijd zijn er nog meer negatieve effecten van relaties gevonden; zo zijn jongeren die op deze leeftijd een relatie hebben ook vaker depressief.

Omdat deze studies de jongeren gevolgd hebben totdat ze ongeveer totdat ze ongeveer 25 jaar oud zijn, is het vooral interessant te zien hoe de samenhang tussen alcohol en drugs gebruik en romantische relaties verandert tijdens de ontwikkeling. Zo is gevonden dat meer alcohol gebruik rond de 16 jaar de kans vergroot dat je tijdens de vroege volwassenheid een langdurige relatie (of meerdere langdurige relaties) hebt. En beide studies laten vervolgens zien dat er tijdens de jongvolwassenheid een omslagpunt zit. Stabiele relaties tijdens de jongvolwassenheid zijn namelijk juist voorspellend voor een afname in alcohol en drugs gebruik. Deze resultaten laten zien dat het belangrijk is alcoholgebruik onder jongeren ook te bekijken in de context van normatieve ontwikkeling en te realiseren dat alcoholgebruik, ondanks de overduidelijke negatieve gezondheidseffecten, ook bij kan dragen aan positieve ontwikkelingsuitkomsten op latere leeftijd, zoals het hebben van een stabiele relatie.

Als we al deze resultaten willen verklaren is het belangrijk dit vanuit een ontwikkelingsperspectief te doen. In één van de studies4 is bewijs gevonden dat het belangrijk is dat het krijgen van de relatie op het juiste moment in de ontwikkeling komt. Als dit te vroeg komt, kan de relatie andere ontwikkelingsgebieden belemmeren en op die manier bijdragen aan een toename in middelgebruik en ander risicogedrag. Wanneer stabiele relaties later tijdens de ontwikkeling komen en dit beter past bij de ontwikkeling kan het juist zorgen voor positieve gezondheidsuitkomsten, zoals minder middelengebruik. Het is hierbij erg belangrijk niet naar de exacte leeftijd te kijken maar naar het individuele ontwikkelingspad. Sommige jongeren zijn op eerdere leeftijd klaar voor een langdurige relatie dan anderen.

Kortom, lang leven de liefde dus, maar dan alleen wanneer je klaar bent voor toegewijde liefde!

Deze blog werd geschreven door Maartje Luijten (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Robles, T. F., Slatcher, R. B., Trombello, J. M., & McGinn, M. M. (2014). Marital quality and health: A meta-analytic review. Psychological bulletin140(1), 140.
2. Staff, J., Schulenberg, J. E., Maslowsky, J., Bachman, J. G., O’Malley, P. M., Maggs, J. L., & Johnston, L. D. (2010). Substance use changes and social role transitions: Proximal developmental effects on ongoing trajectories from late adolescence through early adulthood. Development and psychopathology22(4), 917-932.
3. Slatcher, R. B., & Selcuk, E. (2017). A social psychological perspective on the links between close relationships and health. Current directions in psychological science26(1), 16-21.
4. Furman, W., & Collibee, C. (2014). A matter of timing: Developmental theories of romantic involvement and psychosocial adjustment. Development and Psychopathology26(4pt1), 1149-1160.
5. Rauer, A. J., Pettit, G. S., Samek, D. R., Lansford, J. E., Dodge, K. A., & Bates, J. E. (2016). Romantic relationships and alcohol use: A long-term, developmental perspective. Development and psychopathology28(3), 773-789.

Alcoholgebruik onder de 18: ‘ouders doen niet wat ze kunnen’

Dat jongeren onder de 18 niet mogen drinken is algemeen bekend. Toch geeft 25% van de jongeren tussen de 12 en 16 jaar aan in de afgelopen 4 weken gedronken te hebben1. Als het gaat om alcoholpreventie is er dus nog een hoop werk aan de winkel. In preventiebeleid spelen ouders vaak een belangrijke rol. ‘Is dit wel terecht?’, kunt u zich afvragen. Het antwoord is ‘ja’, want uit onderzoek blijkt dat ouders een aanzienlijke invloed hebben op het al dan niet gebruiken van alcohol door hun minderjarige kinderen2.

