Categorie: Sci-fly

Sci-Fly

sci fly icon

 

Op deze pagina vind je korte, hapklare samenvattingen van interessant recent onderzoek naar Roken, Alcohol, Drugs en/ of Dieet. Mooie manier om up-to-date te blijven van wat er gebeurt in de literatuur!

Sci-fly: Nicotineverslaving – onderzoek naar de neurobiologische risicofactoren

De meest voorkomende verslaving onder jongeren is die aan sigaretten, ofwel nicotine. Sigaretten zijn, in vergelijking tot andere drugs, eenvoudig te verkrijgen en daardoor komt experimenteren met roken onder jongeren veel voor. Terwijl sommige jongeren gemakkelijk van de sigaretten af kunnen blijven nadat ze een aantal keer gerookt hebben, lijkt dit voor anderen veel moeilijker. Waarom zijn sommige jongeren gevoeliger voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving in vergelijking tot anderen? Onderzoek naar de onderliggende neurobiologische risicofactoren kan inzicht geven.

Uit eerder onderzoek weten we dat drugs gerelateerde beloningen (bijvoorbeeld een sigaret of een pakje sigaretten) zorgen voor een verhoogde activiteit in het beloningsgebied in de hersenen van verslaafde volwassenen. Niet-drugs gerelateerde beloningen, zoals geld, zijn juist minder interessant en resulteren in verminderde activiteit. Eerder onderzoek was met name gefocust op volwassenen, maar deze studie was een van de eerste studies die dit fenomeen testte in adolescenten.

KERN
De onderzoekers vonden dat het beloningsgebied in de hersenen van jongeren die roken minder actief is bij het zien van alledaagse beloningen, zoals geld, in vergelijking met jongeren die niet roken. Deze verminderde activatie van het beloningsgebied voor alledaagse beloningen werd zelfs waargenomen in jongeren die in hun leven slechts 10x gerookt hebben. Verminderde activiteit in het beloningsgebied van het brein voor alledaagse beloningen is dus mogelijk een risico factor voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving.

rokers brein beloning geld

ONDERZOEKSMETHODE
Het doel van deze studie was om meer inzicht te krijgen in de neurobiologische risicofactoren verantwoordelijk voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving. Om dit te onderzoeken werden 43 jongeren die roken vergeleken met 43 jongeren die niet roken. Met behulp van fMRI werd gekeken hoe het brein reageert op alledaagse beloningen (geld) en of er verschillen zijn tussen de 2 groepen in de activatie van het beloningsgebied in het brein. Er werd ook gekeken of de activatie in het beloningsgebied van het brein gerelateerd is aan het aantal sigaretten dat iemand gemiddeld genomen rookte in de maand voorafgaand aan het onderzoek. Daarnaast werd een kleine groep van milde rokers (14 jongeren, die minder dan 10x gerookt hebben in hun leven) vergeleken met de groep rokers.

VONDSTEN
Het beloningsgebied in de hersenen van de rokers in vergelijking tot de niet-rokers was minder actief voor alledaagse beloningen.

  • De activatie in dit gebied hing samen met het aantal sigaretten dat iemand gemiddeld genomen had gerookt in de maand voorafgaand aan het onderzoek. Dat wil zeggen dat hoe vaker iemand gemiddeld genomen rookte in de afgelopen maand, hoe lager de activiteit in het beloningsgebied.
  • De verminderde activiteit in het beloningsysteem werd ook waargenomen in de groep jongeren die minder dan 10 keer in hun leven gerookt hadden. Op basis van dit resultaat suggereren de onderzoekers dat jongeren die minder gevoelig zijn voor geld beloningen (minder activiteit in het beloningsgebied in de hersenen bij het zien van geld beloningen) mogelijk vatbaarder zijn voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving. Omdat de jongeren slechts 10x of minder gerookt hebben in hun leven, zijn de veranderingen in de activiteit van het brein niet het gevolg van chronisch nicotine gebruik. Deze data wijst erop dat verminderde activiteit in het beloningsgebied juist resulteert in roken. Echter, meer longitudinaal onderzoek is nodig om dit verder te onderzoeken.
  • De huidige studie suggereert dat verminderde activiteit in het beloningsgebied voor alledaagse beloningen mogelijk een risico factor is voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving.

DETAILS
Peters, J., Bromberg, U., …, Büchel, C. (2011). Lower  ventral striatal activation during reward anticipation in adolescent smokers. Am J Psychiatry,  168(5):540-9.

Deze sci-fly werd geschreven door Joyce Dieleman (Trimbos Instituut/ Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Sci-fly: Cannabisgebruik verminderen, maar niet stoppen – behulpzaam of niet?

Onderzoek naar de behandeling van verslavingen focust zich normaliter op onthouding van middelen – volledig stoppen met iets gebruiken, om vervolgens te kunnen herstellen. Tot voor kort werd er niet of nauwelijks gekeken naar de vermindering van middelengebruik, en hoe dit in verhouding staat met onthouding. Als een verslaafd persoon simpelweg minder gaat gebruiken, kan hij/zij daar dan de vruchten van plukken? Of houdt diegene zichzelf hiermee voor de gek? De verminderingsstrategie wordt vaak afgeraden in de behandeling (ten voordele van de onthoudingsstrategie). Desondanks kunnen er positieve effecten verbonden zijn aan de verminderingsstrategie, bijvoorbeeld voor de fysieke en mentale gezondheid. Als iemand deze voordelen ervaart, zou het misschien zelfs motiverend kunnen werken bij het afbouwen van middelengebruik, of om de vervolgstap te zetten naar volledige onthouding.

plaatje_vermindering.png

KERN
– In dit onderzoek werden (ex-)cannabisverslaafden verdeeld in drie groepen op basis van hun recente middelengebruik: 1) onthouding, 2) licht gebruik, en 3) zwaar gebruik.
– Deze groepen werden vervolgens vergeleken op verschillende maten van fysieke en mentale gezondheid.
– De onthoudingsgroep en de lichtgebruikers rapporteerden betere uitkomsten op fysieke en mentale gezondheid dan de zwaargebruikers. Dit gold bijvoorbeeld voor de algemene gezondheid, eetlust, en symptomen van depressie- of angststoornissen.

ONDERZOEKSMETHODE
Deze studie onderzocht of een verminderde mate van cannabisgebruik gerelateerd zou zijn aan positieve gezondheidsuitkomsten, in vergelijking met zwaar gebruik of onthouding. Zulke uitkomsten zouden een positieve bijdrage kunnen leveren aan het behandelingsproces – bijvoorbeeld om mensen te motiveren, of als volledige onthouding (nog) onmogelijk is. Een groep Amerikaanse onderzoekers heeft hiervoor vragenlijstonderzoek gedaan bij 111 mensen met een geschiedenis van problematisch cannabisgebruik (denk hierbij bijvoorbeeld aan deelnemers van Marijuana Anonymous bijeenkomsten in de VS). Op basis van hun gebruiksgeschiedenis van de afgelopen 30 dagen werden zij verdeeld in drie groepen: 1) de onthoudingsgroep, 2) lichtgebruikers (3 of minder dagen per week) en 3) zwaargebruikers (>4 dagen per week). Deze drie groepen werden vergeleken op verschillende maten van fysieke en mentale gezondheid.

VONDSTEN
– Over het algemeen scoorden zwaargebruikers van cannabis het slechtst van alle groepen.
– De verschillen tussen de onthoudingsgroep en de lichtgebruikers waren klein en statistisch niet-significant.
– In verhouding tot de zwaargebruikers, hadden de onthoudingsgroep en de lichtgebruikers betere scores op algemene gezondheid, eetlust en depressie.
– Volledige onthouding was daarnaast nog gerelateerd aan een hogere slaapkwaliteit en minder angstsymptomen.
– Verminderd cannabisgebruik wordt dus geassocieerd met een aantal positieve gezondheidsuitkomsten, in verhouding tot zwaar gebruik (>4 dagen per week)

Verminderd cannabisgebruik lijkt dus enkele voordelen met zich mee te brengen, maar onderzoeken over langere periodes zijn nodig om deze stelling verder te kunnen bevestigen. Daarnaast is het nog onbekend in hoeverre dit motiverend zou kunnen werken bij het stopproces.

