Categorie: Sci-fly

Sci-Fly

sci fly icon

 

Op deze pagina vind je korte, hapklare samenvattingen van interessant recent onderzoek naar Roken, Alcohol, Drugs en/ of Dieet. Mooie manier om up-to-date te blijven van wat er gebeurt in de literatuur!

Sci-fly: De invloed van de moeder-dochter relatie op het ontwikkelen van verstoord eetgedrag bij jongvolwassen vrouwen

Verondersteld wordt dat de ontwikkeling van verstoord eetgedrag bij jonge vrouwen tot op zekere hoogte verband houdt met de wijze waarop er binnen de families belang wordt gehecht aan voeding, gewicht en uiterlijk vertoon. De opvattingen van moeders over deze onderwerpen lijken daarin belangrijker dan die van andere familieleden. Er bestaat namelijk een unieke relatie tussen moeders en dochters die ertoe leidt dat dochters de neiging hebben om dezelfde overtuigingen en gedragingen te vertonen als hun moeders, in het bijzonder met betrekking tot gewicht. De moeder fungeert dus ten aanzien van dit onderwerp als belangrijk voorbeeldfiguur voor de dochter. Amerikaanse wetenschappers waren benieuwd of de kwaliteit van deze unieke moeder-dochter relatie verband houdt met de ontwikkeling van verstoord eetgedrag bij jongvolwassen vrouwen. In deze sci-fly lees je daar het antwoord op. 

KERN
Binnen dit onderzoek is onderscheid gemaakt tussen een gezonde en een ongezonde moeder-dochter relatie. De gezonde relatie is beschreven als een relatie waarbij er sprake is van wederzijdse liefde, interesse, aandacht en respect. De ongezonde relatie is beschreven als een relatie waarbij er sprake is van parentificatie en de dochter het gevoel heeft dat zij verantwoordelijk is voor het algehele welbevinden van haar moeder. Uit het Amerikaanse onderzoek is gebleken dat een dergelijke ongezonde moeder-dochter relatie mogelijk kan worden gezien als risicofactor in het ontwikkelen van een eetstoornis bij jongvolwassen vrouwen. De vrouwen met een ongezonde moeder-dochter relatie vertonen namelijk vaker verstoord eetgedrag dan vrouwen met een gezonde moeder-dochter relatie. Hierbij valt te denken aan een restrictief eetpatroon, overmatig eten of eetbuien afgewisseld met (streng) lijnen. De wetenschappers benadrukken dan ook dat wanneer deze resultaten worden ondersteund door longitudinale studies, de preventie- en interventieprogramma’s met betrekking tot eetstoornissen ook gericht zouden moeten worden op het verbeteren van de moeder-dochter relatie.

ONDERZOEKSMETHODE
In deze cross-sectionele studie is gekeken naar de wijze waarop de kwaliteit van de moeder-dochter relatie verband houdt met de ontwikkeling van verstoord eetgedrag bij jongvolwassen vrouwen. In totaal hebben 528 Noord-Amerikaanse vrouwen in de leeftijd van 18 tot en met 24 jaar deelgenomen aan een online vragenlijst. Deze vragenlijst bestond uit een combinatie van verschillende betrouwbare en valide instrumenten waarmee zowel het eetgedrag als de perceptie op de kwaliteit van de moeder-dochter relatie zijn uitgevraagd.

VONDSTEN

  • Jongvolwassen vrouwen met een ongezonde moeder-dochter relatie hebben vaker te maken met verstoord eetgedrag dan jongvolwassen vrouwen met een gezonde moeder-dochter relatie. 
  • Een ongezonde moeder-dochter relatie zou mogelijk kunnen worden gezien als risicofactor voor het ontwikkelen van een eetstoornis bij jongvolwassen vrouwen. Andersom zou een gezonde moeder-dochter relatie mogelijk kunnen worden gezien als beschermende factor. Longitudinale studies zullen moeten uitwijzen of dit ook daadwerkelijk het geval is. 

DETIALS
Posluszny, H., Quick, V., & Worobey, J. (2021). Disordered eating in college women: Associations with the mother-daughter relationship. Eating and Weight Disorders – Studies on Anorexia, Bulimia and Obesity. https://doi.org/10.1007/s40519-021-01175-8

Deze sci-fly werd geschreven door Lisanne Koers voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag, master PWO (Radboud Universiteit), 2021

Sci-fly: Stronger together: How online peer support can help quit smoking.

Contrary to popular belief many smokers, young and old, want to quit smoking. Yet, while taking the big step is challenging, staying abstinent is a greater struggle. Over the last decade, researchers have been designing and testing non-medical treatments to help smokers quit successfully. Some examples include mindfulness, counselling, and self-help interventions. Interestingly, many people start smoking in social settings with their family members, classmates, or colleagues. Then, what if we used social settings to help them quit smoking instead? 

You’ve probably heard of support groups such as Alcoholics/Nicotine/Narcotics Anonymous, where people with substance use problems who want to quit come together to create a space for sharing and support. More recently, internet interventions have also been designed on this principle. They encourage peer support, i.e. connecting with other smokers trying to quit. Such resources are even more relevant with the pandemic forcing most in-person events to be done virtually. Moreover, they are low-cost, ensure anonymity, and are easily accessible on anyone’s phone. One such online peer-support intervention for smokers with promising effects is Tweet2Quit. 

CORE
In Tweet2Quit, each participant was assigned to a 20-people cohort. They were given a Twitter account where they could interact with the 19 other heavy smokers who were also motivated to quit smoking. Over 100 days, they received automated tweets with discussion points related to the quit attempt over which they could engage with their cohort. Moreover, they could use the closed group space to interact with each other limitlessly. Finally, they received daily feedback on their (lack of) participation on Twitter. Researchers found that participants who experienced Tweet2Quit were twice as likely to be smoke-free 2 months after the quit date than those who didn’t experience the intervention. Moreover, participants who tweeted more were more likely to successfully quit as well. 

The success of Tweet2Quit tells us that there is promise in implementing small-scale online self-help groups as an add-on element during a quit attempt. Engaging with others who are in the same position can provide social and emotional support during this challenging period. Naturally, social media use has changed since 2017 when this study was conducted. Yet, features such as “tweeting” are still widely used, and more up-to-date, user-friendly, and accessible versions of the intervention are worth testing. 

RESEARCH METHODS
What?
The researchers tested whether participating in Tweet2Quit led to increased abstinence measured at 7 days, 1 month and 2 months after the quit date, as compared to the control group. At each of these points, participants were asked if they had been abstinent in the last 7 days to determine successful abstinence. 

Who? 
160 adults, mostly female (74%), White (89%), and aged 36 years on average (SD = 9.9). They were heavy smokers (smoked 18 cigarettes daily on averages who had been smoking for an average of 16.8 years) who were motivated to quit smoking. 

How?
Each time 40 new participants enrolled in a cohort, they were randomly divided into the Tweet2Quit or control group. Participants in both groups received nicotine patches to help with cravings, and frequent emails with links to the US government’s website for smoking cessation (smokefree.gov). In addition, only participants in the Tweet2Quit group got the Twitter peer support intervention as an add-on to see if it had benefits over and above typical cessation aid. 

FINDINGS

  • In the Tweet2Quit group, 40% of participants abstained from smoking 2 months after they quit. However, in the control group 20% of participants were still abstinent. This suggests that Tweet2Quit had significant positive effects on their quit attempt. 
  • Participants who tweeted more often and tweeted actively for a longer period were more successful with quitting. For example, for every 10 new tweets, the likelihood of abstinence increased by 20%. 

DETAILS
Pechmann, C., Delucchi, K., Lakon, C. M., & Prochaska, J. J. (2017). Randomised controlled trial evaluation of Tweet2Quit: a social network quit-smoking intervention. Tobacco Control26(2), 188-194.

This sci-fly was written by Suhaavi Kochhar (Radboud University) for RAD-blog, the blog about smoking, alcohol, drugs and diet.

