Categorie: blog

Alcohol onder de 18 jaar is verboden, maar iedereen mag alcoholvrije dranken kopen. Welk effect heeft dat op jongeren?

Alcoholgebruik wordt geaccepteerd in de Nederlandse samenleving. De meeste Nederlanders drinken wel eens alcohol. Eigenlijk is het bij jongeren niet de vraag of ze gaan drinken, maar wanneer ze beginnen met het drinken van alcohol4,9. In Schiermonnikoog heeft de enige supermarkt op het eiland de keuze gemaakt om ook geen alcoholvrije dranken meer onder de 18 jaar te verkopen. Dit omdat de Waddeneilanden het alcoholmisbruik door jongeren willen terugdringen. Op een afstandje is geen verschil te zien tussen alcoholvrij of alcoholhoudend bier, wat het handhaven ervan moeilijk maakt. Daarbij vinden zij het geen gezicht om kinderen met alcoholvrije bierflesjes te zien rondlopen. Cijfers wijzen uit dat de jeugd te veel drinkt, maar ondertussen laten we de jongeren wel legaal wennen aan het drinken van en uit een alcoholvrij bierflesje7.

Plaatje_Laura

Eén van de maatregelen die de overheid heeft ingezet om het alcoholgebruik onder jongeren uit te stellen en de consumptie van alcohol te verminderen, is de legale leeftijd om alcohol te drinken van 16 jaar naar 18 jaar te verhogen. Sinds 2014 is het strafbaar om alcoholhoudende dranken te nuttigen in het openbaar voor jongeren onder de 18 jaar. Ondanks dat de alcoholleeftijd naar 18 jaar is gegaan, is alcoholvrij bier beschikbaar gebleven voor alle leeftijden.

Volgens GGD Noord- en Oost-Gelderland lijken steeds meer ouders zich bewust te zijn geworden van de schadelijke gevolgen van alcohol voor jongeren onder de 18 jaar. Toch koopt 8% van de ouders weleens alcoholvrijbier voor hun 10-12 jarige kind5. Er bestaat empirisch bewijs voor een sterke samenhang tussen het drinkgedrag van jongeren en de normen van ouders tegenover alcoholgebruik3,8. Dus wat zegt het kopen van alcoholvrij bier door ouders voor hun kinderen, wellicht onbewust, over hun normen wat betreft alcoholgebruik?

Deskundigen van het Trimbos raden het drinken van alcoholvrij bier sterk af voor jongeren. Jongeren leren met het drinken van alcoholvrij bier de smaak van bier kennen, het gevoel van een bierflesje in de hand hebben en ze leren dat bier drinken normaal is en erbij hoort. Mogelijk is de stap naar het drinken van alcohol daardoor sneller gezet. Dit past bij de ‘cue-reactivity-theory’. Deze theorie stelt dat hoe meer men blootgesteld wordt aan gerelateerde stimuli (prikkels), dit het daadwerkelijke gebruik van middelen uitlokt. In dit geval zal dus het drinken uit een alcoholvrij bierflesje een gerelateerde prikkel kunnen zijn. Deze ‘cue’ kan er voor zorgen dat jongeren op vrij jonge leeftijd al zin krijgen in het nuttigen van alcohol1. Meerdere studies laten zien dat de toegang tot alcohol op jonge leeftijd leidt tot een hoger risico om op latere leeftijd meer te drinken2,6. Onderzoek naar de gevolgen van alcoholvrije dranken zou gepast zijn. Wellicht heeft toegang tot alcoholvrij bier dezelfde gevolgen op latere leeftijd als de toegang tot alcoholhoudend bier.

Al met al is alcoholvrij bier in principe een goed alternatief, maar dit geldt voornamelijk voor (jong)volwassenen zegt Trimbos. Natuurlijk is het gebruik van alcoholvrij bier onder jongeren nog altijd beter dan alcoholgebruik zelf. Gezien de boodschap die jongeren meekrijgen door het drinken van alcoholvrije dranken en de mogelijke gevolgen hiervan zijn, is het wellicht een goed idee om voor alcoholvrije dranken ook een minimum leeftijd in te stellen.

Deze blog werd geschreven door Laura Visser, master student Pedagogische Wetenschappen en Onderwijskunde, Radboud Universiteit.

Referenties
1. Babor, T.F., Robaina, K., Noel, J.K., & Ritson, E.B. (2017). Vulnerability to alcohol-related problems: a policy brief with implications for the regulation of alcohol marketing. Addiction, 112(1), 94-101.
2. Casswell, S., Pledger, M., & Pratap, S. (2002). Trajectories of drinking from 18 to 26 years: Identification and prediction. Addiction, 97, 1427-1437.
3. Gilligan, C., Kypri, K., & Lubman, D. (2012). Changing parental behaviour to reduce risky drinking among adolescents: Current evidence and future directions. Alcohol and Alcoholism, 47(3), 349-354.
4. Hibell, B., Guttormsson, U., Ahlström, S., Balakireva, O., Bjarnasson, T., Kokkevi, A., & Kraus, L. (2009). The 2007 ESPAD Report. Substance use among students in 35 European countries. Stockholm: The Swedish council for information on alcohol and other drugs (CAN).
5. Kindermonitor. (2017). GGD Noord- en Oost-Gelderland – Leefstijl van kinderen verbeterd! Geraadpleegd op 19 oktober 2018, van https://www.ggdnog.nl/nieuws-2/item/publiek-nieuws/leefstijl-van-kinderen-verbeterd
6. Paschall, M. J., Grube, J. W., Black, C., Flewelling, R. L., Ringwalt, C. L., & Biglan, A. (2007). Alcohol outlet characteristics and alcohol sales to youth: Results of alcohol purchase surveys in 45 Oregon communities. Prevention Science, 8(2), 153-159.
7. RTLNieuws. (2018, 14 juli). Onder de 18 een alcoholvrij biertje? Niet op Schiermonnikoog. Geraadpleegd op 19 oktober 2018, van https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/nederland/artikel/4286616/onder-de-18-een-alcoholvrij-biertje-niet-op-schiermonnikoog
8. Spijkerman, R., Van Den Eijnden, R. J. J. M., Overbeek, G. J., & Engels, R. C. M. E (2007). The impact of peer and parental norms and behaviour on adolescent drinking: The mediating role of drinker prototypes. Psychology and Health, 22, 7-29.
9. Verdurmen, J., Monshouwer, K., van Dorsselaer, S., Lokman, S., Vermeulen-Smit, E., & Vollebergh, W. (2012). Jeugd en riskant gedrag 2011. Kerngegevens uit het peilstationsonderzoek scholieren. Utrecht: Trimbos Instituut.

Afvallen in je slaap?

De cijfers liegen er niet om en we ontkomen er niet meer aan. Het gemiddelde gewicht van de bevolking stijgt steeds meer. Ook onder kinderen is dit een groot probleem. Volgens het Rijkinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is overgewicht bij kinderen de laatste decennia sterk toegenomen. Op dit moment heeft bijna 14% van de kinderen in Nederland van 4 t/m 17 jaar overgewicht. In Nederland wordt er al veel aandacht aan dit onderwerp besteed. Zo is de overheid bezig met het verbeteren van het voedings- en beweegpatroon van kinderen. Sporten en bewegen wordt toegankelijker gemaakt en een koekje op het schoolplein lijkt steeds meer verleden tijd te worden. In de wetenschap lijkt er echter steeds duidelijker bewijs te zijn dat ook slaap een grote rol kan spelen bij overgewicht onder kinderen. Wat als een goed slaapritme een gedeelte van het gewichtsprobleem bij kinderen kan oplossen?

Omdat een groot percentage van kinderen met obesitas hun verhoogde gewicht meeneemt naar de volwassenheid, is het belangrijk om hier vroeg op in te spelen. 40% van de kinderen met overgewicht behouden een verhoogd gewicht tijdens hun adolescentie en 75-80% van de adolescenten met obesitas behouden deze obesitas de rest van hun leven1. De wetenschap is het erover eens dat er meerdere factoren lijken mee te spelen in de ontwikkeling van overgewicht bij kinderen. Vaak wordt er tijdens deze onderzoeken gekeken naar omgevingsfactoren van het kind, maar de laatste jaren wordt er steeds meer onderzoek gedaan naar de invloed van slaap op het gewicht van kinderen.

Plaatje_Loes

Tijdens slaap gaat het lichaam door verschillende essentiële fysiologische processen die het lichaam nodig heeft voor verschillende condities. Zo speelt slaap een grote rol in de afgifte van hormonen, metabolische veranderingen en in de levensstijl van een persoon, wat kan resulteren in obesitas2. Ook kan minder slaap er direct voor zorgen dat je overdag meer trek en honger hebt3. Er is steeds meer bewijs dat zowel de lengte van slaap als de kwaliteit van slaap invloed hebben op het gewicht van kinderen4. Er zijn verschillende meta-analyses gedaan naar de relatie tussen slaap en obesitas bij kinderen. Deze laten zien dat kinderen en adolescenten die korter slapen tot wel twee keer zo veel kans hebben om overgewicht of obesitas te krijgen vergeleken met de kinderen en adolescenten die langer slapen2,5,6. Met name jonge kinderen lijken een groter risico te lopen.

Omdat verschillende studies duidelijk bewijs laten zien voor een relatie tussen gebrek aan slaap bij kinderen en een vergrote kans op obesitas, zou het goed zijn om de kennis over slaap te verwerken in de preventie en interventie van obesitas. De meeste interventies focussen zich op dit moment voornamelijk op diëten en fysieke activiteit, maar er zijn al aanwijzingen dat het verwerken van de kennis die we hebben over slaap in interventies kan zorgen voor een afname van obesitas bij kinderen7. Hoewel de onderzoeken over de effectiviteit hiervan nog in de kinderschoenen staan, kunnen we vanavond al een begin maken. Stop je kinderen vanavond dus lekker op tijd onder de wol zodat zij een goede nachtrust hebben.

Deze blog werd geschreven door Loes de Leijer, master student Pedagogische Wetenschappen en Onderwijskunde, Radboud Universiteit.

