Categorie: blog

Voorkom overgewicht: Niet algemene opvoeding, maar voedingspraktijken gericht op structuur!

Steeds meer kinderen hebben overgewicht. De laatste jaren wordt steeds meer aandacht besteed aan de rol van ouders in het voorkomen van overgewicht bij kinderen. Dit is een goede ontwikkeling. Het gezegde “Jong geleerd is oud gedaan” speelt hier zeker een rol. Wij leven in een ongezonde omgeving waarin we continu blootgesteld worden aan snoep en snack. Ouders kunnen hun kinderen beschermen tegen deze ongezonde omgevingsinvloeden. Als zij thuis in staat zijn om een gezonde thuisomgeving te creëren waarin ze hun kinderen gezonde producten leren eten dan zal de kans vermoedelijk kleiner zijn dat kinderen overgewicht ontwikkelen. Het is daarom niet verwonderlijk dat de afgelopen jaren steeds meer wetenschappelijk onderzoek zich buigt over de vraag hoe ouders hun kinderen gezond kunnen opvoeden. In dit kader worden ook steeds meer artikelen gepubliceerd over de directe relatie tussen algemene opvoeding en overgewicht. Met algemene opvoeding wordt verwezen naar de algemene manier waarop ouders controle en warmte uitoefenen. Als ouders veel controle en weinig warmte uitoefenen worden ze bijvoorbeeld als autoritair bestempeld. Veel controle in combinatie met veel warmte (autoritatief) wordt beschouwd als de meest gunstige combinatie, ook in relatie tot overgewicht bij kinderen. In dit stuk wil ik graag allereerst bepleiten dat de directe relatie tussen algemene opvoeding en overgewicht bij kinderen minder interessant en vermoedelijk ook niet causaal van aard is.

Deze stelling is gebaseerd op twee opvallende patronen. Ten eerste zien we een toename in minder autoritaire en meer autoritatieve stijlen van opvoeden tijdens dezelfde periode waarin een toename van overgewicht bij kinderen zich voordoet. Als autoritatief opvoeden tot minder overgewicht leidt is het vreemd dat een toename in autoritatief opvoeden samenvalt met een toename in overgewicht. Ten tweede zien we dat de enkele onderzoeken die wel groepen met lage sociaal-economische status (SES) hebben betrokken grotendeels minder bewijs lijken te vinden voor de relatie tussen algemene opvoeding en overgewicht, terwijl juist bij lage SES overgewicht en ongunstige algemene opvoedstijlen meer voorkomen.

Foto 1

Vervolgens zou ik graag willen pleiten voor meer onderzoek naar specifieke voedingspraktijken die ouders uitoefenen, al dan niet in combinatie met algemene opvoeding. Voedingspraktijken zijn alle specifieke manieren waarop ouders het eetgedrag van hun kinderen op directe of indirecte wijze beïnvloeden. Ze worden ingedeeld in 3 soorten praktijken: Structuur, dwangmatige controle en autonomie ondersteuning1. Dwangmatige controle (bijvoorbeeld voedsel verbieden) wordt als ongunstig gezien, terwijl praktijken gericht op structuur en autonomie ondersteuning als gunstig worden beschouwd. Met name structuur is denk ik belangrijk in de preventie van overgewicht bij kinderen. Toekomstig onderzoek kan zich richten op de vraag hoe ouders structuur bieden en welke vormen nu gunstige effecten genereren bij verschillende kinderen en waarom dit het geval is.

Vaak zie je echter een gat tussen wat kwetsbare ouders (die zelf ongezond eten) zouden willen qua voedingspraktijken (bijvoorbeeld een gezonde maaltijd met veel verse groente maken) en wat ze uiteindelijk doen (bijvoorbeeld friet halen in plaats van een gezonde maaltijd bereiden). Hier kunnen experts op inspringen door ouders te ondersteunen met het aanleren van gezonde nieuwe voedingspraktijken en het wapenen tegen valkuilen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van veelbelovende specifieke technieken bekend uit de algemene gezondheidsliteratuur om automatische impulsen tegen te gaan of juist te genereren2. Soms ontbreekt echter ook de intentie om gezond op te voeden, door bijvoorbeeld andere denkbeelden, kennis en motivatie. Door aan te sluiten bij de belevingswereld van ouders en hun gedachtengoed en van daaruit te bekijken welke kleine stapjes wel gemaakt kunnen worden bereiken professionals in het veld waarschijnlijk meer. Ik moet nu denken aan een moeder die haar kind geen water wilde geven omdat water voor honden zou zijn, maar wel bereid was om haar kind thee in plaats van limonade te geven. Door als professionals in te spelen op zowel de motivatie van ouders als specifieke structurele voedingspraktijken kan overgewicht bij kinderen hopelijk effectiever worden voorkomen.

Deze blog werd geschreven door Junilla Larsen voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

Vaughn, A. E., Ward, D. S., Fisher, J. O., Faith, M. S., Hughes, S. O., Kremers, S. P., Musher-Eizenman, D. R., O’Connor, T. M., Patrick, H., & Power, T. G. (2016). Fundamental constructs in food parenting practices: a content map to guide future research. Nutrition Reviews, 74, 98-117.

Larsen, J. K., Hermans, R. C. J., Sleddens, E. F. C., Vink, J. M., Kremers, S. P. J., Ruiter, E. L. M., Fisher, J. O. (2018). How to bridge the intention-behavior gap in food parenting: Automatic constructs and underlying techniques. Appetite, 123, 191–200.

 

Proost…op de gezondheid?!

 Rode wijn is goed voor je hart en doorbloeding en ‘Alcohol verlaagt het risico op Diabetes. Dit soort uitspraken zijn onderdeel van de discussie naar hoe gezond alcohol is. Kan het echt zo zijn dat een middel dat giftig is voor je lichaam, ook goed voor je kan zijn? De onderzoeken naar hoe alcohol gezond voor je kan zijn, wekten mijn interesse. Is dit niet gewoon een manier om als mens je alcoholgebruik te kunnen rechtvaardigen? Ooit waren we immers ook van mening dat roken gezond voor je was, nicotine zou onder andere helpen tegen schurft en verkoudheid.

Al jaren bestaan er alcohol richtlijnen, een limiet die aangeeft met hoeveel glazen alcohol je goed bezig bent. Opvallend genoeg verschillen deze richtlijnen per land. Zo is 196 gram per week (ongeveer 19 glazen) de lat voor een Amerikaan, Canadees of Zweed, waar een Italiaan, Portugees, of Spanjaard twee keer zoveel mag drinken zonder gezondheidsrisico’s. En tot mijn verbazing horen de relatief zwaar drinkende Engelsen zich eigenlijk te houden aan de helft daarvan. In Nederland werd in 2015 de nieuwe richtlijn strak ingezet op maximaal 1 alcoholische glas per dag1.

Proost

Vorige maand verscheen er een artikel waarin 83 studies en daarmee 599.912 drinkers werden vergeleken, op zoek naar de limiet voor risicovol drinken2. Uit dit onderzoek kwam dat drinkers die tot 100 gram alcohol per week dronken (tot ongeveer 10 drankjes), de minste gezondheidsrisico’s hadden. Wanneer er werd gekeken naar cardio-vasculaire ziektes, vonden ze dat meer alcohol drinken de risico’s op hartfalen, hypertensieve aandoeningen en fataal aortisch aneurysma vergrootte. Een kleine hoeveelheid alcohol verkleinde de risico’s op een niet-dodelijke hartaanval. De auteurs benadrukken dat hoewel gematigd alcohol gebruik dus positief effect had op deze heel specifieke ziekte, er altijd hogere risico’s zijn voor andere ziektes bij elke vorm van alcohol gebruik, en ook een kortere levensverwachting!

Vooral buiten Nederland, waar de richtlijnen hoger liggen, zorgt dit artikel voor veel tegenreacties in de media. In Nederland lijkt men vooral blij te zijn met de bevestiging en bewijs dat de huidige richtlijn goed is. Ondanks dat, voldeed in 2017 maar 40.1% van de mensen aan deze norm van maximaal 1 glas alcohol per dag3 , en vinden we het dus blijkbaar moeilijk ons eraan te houden.

Drinken is vooral gezellig … we kunnen maar maximaal 1x per avond proosten op onze gezondheid.

Deze blog is geschreven door Martine Groefsema voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties:
1Richtlijnen goede voeding:
https://www.gezondheidsraad.nl/sites/default/files/201524_richtlijnen_goede_voeding_2015.pdf
2Artikel Lancet:
https://www.thelancet.com/journals/lancet/article/PIIS0140-6736(18)30134-X/fulltext
3Gezondheidsenquete/Leefstijlmonitor CBS i.s.m. RIVM en Trimbos-instituut, 2017: https://www.trimbos.nl/kerncijfers/nationale-drug-monitor

 

Verslaving een hersenziekte? Hoe denken we daar ruim 20 jaar later over?