Sci-fly: De impact van COVID-19 op leefstijl van studenten: minder alcohol, meer zitten en minder beweging

De COVID-19 pandemie heeft het leven van studenten flink veranderd. Om de verspreiding van het virus te beperken werden er verschillende maatregelingen ingevoerd zoals het sluiten van horeca en openbare gebouwen (waaronder universiteiten en bibliotheken), reisrestricties, het thuiswerk advies en de implementatie van verschillende lockdowns. Velen studenten hadden het zwaar en zaten geïsoleerd op kleine studentenkamers of verhuisden noodgedwongen terug naar hun ouderlijkhuis. Deze ingrijpende veranderingen hebben onvermijdelijk geleidt tot drastische veranderingen in de leefstijl van studenten. Welke impact had de COVID-19 pandemie op de leefstijl van studenten? In deze sci-fly lees je meer over een Frans onderzoek naar veranderingen in leefstijl tijdens de COVID-19 pandemie. 

KERN
In dit onderzoek werd de impact van de COVID-19 pandemie op de leefstijl (alcohol consumptie, fysieke activiteit en zitgedrag) van Franse universitaire studenten onderzocht. Hiervoor werd er vragenlijst data op vier verschillende tijdstippen voor en/of tijdens de COVID-19 pandemie vergeleken. De uitkomsten laten een positief effect zien op het gebruik van alcohol: studenten zijn minder alcohol gaan drinken. Daarentegen werd een negatief effect waargenomen voor fysieke activiteit en zitgedrag: studenten zijn minder gaan sporten en meer gaan zitten tijdens de COVID-19 pandemie. Opvallend was ook dat vooral lichte lichamelijke activiteit in vergelijking met matige en zware lichamelijke activiteit sterk afnam tijdens de lockdown periodes. De onderzoekers uiten hun zorgen over de lange termijneffecten van de COVID-19 pandemie op de leefstijl van studenten en benadrukken de essentiële rol van de universiteiten in het bevorderen van een actieve leefstijl onder studenten, bijvoorbeeld door het faciliteren van sport voorzieningen of het implementeren van actieve pauzes.

ONDERZOEKSMETHODE
WAT?
In deze studie werd er gekeken naar de verandering in leefstijl (alcohol gebruik, fysieke activiteit en zitgedrag) tijdens verschillende periodes tijdens de COVID-19 pandemie in Frankrijk.  

WIE?
De vier vergeleken cohorten bestaan uit universitaire studenten van verschillende Franse universiteiten.

  • Cohort 1: 1294 studenten (april/mei 2020; tijdens eerste COVID-19 lockdown in Frankrijk)
  • Cohort 2: 373 studenten (juni 2020; na de eerste COVID-19 lockdown)
  • Cohort 3: 284 studenten (oktober 2020; toen het virus onder controle was en de universiteit geopend waren)
  • Cohort 4: 160 studenten (november/december 2020; tijdens de tweede COVID-19 lockdown)

Opmerking: In totaal waren er 91 studenten die aan alle vier de metingen hebben deelgenomen.

HOE?
Voor dit onderzoek werd er gebruik gemaakt van een online vragenlijst, die op vier verschillende tijdstippen tijdens de COVID-19 pandemie verspreid werd via docenten en sociale media. 

VONDSTEN

  • De alcohol consumptie onder studenten nam af tijdens de COVID-19 pandemie.
  • Studenten zijn minder gaan sporten tijdens de COVID-19 pandemie. Met name lichte lichamelijke activiteit nam sterk af in vergelijking met zware en matige lichamelijke activiteit.
  • Studenten zaten meer tijdens de COVID-19 lockdowns, deze trend lijkt zich voort te zetten.

DETAILS
Jaffe AE, Kumar SA, Ramirez JJ, DiLillo D. Is the COVID-19 Pandemic a High-Risk Period for College Student Alcohol Use? A Comparison of Three Spring Semesters. Alcohol Clin Exp Res. 2021 Apr;45(4):854-863. doi: 10.1111/acer.14572. Epub 2021 Mar 23. PMID: 33755213; PMCID: PMC8250603.

Deze sci-fly werd geschreven door Kirsten van Hooijdonk (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Sci-fly: “De meeste studenten hier kiezen ervoor om groente te eten tijdens de lunch”. Kan dit bericht ervoor zorgen dat studenten meer groente eten?

In een eerdere sci-fly van RAD-blog schreef ik al over het belang van en de mogelijkheden om kinderen gezond te verleiden in de schoolkantine. Het eten van gezonde producten, zoals groente, is immers cruciaal voor een gezonde ontwikkeling. Wanneer jongeren ouder worden en de middelbare school verlaten, zullen ze steeds onafhankelijker worden en hun eigen keuzes maken – ook betreffende hun eigen eetgedrag. Zo zullen studenten die uit huis gaan om te studeren aan een hogeschool of universiteit zelf hun maaltijden moeten kopen en klaarmaken. Dit kan zorgen voor ongezondere eetpatronen. Gegeven de negatieve impact van de consumptie van ongezond voedsel op de gezondheid en academische prestaties van studenten, is het ook voor studenten belangrijk om een gezond eetpatroon te stimuleren. Een goede plek hiervoor is op kantine van de hogeschool of universiteit, waar studenten tijdens de pauze hun lunch kunnen halen. Maar (hoe) kun je er als onderwijsinstelling voor zorgen dat studenten in de kantine verleid worden om gezonde producten te eten? Wetenschappers uit Frankrijk zochten het uit.

Foto via Unsplash

KERN
– In dit onderzoek werd getest of studenten meer groente eten na het zien van een bericht waarin wordt beschreven welk gedrag vaak voorkomt onder medestudenten. In dit onderzoek is dat gedrag het eten van groente. Dit wordt een “sociale norm” genoemd.
– Het blootstellen van studenten aan een dergelijk bericht met een sociale norm kan invloed hebben op hun groenteconsumptie.
– Zo voorkomt het blootstellen aan een bericht met een sociale norm dat studenten minder frequent groente gaan consumeren.
– Ook zorgt de blootstelling aan het bericht met een sociale norm voor een (tijdelijke) toename in de hoeveelheid groente die studenten consumeren.

ONDERZOEKSMETHODE
In dit onderzoek namen studenten deel van een universiteit in Frankrijk. Het onderzoek vond plaats in twee grotere universiteitskantines. In het eerste deel van het onderzoek werd één kantine willekeurig geselecteerd om een bericht met een “sociale norm” te tonen die de groenteconsumptie stimuleert. In een dergelijk “sociale norm” bericht wordt beschreven welk gedrag vaak voorkomt onder medestudenten, in dit geval dus het eten van groente. Meer specifiek kregen studenten in de kantine van de interventie-conditie het volgende bericht te zien: “De meeste studenten hier kiezen ervoor om groente te eten tijdens de lunch”, terwijl in de andere kantine een neutraal bericht werd getoond (controle-conditie; “De meeste studenten maken hier hun dienblad schoon na de lunch”). Deze berichten stonden op posters die op verschillende plekken in de kantine werden opgehangen. Drie weken lang werd er voor drie dagen tijdens lunchtijd in de twee kantines geobserveerd wat er werd gekocht en hoeveel procent van het bord bestond uit groente. De observatie vond plaats in drie stadia: de week voorafgaand aan het bericht (pre-interventie); de week waarin het bericht werd getoond (interventie); en een week na het tonen van het bericht (post-interventie). Na deze drie weken werden de twee berichten omgewisseld tussen de twee kantines en ging een nieuwe observatieperiode van drie weken van start. In totaal werden er 12.994 geobserveerde maaltijden gecodeerd. Het onderzoek vond vóór de coronacrisis plaats. 