Referenties
1. Lifshitz, F. (2008). Obesity in Children. Journal of Clinical Research in Pediatric Endocrinology, 2, 53-60.
2. Li, L., Zhang, S., Huang, Y., & Chen, K. (2017). Sleep Duration and Obesity in Children: A Systematic Review and Meta-analysis of Prospective Cohort Studies. Journal of Paediatrics and Child Health, 53, 378-385.
3. Spiegel, K., Tasali, E., Penev, P., Van Cauter, E. (2004). Brief Communication: Sleep Curtailment in Healthy Young Men is Associated with Decreased Leptin Levels, Elevated Ghrelin Levels, and increased hunger and appetite. Annals of Internal Medicine, 141, 846-850.
4. Kumar, S. (2017). Review of Childhood Obesity: from Epidemiology, Etiology, and Comorbidities to Clinical Assessment and Treatment. Mayo Clinic Proceedings, 92, 251-265.
5. Douglas, S. (2016). Relationship between Sleep and Obesity among Children in the Guelpgh Family Health Study (Master of Science Thesis, University of Guelph).
6. Fatima, Y., Doi, S. A. R. (2014). Longitudinal Impact of Sleep on Overweight and Obesity in Children and Adolescents: a Systematic Review and Bias-adjusted Meta-analysis. Obesity Reviews, 16, 137-149.
7. Dawson-McClure, S., Brotman, L. M., Theise, R., Palamar, J. J., Kamboukos, D., Barajas, G., & Calzada, E. J. (2014). Early Childhood Obesity Prevention in Low-Income, Urban Communities. Journal of Prevention and Intervention in the Community, 42, 152-166.

Brief aan Science: Verslaving hoort er ook bij!

Verslavend gedrag moet ook meegenomen worden bij (genetisch) onderzoek naar de onderliggende oorzaken van psychiatrische aandoeningen. Dit was de hoofdboodschap van een brief die ik samen met een collega naar het tijdschrift Science heb gestuurd.

29102018-RADblog-Jacqueline-plaatje.docx-2641247741-1540810299933.jpgDe aanleiding hiervoor was een indrukwekkende publicatie in het juni-nummer van Science1. De grote groep auteurs noemt zichzelf het ‘Brainstorm Consortium’ en ze beschrijven in hun artikel wat de genetische correlaties zijn tussen verschillende psychiatrische en neurologische aandoeningen. Een genetische correlatie geeft weer hoeveel genetische overlap er is tussen twee aandoeningen met behulp van een getal tussen 0 en 1, of in andere woorden of het grotendeels dezelfde genen zijn die van invloed zijn op die aandoeningen (= hoge correlatie) of juist totaal verschillende genen (= lage correlatie). Dit levert informatie op of de onderliggende mechanismen overlappen of juist niet, en dat kan uiteindelijk consequenties hebben voor de behandelingsstrategie.

De auteurs onderzochten 10 psychiatrische aandoeningen, waaronder ADHD, depressie, bipolaire aandoeningen en schizofrenie. Echter, middelengebruik en verslaving werd niet meegenomen in de categorie psychiatrische aandoeningen (roken werd alleen als risicofactor genoemd). Dat was voor ons aanleiding om een brief te sturen naar Science.

Wat zijn onze argumenten?

  1. Verslaving is ook onderdeel van het internationale classificatiesysteem voor psychiatrische aandoeningen (DSM-5).
  2. Criteria voor een diagnose ‘verslaafd’ zijn, net als bij andere psychiatrische aandoeningen, grotendeels gebaseerd op gedragsmatige symptomen. Bij verslaving gaat het bijvoorbeeld om gevoelens van trek/zucht (craving), het opgeven van sociale activiteiten en het interacteren met het dagelijks functioneren.
  3. Verslaving gaat vaak samen met andere psychiatrische aandoeningen, zoals depressie of ADHD. En als iemand zowel verslaafd is als een andere psychiatrische aandoening heeft is de prognose voor beide vaak slechter.
  4. De neurobiologische mechanismen hebben sterke overeenkomsten, zo zijn grotendeels dezelfde hersengebieden betrokken bij verslaving en bij andere psychiatrische aandoeningen.
  5. De behandeling van verslaving en andere psychiatrische aandoeningen heeft sterke overeenkomsten wat betreft psychotherapeutische aanpak.

Dit zijn allemaal belangrijke punten om te beargumenteren dat bij onderzoek naar genetische correlaties tussen psychiatrische aandoeningen ook verslavingen, verslavend gedrag en middelengebruik meegenomen zouden moeten worden. En inderdaad, als we naar de bestaande literatuur kijken zien we duidelijke voorbeelden dat genetische correlaties tussen verslavend gedrag en psychiatrische aandoeningen (tabel B) net zo hoog zijn als tussen de andere psychiatrische aandoeningen onderling (tabel A).

29102018 RADblog Jacqueline - plaatje2

Het is daarom belangrijk om bij verder onderzoek naar de (genetische) relatie tussen psychiatrische aandoeningen onderling ook verslavend gedrag en middelengebruik mee te nemen.  Om dit duidelijk te maken aan een breed (wetenschappelijk) publiek hebben mijn collega en ik een brief gestuurd aan Science, en die is in september van dit jaar gepubliceerd!4 In eerste instantie hadden we een stuk geschreven van zo’n 1000 woorden, met een mooie tabel erbij. Helaas bleek dit niet het geschikte format te zijn om te reageren op een eerder gepubliceerd artikel, dus hebben we het ingekort tot 300 woorden en moesten we de tabel weglaten. Hopelijk is het ook in 300 woorden gelukt om onze boodschap over te brengen aan de wetenschappelijke wereld, en gelukkig mocht ik in deze blog wel 500 woorden besteden aan dit belangrijke onderwerp!

Deze blog werd geschreven door Jacqueline Vink (BSI, Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Brainstorm Consortium et al., Analysis of shared heritability in common disorders of the brain. Science (New York, N.Y.)360, eaap8757 (2018).
2. Walters, R.K. et al., Trans-ancestral GWAS of alcohol dependence reveals common genetic underpinnings with psychiatric disorders. bioRxiv (2018).
3. Pasman, J.A. et al., GWAS of lifetime cannabis use reveals new risk loci, genetic overlap with psychiatric traits, and a causal influence of schizophrenia. Nature Neuroscience 21, 1161-1170 (2018).
4. Vink, J.M. & Schellekens, A. Relating addiction and psychiatric disorders. Science 361, 1323-1324 (2018).

Welk type eter ben jij? Verslag Radboud Invites

Op zaterdag 6 oktober 2018 was een groepje RAD-bloggers, waaronder ikzelf, aanwezig op de Radboud Universiteit om een workshop te geven getiteld: “Welk type eter ben jij? Test jezelf!”. We gaven deze workshop in het kader van Radboud Invites, een feestelijke dag waarop de Radboud Universiteit en het Radboudumc hun deuren openden om hun 95ste verjaardag te vieren. Met ruim 120 activiteiten van zeven verschillende faculteiten hebben de universiteit en het ziekenhuis laten zien wat ze allemaal in huis hebben. In deze blog zal ik kort verslag doen over de workshop die we gaven tijdens deze  inspirerende dag.

picture 1

RAD-bloggers Levie en Nina tijdens de voorbereidingen van de workshop

Tijdens Radboud Invites gaven wij op meerdere momenten een workshop waarin deelnemers konden testen welk type eter zij zijn. Bij binnenkomst konden deelnemers een wat gezonder snackje (een appel en druiven) of een wat ongezonder snackje (een candybar en zakje snoep) kiezen. Daarna vulden zij de zelftest in en berekenden ze hun persoonlijke eetscore. Uit de scores van het eerste deel van de zelftest kwam naar voren in hoeverre deelnemers emotionele eters, externe eters, of lijngerichte eters waren1. In andere woorden konden deelnemers testen of ze vaak de neiging hebben te gaan eten door emoties, of ze gevoelig zijn voor voedselprikkels uit de omgeving, of dat ze juist voortdurend op hun gewicht letten bij het maken van voedselkeuzes. Hierna gaf Junilla Larsen food for thought door de stand van zaken in de wetenschap rondom deze typeringen uiteen te zetten. Zo bleek bijvoorbeeld uit haar praatje dat mensen die hoog scoren op emotioneel eten, een grotere kans hebben om over de tijd aan te komen in gewicht en om eetstoornissen te ontwikkelen2.

picture 2

Bij aankomst konden deelnemers hier een zelftest en iets lekkers pakken. Na de workshop konden deelnemers kiezen of hun vragenlijst gebruikt mag worden voor wetenschappelijk onderzoek, of dat ze liever hadden dat hun vragenlijst werd vernietigd (zie de dozen links)

Het tweede deel van de zelftest bestond uit een relatief nieuwe vragenlijst, die nagaat of mensen een neiging hebben tot voedselverslaving. In deze vragenlijst heeft een Amerikaanse onderzoeksgroep de criteria van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), waaraan voldaan moet worden bij een verslaving aan alcohol of drugs, vertaald naar het eten van junk food3,4. Voorbeelden van deze criteria zijn craving (een sterk verlangen hebben om junk food te eten), tolerantie (over de tijd steeds meer junk food nodig hebben om hetzelfde, fijne gevoel te krijgen), en ontwenning (last hebben van onthoudingsverschijnselen als geen junk food gegeten wordt). In onze workshop vulden de deelnemers deze nieuwe vragenlijst in en checkten ze of ze voldeden aan de opgestelde criteria voor voedselverslaving. Hierna vertelde Jacqueline Vink over een unieke studie, uitgevoerd door RAD-bloggers, waarin deze nieuwe voedelverslavingsvragenlijst door ruim 2500 jongeren is ingevuld. Hieruit kwam naar voren kwam dat meisjes vaker voedselverslaafd zijn dan jongens, en dat jongeren met overgewicht vaker voedselverslaafd zijn dan jongeren met normaal of ondergewicht5.

picture 3

RAD-bloggers Junilla Larsen (links) en Jacqueline Vink (rechts) vertellen over onderzoek naar type eters en voedselverslaving