In 1997 verschijnt een invloedrijk wetenschappelijk artikel in het toonaangevende wetenschappelijke tijdschrift Science getiteld ‘Addiction is a Brain Disease, and it Matters’1. In dit artikel worden  verschillen in het brein tussen verslaafden en niet-verslaafden beschreven. Deze verschillen vormen het kernargument om verslaving te definiëren als een chronische hersenziekte. Lange tijd is dit de dominante visie in de wetenschap en wordt er veel geld vrijgemaakt voor hersenonderzoek. Ruim 20 jaar later is dit debat nog actueel. Hoe staan verschillende wetenschappers hier nu in?

Afgelopen januari ontving Nora Volkow, een prominente hersenwetenschapper en directeur van het National Institute of Drug Abuse uit de USA, een eredoctoraat aan de Universiteit van Amsterdam. Dit was de aanleiding voor een debat over de vraag of verslaving gezien kan worden als een hersenziekte. Nora Volkow nam het op tegen Marc Lewis, hersenwetenschapper, ex-verslaafde én auteur van verschillende toegankelijke boeken over verslaving en het brein2. Het werd een enerverende avond in een tot de nok toe gevulde zaal in de Openbare Bibliotheek Amsterdam.

Volkow Lewis addiction disease.png

Marc Lewis and Nora Volkow presenteren hun opvattingen over verslaving als een hersenziekte in de Openbare Bibliotheek Amsterdam in januari 2018.

De argumenten vlogen over en weer. Hieronder de argumenten van beide op een rij.

Belangrijkste argumenten Nora Volkow voor de stelling dat verslaving een hersenziekte is:

  • Er zijn verschillen in het brein tussen verslaafden en niet verslaafden.
  • Verslavende middelen hebben een effect op het brein.
  • Verslaving is dus niet het gevolg van een zwakke wil, het hersenziekte model helpt stigmatisering te voorkomen.
  • Verslaving is een ernstige chronische conditie en daarom is het belangrijk verslaving als een ziekte te erkennen.

Belangrijkste argumenten Marc Lewis tegen de stelling dat verslaving een hersenziekte is:

  • Verschillen in het brein staan niet gelijk aan afwijkingen of ziekte.
  • Niet alleen verslavende middelen beïnvloeden ons brein, maar bijvoorbeeld ook verliefd zijn en veel andere soorten gedragingen.
  • Verslaving kan beter gezien worden vanuit een ontwikkeling- en leerperspectief.
  • Verslaving is geen chronische conditie; een deel van de verslaafden komt ook zonder behandeling van de verslaving af.
  • Verslaving als hersenziekte is net zo goed stigmatiserend als het oude idee dat verslaving voortkomt uit een zwakke wil.
  • Verslaving als chronische hersenziekte maakt verslaafden hulpeloos en afhankelijk van medische behandeling.
  • Het hersenziekte model van verslaving zorgt ervoor dat andere invloeden op verslaving, zoals belangrijke sociale invloeden, onderbelicht blijven.

De grote vraag is nu natuurlijk wat hiervan te vinden, als twee prominente wetenschappers het ogenschijnlijk oneens zijn. Een genuanceerde en pragmatische visie over deze stelling is denk ik de juiste oplossing. Het brein van verslaafden functioneert anders dan dat van niet verslaafden, wat mij betreft geeft dat niet noodzakelijk aan dat verslaving een ziekte is. In zoverre ben ik het met Marc Lewis eens. Deze verschillen in het brein geven ons wel belangrijke inzichten in waarom het zo moeilijk is om verslavingsgedrag te veranderen. Ook ben ik het eens met Marc Lewis eens dat de focus op verslaving als hersenziekte er voor gezorgd heeft dat andere invloeden, zoals de sociale invloeden, onderbelicht zijn gebleven. In een recente Blog geeft Nora Volkow zelf ook aan dat deze invloeden belangrijk zijn en meegenomen moeten worden.3 Ik ben het tenslotte wel met Nora Volkow eens dat het, binnen ons huidige zorgstelsel, belangrijk is verslaving als ziekte te definiëren om behandeling aan te kunnen bieden. Dit is de werkelijkheid waarin we ons bevinden en om die reden is het wat mij betreft in het voordeel van de verslaafden om dit complexe gedrag, dat inderdaad invloed heeft én tegelijkertijd het gevolg is van het functioneren van ons brein, als een ziekte te beschouwen.

Deze blog is geschreven door Maartje Luijten voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties:

  1. Leshner, AI. (1997). Addiction is a Brain Disease, and it Matters, Science, 278(5335), 45-47.
  2. Lewis, M. (2015). The biology of desire, why addiction is not a disease. PublicAffairs, New-York.
  3. Volkow, N. (2018). What does it mean when we call addiction a brain disorder? National Institute of Drug Abuse.

Hoe genen ons iets kunnen vertellen over de gevolgen van roken

Wie de RAD-blogs al wat langer volgt weet inmiddels dat verslavend gedrag voor een deel genetisch bepaald is. Een goed voorbeeld hiervan is rookgedrag. Het is keer op keer aangetoond dat het aantal sigaretten dat iemand rookt sterk wordt beïnvloed door genetische factoren. Wetenschappers hebben hier inmiddels ook specifieke genen voor gevonden. Het belangrijkste gen is een gen wat bepaalt hoe gevoelig je bent voor de effecten van nicotine. Mensen met variant T van dit gen roken meer sigaretten dan mensen met variant C. Dit soort informatie is nuttig, omdat het ons meer vertelt over de biologische invloeden op roken, en mogelijk hoe we mensen beter kunnen helpen om te stoppen met roken.

genen en dna

Maar het vinden van dit ‘rook-gen’ heeft ook nog een ander groot voordeel. We kunnen deze informatie namelijk gebruiken om te testen welke (negatieve) invloeden roken heeft op de gezondheid. Uit eerder onderzoek weten we dat er een sterk verband is tussen roken en psychische problemen zoals depressie, schizofrenie en slapeloosheid, maar we weten niet precies hoe dit komt. Een mogelijke verklaring is dat roken deze psychische problemen veroorzaakt of versterkt. Nu zouden we natuurlijk aan mensen kunnen vragen hoeveel ze roken en of ze een van deze aandoeningen hebben. Als we er op tijd bij zijn (voordat ze beginnen met roken) en als we ze lang genoeg volgen, zouden we dan kunnen testen of roken tot deze problemen leidt. Het lastige is alleen dat roken ook met heel veel ander ongezond gedrag samenhangt, zoals het drinken van veel alcohol of het gebruiken van drugs. Daarnaast hebben rokers gemiddeld een lager opleidingsniveau en ervaren ze meer stressvolle levensomstandigheden. Dus zelfs als je het hiervoor genoemde plan uitvoert, is het moeilijk te zeggen of een gevonden verband nou echt door roken komt, of door een van die andere factoren.

Om dit probleem op te lossen, kunnen we het rook-gen gebruiken. Welke variant je van het rook-gen hebt wordt bepaald tijdens de conceptie en dit hangt dus niet samen met latere factoren van levensstijl, zoals alcohol of drugs-gebruik, opleidingsniveau of stressniveau. Dit maakt het rookgen een perfect ‘instrument’ om te testen welke effecten roken heeft op de gezondheid. Denk maar eens aan roken en longkanker. Mensen die de variant van het rookgen dragen welke geassocieerd is met meer roken (variant T), zullen gemiddeld genomen vaker longkanker ontwikkelen. Dat komt niet omdat het gen zelf longkanker veroorzaakt, maar omdat deze mensen meer sigaretten roken (en de sigaretten veroorzaken wel longkanker). Het is natuurlijk al onomstotelijk bewezen dat roken longkanker veroorzaakt, maar of roken psychische problemen veroorzaakt is nog lang niet zo duidelijk.

psychologie onderzoek

Inmiddels hebben al meerdere studies de bovengenoemde methode gebruikt om te onderzoeken of roken een negatief effect heeft op de psychische gezondheid. In deze studies worden mensen met variant T van het rookgen vergeleken met mensen met variant C. Als de mensen met variant T (die dus gemiddeld meer sigaretten roken) vaker psychische problemen hebben dan mensen met variant C, suggereert dit dat roken deze problemen veroorzaakt. Er zijn al een aantal interessante resultaten naar voren gekomen. Zo lijkt het er op dat het roken van sigaretten geen effect heeft hebben op het ontwikkelen van een depressie1 maar wel de kans verhoogt op het ontwikkelen van schizofrenie2. Zelf ben ik momenteel werkzaam aan de Universiteit van Bristol in Engeland, waar ik onder andere onderzoek doe naar de relatie tussen roken en slapeloosheid. Ik heb aanwijzingen gevonden dat roken ook van invloed is op slaapgedrag3. Het roken van sigaretten lijkt een effect te hebben op het slaap-waakritme. Hoe meer je rookt hoe groter de kans dat je langer wakker blijft en je meer moeite hebt om (vroeg) op te staan. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat de nicotine die in sigarettenrook zit een stimulerend effect heeft en mensen allerter maakt en ze daardoor langer wakker blijven.