DETAILS
Mooney, L. J., Zhu, Y., Yoo, C., Valdez, J., Moino, K., Liao, J. Y., & Hser, Y. I. (2018). Reduction in Cannabis Use and Functional status in physical health, mental health, and Cognition. Journal of Neuroimmune Pharmacology13(4), 479-487

Deze sci-fly werd geschreven door Dennis Trommelen, masterstudent Behavioral Science Institute, Radboud Universiteit Nijmegen.

Sci-fly: Rookgedrag bij zwangere vrouwen

Roken en meeroken zijn schadelijk voor je gezondheid. Maar wat zijn de gevolgen van roken rond de zwangerschap? Voorafgaand aan de zwangerschap is de kans om zwanger te worden kleiner als een vrouw/haar partner regelmatig een sigaret opsteekt. Roken tijdens de zwangerschap verhoogt de kans op ernstige gevolgen voor het ongeboren kind, zoals een miskraam, vroeggeboorte of een laag geboortegewicht. Na de zwangerschap kan de baby nicotine binnenkrijgen via borstvoeding of worden blootgesteld aan rokers in de omgeving (meeroken).

In de afgelopen tijd zijn er veel stoppen met roken methodes opgezet en getest, sommigen bleken effectief, anderen waren minder succesvol. Om deze stoppen met roken methodes beter te kunnen laten aansluiten bij de doelgroep, is het belangrijk dat we meer zicht hebben op zowel de risicofactoren (wat maakt dat vrouwen blijven roken rond de zwangerschap?) als de beschermende factoren (wat maakt dat vrouwen stoppen met roken rond de zwangerschap?). Deze studie zocht dit uit!

KERN
Het is essentieel dat de partner stopt met roken voorafgaand aan de zwangerschap en dat hij/zij niet rookt tijdens de zwangerschap. Rookt de partner wel tijdens de zwangerschap, dan dient deze na de bevalling te stoppen met roken.

Gezondheidsbevorderaars en preventiewerkers dienen het rookgedrag van zowel de zwangere vrouw als haar partner bespreekbaar te maken en deze hulpverleners kunnen stellen waar nodig verwijzen naar een effectieve stoppen met roken methode.

ONDERZOEKSMETHODE
Het doel van deze studie was om meer inzicht te krijgen in risico- en beschermende factoren voor vrouwen die:

  • Roken voor de zwangerschap
  • Roken tijdens de zwangerschap
  • Succesvol stoppen tijdens de zwangerschap
  • Terugvallen in rookgedrag na de bevalling

In totaal vulden 1858 Nederlandse vrouwen vragenlijsten in over hun middelengebruik (roken, alcohol- en drugsgebruik) voor, tijdens en na de zwangerschap. De onderzoekspopulatie werd geworven bij consultatiebureaus en bestond uit moeders (gemiddeld 32 jaar) van jonge kinderen (jongste kind jonger dan 5 jaar). De Monitor werd uitgevoerd bij 46 consultatiebureaus, verspreid over 35 Nederlandse steden. In de analyses werd het rookgedrag van vrouwen rond de zwangerschap uitgezet tegen sociaal demografische factoren, middelengebruik, rookgedrag van de partner en hulp bij stoppen met roken.

VONDSTEN

Foto_roken_zwangerschap-2042210636-1557847660388.png

  • Roken voor de zwangerschap hangt samen met:
    • laag of gemiddeld opleidingsniveau
    • alleen wonen
    • alcoholgebruik voor de zwangerschap
    • cannabisgebruik voor de zwangerschap
    • rokende partner
  • Roken tijdens de zwangerschap hangt samen met:
    • laag of gemiddeld opleidingsniveau
    • alleen wonen
    • geen alcoholgebruik voor de zwangerschap
    • rokende partner
  • Succesvol stoppen tijdens de zwangerschap hangt samen met:
    • hoog opleidingsniveau
    • alcoholgebruik voor de zwangerschap
    • weinig contact met hulpverleners over stoppen met roken
    • minder gebruik van stoppen met roken methode
  • Terugval in rookgedrag na de bevalling hangt samen met:
    • rokende partner

DETAILS
Scheffers-van Schayck, T., Tuithof, M., Otten, R., Engels, R., & Kleinjan, M. (2019). Smoking Behavior of Women Before, During, and after Pregnancy: Indicators of Smoking, Quitting, and Relapse. European Addiction Research, 25, 132-144.

Deze sci-fly werd geschreven door Pauline Geuijen (Radboudumc) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Sci-fly: Kinderen gezond verleiden in de schoolkantine

Slechts vier op de tien kinderen in Nederland eet voldoende groente en fruit, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau van de Statistiek. Omdat het eten van groente en fruit cruciaal is voor het gezond opgroeien van kinderen, is het van groot belang om de consumptie van deze gezonde producten bij kinderen te stimuleren. Een goede plek om hiermee te beginnen is op school; hier brengen kinderen immers een groot deel van hun tijd door. Maar (hoe) kun je er als (basis)school voor zorgen dat kinderen op school verleid worden om gezonde producten te eten? Wetenschappers uit het Verenigd Koninkrijk zochten het uit.

KERN
– Op twee basisscholen (interventie-scholen) werd het aanbod, de positionering, en de uitstraling van groente en fruit in de schoolkantine aangepast om deze aantrekkelijker te maken. Op twee andere basisscholen (controle-scholen) werden deze aanpassingen niet gedaan.
– Kinderen op de interventie-scholen aten na drie weken meer fruit, vitamine C en vezels. Op de controle-scholen werd dit verschil niet waargenomen.
– Er werden geen verschillen gevonden voor de consumptie van groente op zowel de interventie-scholen als de controle-scholen.
– Op school kunnen kinderen worden verleid om meer fruit te eten door het aanbod, de positionering, en de uitstraling hiervan aantrekkelijker te maken in de schoolkantine.

ONDERZOEKSMETHODE
In deze studie werd onderzocht of aanpassingen in het aanbod, de positionering, en de uitstraling van groente en fruit ervoor zorgen dat kinderen op scholen meer groente en fruit gaan eten. Leerlingen van vier basisscholen uit het Verenigd Konikrijk deden mee aan het onderzoek. Leerlingen van twee van deze basisscholen werden toegewezen aan de interventie-conditie en leerlingen van de andere twee bassischolen werden toegewezen aan de controle-conditie.

In de controle-conditie werd er niets veranderd aan de schoolkantine. In de interventie-conditie werden de volgende aanpassingen gedaan aan het aanbod, de positionering, en de uitstraling van groente en fruit:

– Advertenties en reclames: Er werden felgekleurde posters opgehangen in de eetzaal, met hierop kinderen en stripfiguren die aan het genieten zijn van groenten en fruit. Daarnaast stond er aan het begin van de rij van de kantine een bord met hierop de “groente van de dag”.
– Aantrekkelijke namen: Voor elke soort groente en fruit werden nieuwe, aantrekkelijke namen bedacht. Een voorbeeld hiervan was “Dinosaur Tree Broccoli”.
– Aantrekkelijke labels: Er werd een label geplaatst bij elke soort groente en fruit, die aandacht trok met een aantrekkelijke naam, een leuk plaatje, en een stripfiguur.
– Aantrekkelijke porties: Hele stukken fruit werden vervangen door fruit dat al gesneden was. Deze gesneden stukjes fruit werden in kleurrijke plastic bakjes gedaan, die aan het einde van de rij van de kantine op een taartplateau werden geplaatst.
– Fruit en groente als eerste: Waar mogelijk werd de volgorde van serveren veranderd, zodat groente en fruit werden aangeboden vóórdat andere bijgerechten werden aangeboden. Ook werd het personeel geïnstrueerd om kinderen aan te moedigen om een portie groente en fruit te nemen.

Dinosaur Tree Broccoli

VONDSTEN
– Kinderen op de interventie-scholen aten na drie weken meer fruit, vitamine C en vezels dan vóór de interventie. Op de controle-scholen werd dit verschil niet waargenomen.
– Er werden geen verschillen gevonden voor de consumptie van groente op zowel de interventie-scholen als de controle-scholen.

DETAILS
Marcano-Olivier, M., Pearson, R., Ruparell, A., Horne, P. J., Viktor, S., & Erjavec, M. (2019). A low-cost Behavioural Nudge and choice architecture intervention targeting school lunches increases children’s consumption of fruit: A cluster randomised trial. International Journal of Behavioral Nutrition and Physical Activity, 16, 20.

Deze sci-fly werd geschreven door Nina van den Broek, PhD student bij het Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit.

 

Sci-fly: Is voedselverslaving de oorzaak van overgewicht?