Zoals je misschien wel op de foto’s kan zien, vond de workshop plaats op een hele bijzondere locatie, namelijk in het bar lab. Het bar lab is uniek, omdat het zo is ingericht dat het op een gezellige kroeg lijkt. Het idee hierachter is dat “participanten” aan onderzoek zich meer op hun gemak voelen en zich zodoende ook op een meer natuurlijke manier gaan gedragen. Dankzij de ingevulde vragenlijst kunnen wij in de toekomst nagaan of verschillende type eters (emotionele, externe, en lijngerichte eters) een grotere of kleinere kans hebben op het ontwikkelen van voedselverslaving. Ook kunnen we bekijken of de keuze voor een gezonder versus ongezonder snackje gerelateerd is aan hun scores op de vragenlijst. Wij willen de bezoekers van harte bedanken voor hun deelname en hun inspirerende vragen. Wij hebben weer volop input voor ons onderzoek gekregen, en hebben genoten van deze bijzondere dag!

picture 4

De inrichting van het bar lab

Deze blog werd geschreven door Nina van den Broek (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Van Strien, T., Frijters, J. E., Bergers, G. P., & Defares, P. B. (1986). The Dutch Eating Behavior Questionnaire (DEBQ) for assessment of restrained, emotional, and external eating behavior. International Journal of Eating Disorders, 5, 295-315.
2. Koenders, P., & Van Strien, T. (2012). Emotioneel eten heeft een sterkere invloed op de gewichtstoename dan leefstijlgedrag in een prospectief onderzoek onder 1562 bankmedewerkers. Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, 20, 430-430.
3. Gearhardt, A. N., Corbin, W. R., & Brownell, K. D. (2009). Food addiction: An examination of the diagnostic criteria for dependence. Journal of Addiction Medicine, 3, 1-7.
4. Gearhardt, A. N., Corbin, W. R., & Brownell, K. D. (2009). Preliminary validation of the Yale Food Addiction Scale. Appetite, 52, 430-436.
5. Mies, G. W., Treur, J. L., Larsen, J. K., Halberstadt, J., Pasman, J. A., & Vink, J. M. (2017). The prevalence of food addiction in a large sample of adolescents and its association with addictive substances. Appetite, 118, 97-105.

Verslaafd aan je telefoonscherm? De effecten van smartphonegebruik op de mentale en emotionele gezondheid van jongeren

De kranten staan er vol mee en iedereen heeft er wel een mening over: smartphonegebruik. Op menig verjaardagsfeestje wordt hierover gediscussieerd met vaak een duidelijke generatiekloof: jongeren zweren bij hun mobiele telefoon en zien veel voordelen van alle technologische ontwikkelingen, terwijl oudere generaties huiverig zijn en vooral negatieve consequenties benoemen, zoals eenzaamheid en verslaving1. Moeten wij ons zorgen maken over de tijd die jongeren besteden op hun smartphones?

Ook veel wetenschappers houden zich bezig met deze vraag en ook hier zijn de meningen verdeeld. Enerzijds heeft een groep onderzoekers de noodklok geluid over de effecten van het smartphonegebruik van jongeren op hun psychologisch functioneren. Op basis van een grote studie2 waarin onderzoekers de opkomst van digitale technologie naast de toename in depressie en suïcide cijfers hebben gelegd, werd geconcludeerd dat jongeren die meer tijd besteden aan hun smartphones ook vaker depressieve of suïcidale klachten hebben. Jongeren die meer tijd besteden aan andere activiteiten, zoals sporten of huiswerk, laten juist minder psychische problemen zien. Op basis van deze resultaten, die breed zijn uitgemeten in de media, is er inderdaad grote reden tot zorg. En misschien belangrijker: dit beeld lijkt aan te sluiten bij de grote angst die veel ouders, hulpverleners en leerkrachten voelen ten aanzien van het smartphonegebruik van jongeren.

cell-phone-addiction

Echter, een andere groep onderzoekers probeert dit beeld wat te nuanceren door deze studie kritisch tegen het licht te houden3,4. Het feit dat deze twee ontwikkelingen namelijk vlak na elkaar plaatsvinden hoeft niet te betekenen dat het een door het ander veroorzaakt wordt. Er zijn veel andere factoren, zoals de genetische opmaak en de opvoeding van jongeren, die invloed hebben op de mentale gezondheid4. Bovendien is het veel waarschijnlijker dat het type activiteiten die jongeren online doen of met wie ze die activiteiten doen een grotere invloed hebben op hun psychische gezondheid dan alleen de hoeveelheid schermtijd4,5. Daarnaast zijn er meerdere studies die laten zien dat gematigd smartphone gebruik juist leidt tot een stijging in het psychisch welzijn van jongeren5,6.

Sociale media en games bieden namelijk een context voor creativiteit en socialiteit: gevoelens en gedachten kunnen gemakkelijker geuit worden, sociale vaardigheden en zelfvertrouwen kunnen worden getraind en jongeren kunnen gemakkelijker en langduriger met leeftijdgenoten in contact komen5,7,8. Bijna alle jongeren hebben dagelijks contact met vrienden via hun smartphones, voelen zich daardoor meer verbonden met hun vrienden en ontvangen daardoor meer sociale steun van hun vrienden5,8. Jongeren die geen smartphone hebben, missen dit soort sociale activiteiten die vaak fungeren als verlenging van face-to-face contact en kunnen zich daardoor juist eenzaam of buitengesloten voelen5. Recent Nederlands onderzoek laat ook zien dat er, gelukkig, maar relatief weinig jongeren problematisch sociale media of game gedrag vertonen7. Op basis van deze data lijkt het luiden van de noodklok minder noodzakelijk, hoewel er zeker meer onderzoek nodig is naar welke factoren kunnen leiden tot problematisch smartphonegebruik en daaraan gerelateerde psychische klachten.

Samenvattend weten we eigenlijk nog steeds te weinig om duidelijke conclusies te trekken. Voor nu lijkt het erop dat we te maken hebben met een zogenaamde u-curve: te weinig én te veel smartphone gebruik is niet wenselijk voor jongeren4,5. Voor ouders, hulpverleners en leerkrachten is het aan te raden om het schermgebruik van jongeren te monitoren, omdat jongeren inderdaad een ongezonde relatie ten aanzien van hun smartphone kunnen ontwikkelen7. Naast monitoring is interesse in zowel de online als offline leefwereld van jongeren van cruciaal belang: wat doen jongeren eigenlijk op hun mobieltje en wat maakt de aantrekkingskracht zo groot? Een gedeelte van de angst die volwassen voelen ten aanzien van smartphonegebruik kan namelijk liggen in onbegrip over hoe technologie is ingebed in het leven van jongeren1. Meer kennis hierover kan een gedeelte van deze zorg wegnemen1. In de toekomst is het noodzakelijk om een vinger aan de pols te houden, maar ook om ons onderbuikgevoel niet de overhand te laten krijgen en verandering als vooruitgang te zien.

Voor meer informatie over welke media voor welke leeftijden geschikt zijn en tips over smartphonegebruik en monitoring, zie dan https://www.commonsensemedia.org/. Om je eigen schermtijd bij te houden, kun je meerdere apps downloaden (Android: Quality Time; IOS: Moment). Wil je op de hoogte blijven van de effecten van sociale media en video games op de mentale en emotionele gezondheid van kinderen en jongeren, volg dan, naast onze RAD-blogs, ook onze blogs op www.gemhlab.com (over Games for Mental Health).

Deze blog werd geschreven door Hanneke Scholten (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Boyd, D. (2014). It’s complicated: The social lives of networked teens. New Haven, CT: Yale University Press
2. Twenge, J. M., Joiner, T. E., Rogers, M. L., & Martin, G. N. (2018). Increases in depressive symptoms, suicide-related outcomes, and suicide rates among U.S. adolescents after 2010 and links to increased new media screen. Clinical Psychological Science, 6, 3-17. doi: 10.1177/2167702617723376
3. Daly, M. (2018). Social-media use may explain little of the recent rise in depressive symptoms among adolescent girls. Clinical Psychological Science, 6, 295-295. doi: 10.1177/2167702617750869
4. Nir, E. (2018). Social media has the “exact same negative effect on depression” as eating potatoes. Retrieved from: https://medium.com/behavior-design/social-media-has-the-exact-same-negative-effect-on-depression-as-eating-potatoes-2fcd2c1c4310
5. Przybylski, A. K., & Weinstein, N. (2017). A large-scale test of the goldilocks hypothesis: Quantifying the relations between digital-screen use and the mental well-being of adolescents. Psychological Science, 28, 204-215. doi: 10.1177/0956797616678438
6. Coyne, S. M., Padilla‐Walker, L. M., Holmgren, H. G., & Stockdale, L. A. (2018). Instagrowth: A longitudinal growth mixture model of social media time use across adolescence. Journal of Research on Adolescence. doi: 10.1111/jora.12424
7. Stevens, G., Van Dorsselaer, S., Boer, M., De Roos, S., Duinhof, E., Ter Bogt, T., Van den Eijnden, R., Kuyper, L., Visser, D., Vollebergh, W., & De Looze, M. (2018). HBSC 2017. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland. Utrecht, NL: Trimbos Instituut.
8.Van Dorsselaer, S. A. F. M., Tuithof, M., Verdurmen, J. E. E., Spit, M., Van Laar, M. & Monshouwer, K. (2016). Jeugd en riskant gedrag 2015: Kerngegevens uit het peilstationsonderzoek scholieren. Utrecht, NL: Trimbos-instituut.

Zien drinken doet drinken?

Wanneer je op een zonnige dag door het stadscentrum loopt en om je heen kijkt ontkom je er bijna niet aan… Denk bijvoorbeeld aan mensen met een biertje op het terras of advertenties waarop een likeurtje levensgroot staat afgebeeld. Al deze alcohol-gerelateerde zogenoemde ‘cues’ worden in onderzoek geassocieerd met het zin krijgen in – en uiteindelijk nuttigen van –   meer alcohol. Vandaar de stelling “zien drinken, doet drinken”. Dit sluit aan bij de cue-reactivity theory1 , die stelt dat een hogere mate waarin men in het dagelijks leven blootgesteld wordt aan middelen-gerelateerde stimuli, het daadwerkelijk gebruik van middelen uitlokken.