Foto_Lieke

Een aantal weken geleden nam ik deel aan een bijeenkomst die was bedoeld om een eerste stap te zetten in de richting van een nieuw preventiebeleid rondom alcohol in mijn gemeente. Ik, uitgenodigd vanwege mijn taken als vrijwilliger bij een jongerenstichting die feestjes organiseert, kon het echter niet laten deze bijeenkomst te beschouwen vanuit mijn oogpunt als toekomstig orthopedagoog. Gestart werd met het bespreken van de knelpunten die de aanwezigen rondom het onderwerp ervaarden. Menigeen wees met de vinger naar de rol van ouders: “ouders doen niet wat ze kunnen”. Maar doet deze stelling er wel toe en hebben ouders daadwerkelijk invloed op het alcoholgebruik van hun kinderen?

De invloed van ouders is groot, zo blijkt uit wetenschappelijk onderzoek. Of jongeren op jonge leeftijd (tussen de 13 en 15 jaar) beginnen met drinken heeft voor ruim 20% te maken met de erfelijke aanleg en meer dan 50% met de gezinsomgeving3.  Hoewel ouders erfelijke aanleg doorgeven en hier niets aan kunnen veranderen, spelen zij weldegelijk een rol in de gezinsomgeving. Naast de invloed op het beginnen met drinken, hebben ouders ook invloed op hoe vaak er wordt gedronken en of er buitensporig wordt gedronken3. De mate van de invloed van ouders blijft bij jongeren tussen de 12 en 18 jaar ongeveer gelijk4.

Welk gedrag van ouders heeft er dan precies invloed? Ten eerste, het eigen alcoholgebruik. Wanneer ouders zelf drinken en/of alcohol in huis hebben, vergroot dit het risico op alcoholmisbruik door hun kinderen5. Ten tweede, de communicatie van ouders naar hun kind toe. Jongeren drinken minder als ouders hen wijzen op de negatieve gevolgen van alcohol6. Echter, wanneer ouders toegeeflijk zijn of een goedkeurende houding uitstralen als het gaat om alcoholgebruik, drinken jongeren meer5,6.

Naast het eigen alcoholgebruik van ouders en de communicatie over alcohol, heeft ook de algemene opvoeding invloed op het alcoholgebruik van kinderen. Een zogeheten warme opvoeding, een hechte en liefdevolle ouder-kind relatie, kan problemen met alcohol voorkomen7. Daarnaast werkt een gezonde mate van monitoring preventief ten aanzien van alcoholmisbruik, ouders weten in dit geval wat hun kind waar doet en met wie5.

Concluderend, blijkt dat ouders een grote invloed hebben op het gedrag van hun minderjarige kinderen als het gaat om alcoholgebruik. Preventiebeleid met betrekking tot deze jongeren richt zich dan ook niet voor niets op de ouders. Of het nu gaat om beginnen met drinken, hoe vaak er wordt gedronken of buitensporig drinken, ouders hoeven niet doelloos toe te kijken.

Deze blog werd geschreven door Lieke Overvelde voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag, master PWO, 2019.

Referenties
1. RIVM. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (2017). Alcoholgebruik scholieren naar geslacht. Verkregen van https://www.volksgezondheidenzorg.info/onderwerp/alcoholgebruik/cijfers-context/huidige-situatie#node-alcoholgebruik-scholieren-naar-leeftijd
2. Donaldson, C. D., Handren, L. M., & Crano, W. D. (2016). The enduring impact of parents’ monitoring, warmth, expectancies, and alcohol use on their children’s future binge drinking and arrests: A longitudinal analysis. Prevention science, 17(5), 606-614. doi:10.1007/s11121-016-0656-1
3. Vink, J. M. (2016). Zit middelengebruik en verslavingsgedrag in de familie? Over erfelijkheid en de zoektocht naar genen. Verslaving12(4), 243-255. doi:10.1007/s12501-016-0089-3
4. Schuler, M. S., Tucker, J. S., Pedersen, E. R., & D’Amico, E. J. (2019). Relative influence of perceived peer and family substance use on adolescent alcohol, cigarette, and marijuana use across middle and high school. Addictive Behaviors88, 99-105. doi:10.1016/j.addbeh.2018.08.025
5. Yap, M. B., Cheong, T. W., Zaravinos‐Tsakos, F., Lubman, D. I., & Jorm, A. F. (2017). Modifiable parenting factors associated with adolescent alcohol misuse: a systematic review and meta‐analysis of longitudinal studies. Addiction112(7), 1142-1162. doi:10.1111/add.13785
6. Kam, J. A., Basinger, E. D., & Abendschein, B. (2017). Do adolescent perceptions of parents’ alcohol consumption undermine or enhance what parents say about alcohol? The interaction between verbal and nonverbal messages. Communication Research44(3), 319-347. doi:10.1177/0093650214565922
7. Mak, H. W., & Iacovou, M. (2019). Dimensions of the Parent–Child Relationship: Effects on Substance Use in Adolescence and Adulthood. Substance Use & Misuse54(5), 724-736. doi:10.1080/10826084.2018.1536718