Het type onderzoek dat in deze blog wordt beschreven is het nieuwste van het nieuwste, en nog vollop in ontwikkeling. Hoe meer we te weten komen over de genen die rookgedrag beïnvloeden, hoe beter we met die informatie kunnen testen wat de gevolgen van roken zijn voor de psychische gezondheid. Ik verwacht dan ook dat dit soort studies in de komende jaren steeds meer en beter zullen worden uitgevoerd, wat ons een steeds completer beeld zal geven van de gevolgen van roken.

Deze blog is geschreven door Jorien Treur voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

  1. Taylor, A. E. et al. Investigating the possible causal association of smoking with depression and anxiety using Mendelian randomisation meta-analysis: the CARTA consortium. BMJ Open 4, e006141 (2014).
  2. Wium-Andersen, M. K., Orsted, D. D. & Nordestgaard, B. G. Tobacco smoking is causally associated with antipsychotic medication use and schizophrenia, but not with antidepressant medication use or depression. Int. J. Epidemiol. 44, 566–577 (2015).
  3. Gibson, M., Munafo, M. R., Taylor, A. & Treur, J. L. Evidence for genetic correlations and bidirectional, causal effects between smoking and sleep behaviours. bioRxiv 258384 (2018). doi:10.1101/258384

Pistepils in winterwonderland

Eindelijk, het is weer zover! Tijd voor de wintersportvakantie waar je al zo lang naar uitkijkt. Dik ingepakt van de witte bergen naar beneden suizen. Met daarbij de koude berglucht, kenmerkende dennenbossen en overvolle pistes. En tijdens de koffiepauze worden door sommigen al de eerste goudgele rakkers genuttigd. Met alcohol de weg op is uit den boze, maar wat zijn eigenlijk de regels op de piste waar we elkaar met gemiddeld 70 km/uur voorbij suizen?

Alcohol alps_feb18 (3).png

De internationale skifederatie (FIS) heeft tien pisteregels ingesteld1. De eerste twee regels “Ik breng anderen niet in gevaar” en “Ik heb controle over mijn snelheid” beschrijven impliciet dat je niet in beschonken toestand de piste mag betreden. Met alcohol op is complete beheersing immers niet meer mogelijk, ook niet op wintersport. Gevoelsmatig gaat men na een biertje een stuk beter skiën of snowboarden, omdat alcohol ons zelfverzekerder maakt. Echter, alcohol verstoort je motoriek, vermindert je reactievermogen en zorgt ervoor dat je minder ziet en hoort. Ben je dan nog bekwaam genoeg om verschillende situaties op de piste in te schatten en hier snel naar te kunnen handelen?!

Australische onderzoekers deden navraag naar de risicoperceptie van wintersporters op de piste en in het verkeer2. De resultaten van verschillende stellingen:

  • 75% van de ondervraagden was het eens met de stelling “Alcoholgebruik beïnvloed mijn bekwaamheid om veilig te skiën/snowboarden
  • 83% van de ondervraagden was het eens met de stelling “Alcoholgebruik beïnvloed de bekwaamheid van anderen om veilig te skiën/snowboarden
  • 90% van de ondervraagden was het eens met de stelling “Alcoholgebruik beïnvloed mijn bekwaamheid om veilig deel te nemen aan het verkeer
  • 93% van de ondervraagden was het eens met de stelling “Alcoholgebruik beïnvloed de bekwaamheid van anderen om veilig deel te nemen aan het verkeer

De wintersporters schatten het risico op een ongeval bij alcoholgebruik op de piste dus lager in dan bij alcoholgebruik in het verkeer. En daarnaast achten de wintersporters zichzelf bekwamer bij alcoholgebruik op de piste of in het verkeer dan mede piste- of weggebruikers. Het is niets nieuws dat ons zelfvertrouwen groter is dan het vertrouwen in de anderen om ons heen. Als we deze eigen zelfzekerheid combineren met het zelfverzekerende effect van alcohol dan voelen we ons meesterskiërs/snowboarders. Gevaarlijk, als je het mij vraagt, want hierdoor neemt de kans op een ongeluk substantieel toe.

Van de duizenden ongelukken die jaarlijks plaatsvinden op de piste, is bij één op de vijf ongelukken alcohol in het spel. Deze ongelukken vinden veelal plaats na de middagmaaltijd, waarbij een “pilsje” is genuttigd3. Let wel: hier in Nederland bevat een pilsje gemiddeld 0,25 liter bier, maar op het terras van de “gemütliche” berghut is het dubbele de standaard (0,50 liter). Ter vergelijking; voor ervaren bestuurders is het verboden om na deze hoeveelheid, die overeenkomt met bloedalcoholgehalte van 0,5 promille, deel te nemen aan het verkeer.

Airbags of gordels zijn op de piste niet voorhanden, daarom wordt in sommige skigebieden de bergpolitie ingezet om alcoholgebruik te bestrijden. In Canada glijden deze agenten compleet bewapend en in politie outfit de piste af, actief op zoek naar beschonken wintersporters. Word je na de blaastest betrapt op een te hoog bloedalcoholgehalte dan volgt een fikse boete. Is het een idee om bij een negatieve blaastest ‘WOW’ caps voor op je skihelm uit te delen? Zo kunnen andere wintersporters al van veraf zien dat jij een ‘Weloverwogen Onbeschonken Wintersporter’ bent! Een dergelijke campagne heeft haar effectiviteit in het verkeer bewezen4. Maar voordat het zover is, beveel ik iedere wintersporter deze volgorde aan: eerst skiën, dan lekker après-skiën en terug naar je hotel of chalet, om de volgende dag weer fris en fruitig op de piste te verschijnen!

Deze blog is geschreven door Pauline Geuijen (Radboud UMC/NISPA) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

  1. Snowplaza (2017). Stelling: het is hoog tijd voor piste-politie. Op 26 februari 2018 verkregen via https://www.snowplaza.nl/weblog/11282-hoog-tijd-voor-piste-politie/.
  2. Sherker, S., Finch, C., Kehoe, E. J., & Doverty, M (2006). Drunk, drowsy, doped: skiers’ and snowboarders’ injury risk perceptions regarding alcohol, fatigue and recreational drug use. International Journal of Injury Control and Safety Promotion, 13(3), 151-157.
  3. Gaudio, R.M., Barbieri, S., Feltracco, P., Spaziani, F., Alberti, M., Delantone M, … & Avato, F.M. (2010). Impact of alcohol consumption on winter sports-related injuries. Medicine, Science and the Law, 50(3),122-125.
  4. Stichting Verantwoorde Alcoholconsumptie (2013). Factsheet alcohol en verkeer. Op 26 februari 2018 verkregen via http://stiva.nl/wp-content/uploads/downloads/2013/01/STIVA_factsheet-alcohol-en-verkeer_DEF-jan13.pdf.

Gezondheid van kinderen: zaak van ouders of de school?

Geen cola, geen energiedrankjes, en zelfs geen limonade meer. Kinderen op steeds meer scholen door het hele land mogen alleen nog maar gezonde producten, zoals water, drinken. Ook de regels over eten worden vaak aangescherpt. Zo worden op veel scholen zakken chips in de aula niet meer getolereerd. Scholen proberen op deze manier kinderen zo gezond mogelijk te houden. Hier zijn echter duidelijk niet alle ouders het mee eens, met de uitspraak “water is voor honden” als één van de meest bekende reacties. Deze kwestie maakt duidelijk dat de meningen verdeeld zijn over de vraag wie zich mag “bemoeien” met het gezond opvoeden van onze nieuwe generatie.

Kinderen brengen een groot deel van hun tijd door op school. Als we willen dat ze gezonder leven, dan is het belangrijk dat zij ook op school gezond kunnen eten en drinken, vindt het Voedingscentrum. Een gezonde school is een plek waar kinderen door een gezond aanbod gemakkelijk een gezondere keuze kunnen maken. Kinderen kunnen hier bijvoorbeeld kiezen uit verschillende bruine broodjes, en er is gemakkelijk groente, fruit en water te verkrijgen. Door volop gezonde producten aan te bieden in de kantine, krijgen kinderen een zogenaamd duwtje in de goede richting. En veel ouders vinden dit een goede zaak. Uit een recent onderzoek onder ruim duizend ouders van kinderen tussen de 8 en de 16 jaar blijkt dat een ruime meerderheid ouders (62%) vindt dat school- en sportkantines zo moeten worden ingericht dat kinderen eerder geneigd zijn om een gezonde keuze te maken [1].

Foto: een kantine van Markies Catering

Een deel van de ouders gaat zelfs nog verder; zij zijn van mening dat een gezond aanbod zelfs zou moeten gelden in de supermarkt (zegt 53% van de ouders) of op straat (zegt 48% van de ouders) [1]. Echter, een ruime meerderheid van de ouders (82%) laat weten dat ze het voornamelijk hun eigen verantwoordelijk vinden om hun kinderen te leren hoe ze verstandig en gezond moeten eten en drinken. Wettelijk gezien zijn ouders op de eerste plaats verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen. Ondanks dat de meerderheid van de ouders voorstander is voor het creëren van een gezondere voedingsomgeving, lijkt het erop dat de specifieke regels voor het juist wel of niet consumeren van bepaald voedsel door ouders onder hun eigen verantwoordelijkheid wordt geschaard. Mogelijk ontstaat er dus weerstand op het moment dat scholen precies bepalen wat er wel en niet tijdens schooltijd gegeten en gedronken mag worden.