VONDSTEN
– De frequentie van de groenteconsumptie van studenten in de interventie-conditie bleef gelijk tijdens de interventie-week, terwijl dit voor studenten in de controle-conditie met 17% afnam.
– Wat betreft de hoeveelheid groente die studenten consumeerden, werd er een toename tijdens de interventie-week waargenomen voor studenten in de interventie-conditie. Meer specifiek was de hoeveelheid groente 1.56 keer groter tijdens de interventie-week dan in de pre-interventie week. Deze toename werd niet gevonden voor de studenten in de controle-conditie. 
– De toename van de hoeveelheid groente was niet meer zichtbaar in de post-interventie week voor studenten in de interventie-conditie.

DETAILS
Guichard, E., Autin, F., Croizet, J. C., & Jouffre, S. (2021). Increasing vegetables purchase with a descriptive-norm message: A cluster randomized controlled intervention in two university canteens. Appetite, 167, 105624. doi: https://doi.org/10.1016/j.appet.2021.105624

Deze sci-fly werd geschreven door Nina van den Broek (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Sci-fly: COVID 19 related stress in parents: food parenting practices and child snack intake during the COVID-19 pandemic

Around the globe the corona (COVID-19) pandemic has caused unprecedented changes to the lives of many families. The majority of children and parents were forced to stay at home for a prolonged time due to mandatory lockdowns with consequent closure of non-essential businesses, kindergartens and schools, and cancellation of out-of-home leisure time activities and social gatherings. Furthermore, parents were deprived of resources (e.g. daycare, public libraries) and support systems (i.e. from family members, friends, school or other institutions), and were required to combine work (from home), childcare, and home schooling. Parents have thus experienced particular pressures during the pandemic due to disruption of habits and daily routines of work and life.

Previous research shows that stress can impact parents’ food parenting practices. Food parenting practices are active techniques or behaviors used by parents to influence a child’s food intake. Parents who report more stress may use more coercive practices that are less responsive to children’s hunger and satiety cues. Stressed parents may also be more likely to use food or snacks as coping strategies to manage children’s behavior or emotions.

CORE
Parents experienced increased levels of stress during the COVID-19 pandemic, and this stress was associated with the way they interacted with their children around food. Specifically, parents reporting higher pandemic-associated stress reported more efforts to plan and create routines around meals or snacks (structure), and more positive interactions in terms of eating and engaging with their children around mealtime (autonomy support) but also more use of food to manage their children’s emotions (coercive). When parents reported greater pandemic-associated stress, children’s intake of sweet and savory snacks was higher and was associated with snack parenting practices. To protect children’s nutritional health during the pandemic, guidance for parents is therefore warranted,. A limitation of the study was that the findings may be less applicable to racial and ethnic minorities of low SES families living in different geographic regions, seeing as the sample was weighted towards wealthier, more educated families (mostly college graduates), and the majority of respondents were white.

RESEARCH METHODS
What has been researched?
– The first aim was to briefly characterize parents’ food parenting practices (i.e. positive mealtime practices, general feeding practices and snack parenting practices) during the COVID-19 pandemic and current stress (COVID-19 specific and financial stress) experienced by parents due to the pandemic.
– The second aim was to investigate relationships between measures of food parenting practices and parents’ COVID-19-specific stress. 
– The third aim was to test whether effects of parents’ COVID-19-specific stress on frequency of children’s snack food intake could be partially explained by snack parenting practices.

Who participated in the research?
318 parents of 2-12 year old children from the USA. 

How was the research conducted?
Parents (N = 318) of 2–12-year old children completed a cross-sectional online survey assessing current COVID-19-specific stress, pre-COVID-19 stress, financial stress (e.g. food insecurity), food parenting practices, and child snack intake frequency. Structural Equation Modeling was used to model simultaneous paths of relationships and test direct and indirect effects.

FINDINGS
1. Stress, including financial hardship, was higher compared with before the crisis. 
2. The majority of children had regular mealtimes and irregular snack times. 
3. Higher COVID-19-specific stress was associated with more structure and positive interactions (e.g. eating with or engaging with child around mealtimes) but also more non-nutritive use of food and snacks (e.g. emotional and instrumental feeding).
4. Higher COVID-19-specific stress was also associated with greater child intake frequency of sweet and savory snacks, with some evidence for mediation by snack parenting practices.

DETAILS
Jansen, E., Thapaliya, G., Aghababian, A., Sadler, J., Smith, K., & Carnell, S. (2021). Parental stress, food parenting practices and child snack intake during the COVID-19 pandemic. Appetite, 161, 105119. doi:10.1016/j.appet.2021.105119

This sci-fly was written by Maaike Koning (Radboud University) for RAD-blog, the blog about smoking, alcohol, drugs and diet.

Sci-fly: From single to married life in one step? How romantic relationship progression affects alcohol use in young adults

Navigating the 20s can be quite demanding. Emerging adults engage in new responsibilities, such as beginning a career path, establishing romantic relationships and building a family. More duties will most likely imply settling down and reducing “party animal” moments. Research has shown that these prototypical role transitions may be incompatible with (problem) alcohol use. One challenging transition, and the focus of this sci-fly, is establishing a romantic relationship. Traditionally, research focused on the presence or absence of certain relationship milestones, such as marriage, as an important influence for reducing alcohol use. But, is this really capturing the rapid changes and evolution of the romantic relationships of young adults? Also, are romantic relationships affecting alcohol use, or are alcohol problems affecting the progression of these relationships? Two scientist from the US came up with a new way to look into a classic topic – providing interesting insights!

CORE
Most research about normative decline in alcohol use and romantic relationship role changes focused on big transitions (from single to married) happening over several years. This study included more subtle, year-to-year, changes in romantic relationships progression (i.e. from single, dating, committed, to long-term relationships) to examine associations with problematic drinking in the transition out of university. The researchers provided a more detailed picture, as it was found that getting into a deeper commitment, and not necessarily getting married, was related to less problematic alcohol use. The findings did not depend on being graduated. In addition, the opposite relation was not found: alcohol problems did not seem to affect relationship progression. Future studies should also consider the partners’ report as well as include a population with more problematic alcohol use, and different educational backgrounds. Finally, this study did not ask about the composition of the couples (e.g. same or other-sex couples). This may limit generalization of the findings. 

RESEARCH METHODS

What has been researched?

  • Does progressing in romantic relationship roles (e.g. going from single to dating and from dating to seriously committed – but not yet marriage) predict less problematic alcohol involvement?
  • Does problematic alcohol use predict less progress in the above mentioned romantic relationship transitions? 
  • How does leaving college affect these associations? (exploratory question)

Who participated in the research?

  • 404 students from a public northeastern university in the USA. 
  • The students were in their fourth, fifth and sixth year since university enrollment and the majority were female (63%). 
  • Participants started the study with a mean age of 21.10.

How was the research conducted?

  • This study was part of a bigger research on post-traumatic stress and substance use in college students. Only the last two years of data collection were included.
  • Problem alcohol use was measured at three time points by using several self-report measures, including alcohol-related consequences, alcohol abuse symptoms and alcohol dependence symptoms. 
  • For relationship transitions, participants were asked about their romantic relationship involvement: (1) not involved in a romantic relationship, (2) in a casual romantic relationship, (3) in a serious/committed relationship, (4) engaged or married or in a long-term committed monogamous relationship. Relationship changes were compared from Year 1 to 2, and from year 2 to 3, and collapsed into three transitions: increased romantic involvement, stable involvement, decreased involvement.  
  • Graduation status was measured using a single item with several response categories regarding education status. Participants were considered graduated if they picked the “graduated” subcategory or if they were “graduate students or other post-bachelor’s students”.

FINDINGS

  1. Most individuals progressed in their relationship “step-by-step” (e.g. from a more casual to committed relationship). Only 19% of the transitions reflected big changes (e.g. married or divorced). Those who got more involved in their relationship had fewer alcohol problems by the next year than those who were less romantically involved than before in this period. This was true from the first to the second year of the study, as well as from the second to the third year.
  2. Alcohol problems did not predict whether individuals increased or decreased in their romantic involvement. The relationship was absent for each year comparison. 
  3. Being graduated (or not) did not influence the findings.

