Categorie: Sci-fly

Sci-Fly

sci fly icon

 

Op deze pagina vind je korte, hapklare samenvattingen van interessant recent onderzoek naar Roken, Alcohol, Drugs en/ of Dieet. Mooie manier om up-to-date te blijven van wat er gebeurt in de literatuur!

Sci-fly: Een kind dat niet wil eten en een moeder die dwingt te eten: Wie beïnvloedt wie?

Kieskeurig eetgedrag komt veel voor bij jonge kinderen. Ze lusten maar een beperkt aantal producten, en iets nieuws proberen? Ho maar! Dit eetgedrag kan bij ouders voor frustratie zorgen, maar ook voor ongerustheid over de gezondheid van hun kind. Het is echter nog niet bekend waarom deze twee gedragingen aan elkaar gerelateerd zijn. Lokt het kieskeurige eetgedrag deze ouderlijke controle uit? Of worden kinderen kieskeuriger naarmate ouders meer druk uitoefenen om te eten?

Child Eats Vegetables. Summer Photo. Selective Focus

KERN
Deze studie onderzocht of kieskeurig eetgedrag van kinderen gerelateerd was aan meer ouderlijke druk om te eten bij moeders, en of ouderlijke druk bij moeders op zijn beurt meer kieskeurig eetgedrag bij kinderen voorspelde. Uit de resultaten bleek beide het geval te zijn. De onderzoekers concludeerden dat moeder en kind elkaars gedrag rondom kieskeurig eten wederzijds beïnvloedden, en daarmee versterken. Hoewel ouders waarschijnlijk met goede bedoelingen hun kind dwingen om te eten, lijkt dit op langere termijn een averechts effect te hebben. Daarom zouden ouders gestimuleerd moeten worden om op een andere manier met het kieskeurige eetgedrag van kun kind om te gaan. De onderzoekers adviseerden om hier specifieke adviezen voor te ontwikkelen.

ONDERZOEKSMETHODEN
In dit Nederlandse onderzoek deden 4845 moeder-kind duo’s mee. Moeders vulden op vier momenten vragenlijsten in. Toen kinderen 1.5, 3, 4 en 6 jaar oud waren, vulden moeders vragen in over het eetgedrag van hun kind. Op 4-jarige leeftijd, vulden moeders ook een vragenlijst in naar ouderlijke druk om te eten.

VONDSTEN

  • Kieskeurig eetgedrag bij kinderen op 1.5-jarige leeftijd voorspelde meer ouderlijke druk om te eten bij moeders tweeënhalf jaar later.
  • Kieskeurig eetgedrag bij kinderen op 3-jarige leeftijd voorspelde ook meer ouderlijke druk om te eten bij moeders één jaar later.
  • Het gebruik van ouderlijke druk om te eten bij moeders op 4-jarige leeftijd (van het kind), voorspelde meer kieskeurig eetgedrag bij het kind twee jaar later.

DETAILS
Jansen, P. W., de Barse, L. M., Jaddoe, V. W. V., Verhulst, F. C., Franco, O. H., & Tiemeier, H. (2017). Bi-directional associations between child fussy eating and parents’ pressure to eat: Who influences whom? Physiology & Behavior, 176, 101-106.

Deze Sci-Fly werd geschreven door Desi Beckers (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Sci-fly: Wat doen sociaal isolement en eenzaamheid met onze leefstijl?

De coronapandemie dwingt ons tot een beperking van sociale contacten en dit kan gepaard gaan met een eenzaam gevoel. Op termijn kunnen sociaal isolement en eenzaamheid leiden tot serieuze gezondheidsproblemen, zoals depressieve klachten, een verhoogde bloeddruk en slaapproblemen. Sociale relaties kunnen ons gezondheidsgedrag op twee manieren beïnvloeden. Enerzijds positief: door het delen van kennis over een gezonde leefstijl en sociale controle wordt het makkelijker om gezond gedrag vol te houden. Anderzijds negatief: sociale relaties die ongezond gedrag stimuleren, zoals vrienden die elkaar “aansteken” om te gaan roken. Met name in achterstandswijken kan het relevant zijn om de rol van sociaal isolement en eenzaamheid op leefstijl te onderzoeken, aangezien ongezond gedrag vaker voorkomt bij inwoners van achterstandswijken vergeleken met inwoners van andere wijken. Onderstaande Deense studie verdiepte zich hierin!

KERN
De huidige studie liet zien dat sociaal isolement en eenzaamheid in achterstandswijken geassocieerd waren met een hogere kans op ongezond gedrag (lage groente- en fruitconsumptie, dagelijks roken en fysieke inactiviteit). Sociaal isolement en eenzaamheid gingen in deze studie niet gepaard met een hoge alcoholconsumptie.

Het is belangrijk dat strategieën om sociaal isolement en eenzaamheid te verminderen worden geïntegreerd in bestaande gezondheidsinterventies voor inwoners van achterstandswijken. Uit een eerdere studie bleek dat groepsinterventies (educatieve en sociale activiteiten gericht op specifieke groepen) behulpzaam zijn bij het voorkomen van sociaal isolement en eenzaamheid.