In onze samenleving stijgt het aantal mensen met overgewicht. Voedselverslaving wordt genoemd als mogelijke oorzaak hiervan, maar is dit wel terecht? Om deze vraag te beantwoorden moeten we eerst weten wat verstaan wordt onder een verslaving. In de DSM (handboek voor diagnostiek) wordt bepaald aan de hand van een aantal criteria of iemand een verslaving heeft. We spreken over een verslaving wanneer iemand aan minimaal 3 van de volgende criteria voldoet: gebruik is moeilijk te controleren, trek in het middel (craving), opbouw van tolerantie, ontwenningsverschijnselen, absentie van andere interesses, onsuccesvolle pogingen om te stoppen en blijvend gebruik ondanks de wetenschap dat het slecht voor je is.

overgewicht_scifly

KERN
Vaak wordt gedacht dat een voedselverslaving zich uit in, of gelijk is aan, overmatig eten. Er is sprake van overmatig eten bij meer voedsel inname dan nodig is om een gezond lichaamsgewicht te behouden. Daarom wordt voedselverslaving vaak gezien als oorzaak van overgewicht en obesitas. Als er daadwerkelijk sprake is van een verslaving, heeft dit gevolgen voor de behandeling van overgewicht en obesitas.

ONDERZOEKSMETHODE
In deze review werd onderzocht of voedselverslaving een verklaring voor overgewicht kan zijn. Daarvoor is op basis van vele andere onderzoeken een vergelijking gemaakt tussen voedselverslaving en middelenverslaving.

VONDSTEN
Een overeenkomst tussen middelengebruik en voedsel is het ‘craving’ effect. Craving wil zeggen dat je trek krijgt in het middel of in bepaald voedsel, bijvoorbeeld chocolade. Uit onderzoek blijkt dat dezelfde hersenstructuren hierbij een rol spelen. Een andere overeenkomst is de tolerantie. Tolerantie in het geval van voeding wordt vooral opgebouwd doordat de maag groter wordt. Doordat de maag in capaciteit toeneemt, is er meer voeding nodig om een vol gevoel te krijgen. Dit is in feite hetzelfde bij middelengebruik, daarbij bouwen mensen ook tolerantie op, waardoor steeds meer van het middel nodig is om hetzelfde effect te krijgen, denk bijvoorbeeld aan alcohol.

Een belangrijk verschil is dat voeding makkelijker in meer of mindere mate genomen kan worden zonder dat er grote effecten ontstaan. Wanneer je het gevoel hebt dat je vol zit is er vaak nog wel ruimte in je maag voor meer. Wanneer je teveel van een middel gebruikt dan is er sprake van een overdosis, wat grote gevolgen kan hebben. Daarnaast is het ook zo dat wanneer mensen van hun verslaving af willen ze zich geheel kunnen onthouden van het middel. In het geval van voeding is dat niet mogelijk, dit hebben we nodig om te overleven. Echter kunnen we in onze voeding wel gezondere keuzes maken en zeer energierijk voedsel (met veel suikers en vetten) vaker laten staan.

De belangrijkste bevinding in dit onderzoek is dat voedselverslaving niet altijd de oorzaak is van overgewicht. Veel mensen met obesitas voldoen niet aan de criteria van een voedselverslaving. Overmatige inname van energierijk voedsel is op zichzelf staand de belangrijkste verklaring voor overgewicht en dit is dus niet hetzelfde als een voedselverslaving.

DETAILS
Rogers, P. J. (2017). Food and drug addictions: Similarities and differences. Pharmacology Biochemistry and Behavior, 153, 182-190.

Deze sci-fly werd geschreven door Loes Huijbers, master student Pedagogische Wetenschappen en Onderwijskunde, Radboud Universiteit.

Sci-Fly: Opa en oma als oppas: Een gezonde voedselomgeving voor het kleinkind?

Opa en oma spelen een belangrijke rol in de opvoeding van hun kleinkind. Helemaal nu het aantal tweeverdieners binnen gezinnen stijgt, en daarmee de vraag naar betrouwbare en goedkope kinderopvang. Ongeveer een derde van de kinderen met werkende ouders gaat naar zijn of haar grootouders. Nu staan opa en oma vooral te boek als zorgzaam en liefdevol, maar niet als de meest gezonde opvoeders. Ze verwennen hun kleinkind immers dolgraag. In het licht van de groeiende obesitasepidemie rijst daarom de vraag: In hoeverre creëren grootouders een gezonde voedselomgeving voor hun kleinkind?

grandma-1038239_1280.png

KERN
Veel opa’s en oma’s passen niet alleen op, maar bereiden tijdens het oppassen ook maaltijden en snacks, vaak zelfs meerdere keren per week. Uit deze studie blijkt dat grootouders over het algemeen een gezonde voedselomgeving voor hun kleinkind creëren. Wel zijn er risicogroepen die mogelijk meer hulp nodig hebben bij het klaarmaken van gezonde maaltijden en snacks, waaronder oudere grootvaders en grootouders uit minder welvarende wijken. Ook blijkt dat kleindochters en jongere kleinkinderen vaker gezonde producten aangeboden krijgen. Het belang van gezonde voeding kan bij grootouders van kleinzoons en oudere kleinkinderen daarom nog extra worden benadrukt. Het promoten van gezonde voedselkeuzes kan worden gefaciliteerd door voedingsinformatie op productetiketten beter af te stemmen op de oudere doelgroep. Denk daarbij aan duidelijk leesbare lettertypes en kleuren en eenvoudig taalgebruik.

De huidige gezondheidsprogramma’s zijn vaak alleen gericht op ouders. Dat is een gemiste kans, aangezien andere opvoeders –waaronder opa en oma– een belangrijke rol spelen in de eetopvoeding. Gezondheidsinterventies gericht op (de preventie van) overgewicht en obesitas bij kinderen doen er daarom goed aan de rol van grootouders te erkennen en integreren.

ONDERZOEKSMETHODE
Het doel van deze studie was om meer inzicht te krijgen in de volgende drie vragen:

  1. In hoeverre geven grootouders snacks en maaltijden aan hun kleinkinderen?
  2. Welke soorten eten en drinken geven grootouders aan hun kleinkinderen?
  3. Welke factoren zijn gerelateerd aan de soorten eten en drinken die grootouders hun kleinkinderen geven?

Om deze vragen te beantwoorden werd een online vragenlijst uitgezet onder Australische opa’s en oma’s. Gevraagd werd hoe vaak zij oppassen, welke maaltijden zij bereiden, welk eten en drinken zij hun kleinkind geven en waarom zij voor bepaalde voedingsproducten kiezen. De vragenlijst werd ingevuld door 1076 grootouders (gemiddeld 65 jaar oud, 60% oma’s). Alleen grootouders die minstens 3 uur per week oppassen konden met de studie meedoen. De gemiddelde leeftijd van de kleinkinderen was 7.2 jaar.

VONDSTEN
De meeste grootouders passen 1 (43%) of 2 tot 3 (41%) keer per week op hun kleinkind, met een gemiddelde van 13.6 uur per week. Het overgrote deel van de grootouders (82%) geeft hun kleinkind tijdens het oppassen snacks. Daarnaast maakt 40% ontbijt, bereidt 57% lunch en kookt 48% van de grootouders avondeten voor hun kleinkind. Jongere kleinkinderen krijgen vaker ontbijt en lunch van hun grootouders; oudere kinderen krijgen vaker avondeten. Onderstaand figuur toont de gemiddelde frequentie van verschillende soorten eten en drinken die grootouders hun kleinkind geven.

Aanbodfrequentie fig

Hoe gezond een product is wordt door grootouders gezien als de belangrijkste factor in het bepalen de snacks en maaltijden die zij aanbieden. Ook de smaak van het product en de voorkeur van de ouders van het kleinkind voor een bepaald product vinden zij belangrijk. Prijs en eenvoud zijn de minst belangrijke factoren, wellicht omdat veel grootouders met pensioen zijn en genoeg tijd om handen hebben. Wel bleek dat grootouders uit meer welvarende wijken het belangrijker vinden dat het product dat ze aanbieden gezond is dan grootouders uit minder welvarende wijken.

Om te bepalen welke producten gezond zijn kijkt driekwart van de grootouders (74%) af en toe op het etiket van voorverpakte voedingsmiddelen. Slechts 15% van de grootouders leest deze etiketten altijd.Grootouders met een hoger opleidingsniveau en grootouders van een kleindochter lezen vaker etiketten dan grootouders met een lager opleidingsniveau en grootouders van een kleinzoon.