DETAILS
Egerton, G. A., & Read, J. P. (2019). Relationship role transitions and problem alcohol use in emerging adulthood. Emerging Adulthood7(4), 291-303.

This sci-fly was written by Milagros Rubio (Radboud University) for RAD-blog, the blog about smoking, alcohol, drugs and diet.

Sci-fly: Wat zegt het hebben van mentale gezondheidsproblemen over succesvol stoppen met roken?

Rokers met psychische aandoeningen gaven in eerder onderzoek aan dat ze beter om kunnen gaan met de symptomen van een psychische aandoening wanneer ze roken. Dit is opvallend, want het is bewezen dat stoppen met roken juist ook samenhangt met vermindering van de symptomen van psychische aandoeningen en de verbetering van algemeen welzijn. Bovendien is aangetoond dat depressieve rokers kunnen minderen of stoppen met roken zonder dat daarbij de symptomen van hun depressie verergeren. Het komt echter niet vaak voor dat zorgprofessionals medicatie of gedragsstrategieën gebruiken om het stoppen met roken te stimuleren bij patiënten met psychische aandoeningen, waardoor roken onder mensen met een psychische aandoening door sommigen beschouwd wordt als een “verwaarloosde epidemie”.

Afbeelding via pixabay.com.

KERN
Deze studie onderzocht de unieke rol die mentale gezondheid kan spelen binnen de relatie tussen nicotineafhankelijkheid en het doen van stoppogingen over een langere tijd. De onderzoekers bekeken de verbanden tussen symptomen van psychische aandoeningen, nicotineafhankelijkheid en a) de waarschijnlijkheid om te stoppen met roken tijdens de onderzoeksperiode, b) het doen van een stoppoging in de afgelopen 12 maanden, en c) de totale sigarettenconsumptie in de afgelopen 30 dagen. Het blijkt dat met name volwassenen met symptomen van psychische aandoeningen minder kans hebben om te kunnen stoppen met roken, deels vanwege de waarschijnlijke interactie tussen nicotineafhankelijkheid en mentale gezondheid. 

ONDERZOEKSMETHODE
WAT
In deze studie werd gekeken wat het verband is tussen psychische aandoeningen, hoge nicotineafhankelijkheid en stoppogingen om uiteindelijk meer gerichte strategieën voor tabakspreventie- en bestrijding te kunnen vormen. 

WIE
7290 Amerikaanse (jong)volwassen rokers die deelnamen aan de Population Assessment for Tobacco and Health (PATH) van 2013 tot 2018. 

HOE

De onderzoekers registreerden hoe vaak en hoeveel de participanten rookten, stoppogingen in de afgelopen 30 dagen en de afgelopen 12 maanden, nicotineafhankelijkheid, en hoe frequent en in welke mate de participanten symptomen vertoonden van psychische aandoeningen in het afgelopen jaar. Deze symptomen werden onderverdeeld in de categorieën a) symptomen van drugsmisbruik, b) internaliserende symptomen en c) externaliserende symptomen. De onderzoekers hebben er echter voor gekozen om de mensen met alleen symptomen van drugsmisbruik niet mee te nemen in hun analyses. 

VONDSTEN

  • Volwassenen met psychische symptomen die niet zo nicotineafhankelijk zijn, hadden meer kans om een ​​stoppoging te doen en om te stoppen dan degenen zonder psychische symptomen of met hoge nicotineafhankelijkheid.
  • Mensen met hoge nicotineafhankelijkheid en meer symptomen van psychische aandoeningen doen minder vaak een stoppoging en als ze een stoppoging doen, lukt het hen minder vaak om ook daadwerkelijk te stoppen. De onderzoekers geven in hun verklaring voor deze vondst aan dat mensen met een psychische aandoening zowel ernstige symptomen van hun aandoening als van nicotineontwenning ervaren, wat het stoppen of minderen met roken moeilijker maakt.
  • Internaliserende symptomen in combinatie met een hoge nicotineafhankelijkheid voorspelden meer sigarettenconsumptie.
  • Nicotineafhankelijke volwassenen met zowel internaliserende als externaliserende symptomen zullen de minste kans hebben om succesvol te stoppen met roken.      
  • Het ervaren van psychische symptomen leek minder invloed te hebben op het rookgedrag bij volwassenen die minder vaak rookten (niet-dagelijkse rokers). 

DETAILS
Snell, M., Harless, D., Shin, S., Cunningham, P., & Barnes, A. (2021). A longitudinal assessment of nicotine dependence, mental health, and attempts to quit Smoking: Evidence from waves 1–4 of the Population Assessment of Tobacco and Health (PATH) study. Addictive Behaviors, 115, 106787.

Deze sci-fly werd geschreven door Ismay de Beijer (student aan de Radboud Universiteit en stagiair bij IrisZorg) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Sci-fly: Ongezond gedrag verminderen door inzet op automatische processen? Een categorisatie van interventie technieken!

Mensen worden vaak ‘verleid’ door attractieve, maar vaak ongezonde, cues in hun omgeving. Zo kan het zien of ruiken van smakelijk voedsel bijvoorbeeld leiden tot een plotselinge hunkering naar voedsel. En deze hunkering leidt vaak tot ongeplande en ongezonde voedselconsumptie via geconditioneerde en automatische stimulus-response reacties. Er zijn verschillende interventie technieken die inspelen op deze automatische reacties om ongezonde gedragingen te voorkomen. Dit artikel deelt interventie technieken in op basis van hoe ze inspelen op deze automatische reacties. Dit is belangrijk omdat een dergelijke categorisatie van technieken een hulpmiddel kan vormen voor gezondheidsprofessionals (clinici of onderzoekers) om gerichte keuzes voor specifieke (combinaties van) technieken te maken.

Binnen het model van dit artikel (zie plaatje) worden globaal gezien twee soorten technieken onderscheiden: (1) technieken die er in eerste instantie voor zorgen dat automatische stimulus-response associaties niet of in mindere mate optreden (antecedentgerichte strategieën) versus (2) technieken die direct insteken op het veranderen van stimulus-response associaties (responsegerichte strategieën). Naast deze globale indeling, wordt eveneens een verder onderscheid aangebracht tussen twee sub-vormen van antecedentgerichte strategieën: direct en indirect. Directe antecedentgerichte strategieën hebben tot doel automatische ongewenste reacties direct te voorkomen door het vermijden van specifieke ongewenste stimulus-response associaties. Dit kan door situaties aan te passen (bijvoorbeeld door een fruitschaal op tafel te plaatsen) of door verschillende situaties te selecteren (bijvoorbeeld niet naar de supermarkt gaan als je honger hebt). Indirecte antecedentgerichte strategieën werken via het vergroten van zelfcontrole door het verplaatsen van aandacht (bijvoorbeeld aandacht schenken aan het eten van een maaltijd) of een verandering in ‘perceptie’ van situaties (bijvoorbeeld ‘mindfulness acceptatie’). Ten slotte zijn responsgerichte strategieën (zoals bijvoorbeeld ‘approach/avoidance’ training) direct gericht op het verminderen van automatische ongewenste (impulsieve) reacties.

In het artikel worden drie hypothesen besproken die praktische richtlijnen bieden voor de selectie van interventietechnieken. Ten eerste, directe antecedentgerichte strategieën werken beter voor personen die minder impulsief zijn, terwijl responsgerichte strategieën beter werken voor mensen die impulsiever zijn. Ten tweede, als directe antecedentgerichte strategieën succesvol zijn, dan zijn responsegerichte strategieën niet meer nodig. Ten derde, directe antecedentgerichte strategieën kunnen het gebruik van responsegerichte interventiestrategieën ondersteunen. Het artikel gaat vervolgens in op een aantal voorbeelden dat deze hypotheses lijkt te ondersteunen. Echter, meer onderzoek is nodig, ook naar effecten van verschillende combinaties van technieken. Zo lijken bijvoorbeeld combinaties van indirecte antecedentgerichte strategieën (zoals mindfulness) en responsgerichte strategieën gunstige effecten te bieden. Het artikel sluit af met een aantal concrete handvatten voor toekomstig onderzoek. Dit toekomstige onderzoek kan vooral belangrijke inzichten bieden voor kwetsbare doelgroepen met een lagere sociaal-economische positie (SEP), omdat zij vaak meer problemen hebben met het vertalen van intenties in gedrag. Hopelijk inspireert dit raamwerk dus toekomstig interventie onderzoek dat erop gericht is om gezondheidsverschillen tussen mensen met hogere en lagere SEP te verkleinen.