‘Even een ballonnetje doen…’: maar is dit wel zo onschuldig als het klinkt?

Na een festival of een avondje uit zie ik de straten tegenwoordig vol liggen met metalen patronen en felgekleurde ballonnen. Het zijn de restanten van lachgasgebruik; iets dat de laatste jaren – met name onder jongeren en jongvolwassenen – explosief lijkt te zijn toegenomen1. Lachgas innemen om een roes te ervaren, stamt al uit de partyscene van de jaren negentig. Het verschil met toen is dat het tegenwoordig echter ook op grote schaal buiten het uitgaansleven plaatsvindt, veelal onder jongeren2. Naast dat het overmatige lachgasgebruik leidt tot overlast en vervuiling, maken zorgprofessionals zich grote zorgen over de gevolgen van het gas voor de gezondheid.

Foto_Inge

Het gebruik
Lachgas is een bijnaam voor het kleurloze, zoetgeurende gas distikstofoxide (N2O). Het wordt al geruime tijd gebruikt in de geneeskunde als kortwerkend narcose- of pijnstillingsmiddel en wordt daarnaast industrieel ingezet; o.a. als drijfgas voor slagroomspuiten3. In het geval van recreatief gebruik, wordt lachgas veelal met behulp van zo’n spuit in een ballon opgevangen en wordt het vervolgens door de gebruiker uit de ballon geïnhaleerd. Het inademen van het gas zorgt voor een kortdurende bewustzijnsdaling en een gevoel dat vergelijkbaar is met dronkenschap. Het kan bovendien leiden tot een lachkick, vandaar de (bij)naam4. Lachgas is doorgaans afkomstig uit slagroompatronen, die gemakkelijk te verkrijgen zijn. Sinds 2016 valt de verkoop van het gas immers onder de Warenwet en hierdoor mag het vrij verhandeld worden3.

De risico’s
Er heerst nog veel onduidelijkheid over de precieze effecten van recreatief gebruik van lachgas en in welke mate het gevaarlijk is voor de gezondheid van gebruikers. Het is namelijk nog maar in beperkte mate onderzocht, waardoor er momenteel (nog) weinig sterk bewijs is. Door het overgrote deel van de gebruikers wordt lachgas gezien als een risicoloos middel en bovendien wordt het niet als een ‘echte’ drug beschouwd3. Uit het beperkte onderzoek dat is gedaan blijkt dat lachgas wel degelijk nadelige effecten heeft. Zo kan het bijvoorbeeld leiden tot hoofdpijn, verminderd zicht en concentratievermogen, duizeligheid, vermoeidheid en/of tintelingen in de ledematen. Deze klachten zijn vermoedelijk het gevolg van een tijdelijk gebrek aan zuurstof in de hersenen na het inhaleren van het gas1, 3-5. Daarnaast is in meerdere onderzoeken een verband gevonden tussen overmatig, aanhoudend lachgasgebruik en een tekort aan vitamine B-12. Deze vitamine is essentieel voor een goede werking van ons zenuwstelsel en immuunsysteem en kan dan ook nare, chronische klachten en/of stoornissen tot gevolg hebben1, 4-7. Verder zijn er aanwijzingen dat lachgas een negatieve invloed kan hebben op het ontwikkelend brein en de rijping van het zenuwstelsel. Om die reden wordt het gebruik van lachgas voor jongeren en zwangere vrouwen in elk geval sterk afgeraden1, 2, 6.