Wat bleek verder uit de resultaten?

  • Oma’s geven hun kleinkind vaker vers fruit en zuivelproducten dan opa’s, terwijl opa’s vaker zoute snacks geven dan oma’s.
  • Grootouders uit meer welvarende wijken geven hun kind vaker vers fruit en minder zoete of zoute snacks, in vergelijking met grootouders uit minder welvarende wijken.
  • Kleindochters krijgen vaker vers fruit, groente en gedroogd fruit of fruitsap van hun grootouders dan kleinzoons.
  • Jongere kleinkinderen krijgen vaker zuivelproducten, graanproducten en gedroogd fruit of fruitsap, en minder vaak zoute snacks en zoete drankjes dan oudere kleinkinderen.

DETAILS
Jongenelis, M. I., Talati, Z., Morley, B., & Pratt, I. S. (2019). The role of grandparents as providers of food to their grandchildren. Appetite, 134,78-85.

Deze sci-fly werd geschreven door Levie Karssen, junior onderzoeker bij het Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit.

Sci-Fly: Hoe M&M’s je eetgedrag onthullen

Gedurende een dag maken we vele beslismomenten over eten: pak ik dat lekkere koekje? Neem ik een appel of banaan? En wat ga ik klaarmaken voor het avondeten? Het eetgedrag van mensen wordt beïnvloed door verschillende factoren in je omgeving: van de grootte van de portie die je wilt nemen tot de aanwezigheid van mensen op een bepaald moment. Eten heeft ook een sociale functie, bijvoorbeeld: even lekker bijkletsen met een vriend onder het genot van een hapje en drankje. Er is gebleken dat mensen meer eten als ze samenzijn met anderen dan wanneer ze alleen zijn. Wanneer iemand die een voorbeeld is voor een persoon (rolmodel) meer eet, zijn mensen zelf ook geneigd om meer te eten (imitatie-effect). Overmatig veel eten doen mensen in gezelschap minder snel, omdat ze een goede indruk willen maken op de ander en veel eten vaak een negatieve ondertoon heeft.

Plaatje_Eva.jpg

KERN
Het doel van deze studie was om de imitatie van eetgedrag te onderzoeken bij jonge vrouwen met een normaal gewicht. De onderzoekers wilden een testomgeving creëren die zoveel mogelijk lijkt op de normale situatie bij mensen thuis. Daarom vonden de observaties plaats in een observatiehuiskamer met een lekkere bank, tv en op tafel een schaaltje M&M’s.

ONDERZOEKSMETHODE
Proefpersonen die zich aanmeldden voor dit onderzoek werden gevraagd samen met een ander (een rolmodel die de rol van een naïeve proefpersoon speelde) tv-reclames te beoordelen. In de pauze van 15 minuten mochten de twee proefpersonen de tijd naar wens invullen. Vooraf was het rolmodel geïnstrueerd hoeveel M&M’s zij moest eten: veel (25 M&M’s), weinig (4 M&M’s) of niets. Ook het figuur van het rolmodel varieerde: er waren slanke rolmodellen en normale rolmodellen (slanke rolmodellen die een siliconen band onder het shirt kregen, zodat ze er iets voller uitzien). Tijdens deze experimentele setting werd dan geobserveerd hoeveel M&M’s de proefpersoon zou eten en of er sprake zou zijn van een imitatie-effect. Na afloop vulden beide proefpersonen een uitgebreide vragenlijst in over hoeveel honger ze op dat moment hadden, hoe lekker ze M&M’s vinden, hun huidig lijngedrag en hun beoordeling van het figuur van de ander. Ook naar het verwachtte doel werd gevraagd, want het is de bedoeling dat de proefpersonen tijdens het experiment niet het eigenlijke doel van de studie weten. De gegevens van 102 vrouwelijke studentes met een gemiddelde leeftijd van 20,5 jaar en een gemiddeld BMI van 21,50 konden worden meegenomen in de analyse.

VONDSTEN
Na analyse van de observaties is gebleken dat proefpersonen meer M&M’s eten wanneer vergezeld door een normaal gewicht proefpersoon die veel M&M’s at, dan wanneer hetzelfde rolmodel geen/weinig M&M’s at. Het imitatie-effect bleek dus significant in de normale gewichtsconditie (met extra buikband), het slanke model werd niet geïmiteerd. Het BMI en dieetintenties van de proefpersonen had hier geen effect op. Het lijkt er dus op dat gevoelens van gelijkheid imitatie-effecten zouden kunnen versterken.

DETAILS
Hermans, R., Larsen, J., & Engels, R. (2008). Zien eten doet eten: een experimentele studie naar imitatie van eetgedrag bij jonge vrouwen. Psychologie & Gezondheid, 36/04.

Deze sci-fly werd geschreven door Eva Grotentraast, master student Pedagogische Wetenschappen en Onderwijskunde, Radboud Universiteit.

 

 

 

Sci-Fly: Zijn ouderinterventies effectief in het voorkomen en reduceren van alcoholgebruik onder jongeren?

Een systematische meta-analyse includeerde 20 gerandomiseerde onderzoeken met controle groepen (RCTs) om de effectiviteit van ouderinterventies op het alcoholgebruik van jongeren (10-18 jaar) te onderzoeken. De onderzoeken zijn opgespoord met behulp van elf elektronische databases en via kruisreferenties tot maart 2017. Ouderinterventies blijken effectief in het voorkomen en reduceren van alcoholgebruik onder jongeren. Ouderinterventies die zich richten op zowel algemene als alcoholspecifieke opvoedstrategieën behaalden betere resultaten dan ouderinterventies die zich alleen richten op alcoholspecifieke opvoedstrategieën.

KERN
– Ouderinterventies blijken effectief in het voorkomen en reduceren van alcoholgebruik onder jongeren.
– Ouderinterventies gericht op algemene én alcoholspecifieke opvoedstrategieën zijn effectiever in het voorkomen en reduceren van alcoholgebruik bij jongeren dan ouderinterventies die enkel gericht zijn op alcoholspecifieke opvoedstrategieën.
– Toekomstige RCTs dienen moderatie- en mediatie-effecten van ouderlijk gedrag te onderzoeken om zicht te krijgen in de onderliggende mechanismen van Daarnaast dienen toekomstige meta-analyses bredere inclusiecriteria te hanteren (e.g., RCTs uit Westerse én niet-Westerse landen) om uitspraken te kunnen doen of de effectiviteit van ouderinterventies verschilt op basis van geografische en economische kenmerken van de participanten. Bovendien dienen toekomstige meta-analyses de verschillen in effectiviteit tussen ouderinterventies en ouder-kind interventies te evalueren om beter zicht te krijgen in de werkzame elementen van beide interventies.

ONDERZOEKSMETHODE
– WAT? Wat is de effectiviteit van ouderinterventies om het alcoholgebruik onder jongeren (10- 18 jaar) te reduceren en verschilt de effectiviteit op basis van demografische kenmerken van de participanten (i.e., leeftijd, geslacht, etniciteit), interventiekenmerken (i.e., inhoud, delivery methode) en alcohol uitkomstmaten (i.e., frequentie alcoholgebruik; intensiteit alcoholgebruik; binge drinken, dronkenschap; alcoholintentie)?
– WIE? Gerandomiseerde onderzoeken met controlegroepen (RCTs) die de effectiviteit van ouderinterventies op het alcoholgebruik van jongeren (10-18 jaar) evalueerden.
– HOE? Systematische meta-analyse.

VONDSTEN
De overall effectgrootte van de 20 geïncludeerde ouderinterventies was g=−0.23 (p < 0.05; 95% betrouwbaarheidsinterval). Dit betekent dat ouderinterventies effectief zijn in het voorkomen en reduceren van alcoholgebruik bij jongeren. De resultaten van de moderatie analyses lieten zien dat ouderinterventies die zich alleen richten op alcoholspecifieke opvoedstrategieën minder effectief zijn dan ouderinterventies die zich richten op zowel algemene als alcoholspecifieke opvoedstrategieën (b=0.26, p< .05). Daarnaast bleek dat de effectiviteit van de ouderinterventies groter was op drinkintentie dan op binge drinken (b=−0.20, p< .05). Er werden geen significante moderatie effecten gevonden op basis van de demografische kenmerken van de participanten.

tabel

DETAILS
Boa, A., Hang Haib, A, & Jaccard, J. (2018). Parent-based interventions on adolescent alcohol use outcomes: A systematic review and meta-analysis. Drug and Alcohol Dependence, 191, 98-109.