DETAILS
Larsen, J. K., & Hollands, G. J. (2021). Targeting automatic processes to reduce unhealthy behaviours: a process framework. Health Psychology Review, 1-16. https://doi.org/10.1080/17437199.2021.1876572

Deze sci-fly werd geschreven door Junilla Larsen (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Sci-fly: Hoe jouw DNA iets zegt over het drinkgedrag van je partner

Mensen in een relatie lijken vaak op elkaar wat betreft hun alcoholgebruik. Maar is dat omdat we het aantrekkelijk vinden en eerder een relatie aangaan als iemand evenveel drinkt als wij (‘assortative mating’)? Of pas je jouw alcoholgebruik aan aan dat van je partner? Howe en collega’s zochten het uit door een kijkje te nemen in het DNA van proefpersonen en hun partners.  

KERN
Zoals wel vaker in de wetenschap is het antwoord: een beetje van allebei. Het blijkt dat partners elkaar inderdaad selecteren op basis van hun alcoholgebruik (wat blijkt uit het feit dat ze hetzelfde ‘alcohol-gen’ hebben, iets wat bij de geboorte al vastlag), maar ook dat als jij meer drinkt, je partner ook meer gaat drinken (wat blijkt uit het directe effect van iemands ‘alcohol-gen’ op het drinkgedrag van diens partner). Beide vondsten zijn belangrijk. Het bestaan van ‘assortative mating’ (iemand als partner kiezen die op je lijkt) kan een vertekend beeld opleveren als je zoekt naar de oorzaken van alcoholmisbruik. De vondst dat het drinkgedrag van partners effect heeft op het eigen drinkgedrag kan belangrijke informatie zijn voor behandelaars. 

ONDERZOEKSMETHODE
WAT?
De onderzoekers hebben een genetische variant geselecteerd waarvan we weten dat het een relatief sterke invloed heeft op alcoholgebruik (rs1229984 uit het ADH1B gen) en gekeken of a) partners vaker dezelfde versie van deze variant hadden dan je op basis van toeval zou verwachten, en b) of deze variant bij de ene persoon het alcoholgebruik van de partner zou voorspellen.

WIE?
Zo’n 50,000 hetero-koppels (samenwonend) uit het Verenigd Koninkrijk, met een Europese achtergrond (in genetische studies is het vaak noodzakelijk om op één etniciteit tegelijk te focussen). De data komen uit de grote nationale dataset van de UK-Biobank.

HOE?
De alcoholmaten waren ooit/ nooit drinker, op dit moment wel/ niet drinker (>2 glazen per week), en het aantal gedronken glazen per week. Voor vraag a) werd er gekeken of partners dezelfde variant van rs1229984 hadden, ook na correctie voor geboorteplaats. Voor vraag b) werd er de Mendelian Randomisation (MR) methode gebruikt (zie ook hier). Hierbij werd het effect van de genetische variant op het alcoholgedrag van de partner gemeten. Waarom keken ze niet gewoon naar het effect van het alcoholgedrag van de ene persoon op dat van de partner? Omdat zo’n verband door allerlei andere factoren beïnvloed zou kunnen worden. Bijvoorbeeld: misschien leeft het koppel in armoede en zorgt dat voor hoger alcoholgebruik in beide partners, zonder dat er een verband is tussen het gebruik van de partners zelf. Door gewoon naar het alcoholgebruik van het koppel te kijken, kun je geen oorzakelijk verband laten zien. Met MR gebruik je de genetische variant als een ‘instrument’ om alcoholgebruik te meten. Van zo’n variant kun je zeker weten dat hij niet beïnvloed is door externe factoren, omdat je DNA vaststaat vanaf je geboorte. Je weet ook zeker dat er geen omgekeerd verband kan zijn, want drinkgedrag kan je DNA-code niet veranderen (zie het figuur hieronder). Daardoor kun je nu wel een oorzakelijk verband aantonen: als jouw ‘alcohol-gen’ het drinkgedrag van je partner voorspelt, kan dat alleen maar door jouw drinkgedrag zijn gekomen. Met andere woorden, jouw drinkgedrag moet dan de oorzaak zijn van het drinkgedrag van je partner.

Mendelian Randomization methode

VONDSTEN

  • Partners leken inderdaad meer op elkaar qua alcoholgebruik dan je op basis van toeval zou verwachten
  • Daarnaast kwam hun variant van rs1229984 vaak overeen, wat erop duidt dat de partners al op elkaar leken voordat ze samen waren (aangezien je genen vaststaan bij je geboorte)
  • Tenslotte bleek uit de MR analyse een oorzakelijk verband tussen het alcoholgebruik van de één op het alcoholgebruik van de ander

DETAILS
Howe, L. J., Lawson, D. J., Davies, N. M., Pourcain, B. S., Lewis, S. J., Smith, G. D., & Hemani, G. (2019). Genetic evidence for assortative mating on alcohol consumption in the UK Biobank. Nature Communications10, 1-10.

Deze sci-fly werd geschreven door Joëlle Pasman (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Sci-Fly: Over #bodypositivity op Instagram: wat is het effect op jonge vrouwen?

Iemand naar beneden halen omdat diegene een onderkin, hangbuik of cellulitis heeft, is niet bepaald #bodypositive. ‘Body positivity’ (of ‘BoPo’) is al enkele jaren een belangrijke beweging op social media. Lange tijd hebben plaatjes van geïdealiseerde, slanke vrouwenlichamen (‘thin-ideal’) het social media platform Instagram gedomineerd. Het is bekend dat blootstelling aan dergelijke, geïdealiseerde beelden leidt tot een verhoogde negatieve stemming, ontevredenheid over het lichaam en zelfobjectivering bij vrouwen. De BoPo-beweging daagt schoonheidsidealen uit door acceptatie en waardering van álle lichaamstypes aan te moedigen. Nu #thin-ideal het Instagram-veld heeft moeten ruimen voor #BoPo, hebben Cohen en collega’s (2019) het effect van ‘body-positive’-beelden op de stemming en het lichaamsbeeld van jonge vrouwen onderzocht. Ze onderzochten onder meer of dit effect anders is dan bij ‘thin-ideal’-beelden.

Foto door Heather Hazzan en Lily Cummings (All Woman Project)

KERN
Deze studie onderzocht of het effect van blootstelling aan BoPo-beelden op de stemming, lichaamstevredenheid en –waardering, en zelfobjectivering van jonge vrouwen anders is dan ‘thin-ideal’-beelden en beelden die niets met uiterlijk te maken hebben (‘appearance-neutral’). Uit de resultaten bleek dat het geval te zijn. De onderzoekers concludeerden dat blootstelling aan BoPo-beelden een positieve invloed heeft op de stemming en het lichaamsbeeld van vrouwen, in tegenstelling tot ‘thin-ideal’-beelden. Jonge vrouwen die vaak ‘thin-ideal’-beelden zien op social media wordt daarom aanbevolen om BoPo-accounts te volgen, zodat hun stemming verbetert en ze een positief lichaamsbeeld ontwikkelen.

ONDERZOEKSMETHODE
WAT? 
Wat is het effect van BoPo-Instagrambeelden op de stemming, lichaamstevredenheid en –waardering, en zelfobjectivering van jonge vrouwen, ten opzichte van ‘thin-ideal’- en ‘appearance-neutral’-beelden?