ONDERZOEKSMETHODE
Het doel van deze Deense studie was om meer inzicht te krijgen in:
A. Sociaal isolement en eenzaamheid onder bewoners van achterstandswijken in vergelijking met de algemene bevolking
B. De samenhang tussen sociaal isolement, eenzaamheid en een ongezonde leefstijl

Om de onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden werd gebruik gemaakt van twee databases:
1. Achterstandswijken gezondheidsprofiel vragenlijst, deze vragenlijst werd ingevuld door 5.113 bewoners van achterstandswijken in 2011.
2. Deense gezondheid en ziekte vragenlijst, deze vragenlijst werd ingevuld door 14.686 volwassenen in 2010 (algemene bevolking).

De uitkomstmaat sociaal isolement was gebaseerd op een zogenoemde netwerkindex, een instrument waarmee het sociale netwerk van een respondent in kaart wordt gebracht. De scores van deze sociale netwerkindex varieerden tussen 0 en 4 en werden gecategoriseerd in “sociaal geïsoleerd” (score 0-2) en “niet-sociaal geïsoleerd” (score 3-4). Eenzaamheid werd bepaald door de vraag: “Ben je ooit alleen, terwijl je liever samen bent met andere mensen?”. Antwoordopties bij deze vraag waren “Ja, vaak”, “Ja, soms”, “Ja, zelden” en “Nee”, deze antwoorden werden gecategoriseerd in “eenzaam” (vaak) en “niet-eenzaam” (soms, zelden, nee). Ongezond gedrag werd gemeten aan de hand van vier indicatoren: beperkte groente- en fruitconsumptie, dagelijks roken, hoge alcoholconsumptie en lichamelijke inactiviteit. In de analyses werden sociaal isolement en eenzaamheid uitgezet tegen sociaal demografische factoren en de vier leefstijlindicatoren.

VONDSTEN

Afbeelding sci-fly Pauline

A. Achterstandswijken in vergelijking met de algemene bevolking

  • Sociaal isolement kwam significant vaker voor bij inwoners:
    • met een migratieachtergrond (22%) in vergelijking met inwoners zonder migratieachtergrond (17%)
    • zonder een baan (22%) in vergelijking met inwoners met een baan (11%)
    • met een lage sociaal economische status (SES) (25%) in vergelijking met inwoners met een gemiddelde of hoge SES (16%)
  • Eenzaamheid kwam significant vaker voor bij inwoners:
    • met een migratieachtergrond (10%) in vergelijking met inwoners zonder migratieachtergrond (8%)
    • zonder een baan (11%) in vergelijking met inwoners met een baan (5%)
    • met een lage SES (12%) in vergelijking met inwoners met een gemiddelde of hoge SES (5%)

B. De samenhang met een ongezonde leefstijl

  • Sociaal geïsoleerde inwoners:
    • aten significant minder groente en fruit (13%) dan niet-sociaal geïsoleerde inwoners (6%)
    • rookten significant vaker dagelijks (45%) dan niet-sociaal geïsoleerde inwoners (37%)
    • waren significant vaker fysiek inactief (30%) dan niet-sociaal geïsoleerde inwoners (17%)
  • Eenzame inwoners:
    • aten significant minder groente en fruit (16%) dan niet-eenzame inwoners (7%)
    • rookten significant vaker dagelijks (49%) dan niet-eenzame inwoners (37%)
    • waren significant vaker fysiek inactief (34%) dan niet-eenzame inwoners (18%)
  • Een hoge alcoholconsumptie (meer dan 14 glazen per week voor vrouwen en meer dan 21 glazen per week voor mannen) was niet geassocieerd met sociaal isolement en eenzaamheid.

DETAILS
Algren, M.H., Ekholm, O., Nielsen, L., Ersbøll, A.K., Bak, C.K., Andersen, P.T. (2020). Social isolation, loneliness, socioeconomic status, and health-risk behaviour in deprived neighbourhoods in Denmark: A cross-sectional study. SSM Population Health, 10, 100546.

Deze sci-fly werd geschreven door Pauline Geuijen (Radboudumc) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Sci-Fly: Is het eetgedrag van jongeren gerelateerd aan het eetgedrag van hun moeders of beste vrienden?

Jongeren staan over het algemeen niet bekend om hun gezonde eetgedrag. Zo blijkt bijvoorbeeld dat veel Nederlandse jongeren de aanbevolen hoeveelheid groente- en fruitconsumptie in geen velden of wegen halen. In een poging gezonde eetpatronen te bevorderen hebben onderzoekers zich gebogen over de factoren die van invloed zijn op het eetgedrag van jongeren. Uit eerder onderzoek is gebleken dat de sociale omgeving zo’n belangrijke factor kan zijn. Het is echter nog onbekend welke personen uit die sociale omgeving nu van het grootste belang zijn voor jongeren: moeders of beste vrienden? Nederlandse wetenschappers (waaronder RAD-bloggers Nina van den Broek, Junilla Larsen en Jacqueline Vink) zochten het uit!