Deze sci-fly werd geschreven door Carmen Voogt (Radboud Universiteit / Trimbos Instituut) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Sci-fly: De dag na overmatig alcohol gebruik: zijn je cognitieve functies verslechterd?

Heeft overmatig alcohol gebruik gevolgen voor je denkvermogen de volgende dag? De eerste vraag is dan hoe ‘overmatig alcohol gebruik’ of het hebben van een ‘kater’ gedefinieerd wordt. Wetenschappers beschrijven een kater als ‘een combinatie van mentale en fysieke symptomen die ervaren worden op de dag nadat er zwaar gedronken is, startende op het moment dat het percentage alcohol in het bloed weer de 0% nadert’. Er zijn verschillende manieren om het gevolg van een kater te onderzoeken, het kan met een experimentele aanpak waarbij alcohol gegeven wordt in een gecontroleerde omgeving, of in een naturalistisch design waarbij mensen geobserveerd worden in hun eigen omgeving (zoals in de vorige sci-fly). Bij een experiment is het wetenschappelijke nadeel dat er geen grote hoeveelheden alcohol gegeven kunnen worden, aangezien dat niet ethisch is. Daardoor zijn de gevonden effecten mogelijk milder dan in het echte leven. Bij een naturalistisch design is het nadeel weer dat het moeilijker is om te controleren voor andere (omgevings)variabelen.

KERN

Eerdere studies hebben samenhang laten zien tussen overmatig alcohol gebruik en verslechtering van een grote range aan cognitieve vaardigheden de volgende dag. Het ging hier om verslechtering van o.a. aandacht, geheugen, reactietijd, verwerkingstijd, intellectuele processen en zelfs chirurgische vaardigheden. Sommige studies hebben methodologische beperkingen, bijvoorbeeld doordat ze het alcoholpercentage (in bloed) niet hebben bepaald. Het huidige artikel heeft een kritische meta-analyse gedaan, waarbij er een selectie is gemaakt van kwalitatief goede studies, om een uitspraak te kunnen doen over de effecten van overmatig alcohol gebruik op cognitieve vaardigheden een dag later.are you drunk

ONDERZOEKSMETHODE
Na onderzoek van alle wetenschappelijk artikelen gepubliceerd tussen december 2016 en mei 2018 werden er in eerste instantie 805 artikelen geïdentificeerd. Na grondige screening bleven er 39 artikelen over, waarvan er uiteindelijk 11 geschikt waren voor de meta-analyse.

VONDSTEN
Op basis van de meta-analyse concludeerden de onderzoekers dat op de dag na overmatig alcoholgebruik (als het alcoholpercentage weer de 0% heeft bereikt):

-er een verslechtering is in de aandacht ergens bij houden, alhoewel er geen verslechtering is in vaardigheden om te multi-tasken.
-zowel het korte termijn geheugen als het lange termijn geheugen slechter is.
-de reactietijden langzamer zijn.

Resultaten van zowel experimentele studies als naturalistische studies wijzen in dezelfde richting: cognitieve vaardigheden zijn slechter tijdens een kater. De auteurs beargumenteren dat de verslechtering in cognitieve functies mogelijk wordt beïnvloed door vermoeidheid. Vermoeidheid is namelijk een belangrijk symptoom van een kater.

Slechts 3 studies hebben gekeken naar het effect van een kater op rijvaardigheden, dus daar kon geen meta-analyse voor gedaan worden. Twee studies rapporteerden verslechtering in de rijvaardigheden, terwijl 1 studie geen effect vond op de gereden snelheid. De auteurs concluderen dat meer onderzoek nodig is om te bepalen of een kater van invloed is op uitvoerende functies zoals rijvaardigheden.

DETAILS
Gunn C., Mackus M., Griffin C., Munafo M.R., Adams S. A systematic review of the nex-day effects of heavy alcohol consumption on cognitive performance. Addiction 2018 Aug 25. doi: 10.1111/add.14404. [Epub ahead of print]

Geschreven door Jacqueline Vink, hoogleraar bij Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit.

Sci-Fly: Wanneer wordt binge drinken gevaarlijk?

Binge drinken is één van de meest belangrijke indicatoren van risicovol alcoholgebruik in onderzoek en werd voor het eerst gerapporteerd in de jaren 60. De definitie voor binge drinken bestaat grofweg uit het drinken van 4 drankjes door vrouwen en 5 drankjes door mannen binnen een tijdspanne van twee uur. De eerste onderzoeken beschreven vaak dat binge drinken gerelateerd is aan negatieve consequenties op de korte termijn (zoals katers en agressief gedrag) en op de lange termijn (zoals afhankelijkheid en ziektes aan de lever). Echter, in hoeverre is dit gebruik op een bepaalde avond nu daadwerkelijk gerelateerd aan de negatieve consequenties die gevonden zijn in eerder onderzoek?

what is binge drinking

KERN
De vraag of binge drinken daadwerkelijk een direct negatief effect heeft op iemands gezondheid, wordt bepaald door verschillende factoren. Het hangt er bijvoorbeeld vanaf naar welk type consequentie we kijken. Zo kan men al bij een beperkte hoeveelheid een kater krijgen, maar om een black-out te krijgen is er een veel hogere hoeveelheid alcohol nodig. Ook kan de dosis alcohol waarbij negatieve effecten optreden per leeftijdscategorie verschillen. Zo is gevonden dat adolescenten minder alcohol nodig hebben om dezelfde negatieve consequenties te verwachten dan volwassenen.

Eerder onderzoek heeft de resultaten vaak gebaseerd op vragenlijsten waarbij het alcoholgebruik achteraf (soms zelfs weken of maanden later) uitgevraagd wordt. Ondanks dat hier al belangrijke informatie uit naar voren is gekomen, is deze manier van onderzoek gevoelig voor onderschattingen van iemands alcoholgebruik. Het zou beter zijn om op het moment zelf te vragen naar alcoholconsumptie. Om deze redenen lijkt het logischer om middels een dagboekstudie te kijken naar wat voor gevolgen een bepaalde hoeveelheid alcohol op iemand heeft.

In deze dagboekstudie werd specifiek gekeken naar vijf verschillende negatieve consequenties als gevolg van overmatig alcoholgebruik: kater, black-out, onveilige seks, gevechten en verwonding.

ONDERZOEKSMETHODE
Het onderzoek werd uitgevoerd in twee studies die verdeeld werden in adolescenten (16-17 jaar) en jongvolwassenen (18-25 jaar). In totaal bestond de onderzoeksgroep uit 369 participanten die allemaal korte vragenlijstjes moesten invullen op donderdag, vrijdag en zaterdagavonden via hun smartphone. In totaal werd er gerapporteerd over 3,554 avonden waardoor onderzocht kon worden hoeveel drankjes er nodig waren voor een bepaalde negatieve consequentie (de zogenaamde “drempel”).

VONDSTEN
De onderzoekers rapporteerden het volgende:

  • Katers waren de meest voorkomende negatieve consequentie
  • Er was een sterke associatie tussen de hoeveelheid alcoholgebruik en de negatieve consequenties.
  • De reguliere drempel voor binge drinken (4+/5+ glazen) bleek voorspelbaar voor katers
  • De grens lag hoger voor de andere consequenties, namelijk drie drankjes meer (black-outs, onveilige seks, gevechten en verwonding).
  • Adolescenten ervaarden deze negatieve consequenties vaker en bij iets minder alcoholgebruik dan volwassenen.
  • Vrouwen ervaarden de negatieve consequenties bij één tot twee drankjes minder dan mannen

Deze resultaten laten zien dat het belangrijk is om verschillende ‘drempelwaarden’ in gedachten te houden wanneer er onderzoek gedaan wordt naar negatieve uitkomsten van alcoholgebruik. Ook lijken dagboekstudies een geschikte manier om onderzoek te doen naar de negatieve uitkomsten van alcoholconsumptie voor de gezondheid.

DETAILS
Labhart, F., Livingston, M., Engels, R., & Kuntsche, E. (2018). After how many drinks does someone experience acute consequences? Determining thresholds for binge drinking based on two event‐level studies. Addiction. Advanced online publication.

Geschreven door Koen Smit, PhD student Radboud Universiteit Nijmegen/ Trimbos Instituut.