Wanneer het om alcoholgebruik onder de jeugd gaat, werkt dit hetzelfde. Dit blijkt bijvoorbeeld uit studies die aangeven dat  meer alcoholgebruik in de omgeving van jongeren resulteert in eerder alcoholgebruik bij de jongeren zelf en een grotere kans op overmatig alcoholgebruik later in de adolescentie. Onlangs is er vanuit het Trimbos-instituut een literatuuroverzicht uitgekomen, getiteld “Zien drinken, doet drinken”. Er wordt besproken welke invloeden belangrijk zijn als het gaat om blootstelling aan alcoholgebruik2, waarbij ouders, vrienden, en media als belangrijkste factoren onderscheiden worden. Daarnaast wordt er gereflecteerd hoe een grotere blootstelling aan andermans drinkgedrag/alcohol-gerelateerde cues ertoe leidt dat jongeren zelf eerder en meer gaan drinken.

Kinderen van ouders die drinken lopen een grotere kans om op jongere leeftijd te gaan drinken3. Wanneer ouders veel drinken, ontwikkelen kinderen doorgaans positieve verwachtingen over alcoholgebruik. Deze positieve verwachtingen over de effecten van alcohol verhogen de kans om later zelf eerder en meer te drinken4. Recent onderzoek wijst uit dat het alcoholgebruik van ouders ook al invloed heeft op jonge kinderen; kinderen vanaf twee jaar oud bleken meer te weten over alcohol wanneer ouders meer dronken.

videoblocks-mother-is-drinking-alcohol-and-is-watching-tv-with-her-daughter-the-alcohol-problem-in-the-family_blq4bgmc2m_thumbnail-full01.png

Jongeren die hun leeftijdsgenoten zien drinken lopen ook meer kans om zelf eerder (en meer) te gaan drinken5. Jongeren zoeken vrienden die grotendeels overeenkomen wat betreft eigen gedrag en opvattingen (selectie) en passen hun gedrag vervolgens ook aan de vriendengroep  (beïnvloeding). Deze processen leiden ertoe dat drinkgedrag overeenkomt in vriendengroepen. Een relatief nieuwe bron van blootstelling aan alcohol-gerelateerde cues door vrienden betreft de social media, door bijvoorbeeld alcohol-gerelateerde beelden en berichten.

Blootstelling aan alcoholreclame hangt samen met een grotere kans op alcoholgebruik6. Dit is zowel het geval voor reclame via traditionele kanalen (advertenties op TV), als voor digitale kanalen (advertenties op internet en social media). Het thema van de marketingboodschap blijkt een belangrijke voorspeller, waarbij ‘feest’ de sterkste positieve associatie met alcoholgebruik heeft. Ook niet-commerciële beelden van alcohol (alcoholgebruik in films) hangen samen met alcoholgebruik onder jongeren.

Op basis van de literatuur kan geconcludeerd worden dat een sterkere blootstelling aan alcohol-gerelateerd gedrag en advertenties ertoe leiden dat jongeren zelf een grotere kans hebben om zelf te gaan drinken. De vraag “wat kunnen we nu eigenlijk met deze informatie?” is  begrijpelijk bij het lezen van dit artikel. Dit overzicht van de literatuur geeft inzicht in de processen die ertoe leiden dat jongeren (ook nog vandaag de dag) beginnen te experimenteren met alcohol en waarom ze later meer gaan drinken. Deze informatie kan vervolgens bijvoorbeeld gebruikt worden door gezondheidsprofessionals en beleidsmakers om te zorgen dat bepaalde preventieboodschappen uit verschillende campagnes (zoals Nix18) verder worden aangescherpt.

Deze blog werd geschreven door Koen Smit (Trimbos Instituut/ Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

  1. Babor TF, Robaina K, Noel JK, Ritson EB. Vulnerability to alcohol-related problems: a policy brief with implications for the regulation of alcohol marketing. Addiction. 2017;112:94–101.
  2. Smit K, Monshouwer K, Van Leeuwen L. Trimbos-instituut | Zien drinken doet drinken? [Internet]. Utrecht; 2018 [cited 2018 Jul 31]. Available from: https://www.trimbos.nl/producten-en-diensten/webwinkel/product/pm0299-zien-drinken-doet-drinken
  3. Rossow I, Keating P, Felix L, Mccambridge J. Does parental drinking influence children’s drinking? A systematic review of prospective cohort studies. Addiction. 2016;111(2):204–17.
  4. Smit K, Voogt C, Hiemstra M, Kleinjan M, Otten R, Kuntsche E. Development of alcohol expectancies and early alcohol use in children and adolescents: A systematic review. Clin Psychol Rev [Internet]. 2018 Feb [cited 2018 Feb 7];60. Available from: http://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S027273581730301X
  5. Leung RK, Toumbourou JW, Hemphill SA. The effect of peer influence and selection processes on adolescent alcohol use: a systematic review of longitudinal studies. Health Psychol Rev [Internet]. 2014 Oct 2 [cited 2017 Aug 8];8(4):426–57. Available from: http://www.tandfonline.com/doi/abs/10.1080/17437199.2011.587961
  6. Smith LA, Foxcroft DR. The effect of alcohol advertising, marketing and portrayal on drinking behaviour in young people: Systematic review of prospective cohort studies. BMC Public Health. 2009;9:1–11.

 

Voorkom overgewicht: Niet algemene opvoeding, maar voedingspraktijken gericht op structuur!

Steeds meer kinderen hebben overgewicht. De laatste jaren wordt steeds meer aandacht besteed aan de rol van ouders in het voorkomen van overgewicht bij kinderen. Dit is een goede ontwikkeling. Het gezegde “Jong geleerd is oud gedaan” speelt hier zeker een rol. Wij leven in een ongezonde omgeving waarin we continu blootgesteld worden aan snoep en snack. Ouders kunnen hun kinderen beschermen tegen deze ongezonde omgevingsinvloeden. Als zij thuis in staat zijn om een gezonde thuisomgeving te creëren waarin ze hun kinderen gezonde producten leren eten dan zal de kans vermoedelijk kleiner zijn dat kinderen overgewicht ontwikkelen. Het is daarom niet verwonderlijk dat de afgelopen jaren steeds meer wetenschappelijk onderzoek zich buigt over de vraag hoe ouders hun kinderen gezond kunnen opvoeden. In dit kader worden ook steeds meer artikelen gepubliceerd over de directe relatie tussen algemene opvoeding en overgewicht. Met algemene opvoeding wordt verwezen naar de algemene manier waarop ouders controle en warmte uitoefenen. Als ouders veel controle en weinig warmte uitoefenen worden ze bijvoorbeeld als autoritair bestempeld. Veel controle in combinatie met veel warmte (autoritatief) wordt beschouwd als de meest gunstige combinatie, ook in relatie tot overgewicht bij kinderen. In dit stuk wil ik graag allereerst bepleiten dat de directe relatie tussen algemene opvoeding en overgewicht bij kinderen minder interessant en vermoedelijk ook niet causaal van aard is.

Deze stelling is gebaseerd op twee opvallende patronen. Ten eerste zien we een toename in minder autoritaire en meer autoritatieve stijlen van opvoeden tijdens dezelfde periode waarin een toename van overgewicht bij kinderen zich voordoet. Als autoritatief opvoeden tot minder overgewicht leidt is het vreemd dat een toename in autoritatief opvoeden samenvalt met een toename in overgewicht. Ten tweede zien we dat de enkele onderzoeken die wel groepen met lage sociaal-economische status (SES) hebben betrokken grotendeels minder bewijs lijken te vinden voor de relatie tussen algemene opvoeding en overgewicht, terwijl juist bij lage SES overgewicht en ongunstige algemene opvoedstijlen meer voorkomen.

Foto 1

Vervolgens zou ik graag willen pleiten voor meer onderzoek naar specifieke voedingspraktijken die ouders uitoefenen, al dan niet in combinatie met algemene opvoeding. Voedingspraktijken zijn alle specifieke manieren waarop ouders het eetgedrag van hun kinderen op directe of indirecte wijze beïnvloeden. Ze worden ingedeeld in 3 soorten praktijken: Structuur, dwangmatige controle en autonomie ondersteuning1. Dwangmatige controle (bijvoorbeeld voedsel verbieden) wordt als ongunstig gezien, terwijl praktijken gericht op structuur en autonomie ondersteuning als gunstig worden beschouwd. Met name structuur is denk ik belangrijk in de preventie van overgewicht bij kinderen. Toekomstig onderzoek kan zich richten op de vraag hoe ouders structuur bieden en welke vormen nu gunstige effecten genereren bij verschillende kinderen en waarom dit het geval is.

Vaak zie je echter een gat tussen wat kwetsbare ouders (die zelf ongezond eten) zouden willen qua voedingspraktijken (bijvoorbeeld een gezonde maaltijd met veel verse groente maken) en wat ze uiteindelijk doen (bijvoorbeeld friet halen in plaats van een gezonde maaltijd bereiden). Hier kunnen experts op inspringen door ouders te ondersteunen met het aanleren van gezonde nieuwe voedingspraktijken en het wapenen tegen valkuilen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van veelbelovende specifieke technieken bekend uit de algemene gezondheidsliteratuur om automatische impulsen tegen te gaan of juist te genereren2. Soms ontbreekt echter ook de intentie om gezond op te voeden, door bijvoorbeeld andere denkbeelden, kennis en motivatie. Door aan te sluiten bij de belevingswereld van ouders en hun gedachtengoed en van daaruit te bekijken welke kleine stapjes wel gemaakt kunnen worden bereiken professionals in het veld waarschijnlijk meer. Ik moet nu denken aan een moeder die haar kind geen water wilde geven omdat water voor honden zou zijn, maar wel bereid was om haar kind thee in plaats van limonade te geven. Door als professionals in te spelen op zowel de motivatie van ouders als specifieke structurele voedingspraktijken kan overgewicht bij kinderen hopelijk effectiever worden voorkomen.

Deze blog werd geschreven door Junilla Larsen voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

Vaughn, A. E., Ward, D. S., Fisher, J. O., Faith, M. S., Hughes, S. O., Kremers, S. P., Musher-Eizenman, D. R., O’Connor, T. M., Patrick, H., & Power, T. G. (2016). Fundamental constructs in food parenting practices: a content map to guide future research. Nutrition Reviews, 74, 98-117.

Larsen, J. K., Hermans, R. C. J., Sleddens, E. F. C., Vink, J. M., Kremers, S. P. J., Ruiter, E. L. M., Fisher, J. O. (2018). How to bridge the intention-behavior gap in food parenting: Automatic constructs and underlying techniques. Appetite, 123, 191–200.