WIE? 
195 Australische vrouwen met een gemiddelde leeftijd van 21.7 jaar.

HOE?
– De vrouwen werden willekeurig verdeeld over drie groepen: één groep werd blootgesteld aan ‘body positive’-beelden, één groep aan ‘thin-ideal’-beelden en één groep aan ‘appearance-neutral’-beelden.
– Stemming en lichaamstevredenheid werden zowel voor als na blootstelling aan de beelden gemeten aan de hand van een visuele schaal, waarop de deelnemer haar gevoel kon uitdrukken.
– Zelfobjectivering werd na de blootstelling aan de beelden gemeten aan de hand van een zinaanvullijst die ging over de beschrijving van de zelf.
– Lichaamswaardering werd na blootstelling aan de beelden gemeten aan de hand van een test over lichaamswaardering.

VONDSTEN
Allereerst werd blootstelling aan BoPo-beelden op Instagram geassocieerd met een verbetering van de positieve stemming en lichaamstevredenheid van jonge vrouwen, terwijl blootstelling aan ‘thin-ideal’-beelden leidde tot een vermindering van de positieve stemming en lichaamstevredenheid. Blootstelling aan ‘appearance-neutral’-beelden had geen invloed op het lichaamsbeeld, maar werd wel geassocieerd met een verbetering van de positieve stemming. 

Grafiek: Visuele representatie van de belangrijkste conclusie uit het onderzoek.

Ten tweede rapporteerden vrouwen die BoPo-beelden te zien hadden gekregen een grotere lichaamswaardering dan vrouwen die ‘thin-ideal’-beelden hadden gezien. Tot slot werd blootstelling aan BoPo- en ‘thin-ideal’-beelden geassocieerd met een verhoogde mate van zelfobjectivering dan blootstelling aan ‘appearance-neutral’-beelden.

DETAILS
Cohen, R., Fardouly, J., Newton-John, T., & Slater, A. (2019). #BoPo on Instagram: An experimental investigation of the effects of viewing body positive content on young women’s mood and body image. New Media & Society21, 1546–1564.

Deze sci-fly, geschreven door Francien de Wolf, is onderdeel van een serie gastblogs die geschreven zijn door studenten van de Master Pedagogische Wetenschappen voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag van de Radboud Universiteit.

Sci-Fly: Is er een associatie tussen meeroken en veranderingen in het functioneren van het brein bij jongeren die zelf niet roken?

Uit onderzoek weten we dat rokers steeds gevoeliger worden voor rook-gerelateerde stimuli. Een roker krijgt bijvoorbeeld trek in een sigaret alléén al bij het zien van een pakje sigaretten. Dit automatische proces zien we terug in de hersenen van rokers als een verhoogde activiteit in het motivationele netwerk voor rook-stimuli in vergelijking tot neutrale-stimuli. Daarnaast zien we dat rokers steeds méér moeite hebben met het uitstellen, afremmen of stoppen van hun gedrag, ofwel een verminderde inhibitie controle. Deze verminderde inhibitie controle zien we ook terug in de hersenen van rokers als verminderde activiteit in het controle netwerk. Nederlandse wetenschappers (waaronder RAD-bloggers Joyce Dieleman en Maartje Luijten) wilden onderzoeken welke rol meeroken speelt bij het ontwikkelen van een nicotine afhankelijkheid. Daarom vroegen ze zich af of er al veranderingen zichtbaar zijn in de hersenen van jongeren die zelf niet roken, maar die wel veel blootgesteld worden aan rook in de omgeving op dit moment in hun leven, ofwel meeroken. Benieuwd naar de bevindingen, lees snel verder!

KERN
In deze studie werd er gekeken naar de relatie tussen meeroken en het functioneren van de hersenen gerelateerd aan het reageren op rook-gerelateerde stimuli (cue-reactiviteit) en inhibitie controle bij jongeren die zelf niet-roken. De onderzoekers hebben geen significante relaties gevonden tussen meeroken en functioneren van de hersenen gerelateerd aan het reageren op rook-gerelateerde stimuli en inhibitie controle. Deze bevindingen suggereren dat lage tot matige niveaus van blootstelling aan rook uit de omgeving niet geassocieerd zijn met 1) een verhoogde gevoeligheid voor rook-gerelateerde stimuli in het motivationele netwerk in het brein en 2) verminderde inhibitie controle in het controle netwerk in het brein. Verder onderzoek moet uitwijzen of hoge niveaus van blootstelling aan rook uit de omgeving wel resulteren in veranderingen in het functioneren van de hersenen gerelateerd aan cue-reactiviteit en inhibitie controle.  

ONDERZOEKSMETHODEN
In deze studie namen 51 niet-rokende jongeren tussen 14 en 18 jaar deel aan een fMRI studie. In de scanner voerden de jongeren 2 taken uit. Met de eerste taak (cue-reactiviteit taak) werd brein activiteit gemeten voor rook-gerelateerde vs. neutrale stimuli. Met de tweede taak (Go/NoGo taak) werd brein activiteit vastgesteld voor Go vs. NoGo stimuli om inhibitie controle te meten. Blootstelling aan rook uit de omgeving (vader/moeder/broers/zussen/beste vriend(in)/vrienden/anderen) werd gemeten met behulp van een vragenlijst.

VONDSTEN
De onderzoekers vinden geen bewijs voor een dosis-response relatie tussen meeroken en hersenactiviteit gerelateerd aan cue-reactiviteit en inhibitie controle. 

  • Dat wil zeggen dat het niet zo is dat jongeren met méér blootstelling in hun omgeving verhoogde activiteit lieten zien in het motivationele netwerk in het brein voor rook-gerelateerde stimuli
  • Dit zelfde geld voor activiteit in het controle netwerk in het brein, dus méér blootstelling hangt niet samen met een verminderde inhibitie controle. 

Een limitatie die door de onderzoekers wordt genoemd is het relatief lage aantal deelnemers met hoge blootstellingsniveaus. Dit zou kunnen verklaren waarom er geen associatie is gevonden tussen meeroken en het functioneren van de hersenen gerelateerd aan cue-reactiviteit en inhibitie controle. 

DETAILS
Boormans, A*., Dieleman, J*., Kleinjan, M., Otten, R., Luijten, M. (2020). Environmental Tobacco Smoke Exposure and Brain Functioning Associated with Smoking Cue-Reactivity and Inhibitory Control in Non-smoking Adolescents. European Addiction Research. *shared first authors

Deze sci-fly werd geschreven door Joyce Dieleman (Trimbos Instituut/Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Sci-fly: De invloed van vaders op het eetgedrag van hun eigen kinderen

De laatste decennia nemen vaders binnen het gezin een steeds meer verzorgende rol aan, mede doordat beide ouders meer buitenshuis zijn gaan werken. Veel onderzoek is gedaan naar de rol en invloed van moeders op (de ontwikkeling van) eetgedrag van kinderen, terwijl er minder bekend is over de rol van vaders en hun eventuele invloed hierop. Het is bekend dat individuele eigenschappen van moeders geassocieerd zijn met bepaalde voedingspraktijken, bijvoorbeeld moeders opvattingen over eten hangt samen met restrictie van voedselinname van kinderen. Voedingspraktijken zijn gedragingen van ouders die als doel hebben wat het kind eet te beïnvloeden. Met voedingspraktijken wordt dus de specifieke eetopvoeding bedoeld. In hoeverre verschillen vaders van moeders in dit opzicht? En wat is de specifieke rol van vaders bij het ontwikkelen van eetgedrag en hun invloed op de voedselinname van hun kinderen? 