 

Sci-Fly: Gebruik van partydrugs onder Nederlandse studenten

Nederlandse jongeren vinden het steeds normaler om partydrugs te gebruiken wanneer ze uitgaan. Er zijn snelle ontwikkelingen in het drugsgebruik tijdens het uitgaansleven met recentelijk toenames in het gebruik van GHB, ecstasy en nieuwe psychoactieve middelen. Onderzoek toont aan dat 61% van de Nederlanders onder de 35 jaar, die regelmatig clubs of festivals bezoekt, tenminste 1 keer in het afgelopen jaar ecstasy heeft gebruikt.

Partydrugs is een verzamelnaam voor verschillende drugs die worden gebruikt tijdens het uitgaan en omvatten stimulantia (ecstasy, cocaïne, amfetaminen en nieuwe psychoactieve middelen) en sedativa (GHB en ketamine). Deze partydrugs kunnen kortdurende acute gevolgen hebben, zoals coma en ademhalingsproblemen, maar ook langdurige gevolgen, zoals psychologische klachten en neurotoxische effecten. Tot op heden is er weinig onderzoek gedaan naar de prevalentie van het partydrugsgebruik, psychosociale voorspellers en nadelige effecten in Nederland. Dit benadrukt de relevantie om meer kennis te verwerven over het partydrugsgebruik, de voorspellers en nadelige gevolgen van het gebruik. De doelgroep in dit onderzoek zijn studenten, aangezien zij naar festivals en clubs gaan en daardoor een risicogroep vormen voor het gebruik van deze partydrugs.

KERN
Uit het onderzoek blijkt dat 23% van de studenten tenminste 1 keer partydrugs gebruikt heeft gedurende hun leven. Milde gezondheids- en psychosociale problemen als gevolg van partydrugsgebruik kwam bij 65% van de gebruikers voor, echter serieuze problemen kwamen zelden voor.

Wat betreft de voorspellers van partydrugsgebruik voor ooit en regelmatig gebruik (in de afgelopen 12 maanden 2 keer of meer), bleken verschillende factoren belangrijk te zijn. Sociale normen en geslacht (mannen) waren voorspellers om partydrugs te gaan gebruiken. Wat betreft het regelmatig gebruik van partydrugs, bleken sociale normen van vrienden en lage motivatie om te voldoen aan ouderlijke normen voorspellers te zijn.

De resultaten van dit onderzoek geven aan dat preventieve programma’s en interventies om partydrugsgebruik te voorkomen en te verminderen effectief kunnen zijn wanneer de focus in deze programma’s ligt op sociale normen. Bovendien moeten deze programma’s gericht worden op studenten die veel uitgaan en die weinig ouderlijke invloed ervaren, omdat dit een risicogroep blijkt te zijn voor het gebruik van partydrugs.

ONDERZOEKSMETHODE
Er werd onderzocht wat de prevalentie is van partydrugsgebruik en welke gezondheids- en psychosociale problemen geassocieerd zijn met partydrugsgebruik. Daarnaast werd er ook onderzocht welke sociale- en psychologische factoren voorspellend zijn voor het ooit en regelmatig gebruiken van partydrugs onder Nederlandse studenten. Om dit te onderzoeken werd een online vragenlijst verspreid onder studenten van de universiteit Leiden. Deze vragenlijst omvatte vragen over demografische gegevens, sociale aspecten, partydrugsgebruik, partydrugs gerelateerde problemen en persoonlijkheid. In totaal vulde 448 studenten de vragenlijst in. De gemiddelde leeftijd was 21,9 jaar en de studenten waren afkomstig van verschillende faculteiten.

VONDSTEN

prevalentie middelengebruik

De onderzoekers rapporteren de volgende bevindingen:

  • Wat is de prevalentie van drugsgebruik en wat zijn gerelateerde gezondheids- en psychosociale problemen?
    • In bovenstaande figuur zijn de prevalenties van gebruik van alcohol, cannabis en verschillende partydrugs weergegeven die studenten ooit in het leven hebben gebruikt. In totaal had 23% van de studenten ooit in het leven drugs gebruikt en 14.6% van de studenten had tenminste 2 keer partydrugs gebruikt in de afgelopen 12 maanden.
    • In 65% van de gevallen, wanneer studenten drugs hadden gebruikt, gaven ze aan milde gezondheids- en psychosociale problemen te ervaren, zoals onwel voelen of gênante dingen doen. Serieuze problemen als gevolg van partydrugsgebruik, zoals naar het ziekenhuis gaan, waren zeldzaam. Daarentegen zijn de hoge aantallen waar meerdere drugs tegelijk werden gebruikt (31.4%) en het rijden onder invloed van partydrugs (6.9%) alarmerend.
  • Welke psychologische en sociale factoren zijn geassocieerd met het gebruik van partydrugs ooit in het leven?
    • Factoren die van invloed waren met het ooit in het leven partydrugs gebruiken zijn: geslacht (mannen meer kans), hogere maandelijkse alcoholconsumptie, op zichzelf wonend, leden van studentenverenigingen, ouders en vrienden die mild staan tegenover partydrugs, verhoogde extraversie en verhoogde impulsiviteit. Anderzijds bleken neuroticisme, het willen voldoen aan de verwachting van ouders, en nauwgezetheid voorspellers voor een kleinere kans op het gebruik van partydrugs.
  • Welke psychologische en sociale factoren zijn geassocieerd met regelmatig partydrugsgebruik (2 keer of meer per jaar)?
    • Alleen sociale normen van vrienden bleken voorspellers te zijn voor regelmatig partydrugsgebruik. Het voldoen aan de verwachting van ouders was een voorspeller van minder regelmatig partydrugsgebruik.

DETAILS
Kunst, L. E. & Gebhardt, W. A. (2018). Prevalence and Psychosocial Correlates of Party-Drug Use and Associated Problems among University Students in the Netherlands. Substance Use & Misuse, 0, 1-12. DOI: 10.1080/10826084.2018.1455700

Geschreven door Anna Boormans, research master studente Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit Nijmegen.

 

 

 

 

Sci-fly: Waarom hebben kinderen een afkeer tegen specifieke voedingsmiddelen?

Het promoten van een gezond eetpatroon bij kinderen is van cruciaal belang voor een normale en gezonde ontwikkeling van het kind. Nu is het zo dat er een steeds groter gat ontstaat tussen de geobserveerde consumptie van groenten en fruit door kinderen en de aanbevolen hoeveelheid. Jonge kinderen kunnen hele moeilijke eters zijn en vooral rond de leeftijd van twee jaar lijken kinderen een grote afkeer te tonen naar bepaalde voedingsmiddelen. Wat de redenen zijn voor dit eetgedrag en de geobserveerde piek rondom de twee jaar, zijn vooralsnog onduidelijk. Vooral de relatie van het eetgedrag van kinderen en de cognitieve ontwikkeling is onduidelijk. Het is belangrijk hier meer van te weten te komen voor de ontwikkeling van efficiënte interventies met als doel een gezond eetpatroon bij kinderen te stimuleren.

KERN
Wat beïnvloedt het eetgedrag van kinderen?
De ontwikkeling van kennis over categorieën in het voedseldomein, maakt dat men iets kan herkennen en beslissingen kan maken of datgene bijvoorbeeld eetbaar is. Het blijkt dat kinderen tussen de twee en vier jaar een onderontwikkelde kennis hebben van categorieën binnen het voedseldomein en slecht presteren op taken waarbij ze foto’s van voedingsmiddelen moeten categoriseren. Verrassend was dat kinderen met kieskeurig eetgedrag of met een sterke afkeer naar nieuwe voedingsmiddelen, ook slechter op deze categorisatie-taken presteren vergeleken met leeftijdgenoten. Kinderen met eetproblemen lijken te rederneren aan de hand van zichtbare kenmerken en niet op een categorie waartoe het voedingsmiddel behoort. Dit zorgt ervoor dat ze een nieuw voedingsmiddel als niet-eetbaar kunnen categoriseren en ervaren.

Wat is de relatie tussen de ontwikkeling van kennis in categorieën van het voedseldomein en eetgedrag?
Deze studie laat zien dat hoe meer eetproblemen een kind vertoont, hoe slechter de prestatie op categorisatie-taken op het gebied van groenten en fruit. Kinderen met sterke eetproblemen blijken een achterblijvende kennis te hebben van categorieën binnen het voedseldomein, beoordelen voedingsmiddelen op kleur en ervaren het als niet-eetbaar wanneer het perceptueel teveel van hun prototype afwijkt. Deze kennis kan gebruikt worden om efficiënte opvoedingsprogramma’s te ontwerpen met als doel kinderen te leren redeneren vanuit een categorie en op die manier te besluiten dat een nieuw voedingsmiddel eetbaar is of niet. Dit zou ervoor kunnen zorgen dat kinderen minder gauw een afkeer gaan vormen naar nieuwe voedingsmiddelen.