Wat nu?
Het is om te beginnen van belang dat je beseft dat lachgas in principe niet bedoeld is voor consumptie; het is daarom ook het beste om het niet te gebruiken. Wil je dit toch, houdt de risico’s dan in je achterhoofd en gebruik het in beperkte mate: de meeste mensen nemen één ballon met lachgas, dus één patroon5, 6. Inhaleer het gas daarnaast uit een ballon en niet direct uit de spuit of het patroon; dit is om bevriezing van de lippen en/of longen te voorkomen. Combineer het lachgas ook niet met andere verdovende middelen en wees je ervan bewust dat het tijdens of na het gebruik niet verstandig is om aan het verkeer deel te nemen. Ondanks dat de roes snel weer verdwijnt, blijven de effecten van het gas immers nog uren na-ijlen.

Deze blog werd geschreven door Inge Tankink, voor de cursus: Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag, master PWO, 2019.

Referenties
1. Van Goor, M., Nabben, T., Van Laar, M., & Van der Pol, P. (2018). Factsheet Lachgas. Utrecht: Trimbos-Instituut.
2. Nabben, T., Van der Pol, P., & Korf, D.J. (2017). Roes met een luchtje. Gebruik, gebruikers en markt van lachgas. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
3. Luijk, S. J., & Nijkamp, L. M. (2019). Recreatief lachgasgebruik en gezondheidsrisico’s. JGZ Tijdschrift voor Jeugdgezondheidszorg, 51(1), 2-7.
4. Niesink, R. (2014). Lachgas (distikstofoxide): farmacologische en toxicologische aspecten. Verslaving, 10(4), 62-72.
5. Kaar, S. J., Ferris, J., Waldron, J., Devaney, M., Ramsey, J., & Winstock, A. R. (2016). Up: The rise of nitrous oxide abuse. An international survey of contemporary nitrous oxide use. Journal of Psychopharmacology, 30(4), 395-401.
6. https://www.gezondheidenco.nl/lachgas-experimenteren-met-ballonnetjes/
7.  RIVM (2016). Beoordeling gezondheidsrisico’s lachgas (N2O). Bilthoven: RIVM (NL).
8. Lan, S. Y., Kuo, C. Y., Chou, C. C., Kong, S. S., Hung, P. C., Tsai, H. Y., … & PCHAN Study Group. (2019). Recreational nitrous oxide abuse related subacute combined degeneration of the spinal cord in adolescents–A case series and literature review. Brain and Development, 41(5), 428-435.

 

Dronken in de derde helft

Biertjes na de wedstrijd om de overwinning te vieren of om het verlies te verdrinken. Wat doet alcohol met je lichaam na een sportieve inspanning? En hoe hangt alcoholconsumptie samen met ons beweeggedrag?

Alcohol vertraagt het herstel van je spieren na een wedstrijd of een training. Tijdens het sporten raakt je vochtbalans verstoord door zweten, neemt je energievoorraad af doordat je spieren energie verbranden en ontstaan er kleine scheurtjes in je spiervezels wat we voelen als spierpijn1. Naast rust is voeding belangrijk voor een optimaal herstel na een sportieve inspanning. Hoeveel en wat je precies moet eten en drinken hangt af van de sport die je beoefent en hoelang de inspanning duurt. Helaas is gezonde voeding na de wedstrijd vaak van lagere prioriteit dan een biertje drinken met je teamgenoten.

Drinken in de derde helft_nov19

Als we kijken naar de manier waarop onze gedragingen met elkaar samenhangen, dan is de combinatie tussen alcoholconsumptie en sporten opmerkelijk. Doorgaans zien we dat een gezonde gedraging (wandelen) sterk samenhangt met andere gezonde gedragingen (groente- en fruitconsumptie). Ook ongezonde gedragingen (tv-kijken en vet eten) hangen sterk met elkaar samen2. Bij de combinatie alcohol en sport gaat deze clustering van gedrag niet op. Een ongezonde gedraging (alcoholconsumptie) hangt samen met een gezonde gedraging (bewegen). Een tijd lang werd gedacht dat mensen met een gemiddelde alcoholconsumptie (4 tot 14 glazen per week) gezonder waren dan hun niet-drinkende leeftijdsgenoten, doordat hun sterftecijfer lager was3. Later bleek dat deze relatie verklaard werd doordat gemiddelde drinkers actiever zijn en gezonder eten dan niet-drinkers.