Het is moeilijk om te bepalen in hoeverre scholen zich mogen “bemoeien” met het gezond opvoeden van kinderen, zeker omdat ouders verschillen in waar zij vinden dat die grens zou moeten liggen. In de toekomst zullen we samen na moeten denken over hoe we alle ouders kunnen betrekken en voorstander kunnen maken van initiatieven om de (school)omgeving van kinderen gezonder te maken. Waarschijnlijk ligt de oplossing in het samenwerken tussen scholen en ouders, om samen tot oplossingen te komen die aansluiten bij de behoeften van mensen die deze oplossingen nu juist het meest nodig hebben. Het lijkt er immers op dat het simpel opleggen van “van bovenaf” bedachte regels niet werkt en voor weerstand zorgt. Scholen kunnen hierin het initiatief nemen door te overleggen met de ouderraad, door informatieavonden te organiseren voor ouders en/of leerlingen, of door hen middels een enquête om advies te vragen. Tegenwoordig zouden ook sociale media gemakkelijk kunnen worden ingezet worden om deze communicatie tussen school en ouders te vergemakkelijken.

Deze blog is geschreven door Nina van den Broek (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

  1. Voedingscentrum (2018). Quickscan voedselvaardigheid. Verkregen via het Voedingscentrum.

Personalized care: Oude wijn in nieuwe zakken?

In zorg en behandeling wordt voortdurend gesproken over evidence-based werken. Wat bedoelen we daar eigenlijk mee? Het betekent eigenlijk dat behandelaren en therapeuten niet zomaar wat aan mogen klungelen, maar dat behandelingen en interventies die worden ingezet gebaseerd zijn op de best beschikbare informatie over effectiviteit. De effectiviteit van behandelingen wordt doorgaans getest met Randomized Controlled Trials (RCT’s). Dit soort trials kennen de nodige voorwaarden en eisen.

Nadat er eeuwenlang voornamelijk onderzoek werd gedaan met gevalsbeschrijvingen kwam er aan het einde van de negentiende eeuw een ontwikkeling op gang van onderzoek waarin de effectiviteit van een behandeling getest werd middels een experimentele en een controlegroep. Deelnemers werden toegewezen aan één van beide groepen, gebaseerd op randomisatie (ofwel de systematische toepassing van het toeval). Het duurde echter nog tot 1948 totdat de brede introductie van de RCT kwam in 1948, toen het prestigieuze British Medical Journal voor het eerst een verslag van een gerandomiseerd en gecontroleerd experiment publiceerde, gericht op de behandeling van longtuberculose met streptomycine1.

De introductie van de RCT betekende een reuzensprong voor de geneeskunde. Tegenwoordig geldt de RCT nog steeds als de gouden standaard voor medisch- en sociaal wetenschappelijke bewijsvoering. Toch is er iets aan het veranderen. Bij een RCT wordt de effectiviteit van een behandeling bepaald aan de hand van de gemiddelden van de groep die de behandeling ondergaat versus de gemiddelden van mensen in de controlegroep. Maar doen die groepsgemiddelden wel recht aan de individuele verschillen die bestaan? Met andere woorden, is deze methode wel geschikt voor populaties die zich kenmerken door een hoge mate van heterogeniteit? En als dat niet zo is, wat dan?

Jarenlang coördineerde ik een cursus op de Radboud Universiteit gericht op verslaving, waarbij ook ervaringsdeskundigen hun verhaal deden. De ene keer was het een jongen die als gevolg van zijn ADHD en ongecontroleerde zelfcontrole ten prooi was gevallen aan verslavende middelen en inmiddels van alles gebruikt had (met de nodige gevolgen op meerdere fronten). Een andere keer was het een dame van middelbare leeftijd met een goede baan die merkte dat ze niet meer kon zonder alcohol in de avond, en het tijdstip van het eerste drankje op de dag steeds verder vervroegde. Weer een ander keer kwam er een jongen met een licht verstandelijke beperking vertellen hoe hij verkeerde vrienden had gehad en daardoor in aanraking was gekomen met cocaïne en als gevolg daarvan in problemen was gekomen. Altijd waren er factoren in beeld die we kennen uit de literatuur, maar vaak was de samenstelling van die factoren anders. Verslaving wordt door ontzettend veel factoren voorspeld (e.g., impulscontrole, hechting of opvoeding zonder controle en monitoring, middelengebruik van ouders en vrienden, ernstige levensgebeurtenissen). Daarnaast gaat een verslaving vaak hand in hand met andere psychiatrische aandoeningen. Afijn, verslaving lijkt een fenomeen waarbij een RCT niet altijd de meest voordehandliggende methode van onderzoek is: er bestaat niet één groep met een verslaving, en de individuele verschillen zijn erg groot.

Om meer recht te doen aan de heterogeniteit binnen de groep van mensen met een verslaving wordt in toenemende mate onderzoek uitgevoerd met behulp van designs die uitgaan van een gepersonaliseerde aanpak, zogenaamde single-case experimenten. Ook in andere onderzoeksvelden en internationaal worden deze studies steeds populairder (Tabel 1 laat de toename zien in het aantal publicaties met single-case studies).

Tabel 1

single case publications

Kenmerkend voor single-case studies is dat de toestand van één cliënt op verschillende momenten wordt beschreven: vóór de interventie, tijdens de interventie en na de interventie. Vaak vinden metingen frequent plaats, zodat het verloop van de veranderingen als gevolg van de interventie goed is te zien. Waar aanvullende informatie nodig is zijn er meerdere varianten denkbaar. Een herhaalde of meervoudige case study kan in dat geval een krachtig bewijs leveren voor de effectiviteit.

Maar betekent dit nu dat we terug gaan naar de oude gevalsbeschrijvingen van voor de RCT, en is de nieuwe ontwikkeling richting meer single-case studies een tijdelijke opleving? Alles wijst er op dat dit niet zo is en dat de vernieuwde single-case studies ‘are here to stay’! Zo is er overeenstemming over hoe er gerapporteerd moet worden over single-case studies en zijn er richtlijnen en standaarden ontwikkeld2. Daarnaast zijn er nu ook methodes en technieken beschikbaar die het mogelijk maken om zeer geavanceerde analyses uit te voeren. Tenslotte sluit deze beweging nauw aan bij de behoefte om onderzoek en praktijk aan elkaar te verbinden. Nee, het gaat dus niet om oude wijn in nieuwe zakken; het gaat om een bewustzijn dat er een alternatief bestaat op de meer traditionele RCT, wat uiteindelijk gaat bijdragen aan betere zorg, ook voor mensen met een verslaving.

Deze blog is geschreven door Roy Otten (Pluryn/ Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

1. Medical Research Council. Streptomycin treatment of pulmonary tuberculosis: a Medical Research Council Investigation. BMJ. 1948;ii:769-82.

2. Gagnier JJ, Kienle G, Altman DG, Moher D, Sox H, Riley D, CARE Group. The CARE Guidelines: Consensus-based Clinical Case Reporting Guideline Development. Glob Adv Health Med. 2013 Sep;2(5):38-43. doi: 10.7453/gahmj.2013.008. PMID: 2441669

Dik na december?

De oplettende lezer heeft het misschien al opgemerkt: de D in RAD staat sinds kort ook voor Dieet. Naast de onderwerpen roken, alcohol en drugs zullen we vanaf nu ook geregeld het thema voeding aansnijden op de RAD-blog. Aan mij de eer om dit thema te introduceren, wat met de decembermaand in het vizier geen ongunstige timing is. Want als er iets belangrijk is in december, dan is het gezelligheid, vrienden en familie, maar vooral … lekker eten.

Festive foods

Een paar handjes pepernoten rond Sinterklaas, een lopend buffet met Kerst en een aantal oliebollen tijdens Oud & Nieuw. Dat kan geen kwaad, zou je denken. Toch komen volwassenen in december gemiddeld 0.5 tot één kilo aan 1. Hoewel de verklarende mechanismen die aan deze gewichtstoename ten grondslag liggen nog niet wetenschappelijk zijn onderzocht, kunnen we er allemaal wel een aantal redenen voor bedenken. De chocoladeletters en kerstkransjes liggen al weken van tevoren in de schappen, waardoor het feestelijk snacken zich vaak niet beperkt tot de vier ‘echte’ feestdagen. Mede onder het mom van goede voornemens voor het nieuwe jaar is december al snel een vrijbrief om nog even lekker te genieten. Het sociale karakter van de feestdagen werkt ook niet echt bevorderend, aangezien we in sociale situaties vaak meer eten 2. En dan is het ook nog guur en koud, dus in plaats van een rondje hardlopen kruipen we op de bank met een grote kop warme chocomelk. Kortom: in december eten we te veel en bewegen we te weinig.