 

Proost…op de gezondheid?!

 Rode wijn is goed voor je hart en doorbloeding en ‘Alcohol verlaagt het risico op Diabetes. Dit soort uitspraken zijn onderdeel van de discussie naar hoe gezond alcohol is. Kan het echt zo zijn dat een middel dat giftig is voor je lichaam, ook goed voor je kan zijn? De onderzoeken naar hoe alcohol gezond voor je kan zijn, wekten mijn interesse. Is dit niet gewoon een manier om als mens je alcoholgebruik te kunnen rechtvaardigen? Ooit waren we immers ook van mening dat roken gezond voor je was, nicotine zou onder andere helpen tegen schurft en verkoudheid.

Al jaren bestaan er alcohol richtlijnen, een limiet die aangeeft met hoeveel glazen alcohol je goed bezig bent. Opvallend genoeg verschillen deze richtlijnen per land. Zo is 196 gram per week (ongeveer 19 glazen) de lat voor een Amerikaan, Canadees of Zweed, waar een Italiaan, Portugees, of Spanjaard twee keer zoveel mag drinken zonder gezondheidsrisico’s. En tot mijn verbazing horen de relatief zwaar drinkende Engelsen zich eigenlijk te houden aan de helft daarvan. In Nederland werd in 2015 de nieuwe richtlijn strak ingezet op maximaal 1 alcoholische glas per dag1.

Proost

Vorige maand verscheen er een artikel waarin 83 studies en daarmee 599.912 drinkers werden vergeleken, op zoek naar de limiet voor risicovol drinken2. Uit dit onderzoek kwam dat drinkers die tot 100 gram alcohol per week dronken (tot ongeveer 10 drankjes), de minste gezondheidsrisico’s hadden. Wanneer er werd gekeken naar cardio-vasculaire ziektes, vonden ze dat meer alcohol drinken de risico’s op hartfalen, hypertensieve aandoeningen en fataal aortisch aneurysma vergrootte. Een kleine hoeveelheid alcohol verkleinde de risico’s op een niet-dodelijke hartaanval. De auteurs benadrukken dat hoewel gematigd alcohol gebruik dus positief effect had op deze heel specifieke ziekte, er altijd hogere risico’s zijn voor andere ziektes bij elke vorm van alcohol gebruik, en ook een kortere levensverwachting!

Vooral buiten Nederland, waar de richtlijnen hoger liggen, zorgt dit artikel voor veel tegenreacties in de media. In Nederland lijkt men vooral blij te zijn met de bevestiging en bewijs dat de huidige richtlijn goed is. Ondanks dat, voldeed in 2017 maar 40.1% van de mensen aan deze norm van maximaal 1 glas alcohol per dag3 , en vinden we het dus blijkbaar moeilijk ons eraan te houden.

Drinken is vooral gezellig … we kunnen maar maximaal 1x per avond proosten op onze gezondheid.

Deze blog is geschreven door Martine Groefsema voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties:
1Richtlijnen goede voeding:
https://www.gezondheidsraad.nl/sites/default/files/201524_richtlijnen_goede_voeding_2015.pdf
2Artikel Lancet:
https://www.thelancet.com/journals/lancet/article/PIIS0140-6736(18)30134-X/fulltext
3Gezondheidsenquete/Leefstijlmonitor CBS i.s.m. RIVM en Trimbos-instituut, 2017: https://www.trimbos.nl/kerncijfers/nationale-drug-monitor

 

Verslaving een hersenziekte? Hoe denken we daar ruim 20 jaar later over?

In 1997 verschijnt een invloedrijk wetenschappelijk artikel in het toonaangevende wetenschappelijke tijdschrift Science getiteld ‘Addiction is a Brain Disease, and it Matters’1. In dit artikel worden  verschillen in het brein tussen verslaafden en niet-verslaafden beschreven. Deze verschillen vormen het kernargument om verslaving te definiëren als een chronische hersenziekte. Lange tijd is dit de dominante visie in de wetenschap en wordt er veel geld vrijgemaakt voor hersenonderzoek. Ruim 20 jaar later is dit debat nog actueel. Hoe staan verschillende wetenschappers hier nu in?

Afgelopen januari ontving Nora Volkow, een prominente hersenwetenschapper en directeur van het National Institute of Drug Abuse uit de USA, een eredoctoraat aan de Universiteit van Amsterdam. Dit was de aanleiding voor een debat over de vraag of verslaving gezien kan worden als een hersenziekte. Nora Volkow nam het op tegen Marc Lewis, hersenwetenschapper, ex-verslaafde én auteur van verschillende toegankelijke boeken over verslaving en het brein2. Het werd een enerverende avond in een tot de nok toe gevulde zaal in de Openbare Bibliotheek Amsterdam.

Volkow Lewis addiction disease.png

Marc Lewis and Nora Volkow presenteren hun opvattingen over verslaving als een hersenziekte in de Openbare Bibliotheek Amsterdam in januari 2018.

De argumenten vlogen over en weer. Hieronder de argumenten van beide op een rij.

Belangrijkste argumenten Nora Volkow voor de stelling dat verslaving een hersenziekte is:

  • Er zijn verschillen in het brein tussen verslaafden en niet verslaafden.
  • Verslavende middelen hebben een effect op het brein.
  • Verslaving is dus niet het gevolg van een zwakke wil, het hersenziekte model helpt stigmatisering te voorkomen.
  • Verslaving is een ernstige chronische conditie en daarom is het belangrijk verslaving als een ziekte te erkennen.

Belangrijkste argumenten Marc Lewis tegen de stelling dat verslaving een hersenziekte is:

  • Verschillen in het brein staan niet gelijk aan afwijkingen of ziekte.
  • Niet alleen verslavende middelen beïnvloeden ons brein, maar bijvoorbeeld ook verliefd zijn en veel andere soorten gedragingen.
  • Verslaving kan beter gezien worden vanuit een ontwikkeling- en leerperspectief.
  • Verslaving is geen chronische conditie; een deel van de verslaafden komt ook zonder behandeling van de verslaving af.
  • Verslaving als hersenziekte is net zo goed stigmatiserend als het oude idee dat verslaving voortkomt uit een zwakke wil.
  • Verslaving als chronische hersenziekte maakt verslaafden hulpeloos en afhankelijk van medische behandeling.
  • Het hersenziekte model van verslaving zorgt ervoor dat andere invloeden op verslaving, zoals belangrijke sociale invloeden, onderbelicht blijven.

De grote vraag is nu natuurlijk wat hiervan te vinden, als twee prominente wetenschappers het ogenschijnlijk oneens zijn. Een genuanceerde en pragmatische visie over deze stelling is denk ik de juiste oplossing. Het brein van verslaafden functioneert anders dan dat van niet verslaafden, wat mij betreft geeft dat niet noodzakelijk aan dat verslaving een ziekte is. In zoverre ben ik het met Marc Lewis eens. Deze verschillen in het brein geven ons wel belangrijke inzichten in waarom het zo moeilijk is om verslavingsgedrag te veranderen. Ook ben ik het eens met Marc Lewis eens dat de focus op verslaving als hersenziekte er voor gezorgd heeft dat andere invloeden, zoals de sociale invloeden, onderbelicht zijn gebleven. In een recente Blog geeft Nora Volkow zelf ook aan dat deze invloeden belangrijk zijn en meegenomen moeten worden.3 Ik ben het tenslotte wel met Nora Volkow eens dat het, binnen ons huidige zorgstelsel, belangrijk is verslaving als ziekte te definiëren om behandeling aan te kunnen bieden. Dit is de werkelijkheid waarin we ons bevinden en om die reden is het wat mij betreft in het voordeel van de verslaafden om dit complexe gedrag, dat inderdaad invloed heeft én tegelijkertijd het gevolg is van het functioneren van ons brein, als een ziekte te beschouwen.

Deze blog is geschreven door Maartje Luijten voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties:

  1. Leshner, AI. (1997). Addiction is a Brain Disease, and it Matters, Science, 278(5335), 45-47.
  2. Lewis, M. (2015). The biology of desire, why addiction is not a disease. PublicAffairs, New-York.
  3. Volkow, N. (2018). What does it mean when we call addiction a brain disorder? National Institute of Drug Abuse.

Hoe genen ons iets kunnen vertellen over de gevolgen van roken

Wie de RAD-blogs al wat langer volgt weet inmiddels dat verslavend gedrag voor een deel genetisch bepaald is. Een goed voorbeeld hiervan is rookgedrag. Het is keer op keer aangetoond dat het aantal sigaretten dat iemand rookt sterk wordt beïnvloed door genetische factoren. Wetenschappers hebben hier inmiddels ook specifieke genen voor gevonden. Het belangrijkste gen is een gen wat bepaalt hoe gevoelig je bent voor de effecten van nicotine. Mensen met variant T van dit gen roken meer sigaretten dan mensen met variant C. Dit soort informatie is nuttig, omdat het ons meer vertelt over de biologische invloeden op roken, en mogelijk hoe we mensen beter kunnen helpen om te stoppen met roken.

genen en dna

Maar het vinden van dit ‘rook-gen’ heeft ook nog een ander groot voordeel. We kunnen deze informatie namelijk gebruiken om te testen welke (negatieve) invloeden roken heeft op de gezondheid. Uit eerder onderzoek weten we dat er een sterk verband is tussen roken en psychische problemen zoals depressie, schizofrenie en slapeloosheid, maar we weten niet precies hoe dit komt. Een mogelijke verklaring is dat roken deze psychische problemen veroorzaakt of versterkt. Nu zouden we natuurlijk aan mensen kunnen vragen hoeveel ze roken en of ze een van deze aandoeningen hebben. Als we er op tijd bij zijn (voordat ze beginnen met roken) en als we ze lang genoeg volgen, zouden we dan kunnen testen of roken tot deze problemen leidt. Het lastige is alleen dat roken ook met heel veel ander ongezond gedrag samenhangt, zoals het drinken van veel alcohol of het gebruiken van drugs. Daarnaast hebben rokers gemiddeld een lager opleidingsniveau en ervaren ze meer stressvolle levensomstandigheden. Dus zelfs als je het hiervoor genoemde plan uitvoert, is het moeilijk te zeggen of een gevonden verband nou echt door roken komt, of door een van die andere factoren.