ONDERZOEKSMETHODE
Deze studie heeft onderzocht of en hoe de prestatie op categorisatie-taken verschilt op basis van individueel eetgedrag in kinderen. Om te onderzoeken welke informatie van voedingsmiddelen het meeste invloed had op de ontwikkeling van kennis over categorieën en op hun resulterende eetgedrag, werden drie verschillende condities gebruikt. In de eerste conditiegroep kregen kinderen zowel een foto te zien als woorden te horen, de tweede conditiegroep kreeg alleen een foto te zien en in de laatste groep kregen ze alleen een woord te horen. De kinderen werden random toegewezen tot een conditiegroep.

Hiervoor onderzochten zij 126 kinderen tussen de twee en zes jaar uit Frankrijk. Om te meten hoe het eetgedrag van de kinderen was, kregen de kinderen een vragenlijst. Om dit te meten werd de ‘Child Food Rejection Scale (CFRS)’ gebruikt, die zowel hun kieskeurigheid meet als de afkeer tegen nieuwe voedingsmiddelen. Een hoge score betekende meer eetproblemen.

De categorisatie-taak bestond uit acht rondes telkens van drie foto’s: een doelfoto en twee testfoto’s. De doelfoto was altijd een groentesoort, ofwel een tomaat of een courgette. De eerste testfoto was een ander soort groente, die dus tot dezelfde categorie behoort, maar een andere kleur had. De tweede testfoto was een fruitsoort die dus niet tot dezelfde categorie behoort, maar dezelfde kleur had als de doelfoto. Om te zorgen dat andere zichtbare kenmerken geen invloed hadden op de prestatie van de kinderen tijdens de taak, hadden de groenten en fruitsoorten allemaal dezelfde vorm.

categorisatie groente

Elke ronde kregen de kinderen een nieuw kenmerk te horen over de doelfoto en werd ze daarna gevraagd; welke van de twee testfoto’s dit kenmerk volgens hen ook bevat. De kinderen kregen een punt wanneer zij redeneerden vanuit een categorie, en dus het andere groentesoort aangaven. Wanneer zij perceptueel-consistente antwoorden gaven (op basis van kleur) dan kregen ze geen punt. Deze scores werden opgeteld voor alle 8 de rondes om het aantal categorie-consistente antwoorden te meten.

VONDSTEN
De onderzoekers kwamen met de volgende bevindingen:

  • Er was een groot effect te zien van de verschillende condities; kinderen in de woord-conditiegroep presteerden beter tijdens de taak dan kinderen in de andere twee condities;
  • Hoe hoger de score op de CFRS vragenlijst, hoe slechter de prestaties tijdens de taak;
  • Leeftijd, complexiteit of blootstelling aan gebruikte groenten en fruit hadden allemaal geen effect op de prestaties.

Terugkomend op de vraag:

Is er een relatie tussen eetgedrag en de ontwikkeling van kennis in categorieën in het voedseldomein bij jonge kinderen?
Er is een sterke relatie tussen eetgedrag en de ontwikkeling van kennis in categorieën op het voedseldomein; hoe meer eetproblemen, hoe minder ontwikkeld de kennis van categorieën in het voedseldomein en hoe meer er gebruik wordt gemaakt van zichtbare kenmerken om conclusies te trekken of iets bijvoorbeeld eetbaar is.

DETAILS
Rioux, C., Lafraire, J., & Picard, D. (2018). Food rejection and the development of food category-based induction in 2–6 years old children. Journal of Cognitive Psychology30(1), 5-17.

Geschreven door Kelly van Egmond, research master studente Donders Instituut.

Sci-fly: Kunnen afwijkingen in het brein in de adolescentie voorspellend zijn voor roken?

Dat roken slecht voor je is, is inmiddels algemeen bekend, toch experimenteren er nog héél wat jongeren met roken. Als je eenmaal experimenteert met roken, is de kans groot dat je steeds vaker gaat roken en je op een gegeven moment verslaafd bent. Experimenteren met roken begint vaak tijdens de adolescentie, maar waarom beginnen jongeren met roken, terwijl de negatieve consequenties algemeen bekend zijn? Onderzoek naar de factoren die een rol spelen bij roken onder jongeren is van groot belang om te begrijpen waarom jongeren roken. Waarom raakt de een wel verslaafd en de ander niet? En kunnen we dit voorspellen door het identificeren van factoren die van invloed zijn op het roken onder jongeren? Als we kunnen voorspellen welke jongeren gevoelig zijn voor het ontwikkelen van een nicotineverslaving, kunnen we deze kennis inzetten voor zowel preventie als interventie.

KERN
Welke factoren zijn belangrijk om te begrijpen ‘waarom’ jongeren roken? Eén van de belangrijkste factoren die veel invloed heeft op het beginnen met roken en het ontwikkelen van een nicotineverslaving is impulsiviteit. Dit komt omdat de hersenen van jongeren nog niet volgroeid zijn; met name de prefrontale cortex, een gebied in de hersenen dat belangrijk is voor het controleren van je gedrag. Doordat dit gebied nog niet volgroeid is, vinden jongeren het erg lastig om na te denken over de gevolgen van hun beslissingen. Beslissingen worden daarom dan ook vaak geleid door emotie, wat resulteert in impulsief gedrag.

Kunnen we voorspellen welke jongeren risico lopen op het mogelijk ontwikkelen van een nicotineverslaving op latere leeftijd door te kijken naar impulsiviteit? Deze studie laat zien dat afwijkingen in inhibitie controle (impulsiviteit) in het brein, in jongeren die nog niet roken op 14 jarige leeftijd, voorspellend zijn voor vast roken op 18 jarige leeftijd. Dit onderzoek toont aan dat we kunnen voorspellen welke jongeren mogelijk risico lopen op het ontwikkelen van een nicotineverslaving op latere leeftijd door te kijken naar impulsiviteit. Onderzoek naar inhibitie controle in jongeren kan dus nuttig zijn om individuen/groepen jongeren te identificeren die gevoelig zijn voor het mogelijk ontwikkelen van een nicotineverslaving. Deze kennis kan gebruikt worden voor het ontwikkelen van gepaste preventie- en interventie programma’s gericht op deze doelgroep. Het verbeteren van de impulsregulatie zou bijvoorbeeld een belangrijke strategie kunnen zijn om te voorkomen dat deze jongeren beginnen met roken. Daarnaast zou het ingezet kunnen worden om de effectiviteit van stoppen met roken programma’s te verhogen.

ONDERZOEKSMETHODE
Het doel van deze studie is onderzoeken of afwijkingen in het brein, gerelateerd aan inhibitie controle, in niet-rokers op 14-jarige leeftijd, roken op latere leeftijd kan voorspellen. Daarnaast proberen de onderzoekers aan te tonen of afwijkingen in het brein, gerelateerd aan inhibitie controle, ontstaan als gevolg van roken of dat deze afwijkingen reeds aanwezig zijn in het brein en het risico vergroten om te gaan roken.gonogo1

Om afwijkingen in het brein gerelateerd aan inhibitie controle te kunnen vast stellen is een Go/No-Go performance taak gebruikt. In deze taak keken de deelnemers naar letters en moesten ze drukken op het moment dat er na de letter ‘O’ een ‘X’ kwam  (Go-trial), en niet drukken op het moment dat er na de letter ‘O’ geen ‘X’ kwam (No-Go trial). Tijdens de Go/No-Go performance taak werd de hersenactiviteit gemeten met behulp van elektro-encefalografie (EEG). De EEG werd afgenomen toen de deelnemers (N=431) 14 jaar oud waren. Vier jaar later, op 18 jarige leeftijd, zijn alle deelnemers geïnterviewd om te achterhalen of de deelnemers zijn gaan roken en zo ja, hoeveel ze roken.