De onbalans in energie-inname en energieverbruik is de kern van wat uiteindelijk leidt tot overgewicht en obesitas. Hoewel het onwaarschijnlijk is dat je in de maand december acuut overgewicht ontwikkelt, is het niet geheel onbelangrijk om te letten op wat en hoeveel je eet. Bijna de helft (49,2%) van de Nederlandse volwassenen is namelijk te zwaar en 14,2% heeft obesitas. Bij kinderen is dit respectievelijk 13,6% en 2,7%3. Overigens is het nog onduidelijk of de december-gerelateerde gewichtstoename ook te zien is bij kinderen. Onder deze leeftijdsgroep zijn nog te weinig studies gedaan om hier uitspraken over te kunnen doen. De enige studie bij deze leeftijdsgroep toonde aan dat kinderen tijdens de feestdagen wel iets aankwamen maar dat zij ook iets groeiden, met als gevolg dat hun BMI (kg/m2) onveranderd bleef 4. Betekent dit dat kinderen zich onbeperkt te goed kunnen doen aan al het decemberlekkers, omdat ze toch nog aan het groeien zijn? Nee, zeker niet. De basis voor de ontwikkeling van een gezond gewicht ligt al vroeg in de kindertijd. Overgewicht op jonge leeftijd is een belangrijke voorspeller voor het hebben van overgewicht in de volwassenheid 5. Aangezien het ‘genezen’ van overgewicht als het zich eenmaal heeft ontwikkeld lastig is, heeft preventie de voorkeur. Daarnaast kunnen gezonde gewoontes het beste zo vroeg mogelijk worden aangeleerd aangezien het gedrag van jonge kinderen nog eenvoudig te vormen is. Interventies gericht op de preventie van overgewicht en obesitas kunnen zich daarom het best richten op de eerste levensjaren.

Vanuit deze visie hebben we op de Radboud Universiteit de interventie ‘Samen Happie!’ ontwikkeld, waarin we overgewicht zo vroeg mogelijk proberen te voorkomen door gezonde opvoeding van ouders van jonge kinderen te stimuleren. In de interventie gebruiken we een app waarmee we ouders informatie geven over hoe zij gezonde opvoedingspraktijken toe kunnen passen (dat wil zeggen, het stimuleren van structuur en positieve support en het voorkomen van dwangmatige controle 6) en waarmee we hen ook daadwerkelijk met deze gezonde opvoedingspraktijken kunnen laten oefenen. Met de interventie richten we ons voornamelijk op kwetsbare families (die problemen ervaren op het gebied van financiën, opleiding en/of welzijn), gegeven dat Nederlandse kinderen uit deze gezinnen vier keer vaker overgewicht hebben dan kinderen uit meer welvarende families5. We zijn nog op zoek naar kwetsbare families (ouders met een kindje tussen de 7 en 11 maanden oud) die mee willen doen aan onze interventie. Ken jij kwetsbare families die mee zouden willen doen of kom je vaak (via je werk) in aanraking met deze gezinnen? Dan zou het geweldig zijn als je contact met ons opneemt via samenhappie@ru.nl!

Tot slot enkele tips om die extra decemberkilo dit jaar te voorkomen.

  • Geniet van de gezelligheid en het lekkere eten dat bij december hoort, maar beperk dit tot de vier échte feestdagen.
  • Haal de feestelijke verleidingen die al weken van tevoren in de supermarkt liggen niet te vroeg in huis, dan kom je ook niet in de verleiding om ze alvast op te gaan eten.
  • Blijf ondanks de kou genoeg bewegen, bijvoorbeeld door vaker een avondwandelingetje te maken of te gaan schaatsen.
  • Speciaal voor ouders: Google eens op ‘healthy Christmas snacks’ voor de leukste gezonde kersttraktaties voor de kleintjes!

Healthy Christmas snacks

Deze blog is geschreven door Levie Karssen (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

  1. Díaz-Zavala, R. G., Castro-Cantú, M. F., Valencia, M. E., Álvarez-Hernández, G., Haby, M. M., & Esparza-Romero, J. (2017). Effect of the holiday season on weight gain: A narrative review. Journal of Obesity. DOI: 10.1155/2017/2085136
  2. Cruwys, T., Bevelander, K. E., & Hermans, R. C. (2015). Social modeling of eating: A review of when and why social influence affects food intake and choice. Appetite86, 3-18.
  3. CBS (2016). Overgewicht: Cijfers en context. Op 17 november 2017 verkregen via https://www.volksgezondheidenzorg.info/onderwerp/overgewicht/cijfers-context/huidige-situatie
  4. Branscum, P.W., Kaya, G., Succop, P., & Sharma, M. (2010). An evaluation of holiday weight gain among elementary-aged children. Journal of Clinical Medicine Research, 2(4), 167–171.
  5. WHO (2010). Childhood overweight and obesity. Op 20 november 2017 verkregen via http://www.who.int/dietphysicalactivity/childhood/en
  6. Vaughn, A. E., Ward, D. S., Fisher, J. O., Faith, M. S., Hughes, S. O., Kremers, S. P., … & Power, T. G (2016). Fundamental constructs in food parenting practices: A content map to guide future research. Nutrition Reviews, 74, 98–117.

Middelengebruik onder kwetsbare groepen: complexiteit van problemen maakt aanpak lastig

“Het gaat op alle fronten erg goed met Nederlandse jongeren,” concludeerde het CBS eind 2016 op basis van de Jeugdmonitor (CBS, 2016). De jeugd rookt minder, gaat langer naar school en is minder crimineel. Het Peilstationsonderzoek van het Trimbos-instituut waarin gekeken wordt naar middelengebruik onder de Nederlandse Jeugd bevestigde het positieve beeld: ´tussen 2011 en 2015 is het percentage scholieren van 12 tot en met 16 jaar dat ooit alcohol of tabak heeft gebruikt fors gedaald.’ Er werd zelfs voor het eerst ook bij 16-jarigen minder alcoholgebruik, dronkenschap en binge drinken waargenomen (Van Dorsselaer et al., 2016).

Er is echter niet alleen goed nieuws. Voor alle middelen zijn er behoorlijke verschillen tussen scholieren van het VMBO en VWO. Zo rookt 7% van jongeren van VMBO-beroepsgerichte leerweg dagelijks tegenover slechts 1% op het VWO. Hetzelfde patroon doet zich voor bij drinken: 12% van de drinkende VMBO-ers (beroepsgerichte leerweg) drinkt meer dan 20 glazen in een weekend tegenover 4% van de drinkende VWO-ers.

Ondanks dat het over het algemeen goed gaat met de Nederlandse Jeugd, zien we meer en meer dat risicovol gedrag, zoals middelengebruik zich clustert in bepaalde groepen. Kwetsbare groepen voor overmatig middelengebruik zijn naast jongeren op het VMBO bijvoorbeeld ook jongeren in het speciaal onderwijs en jongeren in de residentiële jeugdzorg. Er zijn signalen dat er in deze groepen meer gerookt, gedronken en geblowd wordt. Maar hoeveel meer jongeren in het speciaal onderwijs en de residentiële jeugdzorg middelen gebruiken weten we niet precies omdat onder deze twee groepen al bijna 10 jaar geen representatief onderzoek meer gedaan is. Het meest recent is het EXPLORE onderzoek uit 2008 (Kepper et al., 2010).

roken alcohol drugs Kwetsbare Groepen

Ook interveniëren in het middelengebruik van jongeren in het speciaal onderwijs en de residentiële jeugdzorg is moeilijker omdat ze vaak complexe risicoprofielen hebben. Er zijn wel een paar interventieprogramma’s die zich specifiek richten op kwetsbare jongeren, maar de effecten hiervan zijn vaak niet of niet goed onderzocht, en waar ze wel onderzocht zijn  werken ze voornamelijk op de korte termijn. Een mogelijke reden waarom interventieprogramma’s in deze groepen niet goed werken kan te maken hebben met de complexiteit van de doelgroep en de problemen waar ze mee te maken hebben. Maar ook dat er binnen deze groepen vaak al veel middelen gebruikt worden, waardoor het voor jongeren moeilijker is om zelf niet te gaan gebruiken of te stoppen met  gebruiken. Daarnaast is niet duidelijk of er altijd sprake van een actief beleid om middelen te ontmoedigen binnen het speciaal onderwijs of de residentiële jeugdzorg.

Om tot een goede aanpak te komen voor kwetsbare groepen zijn een aantal stappen belangrijk:

  1. Het systematisch in kaart brengen van middelengebruik in kwetsbaren groepen jongeren om:
  • de aard en omvang van de problematiek helder in beeld te krijgen
  • zicht te krijgen op de belangrijkste risico en beschermende factoren voor middelengebruik in deze groepen;
  1. Het systematisch in kaart brengen van bestaand beleid omtrent middelengebruik in het speciaal onderwijs en de residentiële jeugdzorg om:
  • zicht te krijgen op welke beleidsmaatregelen er zijn en of deze effectief zijn
  • een beeld te krijgen of de omgeving adequaat is toegerust op het omgaan met gebruik en waar mogelijke verbeterpunten liggen;
  1. De verkregen informatie kan vervolgens gebruikt worden bij het vormgeven van effectief beleid en de inzet van interventies binnen het speciaal onderwijs en de residentiële jeugdzorg.