Om dit probleem op te lossen, kunnen we het rook-gen gebruiken. Welke variant je van het rook-gen hebt wordt bepaald tijdens de conceptie en dit hangt dus niet samen met latere factoren van levensstijl, zoals alcohol of drugs-gebruik, opleidingsniveau of stressniveau. Dit maakt het rookgen een perfect ‘instrument’ om te testen welke effecten roken heeft op de gezondheid. Denk maar eens aan roken en longkanker. Mensen die de variant van het rookgen dragen welke geassocieerd is met meer roken (variant T), zullen gemiddeld genomen vaker longkanker ontwikkelen. Dat komt niet omdat het gen zelf longkanker veroorzaakt, maar omdat deze mensen meer sigaretten roken (en de sigaretten veroorzaken wel longkanker). Het is natuurlijk al onomstotelijk bewezen dat roken longkanker veroorzaakt, maar of roken psychische problemen veroorzaakt is nog lang niet zo duidelijk.

psychologie onderzoek

Inmiddels hebben al meerdere studies de bovengenoemde methode gebruikt om te onderzoeken of roken een negatief effect heeft op de psychische gezondheid. In deze studies worden mensen met variant T van het rookgen vergeleken met mensen met variant C. Als de mensen met variant T (die dus gemiddeld meer sigaretten roken) vaker psychische problemen hebben dan mensen met variant C, suggereert dit dat roken deze problemen veroorzaakt. Er zijn al een aantal interessante resultaten naar voren gekomen. Zo lijkt het er op dat het roken van sigaretten geen effect heeft hebben op het ontwikkelen van een depressie1 maar wel de kans verhoogt op het ontwikkelen van schizofrenie2. Zelf ben ik momenteel werkzaam aan de Universiteit van Bristol in Engeland, waar ik onder andere onderzoek doe naar de relatie tussen roken en slapeloosheid. Ik heb aanwijzingen gevonden dat roken ook van invloed is op slaapgedrag3. Het roken van sigaretten lijkt een effect te hebben op het slaap-waakritme. Hoe meer je rookt hoe groter de kans dat je langer wakker blijft en je meer moeite hebt om (vroeg) op te staan. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat de nicotine die in sigarettenrook zit een stimulerend effect heeft en mensen allerter maakt en ze daardoor langer wakker blijven.

Het type onderzoek dat in deze blog wordt beschreven is het nieuwste van het nieuwste, en nog vollop in ontwikkeling. Hoe meer we te weten komen over de genen die rookgedrag beïnvloeden, hoe beter we met die informatie kunnen testen wat de gevolgen van roken zijn voor de psychische gezondheid. Ik verwacht dan ook dat dit soort studies in de komende jaren steeds meer en beter zullen worden uitgevoerd, wat ons een steeds completer beeld zal geven van de gevolgen van roken.

Deze blog is geschreven door Jorien Treur voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

  1. Taylor, A. E. et al. Investigating the possible causal association of smoking with depression and anxiety using Mendelian randomisation meta-analysis: the CARTA consortium. BMJ Open 4, e006141 (2014).
  2. Wium-Andersen, M. K., Orsted, D. D. & Nordestgaard, B. G. Tobacco smoking is causally associated with antipsychotic medication use and schizophrenia, but not with antidepressant medication use or depression. Int. J. Epidemiol. 44, 566–577 (2015).
  3. Gibson, M., Munafo, M. R., Taylor, A. & Treur, J. L. Evidence for genetic correlations and bidirectional, causal effects between smoking and sleep behaviours. bioRxiv 258384 (2018). doi:10.1101/258384

Pistepils in winterwonderland

Eindelijk, het is weer zover! Tijd voor de wintersportvakantie waar je al zo lang naar uitkijkt. Dik ingepakt van de witte bergen naar beneden suizen. Met daarbij de koude berglucht, kenmerkende dennenbossen en overvolle pistes. En tijdens de koffiepauze worden door sommigen al de eerste goudgele rakkers genuttigd. Met alcohol de weg op is uit den boze, maar wat zijn eigenlijk de regels op de piste waar we elkaar met gemiddeld 70 km/uur voorbij suizen?

Alcohol alps_feb18 (3).png

De internationale skifederatie (FIS) heeft tien pisteregels ingesteld1. De eerste twee regels “Ik breng anderen niet in gevaar” en “Ik heb controle over mijn snelheid” beschrijven impliciet dat je niet in beschonken toestand de piste mag betreden. Met alcohol op is complete beheersing immers niet meer mogelijk, ook niet op wintersport. Gevoelsmatig gaat men na een biertje een stuk beter skiën of snowboarden, omdat alcohol ons zelfverzekerder maakt. Echter, alcohol verstoort je motoriek, vermindert je reactievermogen en zorgt ervoor dat je minder ziet en hoort. Ben je dan nog bekwaam genoeg om verschillende situaties op de piste in te schatten en hier snel naar te kunnen handelen?!

Australische onderzoekers deden navraag naar de risicoperceptie van wintersporters op de piste en in het verkeer2. De resultaten van verschillende stellingen:

  • 75% van de ondervraagden was het eens met de stelling “Alcoholgebruik beïnvloed mijn bekwaamheid om veilig te skiën/snowboarden
  • 83% van de ondervraagden was het eens met de stelling “Alcoholgebruik beïnvloed de bekwaamheid van anderen om veilig te skiën/snowboarden
  • 90% van de ondervraagden was het eens met de stelling “Alcoholgebruik beïnvloed mijn bekwaamheid om veilig deel te nemen aan het verkeer
  • 93% van de ondervraagden was het eens met de stelling “Alcoholgebruik beïnvloed de bekwaamheid van anderen om veilig deel te nemen aan het verkeer

De wintersporters schatten het risico op een ongeval bij alcoholgebruik op de piste dus lager in dan bij alcoholgebruik in het verkeer. En daarnaast achten de wintersporters zichzelf bekwamer bij alcoholgebruik op de piste of in het verkeer dan mede piste- of weggebruikers. Het is niets nieuws dat ons zelfvertrouwen groter is dan het vertrouwen in de anderen om ons heen. Als we deze eigen zelfzekerheid combineren met het zelfverzekerende effect van alcohol dan voelen we ons meesterskiërs/snowboarders. Gevaarlijk, als je het mij vraagt, want hierdoor neemt de kans op een ongeluk substantieel toe.

Van de duizenden ongelukken die jaarlijks plaatsvinden op de piste, is bij één op de vijf ongelukken alcohol in het spel. Deze ongelukken vinden veelal plaats na de middagmaaltijd, waarbij een “pilsje” is genuttigd3. Let wel: hier in Nederland bevat een pilsje gemiddeld 0,25 liter bier, maar op het terras van de “gemütliche” berghut is het dubbele de standaard (0,50 liter). Ter vergelijking; voor ervaren bestuurders is het verboden om na deze hoeveelheid, die overeenkomt met bloedalcoholgehalte van 0,5 promille, deel te nemen aan het verkeer.

Airbags of gordels zijn op de piste niet voorhanden, daarom wordt in sommige skigebieden de bergpolitie ingezet om alcoholgebruik te bestrijden. In Canada glijden deze agenten compleet bewapend en in politie outfit de piste af, actief op zoek naar beschonken wintersporters. Word je na de blaastest betrapt op een te hoog bloedalcoholgehalte dan volgt een fikse boete. Is het een idee om bij een negatieve blaastest ‘WOW’ caps voor op je skihelm uit te delen? Zo kunnen andere wintersporters al van veraf zien dat jij een ‘Weloverwogen Onbeschonken Wintersporter’ bent! Een dergelijke campagne heeft haar effectiviteit in het verkeer bewezen4. Maar voordat het zover is, beveel ik iedere wintersporter deze volgorde aan: eerst skiën, dan lekker après-skiën en terug naar je hotel of chalet, om de volgende dag weer fris en fruitig op de piste te verschijnen!

Deze blog is geschreven door Pauline Geuijen (Radboud UMC/NISPA) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

  1. Snowplaza (2017). Stelling: het is hoog tijd voor piste-politie. Op 26 februari 2018 verkregen via https://www.snowplaza.nl/weblog/11282-hoog-tijd-voor-piste-politie/.
  2. Sherker, S., Finch, C., Kehoe, E. J., & Doverty, M (2006). Drunk, drowsy, doped: skiers’ and snowboarders’ injury risk perceptions regarding alcohol, fatigue and recreational drug use. International Journal of Injury Control and Safety Promotion, 13(3), 151-157.
  3. Gaudio, R.M., Barbieri, S., Feltracco, P., Spaziani, F., Alberti, M., Delantone M, … & Avato, F.M. (2010). Impact of alcohol consumption on winter sports-related injuries. Medicine, Science and the Law, 50(3),122-125.
  4. Stichting Verantwoorde Alcoholconsumptie (2013). Factsheet alcohol en verkeer. Op 26 februari 2018 verkregen via http://stiva.nl/wp-content/uploads/downloads/2013/01/STIVA_factsheet-alcohol-en-verkeer_DEF-jan13.pdf.

Gezondheid van kinderen: zaak van ouders of de school?

Geen cola, geen energiedrankjes, en zelfs geen limonade meer. Kinderen op steeds meer scholen door het hele land mogen alleen nog maar gezonde producten, zoals water, drinken. Ook de regels over eten worden vaak aangescherpt. Zo worden op veel scholen zakken chips in de aula niet meer getolereerd. Scholen proberen op deze manier kinderen zo gezond mogelijk te houden. Hier zijn echter duidelijk niet alle ouders het mee eens, met de uitspraak “water is voor honden” als één van de meest bekende reacties. Deze kwestie maakt duidelijk dat de meningen verdeeld zijn over de vraag wie zich mag “bemoeien” met het gezond opvoeden van onze nieuwe generatie.