De opmerkelijke samenhang tussen sport en alcoholconsumptie wordt volgens onderzoekers ondersteund door de overtuiging dat hard werken beloond mag worden en dat overwinningen gevierd moeten worden3. Trouwe supporters sluiten graag aan bij het vieren van een overwinning, zij beginnen vaak al voor de derde helft met hun eerste alcoholische versnaperingen. Klinkt als een gezellige bedoening, maar soms wordt vergeten dat men nog met de auto terug naar huis moet… Alcoholconsumptie op de sportclub kan dan ook leiden tot gevaarlijke situaties in het verkeer. Het terugdringen of de preventie van alcoholgebruik op sportlocaties is slechts onderwerp van een handjevol wetenschappelijke studies4,5. Aanbevelingen vanuit deze studies zijn: ontwikkel, evalueer en handhaaf alcoholbeleid op de sportclub, biedt alternatieven, zowel voor het drinken van alcohol als voor inkomsten voor de clubkas en neem de tijd voor de invoering van alcoholpreventie.

Vorig jaar is alcoholpreventie op sportlocaties opgenomen in het Nationaal Preventieakkoord, onder het thema ‘gezonde sportomgeving’6. Deelnemende partijen spreken hierin de ambitie uit dat in 2040 minimaal 80% van de sportverenigingen met een eigen accommodatie een gezonde sportomgeving bieden. Sportkantines worden de komende jaren gestimuleerd om expliciet alcoholbeleid te formuleren. Zo is het niet langer de bedoeling dat amateursportclubs contracten afsluiten met drankfabrikanten voor alcoholreclame langs de lijn en betekent dit het einde van de happy hours en meters bier in de kantine. Misschien moeten we alvast gaan nadenken over hoe we over een paar jaar onze sportieve overwinningen op een andere manier kunnen gaan vieren…

Deze blog werd geschreven door Pauline Geuijen (Radboudumc) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Barnes, J. (2014) Alcohol: impact on sports performance and recovery in male athletes. Sports medicine, 44(7):909-19. doi: 10.1007/s40279-014-0192-8.
2. Niedermeier, M., Frühaf, A., Kopp-Wilfing, P., Rumpold, G., & Kopp, M. (2018). Alcohol consumption and physical activity in Austrian college students – a cross-sectional study. Substance use & misuse, 53(10):1581-90. doi: 10.1080/10826084.2017.1416406.
3. Leasure, J., Neighbors, C., Henderson, C., & Young, C. (2015) Exercise and alcohol consumption: what we know, what we need to know, and why it is important. Frontiers in Psychiatry 6:156. doi: 10.3389/fpsyt.2015.00156.
4. Kingsland, M., Wiggers, J., Vashum, K., Hodder, R., & Wolfenden, L. (2016). Interventions in sports settings to reduce risky alcohol consumption and alcohol-related harm: a systematic review. Systematic Reviews, 5:12. doi: 10.1186/s13643-016-0183-y.
5. Kolar, C., von Treuer, K. (2015). Alcohol misuse interventions in the workplace: a systematic review of workplace and sports management alcohol interventions. International Journal of Mental Health and Addiction 13(5). doi: 10.1007/s11469-015-9558-x
6. Rijksoverheid (2018) Maatregelen in het Nationaal Preventieakkoord. Geraadpleegd van https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/gezondheid-en-preventie/nationaal-preventieakkoord

Hoe zorg je dat jouw kind vrijwillig gezond voedsel opschept?

Op 7 augustus 2019 lanceerde de Rabobank in samenwerking met Kelvin Boerma (bekend als Kalvijn) het YouTube-kanaal Opscheppers en op 22 september 2019 werd de eerste video geüpload2. Het doel van het kanaal is om kinderen kennis bij te brengen over voedselproductie en hen bewust te maken van gezonde opties1. Dat is hard nodig, want 13,5% van de Nederlandse kinderen tussen de 4 en 20 jaar heeft overgewicht 3. Het hebben van overgewicht heeft negatieve consequenties. Zo hebben kinderen met overgewicht een vergroot risico op het ontwikkelen van diabetes type 24, ofwel suikerziekte. Later in het leven is er onder andere een verhoogd risico op hart- en vaatziekten4. Het is dus tijd dat kinderen aan de slag gaan met gezond voedsel.