Alleen door (meer) te investeren in de kwetsbare groep jongeren is de conclusie te onderschrijven dat het alle fronten erg goed met Nederlandse jongeren. Anders is een disclaimer op zijn plaats.

Deze blog is geschreven door Marloes Kleinjan (Trimbos-instituut en Universiteit Utrecht) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol & drugs.

Referenties

CBS (2016). Jaarrapport landelijke Jeugdmonitor. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag.

Kepper, A., Monshouwer, K., Van Dorsselaer, S., & Vollebergh, W. (2011). Substance use by adolescents in special education and residential youth care institutions. European Child & Adolescent Psychiatry, 20(6), 311.

Van Dorsselaer, S., Tuithof, M., Verdurmen, J., Spit, M., Van Laar, M., & Monshouwer, K. (2016). Jeugd en riskant gedrag 2015, Kerngegevens uit het Peilstationsonderzoek Scholieren. Trimbos-instituut, Utrecht.

 

Het zit in de genen, nou en?

Als onderzoeker krijg ik met grote regelmaat de vraag: hoezo is het belangrijk dat we weten welke genen belangrijk zijn voor middelengebruik en verslaving? Wat kunnen we met deze informatie? Ik heb mezelf ook wel eens afgevraagd: is het doel van mijn werk nou dat ik een piepklein kiezelsteentje bijdraag aan de onderneming waarbij we ooit, in de verre toekomst, iets kunnen veranderen aan onze genen om middelengebruik te voorkomen? Zou ik die dag überhaupt nog meemaken?

genetic modification

Het antwoord op die laatste vraag is simpel: de dag dat we op die manier complex gedrag kunnen veranderen ga ik niet meemaken. Behalve alle ethische en morele aspecten aan genetische modificatie is het simpelweg onpraktisch in het geval van menselijk gedrag (al kan het zeer nuttig zijn bij het behandelen of voorkomen van bepaalde ziektes!). Als we een gen ontdekken dat een rol speelt bij de kans dat iemand cannabis gaat gebruiken, dan verklaart dit gen in zijn eentje op zijn allerhoogst 1% van de variatie in cannabisgebruik. De andere 99% bestaat uit een heleboel andere genen en omgevingsinvloeden. Om het nog ingewikkelder te maken spelen niet bij iedereen precies dezelfde genen een rol bij verslavend gedrag. Dus 1 gen ‘uitschakelen’ zet niet zo veel zoden aan de dijk. Gewoon alle betrokken genen dan maar uitschakelen klinkt als een logische oplossing, ware het niet dat er zoiets is als pleiotropie. Er is niet zoiets als een ‘cannabisgen’, ieder gen is betrokken bij zoveel biologische functies, heeft invloed op zoveel verschillende kenmerken, dat we niet kunnen overzien wat er gebeurt als we er zelfs maar eentje zouden weghalen. Laten we dat dus maar even niet doen!

Dus wat heeft het dan voor nut wat wij doen? Als we even in de sfeer van toekomstige technologische vooruitgang blijven, dan denk ik dat we in de toekomst iemands genetische profiel kunnen opstellen door te kijken hoeveel risicovarianten iemand heeft die hem kwetsbaar maken om te beginnen met middelengebruik. Uit gen-omgeving interactie studies weten we waar in de omgeving we moeten ingrijpen om die kans dan te verlagen. Ook zouden we aan de hand van genetische informatie steeds beter moeten kunnen gaan voorspellen op wat voor verslavingsbehandeling iemand het beste zou reageren. Deze toepassingen zouden tijd, geld, en persoonlijk lijden kunnen schelen.

Maar betekent dat dan dat mijn werk alleen in de verre toekomst nuttig zal zijn? Nee, ook nu kunnen we al veel met de informatie uit genetisch onderzoek. Zo verkrijgen we steeds meer aanwijzingen over de biologische processen die middelengebruik onderliggen, wat aanleiding kan zijn voor bijvoorbeeld medicijnonderzoek. Een andere interessante mogelijkheid is de recent ontwikkelde methode om aan de hand van genetische informatie oorzakelijke verbanden te kunnen testen. Uit dergelijk onderzoek is bijvoorbeeld naar voren gekomen dat cannabis gebruik in kwetsbare mensen schizofrenie kan veroorzaken1. Zeer nuttige informatie voor beleidmakers!

Ook nu al kunnen we dus van alles met de informatie uit genetisch onderzoek. En die verre technologisch geavanceerde toekomst, daar dragen wij natuurlijk ook graag ons kiezelsteentje aan bij.

Deze blog is geschreven door Joëlle Pasman (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol & drugs.

Referenties

1 Vaucher, J., Keating, B.J., Lasserre, A.M., Gan, W., Lyall, D.M., Ward, J., Smith, D.J., Pell, J.P., Sattar, N., Paré, G., & Holmes, M.V. (2017). Cannabis use and risk of schizophrenia: A Mendelian randomization study. Molecular Psychiatry, advance online publication 24 January 2017

Gezondheidsapps: Kaf of Koren?

Plaatje_Blog_Gezondheidsapps_Kaf of Koren_Carmen Voogt_31-07-2017

Gezondheidsapps blijven groeien in populariteit. Ik ben benieuwd naar het aanbod van apps op het gebied van roken, alcohol en drugs. In de appstores van Apple, Google voer ik de termen ‘roken’, ‘alcohol’ en ‘drugs’ in. Het levert me honderden apps op die je gratis of voor een klein bedrag kunt downloaden. Voordat ik ten onder ga aan stress vanwege de onbeperkte keuzevrijheid, selecteer ik alleen de apps die gratis zijn: ik blijf toch een Nederlander. Het aantal apps vermindert weliswaar met ruim een kwart, maar de keuzestress blijft. Hoe weet ik of ik een betrouwbare en werkzame app in handen heb om mijn laatste sigaret uit te drukken of om dat aangeboden biertje te weigeren?

De GGD AppStore, een initiatief van GGD GHOR Nederland (GGD GHOR Nederland, 2014), biedt uitkomst. Deze appstore geeft een overzicht van onafhankelijk en deskundig beoordeelde gezondheidsapps. Alleen apps die voldoen aan de door de GGD opgestelde criteria omtrent gebruiksvriendelijkheid, functionaliteit, privacy, betrouwbaarheid en onderbouwing worden geplaatst. In deze unieke appstore voer ik opnieuw de termen ‘roken’, ‘alcohol’ en ‘drugs’ in. Het levert me significant minder apps op: slechts 5 voor roken, 3 voor alcohol en 1 voor drugs! De oorzaak hiervan is te wijten aan het feit dat het ontwikkelen en evalueren van apps tijdrovend en kostbaar is. Ik kan het weten.

Ik neem jullie graag mee op reis naar de ontwikkeling en evaluatie van een app om het alcoholgebruik bij overmatig drinkende jongeren te verlagen. Benodigdheden: TIJD: 4 jaar, GELD: ruim €500.000 en INTERVENTION MAPPING, een hulpmiddel voor de ontwikkeling en evaluatie van gezondheidsinterventies (Bartholomew et al., 2011). Dit gedetailleerde protocol bestaat uit zes stappen die ik hieronder kort beschrijf: bereid je voor op het verwerken van enigszins droge en taaie kost.

In Stap 1 wordt het op te lossen probleem van de doelgroep vastgesteld. De factoren die het probleem veroorzaken en de impact van het probleem op de kwaliteit van het leven van de doelgroep worden uitvoerig beschreven in een literatuurstudie. In Stap 2 wordt het doel van de app geformuleerd en worden de persoonlijke -en omgevingsfactoren beschreven die invloed kunnen hebben op het behalen van het doel. In Stap 3 worden de theoretische methoden en strategieën geselecteerd die werkzaam zijn bij de doelgroep en passen bij het probleem en het doel. Het fysiek ontwikkelen van de app staat in Stap 4 centraal. Ook wordt in deze stap de app getest met de doelgroep om te achterhalen of het aansluit op hun wensen en behoeften. Stap 5 omvat de implementatie van de app om het gebruik ervan bij de stakeholders en de eindgebruikers te bevorderen. In Stap 6 wordt de app geëvalueerd om te beslissen of hij werkzaam is om het alcoholgebruik bij overmatig drinkende jongeren te verlagen.

Voordat alle stappen van het Intervention Mapping protocol zijn afgerond, zijn er 4 jaar voorbij verstreken en is de app hoogstwaarschijnlijk alweer verouderd…Maar ach, de kans dat de app geplaatst wordt in de GGD AppStore is dan wel vergroot.

Referenties
Bartholomew, L. K., Parcel, G. S., Kok, G., Gottlieb, N.H. & Fernândez, M. E. (2011). Planning health promotion programs: An Intervention Mapping approach. 3rd edition. San Francisco, CA: Jossey-Bass.
GGD GHOR Nederland (2014). Wie we zijn en wat we doen. Geraadpleegd op 25 juli 2017, van http://www.ggdghor.nl/media/filebank/2a35c85738ef4779b32f58ef5d39cda2/infographic-ggd-ghor-nl.pdf

Deze blog is geschreven door dr. Carmen Voogt (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol & drugs.