Kinderen brengen een groot deel van hun tijd door op school. Als we willen dat ze gezonder leven, dan is het belangrijk dat zij ook op school gezond kunnen eten en drinken, vindt het Voedingscentrum. Een gezonde school is een plek waar kinderen door een gezond aanbod gemakkelijk een gezondere keuze kunnen maken. Kinderen kunnen hier bijvoorbeeld kiezen uit verschillende bruine broodjes, en er is gemakkelijk groente, fruit en water te verkrijgen. Door volop gezonde producten aan te bieden in de kantine, krijgen kinderen een zogenaamd duwtje in de goede richting. En veel ouders vinden dit een goede zaak. Uit een recent onderzoek onder ruim duizend ouders van kinderen tussen de 8 en de 16 jaar blijkt dat een ruime meerderheid ouders (62%) vindt dat school- en sportkantines zo moeten worden ingericht dat kinderen eerder geneigd zijn om een gezonde keuze te maken [1].

Foto: een kantine van Markies Catering

Een deel van de ouders gaat zelfs nog verder; zij zijn van mening dat een gezond aanbod zelfs zou moeten gelden in de supermarkt (zegt 53% van de ouders) of op straat (zegt 48% van de ouders) [1]. Echter, een ruime meerderheid van de ouders (82%) laat weten dat ze het voornamelijk hun eigen verantwoordelijk vinden om hun kinderen te leren hoe ze verstandig en gezond moeten eten en drinken. Wettelijk gezien zijn ouders op de eerste plaats verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen. Ondanks dat de meerderheid van de ouders voorstander is voor het creëren van een gezondere voedingsomgeving, lijkt het erop dat de specifieke regels voor het juist wel of niet consumeren van bepaald voedsel door ouders onder hun eigen verantwoordelijkheid wordt geschaard. Mogelijk ontstaat er dus weerstand op het moment dat scholen precies bepalen wat er wel en niet tijdens schooltijd gegeten en gedronken mag worden.

Het is moeilijk om te bepalen in hoeverre scholen zich mogen “bemoeien” met het gezond opvoeden van kinderen, zeker omdat ouders verschillen in waar zij vinden dat die grens zou moeten liggen. In de toekomst zullen we samen na moeten denken over hoe we alle ouders kunnen betrekken en voorstander kunnen maken van initiatieven om de (school)omgeving van kinderen gezonder te maken. Waarschijnlijk ligt de oplossing in het samenwerken tussen scholen en ouders, om samen tot oplossingen te komen die aansluiten bij de behoeften van mensen die deze oplossingen nu juist het meest nodig hebben. Het lijkt er immers op dat het simpel opleggen van “van bovenaf” bedachte regels niet werkt en voor weerstand zorgt. Scholen kunnen hierin het initiatief nemen door te overleggen met de ouderraad, door informatieavonden te organiseren voor ouders en/of leerlingen, of door hen middels een enquête om advies te vragen. Tegenwoordig zouden ook sociale media gemakkelijk kunnen worden ingezet worden om deze communicatie tussen school en ouders te vergemakkelijken.

Deze blog is geschreven door Nina van den Broek (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

  1. Voedingscentrum (2018). Quickscan voedselvaardigheid. Verkregen via het Voedingscentrum.

Personalized care: Oude wijn in nieuwe zakken?

In zorg en behandeling wordt voortdurend gesproken over evidence-based werken. Wat bedoelen we daar eigenlijk mee? Het betekent eigenlijk dat behandelaren en therapeuten niet zomaar wat aan mogen klungelen, maar dat behandelingen en interventies die worden ingezet gebaseerd zijn op de best beschikbare informatie over effectiviteit. De effectiviteit van behandelingen wordt doorgaans getest met Randomized Controlled Trials (RCT’s). Dit soort trials kennen de nodige voorwaarden en eisen.

Nadat er eeuwenlang voornamelijk onderzoek werd gedaan met gevalsbeschrijvingen kwam er aan het einde van de negentiende eeuw een ontwikkeling op gang van onderzoek waarin de effectiviteit van een behandeling getest werd middels een experimentele en een controlegroep. Deelnemers werden toegewezen aan één van beide groepen, gebaseerd op randomisatie (ofwel de systematische toepassing van het toeval). Het duurde echter nog tot 1948 totdat de brede introductie van de RCT kwam in 1948, toen het prestigieuze British Medical Journal voor het eerst een verslag van een gerandomiseerd en gecontroleerd experiment publiceerde, gericht op de behandeling van longtuberculose met streptomycine1.

De introductie van de RCT betekende een reuzensprong voor de geneeskunde. Tegenwoordig geldt de RCT nog steeds als de gouden standaard voor medisch- en sociaal wetenschappelijke bewijsvoering. Toch is er iets aan het veranderen. Bij een RCT wordt de effectiviteit van een behandeling bepaald aan de hand van de gemiddelden van de groep die de behandeling ondergaat versus de gemiddelden van mensen in de controlegroep. Maar doen die groepsgemiddelden wel recht aan de individuele verschillen die bestaan? Met andere woorden, is deze methode wel geschikt voor populaties die zich kenmerken door een hoge mate van heterogeniteit? En als dat niet zo is, wat dan?

Jarenlang coördineerde ik een cursus op de Radboud Universiteit gericht op verslaving, waarbij ook ervaringsdeskundigen hun verhaal deden. De ene keer was het een jongen die als gevolg van zijn ADHD en ongecontroleerde zelfcontrole ten prooi was gevallen aan verslavende middelen en inmiddels van alles gebruikt had (met de nodige gevolgen op meerdere fronten). Een andere keer was het een dame van middelbare leeftijd met een goede baan die merkte dat ze niet meer kon zonder alcohol in de avond, en het tijdstip van het eerste drankje op de dag steeds verder vervroegde. Weer een ander keer kwam er een jongen met een licht verstandelijke beperking vertellen hoe hij verkeerde vrienden had gehad en daardoor in aanraking was gekomen met cocaïne en als gevolg daarvan in problemen was gekomen. Altijd waren er factoren in beeld die we kennen uit de literatuur, maar vaak was de samenstelling van die factoren anders. Verslaving wordt door ontzettend veel factoren voorspeld (e.g., impulscontrole, hechting of opvoeding zonder controle en monitoring, middelengebruik van ouders en vrienden, ernstige levensgebeurtenissen). Daarnaast gaat een verslaving vaak hand in hand met andere psychiatrische aandoeningen. Afijn, verslaving lijkt een fenomeen waarbij een RCT niet altijd de meest voordehandliggende methode van onderzoek is: er bestaat niet één groep met een verslaving, en de individuele verschillen zijn erg groot.

Om meer recht te doen aan de heterogeniteit binnen de groep van mensen met een verslaving wordt in toenemende mate onderzoek uitgevoerd met behulp van designs die uitgaan van een gepersonaliseerde aanpak, zogenaamde single-case experimenten. Ook in andere onderzoeksvelden en internationaal worden deze studies steeds populairder (Tabel 1 laat de toename zien in het aantal publicaties met single-case studies).

Tabel 1

single case publications

Kenmerkend voor single-case studies is dat de toestand van één cliënt op verschillende momenten wordt beschreven: vóór de interventie, tijdens de interventie en na de interventie. Vaak vinden metingen frequent plaats, zodat het verloop van de veranderingen als gevolg van de interventie goed is te zien. Waar aanvullende informatie nodig is zijn er meerdere varianten denkbaar. Een herhaalde of meervoudige case study kan in dat geval een krachtig bewijs leveren voor de effectiviteit.

Maar betekent dit nu dat we terug gaan naar de oude gevalsbeschrijvingen van voor de RCT, en is de nieuwe ontwikkeling richting meer single-case studies een tijdelijke opleving? Alles wijst er op dat dit niet zo is en dat de vernieuwde single-case studies ‘are here to stay’! Zo is er overeenstemming over hoe er gerapporteerd moet worden over single-case studies en zijn er richtlijnen en standaarden ontwikkeld2. Daarnaast zijn er nu ook methodes en technieken beschikbaar die het mogelijk maken om zeer geavanceerde analyses uit te voeren. Tenslotte sluit deze beweging nauw aan bij de behoefte om onderzoek en praktijk aan elkaar te verbinden. Nee, het gaat dus niet om oude wijn in nieuwe zakken; het gaat om een bewustzijn dat er een alternatief bestaat op de meer traditionele RCT, wat uiteindelijk gaat bijdragen aan betere zorg, ook voor mensen met een verslaving.

Deze blog is geschreven door Roy Otten (Pluryn/ Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

1. Medical Research Council. Streptomycin treatment of pulmonary tuberculosis: a Medical Research Council Investigation. BMJ. 1948;ii:769-82.

2. Gagnier JJ, Kienle G, Altman DG, Moher D, Sox H, Riley D, CARE Group. The CARE Guidelines: Consensus-based Clinical Case Reporting Guideline Development. Glob Adv Health Med. 2013 Sep;2(5):38-43. doi: 10.7453/gahmj.2013.008. PMID: 2441669

Dik na december?

De oplettende lezer heeft het misschien al opgemerkt: de D in RAD staat sinds kort ook voor Dieet. Naast de onderwerpen roken, alcohol en drugs zullen we vanaf nu ook geregeld het thema voeding aansnijden op de RAD-blog. Aan mij de eer om dit thema te introduceren, wat met de decembermaand in het vizier geen ongunstige timing is. Want als er iets belangrijk is in december, dan is het gezelligheid, vrienden en familie, maar vooral … lekker eten.

Festive foods

Een paar handjes pepernoten rond Sinterklaas, een lopend buffet met Kerst en een aantal oliebollen tijdens Oud & Nieuw. Dat kan geen kwaad, zou je denken. Toch komen volwassenen in december gemiddeld 0.5 tot één kilo aan 1. Hoewel de verklarende mechanismen die aan deze gewichtstoename ten grondslag liggen nog niet wetenschappelijk zijn onderzocht, kunnen we er allemaal wel een aantal redenen voor bedenken. De chocoladeletters en kerstkransjes liggen al weken van tevoren in de schappen, waardoor het feestelijk snacken zich vaak niet beperkt tot de vier ‘echte’ feestdagen. Mede onder het mom van goede voornemens voor het nieuwe jaar is december al snel een vrijbrief om nog even lekker te genieten. Het sociale karakter van de feestdagen werkt ook niet echt bevorderend, aangezien we in sociale situaties vaak meer eten 2. En dan is het ook nog guur en koud, dus in plaats van een rondje hardlopen kruipen we op de bank met een grote kop warme chocomelk. Kortom: in december eten we te veel en bewegen we te weinig.