KERN
Deze review studie onderzocht de invloed van vaders op de eetgedragingen van hun eigen kinderen. Specifiek is gekeken naar uitkomsten met betrekking tot gezondheid van kinderen, relaties tussen gewicht van vaders en gewicht van kinderen en eetgedrag van vaders en eetgedrag van kinderen. Er zijn veel consistente bevindingen gevonden. BMI van vaders en BMI van kinderen waren positief gecorreleerd. Voedselinname van vaders, alsook de aanwezigheid van voedsel in de thuisomgeving, waren voorspellers voor voedselinname van kinderen. De voedingspraktijken van vaders waren voorspellend voor eetgedrag van hun kinderen en overeenstemming tussen deze voedingspraktijken met die van moeders, zorgden voor de gezondste voedselkeuzes bij hun kinderen. Een steeds groter aantal onderzoeken laat zien dat vaders een essentiële rol hebben in de invloed die zij hebben op eetgedrag van hun kinderen. De onderzoekers adviseren verder onderzoek, inclusief randomized control trials, om verdere conclusies te kunnen trekken en versterken. Ook concluderen zij dat verder onderzoek nodig is om educatiemogelijkheden en interventies gericht op vaders te kunnen neerzetten. 

ONDERZOEKSMETHODEN
Een systematische review waarin 851 artikelen gescreend werden. 23 studies voldeden aan de inclusiecriteria; 2 papers met een randomized control trial design, 3 longitudinale studies en 18 cross-sectionele studies werden geïncludeerd. Papers werden alleen geïncludeerd als vaderlijke invloed op kind gedragingen en/of voedselinname onderzocht werden. Vaders van verschillende leeftijden werden geïncludeerd, de onderzochte kinderen waren tussen de 0-18 jaar oud. 

VONDSTEN

  • BMI van vaders was positief gecorreleerd met BMI van hun kinderen.
  • Voedselinname van vaders was een voorspeller voor voedselinname van hun kinderen.
  • Aanwezigheid van voedsel in de thuisomgeving, was van invloed op de hoeveelheid voedselinname van kinderen.
  • Voedingspraktijken van vaders waren een voorspeller voor eetgedrag van hun kinderen.
  • Overeenstemming tussen de voedingspraktijken van vaders en moeders resulteerde in de gezondste voedingskeuzes bij kinderen. 

DETAILS
Litchford, A., Savoie Roskos, M. R., & Wengreen, H. (2020). Influence of fathers on the feeding practices and behaviors of children: A systematic review. Appetite, 147, 104558.

Deze sci-fly werd geschreven door Maaike Koning (Hogeschool Windesheim en Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Sci-fly: Middelengebruik, depressieve symptomen en de verbondenheid met de wijk onder jongvolwassen mannen

Beter een goede buur, dan een verre vriend? Jongeren bewegen zich iedere dag door de wijk waar ze wonen. Ze zijn er naar school gegaan en hebben wellicht vrienden gemaakt in de buurt. Of ze zijn inmiddels verhuisd en moeten hun plaats vinden in een nieuwe omgeving. Hoe belangrijk is het of je je sociaal verbonden voelt met de wijk waarin je woont? In de studie van Tsai en collega’s (2020) is de relatie tussen sociale verbondenheid en middelengebruik onderzocht. Hierbij is ook onderzocht of depressieve symptomen een rol spelen in de relatie tussen sociale verbondenheid en middelengebruik. 

Foto door: @thiszun

ONDERZOEKSMETHODE

WAT is onderzocht?

  • Is er een relatie tussen sociale verbondenheid met de omgeving en middelengebruik (alcohol, roken, cannabis) onder jongvolwassenen?
  • Loopt het mogelijke verband tussen sociale verbondenheid met de omgeving en middelengebruik via depressieve symptomen (sociale verbondenheid -> depressieve symptomen -> middelgebruik)? 

WIE zijn onderzocht? 

  • 5372 Zwitserse mannen met een gemiddelde leeftijd van 21.3 jaar bij aanvang van de studie. 

HOE is het onderzoek uitgevoerd?

  • Er zijn op 2 momenten vragenlijsten afgenomen met 4 jaar ertussen. 
  • Sociale verbondenheid is gemeten door vragen te stellen over vertrouwen in buurtgenoten, het gevoel onderdeel te zijn van de buurt, en onderlinge verdraagzaamheid. Hiervan is een gemiddelde score berekend.  
  • Depressieve symptomen zijn gemeten aan de hand van diagnostische criteria voor depressie.
  • Alcohol, roken en cannabis zijn gemeten met vragenlijsten die vragen stellen rondom de frequentie van gebruik en de aanwezigheid van signalen voor afhankelijkheid. Hier is per middel een somscore van gemaakt. 

RESULTATEN

  • Wat is de relatie tussen sociale verbondenheid en middelengebruik (alcohol, roken, cannabis) onder jongvolwassenen?
    • Hogere sociale verbondenheid hangt samen met minder roken en cannabisgebruik in het moment tijdens het afnemen van de 1e en 2e vragenlijst.  
    • Sociale verbondenheid voorspelt roken en cannabisgebruik 4 jaar later. 
  • Loopt het verband tussen sociale verbondenheid en middelengebruik via depressieve symptomen (sociale verbondenheid -> depressieve symptomen -> middelgebruik)? 
    • Er is bewijs gevonden dat het voorspellen van middelgebruik 4 jaar later via depressieve symptomen verloopt. Een lage mate van ervaren sociale verbondenheid voorspelt meer depressieve symptomen 4 jaar later en dit hangt samen met meer alcoholgebruik, roken en cannabisgebruik. 

OVERWEGINGEN

  • Dit is de eerste studie die de relatie tussen sociale verbondenheid, middelengebruik en depressieve symptomen onderzoekt onder jongvolwassenen. 
  • Dit is ook de eerste studie die het effect van sociale verbondenheid op middelengebruik op een later moment in tijd (4 jaar later) onderzoekt. Eerdere studies onderzochten dit verband op het zelfde moment in tijd. 
  • Voor het uitvoeren van de analyses was het beter geweest als er drie tijdsmomenten gemeten waren. 
  • De studie is alleen uitgevoerd onder Zwitserse jonge mannen. Het is onduidelijk of deze resultaten ook van toepassing zijn op jonge vrouwen, of in andere landen. 

CONCLUSIES

Een hogere mate van sociale verbondenheid met de omgeving bij jonge mannen lijkt samen te hangen met minder middelengebruik op dat moment. De relatie tussen sociale verbondenheid met de omgeving en middelengebruik in de toekomst lijkt te verlopen via depressieve symptomen. Lagere verbondenheid hangt samen met meer depressieve symptomen vier jaar later en dit hangt samen met meer middelengebruik. 

IMPLICATIES

Het stimuleren van een sterkere sociale verbondenheid met de directe leefomgeving kan een positief effect hebben op het welzijn van jonge mannen door minder problematisch middelengebruik en minder depressieve symptomen. 

DETAILS

Tsai, D-H., Foster, S., Gmel, G., Mohler-Kuo, M. (2020). Social cohesion, depression, and substance use severity among young men: Cross-sectional and longitudinal analyses from a Swiss cohort. Addictive Behaviors, 110, 106510. 

Deze Sci-Fly is geschreven door Maartje Luijten (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, de blog over Roken, Alcohol, Drugs en Dieet. 

Sci-fly: Een kind dat niet wil eten en een moeder die dwingt te eten: Wie beïnvloedt wie?

Kieskeurig eetgedrag komt veel voor bij jonge kinderen. Ze lusten maar een beperkt aantal producten, en iets nieuws proberen? Ho maar! Dit eetgedrag kan bij ouders voor frustratie zorgen, maar ook voor ongerustheid over de gezondheid van hun kind. Het is echter nog niet bekend waarom deze twee gedragingen aan elkaar gerelateerd zijn. Lokt het kieskeurige eetgedrag deze ouderlijke controle uit? Of worden kinderen kieskeuriger naarmate ouders meer druk uitoefenen om te eten?