 

Ecstacy – een bittere pil?

De afgelopen weken had ik vakantie, en stond ik mezelf toe om eens wat anders te lezen dan wetenschappelijke artikelen. Ik bladerde de Viva door en zag een artikel met de titel ‘Even slikken?’. Het ging over ecstasy (XTC) gebruik in Nederland. Mijn aandacht werd meteen getrokken, want ik ben samen met collega’s een drietal artikelen aan het schrijven over ecstasygebruik.

ecstacy

In de Viva begint het artikel met een vreselijk verhaal over een meisje van 21 jaar dat overleden is na het gebruik van ecstasy. Zij is niet de enige. Er overlijden gemiddeld 8 mensen per jaar door ecstasy1. In het verhaal in de Viva is het meisje overleden door oververhitting. Ecstasy heeft als werkzame stof MDMA en deze stof blokkeert het systeem in de hersenen wat stofjes zoals serotonine en dopamine wegvangt. De hoge concentratie van deze stoffen die daardoor in het brein ontstaat zorgt er weer voor dat de concentratie oxytocine (knuffelhormoon) in het bloed ontzettend snel stijgt. Deze veranderingen zorgen ervoor dat je blijdschap en empathie voelt. Ecstasy wordt daarom ook wel eens een ‘love pil’ genoemd. Echter, een ander gevolg is dat je hartslag en bloeddruk omhoog gaan en dat je lichaamstemperatuur met 1 graad (of meer) stijgt, wat soms resulteert in oververhitting. Na 4 tot 6 uur neemt het effect weer af. Maar let op, de stof is dan nog niet uitgewerkt. Je mag bijvoorbeeld minstens 16 uur geen autorijden na het slikken van een ecstasy pil. Meer ‘wist-je-datjes’ over ecstasy gebruik staan in het kader hieronder.

wistjedatecstacy

Van de Nederlandse jongeren tussen de 15 en 34 jaar gebruikte 6,6% ecstasy in het afgelopen jaar. Dat is het hoogste percentage in Europa. Het Europese gemiddelde is 1,8% 6. In onze eigen studie had bijna 10% van de 18 tot 45 jarigen ooit een keer ecstasy gebruikt, en de helft van deze mensen had in het afgelopen jaar gebruikt. Wat zijn de oorzaken van individuele verschillen in ecstasy gebruik? Waarom probeert de ene persoon het wel en de andere niet? Uit onze studie blijkt dat erfelijke aanleg hier een grote rol bij speelt (erfelijkheid is 74%)7. Daarnaast spelen ook unieke omgevingsinvloeden zoals gebruikende vrienden of het bezoeken van dancefeesten een rol (26%).

We zijn ook nog met 2 andere artikelen bezig over ecstasy gebruik. Daar gaan we in op karakteristieken van ecstasy gebruik: wonen ecstasy gebruikers bijvoorbeeld vaker in de stad dan op het platteland? Of is de persoonlijkheid van ecstasy gebruikers anders dan die van niet-gebruikers? Ook zijn we benieuwd naar de samenhang met andere middelen. Zijn ecstasy-gebruikers ook vaker rokers, zware drinkers of gebruikers van andere drugs dan niet-ecstasy-gebruikers? In een volgende blog dus meer over deze ‘love pillen’, of blijft het ondanks deze mooie naam toch een (letterlijk en figuurlijk) bittere pil?

Deze blog is geschreven door Prof. dr. Jacqueline Vink (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol & drugs.

Ben je op zoek naar meer info over ecstasy gebruik, kijk dan op de website van Jellinek8 of de factsheet van het Trimbos9.

Referenties / bronnen

1 Gemiddeld bijna 8 doden per jaar door XTC. RTL nieuws. 15 juni 2017.   https://www.rtlnieuws.nl/gezondheid/gemiddeld-bijna-acht-doden-per-jaar-door-xtc

2 XTC handel maakt ongrijpbare Brabantse misdaadfamilies tot wereldspelers. NOS. 13 april 2017. http://nos.nl/artikel/2168058-xtc-handel-maakt-ongrijpbare-brabantse-misdaadfamilies-tot-wereldspelers.html

3 Bestaat er een veilige dosis XTC? Jellinek. https://www.jellinek.nl/vraag-antwoord/bestaat-er-een-veilige-dosis-xtc/

4 Zo lang mag je niet autorijden na drugsgebruik. NOS. 1 juli 2017. http://nos.nl/op3/artikel/2180870-zo-lang-mag-je-niet-autorijden-na-drugsgebruik.html

5 Kun je de XTC-dip voorkomen? Drugs en uitgaan. http://www.drugsenuitgaan.nl/hulp-en-advies/veel-gestelde-vragen/uitgebreid/?vraag=6

6 Nederlandse jongeren bovenaan Europese XTC lijst. NOS. 7 juni 2017. http://nos.nl/artikel/2176930-nederlandse-jongeren-bovenaan-europese-xtc-lijst.html

7 Verweij KJH, Treur JL, Vreeker A, Brunt TM, Willemsen G, Boomsma DI, Vink JM. Heritability of lifetime ecstasy use. Drug and Alcohol Dependence 178: 66-69 (2017). https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/28641132

8 XTC / MDMA. Jellinek. https://www.jellinek.nl/informatie-over-alcohol-drugs/xtc-mdma/

9 Feiten en Fabels over ecstasy gebruik. Trimbos Instituut. Juli 2016. https://assets.trimbos.nl/docs/c8ac579a-7c2f-4dd7-af68-ff2c6d4905ec.pdf

Tijd voor actie: een nieuwe benadering om jongeren en jong volwassenen te helpen stoppen met roken

In mijn vorige blog had ik het erover dat voorkomen niet altijd beter is dan genezen. Want zo blijkt: het is gewoon niet altijd mogelijk om te voorkomen en dan kun je maar beter de juiste geneesmiddelen voor handen hebben. Een vraag die hierna snel rijst is: maar hoe kunnen we jongeren en  jongvolwassenen dan helpen om te stoppen met roken? Een zoekactie op het internet en in de wetenschappelijke literatuur geeft je al snel een verontrustend antwoord: NIET. Er is tot op heden in Nederland nog geen effectief bewezen interventie beschikbaar voor jongeren en jongvolwassenen om te kunnen stoppen met roken1,2. Er is de afgelopen tientallen jaren natuurlijk veel onderzoek gedaan en hieruit bleek dat interventies ontwikkeld voor volwassenen bijna nooit werken voor jongeren en jongvolwassenen, maar dat ook specifiek op jongeren gerichte interventies weinig tot geen effect te hebben op hun rookgedrag1,2. Tijd voor actie dus.

Door het voeren van gesprekken met rokende jongeren en jongvolwassen kreeg ik inzicht in de problemen gerelateerd aan huidige interventies: 1) De meeste interventies worden ontwikkeld vanuit een “jij hebt een probleem en ik als volwassene kan je daarbij helpen”-perspectief. Echter, dit paternalistische perspectief zorgt ervoor dat jongeren de autonomie missen om hun eigen gedrag te gaan veranderen2. 2) De sociale component in het ontstaan en instandhouden van rookgedrag is bij jongeren van cruciaal belang3. Roken is voor hen geen op zichzelf staand en individueel gedrag, maar is enorm verbonden met hun hele sociale leven. Weinig tot geen interventies includeren een sociale component, vaak omdat dit erg ingewikkeld is1. 3) De meeste interventies zijn didactief, niet op de juiste manier uitdagend, stigmatiserend en niet leuk voor jongeren2,3. Volwassenen hebben de capaciteit dingen te doen die ze niet leuk vinden voor een groter doel, jongeren hebben hier veel meer moeite mee.

stopsmoking

De problemen die benoemd worden door de rokende jongeren zelf komen prachtig samen in de ‘self-determination theory’, die aangeeft dat de mens drie basisbehoeften heeft, namelijk autonomie, competentie en onderlinge verbondenheid4 (zie http://selfdeterminationtheory.org/ voor meer uitleg over deze theorie). Vervulling van deze drie basisbehoeften binnen een interventie verhoogt de motivatie voor en betrokkenheid bij interventies en is gerelateerd aan behandelsucces4. De huidige interventies voldoen eigenlijk aan geen van die drie basisbehoeften van jongeren en jongvolwassenen en dat zou wel eens het grootste probleem kunnen zijn. De oplossing: de samenwerking zoeken met de doelgroep, samen denken en samen bouwen aan een interventie die relevant is.

Wij denken dat video games kunnen helpen bij het bouwen van die oplossing. Games voldoen namelijk van nature voor bijna alle jongeren aan de drie basisbehoeften5: 1) de game-context is voor jongeren een plaats waarbij ze kunnen experimenteren met gevoelens van macht, keuzevrijheid en autonomie5, zonder de invloed van ouders of leerkrachten. 2) Hoewel games vanuit het paternalistische perspectief vaak worden weggezet als antisociaal, blijkt uit gesprekken met jongeren dat zij geen onderscheid maken tussen online vrienden en offline vrienden. Anders gezegd: games zijn veelal sociaal en jongeren zien het spelen van games als een verlengde van hun sociale leven5,6. Tot slot 3) Games zijn vaak aantrekkelijk, uitdagend maar niet moeilijk, niet-stigmatiserend en leuk5. Daarnaast zijn games ook nog eens het ideale medium om bepaalde vaardigheden te trainen of juist af te leren6. Win-win als je het mij vraagt.