De onbalans in energie-inname en energieverbruik is de kern van wat uiteindelijk leidt tot overgewicht en obesitas. Hoewel het onwaarschijnlijk is dat je in de maand december acuut overgewicht ontwikkelt, is het niet geheel onbelangrijk om te letten op wat en hoeveel je eet. Bijna de helft (49,2%) van de Nederlandse volwassenen is namelijk te zwaar en 14,2% heeft obesitas. Bij kinderen is dit respectievelijk 13,6% en 2,7%3. Overigens is het nog onduidelijk of de december-gerelateerde gewichtstoename ook te zien is bij kinderen. Onder deze leeftijdsgroep zijn nog te weinig studies gedaan om hier uitspraken over te kunnen doen. De enige studie bij deze leeftijdsgroep toonde aan dat kinderen tijdens de feestdagen wel iets aankwamen maar dat zij ook iets groeiden, met als gevolg dat hun BMI (kg/m2) onveranderd bleef 4. Betekent dit dat kinderen zich onbeperkt te goed kunnen doen aan al het decemberlekkers, omdat ze toch nog aan het groeien zijn? Nee, zeker niet. De basis voor de ontwikkeling van een gezond gewicht ligt al vroeg in de kindertijd. Overgewicht op jonge leeftijd is een belangrijke voorspeller voor het hebben van overgewicht in de volwassenheid 5. Aangezien het ‘genezen’ van overgewicht als het zich eenmaal heeft ontwikkeld lastig is, heeft preventie de voorkeur. Daarnaast kunnen gezonde gewoontes het beste zo vroeg mogelijk worden aangeleerd aangezien het gedrag van jonge kinderen nog eenvoudig te vormen is. Interventies gericht op de preventie van overgewicht en obesitas kunnen zich daarom het best richten op de eerste levensjaren.

Vanuit deze visie hebben we op de Radboud Universiteit de interventie ‘Samen Happie!’ ontwikkeld, waarin we overgewicht zo vroeg mogelijk proberen te voorkomen door gezonde opvoeding van ouders van jonge kinderen te stimuleren. In de interventie gebruiken we een app waarmee we ouders informatie geven over hoe zij gezonde opvoedingspraktijken toe kunnen passen (dat wil zeggen, het stimuleren van structuur en positieve support en het voorkomen van dwangmatige controle 6) en waarmee we hen ook daadwerkelijk met deze gezonde opvoedingspraktijken kunnen laten oefenen. Met de interventie richten we ons voornamelijk op kwetsbare families (die problemen ervaren op het gebied van financiën, opleiding en/of welzijn), gegeven dat Nederlandse kinderen uit deze gezinnen vier keer vaker overgewicht hebben dan kinderen uit meer welvarende families5. We zijn nog op zoek naar kwetsbare families (ouders met een kindje tussen de 7 en 11 maanden oud) die mee willen doen aan onze interventie. Ken jij kwetsbare families die mee zouden willen doen of kom je vaak (via je werk) in aanraking met deze gezinnen? Dan zou het geweldig zijn als je contact met ons opneemt via samenhappie@ru.nl!

Tot slot enkele tips om die extra decemberkilo dit jaar te voorkomen.

  • Geniet van de gezelligheid en het lekkere eten dat bij december hoort, maar beperk dit tot de vier échte feestdagen.
  • Haal de feestelijke verleidingen die al weken van tevoren in de supermarkt liggen niet te vroeg in huis, dan kom je ook niet in de verleiding om ze alvast op te gaan eten.
  • Blijf ondanks de kou genoeg bewegen, bijvoorbeeld door vaker een avondwandelingetje te maken of te gaan schaatsen.
  • Speciaal voor ouders: Google eens op ‘healthy Christmas snacks’ voor de leukste gezonde kersttraktaties voor de kleintjes!

Healthy Christmas snacks

Deze blog is geschreven door Levie Karssen (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

  1. Díaz-Zavala, R. G., Castro-Cantú, M. F., Valencia, M. E., Álvarez-Hernández, G., Haby, M. M., & Esparza-Romero, J. (2017). Effect of the holiday season on weight gain: A narrative review. Journal of Obesity. DOI: 10.1155/2017/2085136
  2. Cruwys, T., Bevelander, K. E., & Hermans, R. C. (2015). Social modeling of eating: A review of when and why social influence affects food intake and choice. Appetite86, 3-18.
  3. CBS (2016). Overgewicht: Cijfers en context. Op 17 november 2017 verkregen via https://www.volksgezondheidenzorg.info/onderwerp/overgewicht/cijfers-context/huidige-situatie
  4. Branscum, P.W., Kaya, G., Succop, P., & Sharma, M. (2010). An evaluation of holiday weight gain among elementary-aged children. Journal of Clinical Medicine Research, 2(4), 167–171.
  5. WHO (2010). Childhood overweight and obesity. Op 20 november 2017 verkregen via http://www.who.int/dietphysicalactivity/childhood/en
  6. Vaughn, A. E., Ward, D. S., Fisher, J. O., Faith, M. S., Hughes, S. O., Kremers, S. P., … & Power, T. G (2016). Fundamental constructs in food parenting practices: A content map to guide future research. Nutrition Reviews, 74, 98–117.

Middelengebruik onder kwetsbare groepen: complexiteit van problemen maakt aanpak lastig

“Het gaat op alle fronten erg goed met Nederlandse jongeren,” concludeerde het CBS eind 2016 op basis van de Jeugdmonitor (CBS, 2016). De jeugd rookt minder, gaat langer naar school en is minder crimineel. Het Peilstationsonderzoek van het Trimbos-instituut waarin gekeken wordt naar middelengebruik onder de Nederlandse Jeugd bevestigde het positieve beeld: ´tussen 2011 en 2015 is het percentage scholieren van 12 tot en met 16 jaar dat ooit alcohol of tabak heeft gebruikt fors gedaald.’ Er werd zelfs voor het eerst ook bij 16-jarigen minder alcoholgebruik, dronkenschap en binge drinken waargenomen (Van Dorsselaer et al., 2016).

Er is echter niet alleen goed nieuws. Voor alle middelen zijn er behoorlijke verschillen tussen scholieren van het VMBO en VWO. Zo rookt 7% van jongeren van VMBO-beroepsgerichte leerweg dagelijks tegenover slechts 1% op het VWO. Hetzelfde patroon doet zich voor bij drinken: 12% van de drinkende VMBO-ers (beroepsgerichte leerweg) drinkt meer dan 20 glazen in een weekend tegenover 4% van de drinkende VWO-ers.

Ondanks dat het over het algemeen goed gaat met de Nederlandse Jeugd, zien we meer en meer dat risicovol gedrag, zoals middelengebruik zich clustert in bepaalde groepen. Kwetsbare groepen voor overmatig middelengebruik zijn naast jongeren op het VMBO bijvoorbeeld ook jongeren in het speciaal onderwijs en jongeren in de residentiële jeugdzorg. Er zijn signalen dat er in deze groepen meer gerookt, gedronken en geblowd wordt. Maar hoeveel meer jongeren in het speciaal onderwijs en de residentiële jeugdzorg middelen gebruiken weten we niet precies omdat onder deze twee groepen al bijna 10 jaar geen representatief onderzoek meer gedaan is. Het meest recent is het EXPLORE onderzoek uit 2008 (Kepper et al., 2010).

roken alcohol drugs Kwetsbare Groepen

Ook interveniëren in het middelengebruik van jongeren in het speciaal onderwijs en de residentiële jeugdzorg is moeilijker omdat ze vaak complexe risicoprofielen hebben. Er zijn wel een paar interventieprogramma’s die zich specifiek richten op kwetsbare jongeren, maar de effecten hiervan zijn vaak niet of niet goed onderzocht, en waar ze wel onderzocht zijn  werken ze voornamelijk op de korte termijn. Een mogelijke reden waarom interventieprogramma’s in deze groepen niet goed werken kan te maken hebben met de complexiteit van de doelgroep en de problemen waar ze mee te maken hebben. Maar ook dat er binnen deze groepen vaak al veel middelen gebruikt worden, waardoor het voor jongeren moeilijker is om zelf niet te gaan gebruiken of te stoppen met  gebruiken. Daarnaast is niet duidelijk of er altijd sprake van een actief beleid om middelen te ontmoedigen binnen het speciaal onderwijs of de residentiële jeugdzorg.

Om tot een goede aanpak te komen voor kwetsbare groepen zijn een aantal stappen belangrijk:

  1. Het systematisch in kaart brengen van middelengebruik in kwetsbaren groepen jongeren om:
  • de aard en omvang van de problematiek helder in beeld te krijgen
  • zicht te krijgen op de belangrijkste risico en beschermende factoren voor middelengebruik in deze groepen;
  1. Het systematisch in kaart brengen van bestaand beleid omtrent middelengebruik in het speciaal onderwijs en de residentiële jeugdzorg om:
  • zicht te krijgen op welke beleidsmaatregelen er zijn en of deze effectief zijn
  • een beeld te krijgen of de omgeving adequaat is toegerust op het omgaan met gebruik en waar mogelijke verbeterpunten liggen;
  1. De verkregen informatie kan vervolgens gebruikt worden bij het vormgeven van effectief beleid en de inzet van interventies binnen het speciaal onderwijs en de residentiële jeugdzorg.

Alleen door (meer) te investeren in de kwetsbare groep jongeren is de conclusie te onderschrijven dat het alle fronten erg goed met Nederlandse jongeren. Anders is een disclaimer op zijn plaats.

Deze blog is geschreven door Marloes Kleinjan (Trimbos-instituut en Universiteit Utrecht) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol & drugs.

Referenties

CBS (2016). Jaarrapport landelijke Jeugdmonitor. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag.

Kepper, A., Monshouwer, K., Van Dorsselaer, S., & Vollebergh, W. (2011). Substance use by adolescents in special education and residential youth care institutions. European Child & Adolescent Psychiatry, 20(6), 311.

Van Dorsselaer, S., Tuithof, M., Verdurmen, J., Spit, M., Van Laar, M., & Monshouwer, K. (2016). Jeugd en riskant gedrag 2015, Kerngegevens uit het Peilstationsonderzoek Scholieren. Trimbos-instituut, Utrecht.