Child Eats Vegetables. Summer Photo. Selective Focus

KERN
Deze studie onderzocht of kieskeurig eetgedrag van kinderen gerelateerd was aan meer ouderlijke druk om te eten bij moeders, en of ouderlijke druk bij moeders op zijn beurt meer kieskeurig eetgedrag bij kinderen voorspelde. Uit de resultaten bleek beide het geval te zijn. De onderzoekers concludeerden dat moeder en kind elkaars gedrag rondom kieskeurig eten wederzijds beïnvloedden, en daarmee versterken. Hoewel ouders waarschijnlijk met goede bedoelingen hun kind dwingen om te eten, lijkt dit op langere termijn een averechts effect te hebben. Daarom zouden ouders gestimuleerd moeten worden om op een andere manier met het kieskeurige eetgedrag van kun kind om te gaan. De onderzoekers adviseerden om hier specifieke adviezen voor te ontwikkelen.

ONDERZOEKSMETHODEN
In dit Nederlandse onderzoek deden 4845 moeder-kind duo’s mee. Moeders vulden op vier momenten vragenlijsten in. Toen kinderen 1.5, 3, 4 en 6 jaar oud waren, vulden moeders vragen in over het eetgedrag van hun kind. Op 4-jarige leeftijd, vulden moeders ook een vragenlijst in naar ouderlijke druk om te eten.

VONDSTEN

  • Kieskeurig eetgedrag bij kinderen op 1.5-jarige leeftijd voorspelde meer ouderlijke druk om te eten bij moeders tweeënhalf jaar later.
  • Kieskeurig eetgedrag bij kinderen op 3-jarige leeftijd voorspelde ook meer ouderlijke druk om te eten bij moeders één jaar later.
  • Het gebruik van ouderlijke druk om te eten bij moeders op 4-jarige leeftijd (van het kind), voorspelde meer kieskeurig eetgedrag bij het kind twee jaar later.

DETAILS
Jansen, P. W., de Barse, L. M., Jaddoe, V. W. V., Verhulst, F. C., Franco, O. H., & Tiemeier, H. (2017). Bi-directional associations between child fussy eating and parents’ pressure to eat: Who influences whom? Physiology & Behavior, 176, 101-106.

Deze Sci-Fly werd geschreven door Desi Beckers (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Sci-fly: Wat doen sociaal isolement en eenzaamheid met onze leefstijl?

De coronapandemie dwingt ons tot een beperking van sociale contacten en dit kan gepaard gaan met een eenzaam gevoel. Op termijn kunnen sociaal isolement en eenzaamheid leiden tot serieuze gezondheidsproblemen, zoals depressieve klachten, een verhoogde bloeddruk en slaapproblemen. Sociale relaties kunnen ons gezondheidsgedrag op twee manieren beïnvloeden. Enerzijds positief: door het delen van kennis over een gezonde leefstijl en sociale controle wordt het makkelijker om gezond gedrag vol te houden. Anderzijds negatief: sociale relaties die ongezond gedrag stimuleren, zoals vrienden die elkaar “aansteken” om te gaan roken. Met name in achterstandswijken kan het relevant zijn om de rol van sociaal isolement en eenzaamheid op leefstijl te onderzoeken, aangezien ongezond gedrag vaker voorkomt bij inwoners van achterstandswijken vergeleken met inwoners van andere wijken. Onderstaande Deense studie verdiepte zich hierin!

KERN
De huidige studie liet zien dat sociaal isolement en eenzaamheid in achterstandswijken geassocieerd waren met een hogere kans op ongezond gedrag (lage groente- en fruitconsumptie, dagelijks roken en fysieke inactiviteit). Sociaal isolement en eenzaamheid gingen in deze studie niet gepaard met een hoge alcoholconsumptie.

Het is belangrijk dat strategieën om sociaal isolement en eenzaamheid te verminderen worden geïntegreerd in bestaande gezondheidsinterventies voor inwoners van achterstandswijken. Uit een eerdere studie bleek dat groepsinterventies (educatieve en sociale activiteiten gericht op specifieke groepen) behulpzaam zijn bij het voorkomen van sociaal isolement en eenzaamheid.

ONDERZOEKSMETHODE
Het doel van deze Deense studie was om meer inzicht te krijgen in:
A. Sociaal isolement en eenzaamheid onder bewoners van achterstandswijken in vergelijking met de algemene bevolking
B. De samenhang tussen sociaal isolement, eenzaamheid en een ongezonde leefstijl

Om de onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden werd gebruik gemaakt van twee databases:
1. Achterstandswijken gezondheidsprofiel vragenlijst, deze vragenlijst werd ingevuld door 5.113 bewoners van achterstandswijken in 2011.
2. Deense gezondheid en ziekte vragenlijst, deze vragenlijst werd ingevuld door 14.686 volwassenen in 2010 (algemene bevolking).

De uitkomstmaat sociaal isolement was gebaseerd op een zogenoemde netwerkindex, een instrument waarmee het sociale netwerk van een respondent in kaart wordt gebracht. De scores van deze sociale netwerkindex varieerden tussen 0 en 4 en werden gecategoriseerd in “sociaal geïsoleerd” (score 0-2) en “niet-sociaal geïsoleerd” (score 3-4). Eenzaamheid werd bepaald door de vraag: “Ben je ooit alleen, terwijl je liever samen bent met andere mensen?”. Antwoordopties bij deze vraag waren “Ja, vaak”, “Ja, soms”, “Ja, zelden” en “Nee”, deze antwoorden werden gecategoriseerd in “eenzaam” (vaak) en “niet-eenzaam” (soms, zelden, nee). Ongezond gedrag werd gemeten aan de hand van vier indicatoren: beperkte groente- en fruitconsumptie, dagelijks roken, hoge alcoholconsumptie en lichamelijke inactiviteit. In de analyses werden sociaal isolement en eenzaamheid uitgezet tegen sociaal demografische factoren en de vier leefstijlindicatoren.

VONDSTEN

Afbeelding sci-fly Pauline

A. Achterstandswijken in vergelijking met de algemene bevolking

  • Sociaal isolement kwam significant vaker voor bij inwoners:
    • met een migratieachtergrond (22%) in vergelijking met inwoners zonder migratieachtergrond (17%)
    • zonder een baan (22%) in vergelijking met inwoners met een baan (11%)
    • met een lage sociaal economische status (SES) (25%) in vergelijking met inwoners met een gemiddelde of hoge SES (16%)
  • Eenzaamheid kwam significant vaker voor bij inwoners:
    • met een migratieachtergrond (10%) in vergelijking met inwoners zonder migratieachtergrond (8%)
    • zonder een baan (11%) in vergelijking met inwoners met een baan (5%)
    • met een lage SES (12%) in vergelijking met inwoners met een gemiddelde of hoge SES (5%)

B. De samenhang met een ongezonde leefstijl

  • Sociaal geïsoleerde inwoners:
    • aten significant minder groente en fruit (13%) dan niet-sociaal geïsoleerde inwoners (6%)
    • rookten significant vaker dagelijks (45%) dan niet-sociaal geïsoleerde inwoners (37%)
    • waren significant vaker fysiek inactief (30%) dan niet-sociaal geïsoleerde inwoners (17%)
  • Eenzame inwoners:
    • aten significant minder groente en fruit (16%) dan niet-eenzame inwoners (7%)
    • rookten significant vaker dagelijks (49%) dan niet-eenzame inwoners (37%)
    • waren significant vaker fysiek inactief (34%) dan niet-eenzame inwoners (18%)
  • Een hoge alcoholconsumptie (meer dan 14 glazen per week voor vrouwen en meer dan 21 glazen per week voor mannen) was niet geassocieerd met sociaal isolement en eenzaamheid.

DETAILS
Algren, M.H., Ekholm, O., Nielsen, L., Ersbøll, A.K., Bak, C.K., Andersen, P.T. (2020). Social isolation, loneliness, socioeconomic status, and health-risk behaviour in deprived neighbourhoods in Denmark: A cross-sectional study. SSM Population Health, 10, 100546.

Deze sci-fly werd geschreven door Pauline Geuijen (Radboudumc) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.