Achtergrond informatie – Bij EEG onderzoek wordt de hersenactiviteit gemeten. Als we kijken naar deze hersenactiviteit kunnen we event-related potentials (ERPs) identificeren. ERPs zijn specifieke patronen van hersenactiviteit (bepaalde positieve en negatieve pieken) die ontstaan als reactie op een bepaald event, in dit onderzoek is het event de Go-trial of de No-Go trial. Een deelnemer krijgt dus een Go- of No-Go trial

en binnen 1000 ms na dit event is een typisch hersen patroon zichtbaar (de positieve en negatieve pieken), zie in de figuur hiernaast. Eén van die positieve pieken die belangrijk is in het onderzoek naar inhibitie controle is de P3 component. De P3 component reflecteert activatie van de prefrontale cortex (een gebied in de hersenen dat belangrijk is voor het controleren van je gedrag). Deze component is dus gerelateerd aan inhibitie controle. Uit de ver

slavingsliteratuur weten we dat rokers vergeleken met niet-rokers meer fouten maken op No-Go trials, dus ze drukken vaker op de knop, terwijl ze eigenlijk niet moeten drukken. Rokers hebben dus méér moeite met het controleren van impulsen. In het EEG onderzoek resulteert dit in afgenomen P3 amplitudes; verminderde activatie van de prefrontale cortex en dus méér moeite met het controleren van impulsen (=inhibitie controle).

gonogo

VONDSTEN
De onderzoekers laten zien dat:

  • Jongeren die vast zijn gaan roken op 18-jarige leeftijd ten opzichte van jongeren die niet zijn gaan roken op 18-jarige leeftijd, afgenomen P3 amplitudes hebben voor No-Go trials op 14 jarige leeftijd (verminderde inhibitie controle). Afwijkingen in het brein, gerelateerd aan inhibitie controle, in niet-rokers op 14-jarige leeftijd, kan roken op latere leeftijd dus voorspellen.
  • Omdat alle jongeren op 14-jarige leeftijd niet roken impliceren de onderzoekers dat de afwijkingen in het brein, gerelateerd aan inhibitie controle, niet ontstaan als gevolg van roken. Ze concluderen dat deze afwijking reeds aanwezig zijn in het brein en dus het risico om te gaan roken kunnen vergroten. Ze benadrukken overigens wel dat ze niet uitsluiten dat de neurale mechanismen van inhibitie controle nog verder achteruit gaan op het moment dat iemand vast rookt.nogo p3 amplitude.png

DETAILS
Andrey P. Anokhin and Simon Golosheykin. (2016). Neural correlates of response inhibition in adolescents prospectively predict regular tobacco smoking. Dev Neuropsychol; 41(1-2):22-37. doi:10.1018/87565641.2016.1195833.

Geschreven door Joyce Dieleman, PhD student Trimbos Instituut  & Radboud Universiteit.

Sci-fly: Gezond eten: kan dat op school?

Overgewicht is nog steeds een groot probleem onder jongeren in Nederland. De cijfers zijn zorgwekkend: 1 op de 3 11-jarigen heeft overgewicht. Voldoende lichaamsbeweging en gezond eten zijn de belangrijkste voorwaarden voor een gezond lichaam. Helaas voldoen veel Nederlandse jongeren niet aan deze voorwaarden en hebben veel jongeren een ongezond levenspatroon, waaronder veel ongezond snackgedrag. Daar lijkt onder andere de makkelijke verkrijgbaarheid van fastfood en frisdrank een grote rol in te spelen.

Jongeren brengen aanzienlijk veel tijd door op school. Op veel scholen in Nederland zijn fastfood en frisdranken gemakkelijk verkrijgbaar. Door de grote hoeveelheid tijd die jongeren op school spenderen, zou deze plek perfect zijn voor het creëren van een gezonde omgeving zonder fastfood en frisdrank. Het Voedingscentrum heeft het programma voor gezonde schoolkantines ontwikkeld, om scholen te ondersteunen in het creëren van een gezonde omgeving. Scholen moeten verschillende stappen doorlopen om hun kantine ‘gezond’ te maken en worden hiervoor beloond door een zilveren of gouden prijs te krijgen. Deze aanpak lijkt erg zinvol te zijn, echter geven veel scholen aan dat ze het lastig vinden om de jongeren te betrekken in het programma. Het feit dat studenten zo weinig betrokken zijn, heeft invloed op de effectiviteit van het programma. Jongeren moeten dus meer betrokken worden en een belangrijke voorwaarde hiervoor is dat we er achter komen hoe zij over eten denken en hoe hun eetgedrag op school eruit ziet.

KERN
Ondanks dat jongeren aangeven dat ze hun eetgedrag niet hoeven te veranderen, geven ze aan dat ze meer inspraak willen hebben in de programma’s op school en dat ze serieuzer genomen willen worden.

Het zou dus helpen wanneer scholen  afspraken met ze maken om ervoor te zorgen dat ze consequent betrokken worden en dat hun suggesties worden gewaardeerd, een beloningssysteem zou hier heel nuttig voor zijn.

ONDERZOEKSMETHODE
Voor het onderzoek zijn zeven semigestructureerde focusgroepen gehouden met 42 Nederlandse jongeren tussen de 13 en 16 jaar. Deze groep bestond uit 25 meisjes en 17 jongens. Daarnaast is een online vragenlijst afgenomen onder 133 Nederlandse jongeren tussen de 12 en 19 jaar, hiervan waren 72 jongeren meisjes en 61 jongens.

Jongeren van zeven random scholen werden verdeeld over de zeven focus groepen. In deze groepen zaten jongeren van verschillende niveaus. De focus groepen vonden plaats onder schooltijd en duurde gemiddeld 75 min. De leerlingen werden gefilmd en er werd een discussie gestart met verschillende standpunten. De leider van de discussie gaf aan het eind van elke stelling een samenvatting van de opmerkingen en meningen van de groep. De stellingen gingen voornamelijk over hun kijk op voedsel en eetgedrag, hun mening over (gezonde) schoolkantines, de personen of dingen die invloed hebben op voedselkeuze en betrokkenheid van studenten bij het gezonde kantine programma.

Daarnaast is er een online vragenlijst afgenomen bij 133 jongeren, waarvan 34 ook deel hebben genomen aan de focus groep. Het doel van de vragenlijst was om een beter inzicht te krijgen van het eet- en koopgedrag van adolescenten op school, en van hun perceptie van het ‘gezonde school kantine programma’.

VONDSTEN

belang van gezonde kantine

Het onderzoek kwam tot een aantal belangrijke conclusies:

  • Jongeren zijn van mening dat ze hun eetgedrag niet hoeven te veranderen. Ze vinden niet dat ze ongezond eten, en zien geen risico’s in de toekomst omtrent hun eetgedrag.
  • Jongeren hebben een sterke wil om zelf voedselkeuzes te maken en ze vinden autonomie erg belangrijk.
  • Jongeren worden in hoge mate beïnvloed door hun leeftijdgenootjes in hun voedselkeuzes. Verder geven jongeren aan dat ze hun fastfood producten voornamelijk in supermarkten kopen en niet op school.
  • Jongeren laten weten dat ze niet veel vertrouwen hebben in programma’s op school en dat ze het gevoel hebben dat er niet serieus naar hen geluisterd wordt.

Deze conclusies leiden tot verschillende aanbevelingen. Aangezien jongeren aangeven dat ze niet genoeg betrokken worden bij de programma’s op school, kan het helpen dat scholen afspraken met ze maken om ervoor te zorgen dat ze consequent betrokken worden en dat hun suggesties worden gewaardeerd. Daarnaast zou een beloningssysteem heel nuttig kunnen zijn om jongeren meer te betrekken, zeker omdat de jongeren zelf ook aangeven dat dit hun betrokkenheid zou stimuleren.

Onderzoeksresultaten per vraag:
“Wat zijn de voedings- en gezondheidsperspectieven van jongeren,  en hoe ziet hun eet- en consumentengedrag eruit op school”

Jongeren vinden zelf dat hun eetgedrag niet ongezond is, en vinden dus ook niet dat ze hier dingen in moeten veranderen. Daarnaast geven jongeren aan dat de ongezonde voeding die ze hebben gekocht worden in supermarkten en niet op school.

“Wat is de bereidheid van jongeren om mee te werken aan een gezonde schoolomgeving?”.

Jongeren geven aan dat ze vaak geen vertrouwen hebben in programma’s op school. Ze hebben het idee dat er niet serieus naar hen geluisterd wordt en dat ze weinig input kunnen leveren.

DETAILS
Hermans, R. C. J., de Bruin, H., Larsen, J. K., Mensink, F., & Hoek, A. C. (2017). Adolescents’ responses to a school-based prevention program promoting healthy eating a school. Frontier in public health.

Geschreven door Emilie van Tetering, research master student op de Radboud Universiteit