Momenteel wordt in samenwerking met jongeren een game ontwikkeld om ze te helpen stoppen met roken door middel van het trainen van de zelfcontrole en door een beroep te doen op de sociale context van jongeren. Want hoe mooi zou het zijn als we die sterke sociale processen op een voordelige manier kunnen inzetten en daarmee jongeren een extra stimulans kunnen bieden om te stoppen en gestopt te blijven met roken. Hopelijk in een nieuwe blog de resultaten, wordt vervolgd…

Deze blog werd geschreven door Hanneke Scholten (Radboud Universiteit)

Referenties

  1. Stanton, A., & Grimshaw, G. (2013). Tobacco cessation interventions for young people. Cochrane Database of Systematic Reviews 2013, 8, 1-89. doi: 10.1002/14651858.CD003289.pub5
  2. Nationaal Expertisecentrum Tabaksontmoediging (2013). Interventies stoppen met roken voor jongeren. Utrecht, NL: Trimbos Instituut.
  3. Balch, G. I., Tworek, C., Barker, D. C., Sasso, B., Mermelstein, R. J., & Giovino, G. A. (2004). Opportunities for youth smoking cessation: Findings from a national focus group study. Nicotine & Tobacco Research, 6, 9–17. doi: 10.1080/1462200310001650812
  4. Ng, J. Y., Ntoumanis, N., Thøgersen-Ntoumani, C., Deci, E. L., Ryan, R. M., Duda, J. L., & Williams, G. C. (2012). Self-determination theory applied to health contexts: A meta-analysis. Perspectives on Psychological Science, 7, 325-340. doi: 10.1177/1745691612447309
  5. Scientific American. (2016, March 7). Why we love the games that enrage us most. The psychology of intrinsic motivation and “hard fun” could improve education and, naturally, the next generation of video games. Retrieved from https://www.scientificamerican.com/article/why-we-love-the-games-that-enrage-us-most/
  6. Granic, I., Lobel, A., & Engels, R. C. M. E. (2014). The benefits of playing video games. American Psychologist, 69, 66-78. doi: 10.1037/a0034857

Dronken apen

Wetenschappelijke artikelen beginnen vaak met de stelling dat alcoholgebruik algemeen geaccepteerd is in de (Westerse) wereld. Inderdaad, onder alle bestaande drugs is alcohol wereldwijd veruit de meest gebruikte. Het blijft echter een drug met flink wat negatieve gevolgen1. In Nederland is alcohol bijvoorbeeld verantwoordelijk voor 45% van de hulpvragen in de verslavingszorg2. Dit kwam neer op ongeveer 30.000 hulpvragen in 2015! Daarnaast werden er 931 jongeren onder de 18 jaar opgenomen in het ziekenhuis in 20161. Ondanks deze consequenties drinkt het overgrote deel (77%) van de Nederlandse bevolking alcohol. Dat alcohol geaccepteerd is, blijft een intrigerende gedachte; waar komt überhaupt ons drinkgedrag vandaan? Op wat voor manier heeft alcohol zich in het menselijk voedingspatroon gewrongen? En in hoeverre heeft de geschiedenis van alcoholgebruik met hedendaagse drinkgedrag te maken?

Misschien hebben onze voorouders er wel meer mee te maken dan we denken. National Geographic bracht februari 2017 een artikel uit dat zich richtte op de geschiedenis van ons alcohol gebruik. Dit artikel is HIER te vinden. De strekking van dit artikel is dat mensachtigen in de oudheid overrijpe vruchten nuttigden die door het gistingsproces alcohol bevatten. Deze vruchten leverden de meeste calorieën op, wat evolutionair gezien het meest aantrekkelijk was. Hierbij kwam onze voorouder echter ook in aanraking met het bedwelmende gevoel van alcohol. Dit verschijnsel komt in het dierenrijk nu nog voor. Deze “dronken aap” theorie4 heeft er mogelijk voor gezorgd dat de mens genetische kenmerken ontwikkelde waardoor alcohol beter verwerkt kan worden door het lichaam.

Er wordt op basis van archeologisch onderzoek zelfs gesuggereerd dat alcohol één van de redenen was dat jagers en verzamelaars zich zijn gaan settelen. Doordat men ging settelen konden er gewassen verbouwd worden die belangrijk zijn voor de productie van alcohol. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat alcohol onderdeel was van (religieuze) vieringen vanaf de oudheid en alcoholhoudende drank was vaak gezonder dan verontreinigd water. Kortom, alcohol heeft waarschijnlijk een centrale rol gespeeld in de beschaving van de mens.

drunk monkey

Maar waarom is deze geschiedenis anno 2017 belangrijk voor ons drinkgedrag en in het onderzoek dat gedaan wordt naar het drinkgedrag? Dat ons brein positief reageerde op de eigenschappen van alcohol, wat in de geschiedenis in beperkte hoeveelheden te verkrijgen was, bepaalt nu wellicht deels de motieven om alcohol te drinken of dat iemand een alcoholverslaving ontwikkelt. Daarnaast zijn verschillende gebruiken, zoals alcohol drinken bij een verjaardag, doorgegeven van generatie op generatie. Dit is ook wat hedendaagse onderzoeken laten zien: alcoholgebruik en alcoholverslaving zijn deels afhankelijk van de genetische opmaak van een individu5, maar worden ook deels verklaard door de omgeving waarin men opgroeit6.

Dus, de geschiedenis laat zien dat zowel genen als omgeving belangrijk zijn. Dit wordt nu ook vaak teruggevonden in onderzoek. Alcoholgebruik begint vaak in de adolescentie1 en dit gebeurt vaak thuis7 of wordt beïnvloed door de opvoeding. Uit verschillende studies blijkt dat opvoeding (bijvoorbeeld regels en de aanwezigheid van alcohol thuis)6 invloed kunnen hebben of jongeren eerder of later alcohol gaan drinken. Ook speelt de omgang met alcohol-drinkende vrienden een rol. Vooral in het beginnende drinkgedrag speelt de omgeving een grote rol, waarbij de genen een grotere rol spelen naarmate het alcoholgebruik zwaarder en problematischer wordt5.

Al met al schetst National Geographic een sterk beeld hoe alcohol een plaats veroverde in de samenleving en dat hele tradities draaien om alcohol. Maar wat leert dit ons? Dit perspectief biedt een interessante invalshoek voor het verklaren van (overmatig) alcoholgebruik en hoe sterk de plek is die alcohol inneemt binnen onze maatschappij.

Een conclusie hiervan is dat de dronken aap nog steeds ergens in ons te vinden is en het drankgebruik deels in onze natuur zit. Onze genetische opmaak kan echter niet aangepast worden, wat ervoor zorgt dat men zich op de omgeving moet richten. En hier komt het onderzoek om de hoek kijken: wij zijn bijvoorbeeld aan het werk om te achterhalen wat de rol is van blootstelling aan drinkgedrag in de gezinsomgeving en hoe dit het alcohol gebruik van jongeren beïnvloedt. Als we kunnen achterhalen wat ervoor zorgt dat jongeren gaan drinken en, in het latere leven, zwaarder gaan drinken, kunnen we programma’s zoals NIX18 verder toespitsen op de factoren die ervoor zorgen dat er alcoholgebruik onder jongeren plaatsvindt.

Deze blog werd geschreven door Koen Smit (Radboud Universiteit/ Trimbos Instituut)
1 Van Dorsselaer S, Tuithof M, Verdurmen J, Spit M, van Laar M, Monshouwer K. Jeugd en riskant gedrag 2015. Kerngegevens uit het peilstationsonderzoek scholieren. Utrecht: Trimbos-instituut; 2016.
2 Wisselink D, Kuijpers W, Mol A. Kerncijfers verslavingszorg 2015. Houten, Stichting Informatie Voorziening Zorg; 2015.
3http://www.nationalgeographic.com/magazine/2017/02/alcohol-discovery-addiction-booze-human-culture/
4Dudley, R. (2002). Fermenting fruit and the historical ecology of ethanol ingestion: is alcoholism in modern humans an evolutionary hangover?. Addiction, 97(4), 381-388.
5Vink, J. M. (2016). Zit middelengebruik en verslavingsgedrag in de familie? Over erfelijkheid en de zoektocht naar genen [Is substance use and addictive behavior running in the family? About heredity and the quest for genes].
6van der Vorst H, Engels RCME, Burk WJ. Do parents and best friends influence the normative increase in adolescents’ alcohol use at home and outside the home? J Stud Alcohol Drugs. 2010;71(1):105–14.
7Mayer RR, Forster JL, Murray DM, Wagenaar  a C. Social settings and situations of underage drinking. J Stud Alcohol. 1998;59(2):207–15.