Foto_AnneFrance

Wat is jouw lievelingseten? Het is een vraag die vaak voorkomt in vriendenboekjes, of die aan kinderen gesteld wordt met hun verjaardag, als zij mogen kiezen wat er die avond gegeten wordt. Is het antwoord dat bij jouw kind opkomt een gezonde optie? Van veel kinderen is het lievelingseten één van de drie P’s, namelijk pizza, patat of pannenkoeken1.

Als het lievelingseten van jouw kind één van de drie P’s is, is dat natuurlijk nog geen probleem. Het eten van ongezond voedsel is nu eenmaal aantrekkelijker dan het eten van gezond voedsel. Dit komt doordat mensen een voorkeur hebben voor voedsel dat zout of zoet van smaak is5. Vooral in het geval van zoet voedsel, neemt het vetpercentage toe als de zoetigheid toeneemt5. Qua smaak heeft zoet of vet voedsel dus de voorkeur, maar het is een stuk ongezonder’.

Het eten van gezonde maaltijden zorgt ervoor dat je kind de benodigde voedingsstoffen binnenkrijgt. Maar hoe zorg jij dat jouw kind zich interesseert voor een gezond eetpatroon, zodat het hier ook zelf voor gaat kiezen? Als ouder heb je een voorbeeldfunctie wat betreft het eetpatroon van je kind. Zo zorgt de aanwezigheid van groente en fruit in huis voor een positief effect, omdat het kinderen aanmoedigt te kiezen voor een gezond tussendoortje6. Daarbij zorgt de steun die kinderen ervaren van hun ouders voor extra motivatie om groente en fruit te eten6. Naast dat het belangrijk is om gezond eten in huis te hebben, is het van invloed op kinderen of ouders het eten zelf ook nuttigen. Zien eten doet eten, is hier dan ook van toepassing. Als ouders zelf meer groente en fruit eten, gaan hun kinderen dit ook doen7. Van het omgekeerde effect is ook sprake, dat wil zeggen dat het minder eten of drinken van ongezond voedsel door ouders leidt tot een afname van de consumptie van het ongezonde voedsel bij hun kinderen7. Een ander positief effect is het samen maken van beslissingen omtrent eten, in plaats van keuzes opleggen via ouderlijke controle7. Een voorbeeld hiervan is om samen het lunchpakket van je kind te bepalen. En wil je toch een keer vrije tijd van je voorbeeldfunctie, maar wel je kind leren de gezonde keuze te maken? Dan is er altijd nog Opscheppers2, om je een handje te helpen.

Deze blog werd geschreven door Anne-France de Ronde voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag, master PWO, 2019.

Referenties

  1. Banken.nl. (20 september 2019). Rabobank motiveert kinderen gezonder te eten via nieuw kanaal op YouTube. Geraadpleegd van https://www.banken.nl/nieuws/21905/rabobank-motiveert-kinderen-gezonder-te-eten-via-nieuw-kanaal-op-youtube.
  2. YouTube-kanaal Opscheppers. Geraadpleegd van https://www.youtube.com/channel/UCOAhwYWknhHNBk8AxdlztsA.
  3. Rijksoverheid. (23 november 2018). Nationaal Preventieakkoord. Geraadpleegd van https://www.rijksoverheid.nl/documenten/convenanten/2018/11/23/nationaal-preventieakkoord.
  4. Chu, D. T., Nguyet, N. T. M., Dinh, T. C., Lien, N. V. T., Nguyen, K. H., Ngoc, V. T. N., … & Tran, Q. H. (2018). An update on physical health and economic consequences of overweight and obesity. Diabetes & Metabolic Syndrome: Clinical Research & Reviews, 12(6), 1095-1100.
  5. Bolhuis, D. P., Costanzo, A., & Keast, R. S. (2018). Preference and perception of fat in salty and sweet foods. Food Quality and Freference, 64, 131-137.
  6. Young, E. M., Fors, S. W., & Hayes, D. M. (2004). Associations between perceived parent behaviors and middle school student fruit and vegetable consumption. Journal of Nutrition Education and Behavior, 36(1), 2-12.
  7. Ma, Z., & Hample, D. (2018). Modeling Parental Influence on Teenagers’ Food Consumption: An Analysis Using the Family Life, Activity, Sun, Health, and Eating (FLASHE) Survey. Journal of Nutrition Education and Behavior, 50(10), 1005-1014.