Schermafbeelding 2020-04-20 om 13.19.30

KERN
In deze studie werd onderzocht of het gezonde en ongezonde eetgedrag van jongeren is gerelateerd aan het eetgedrag van hun moeders en/of beste vrienden. Uit de resultaten bleek dat jongeren meer overeenkomsten laten zien met het eetgedrag van hun moeders dan met het eetgedrag van hun beste vrienden, zowel als het gaat om het eten van gezonde als ongezonde producten. Dit was met name het geval voor de producten die jongeren vanuit thuis krijgen of pakken. Daarbij speelde de mate van blootstelling aan het eetgedrag van moeders een rol. Moeders lijken dus belangrijk als het gaat om het eetgedrag van jongeren. Daarom zouden zij zich bewuster kunnen worden van hun invloed op de eetpatronen van hun kind.

ONDERZOEKSMETHODEN
In deze studie vulden 667 Nederlandse jongeren (gemiddelde leeftijd: 12,9 jaar) op hun school vragenlijsten in over de frequentie van inname van gezonde (bijv. fruit en groente) en ongezonde (bijv. zoete frisdranken en zoete en vetrijke snacks) producten. Daarnaast vulden 396 van hun moeders thuis vragenlijsten in over hun eigen eetgedrag, apart voor de inname in het bijzijn en de afwezigheid van hun kind. De jongeren identificeerden bovendien hun best vriend in de klas. Van de jongeren die door hun beste vriend geïdentificeerd waren, deden er 378 mee aan dit onderzoek. De jongeren gaven aan hoe vaak zij met deze beste vriend samen tijdens de pauze eten en drinken.

VONDSTEN
– Het gezonde eetgedrag van jongeren was gerelateerd aan het gezonde eetgedrag van hun moeders, zowel wanneer het eten vanuit thuis als vanuit buiten het huis was verkregen.
– Wanneer jongeren vaker werden blootgesteld aan het gezonde eetgedrag van hun moeders, waren de overeenkomsten in gezond eetgedrag nog groter.
– Het ongezonde eetgedrag van jongeren was ook gerelateerd aan het ongezonde eetgedrag van hun moeders, dit keer enkel wanneer het eten vanuit thuis was verkregen. De mate van blootstelling speelde in dit geval geen rol.
– Er werden geen associaties met het eetgedrag van beste vrienden gevonden voor de gehele groep jongeren.
– Wel bleek een hoge mate van blootstelling aan beste vrienden die weinig ongezonde snacks consumeerden gerelateerd aan het eten van minder ongezonde snacks die vanuit buiten het huis waren verkregen.

DETAILS
Van den Broek, N., Larsen, J. K., Verhagen, M., Burk, W.J., & Vink, J. M. (2020). Is adolescents’ food intake associated with exposure to the food Intake of their mothers and best friends? Nutrients, 12, 786.

Het originele wetenschappelijke artikel kan gratis gelezen worden via de volgende link: https://doi.org/10.3390/nu12030786

Deze sci-fly werd geschreven door Nina van den Broek (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Sci-fly: Wat peuters en kleuters weten over alcohol en de rol van ouderlijk alcoholgebruik

Ouders spelen een belangrijke rol in de ontwikkeling van hun kinderen. Dit geldt ook met betrekking tot het alcoholgebruik dat vaak start in de vroege adolescentie. Maar zijn ouders ook verantwoordelijk voor alcoholgerelateerde cognities (kennis en normen) in de kindertijd? Ofwel, heeft het alcoholgebruik van ouders invloed op wat jonge kinderen weten over alcohol en wat zij weten over de normen rond alcoholgebruik? En, lopen jonge kinderen met alcoholgerelateerde cognities risico om eerder te beginnen met het drinken van alcohol en meer te gaan drinken in de adolescentie? Wetenschappers uit Australië zochten het uit.

Top-down View Of Male And Female Hands With Filled Glasses Of Wi

KERN
In deze studie werd onderzocht wat de invloed is van het alcoholgebruik van ouders en kenmerken van het familieleven op de kennis over alcohol en de normen rond alcoholgebruik van jonge kinderen (3-6 jaar).

METHODE
Het onderzoek werd gehouden onder kinderen (N = 214) van 3 tot en met 6 jaar en hun ouders (N = 359) in het Franstalige deel van Zwitserland. Kinderen vulden de electronic Appropriate Beverage Task in en kregen tekeningen van volwassenen en kinderen te zien in 11 verschillende situaties. Daarnaast kregen zij 12 foto’s van drankjes te zien, waarvan 4 alcoholhoudend (bijvoorbeeld rode wijn) en 8 niet alcoholhoudend (bijvoorbeeld cola). De kinderen werden gevraagd de naam van ieder drankje te benoemen en aan te geven of er alcohol in zit (alcoholkennis). Ook kregen zij de opdracht om bij de personen in de tekeningen aan te geven wat zij dachten dat de personen zouden drinken (alcoholnormen). De ouders van de kinderen vulden vragenlijsten in over hun alcoholgebruik (bijvoorbeeld frequentie van alcoholgebruik) en kenmerken van het familieleven (bijvoorbeeld bezoek van kennissen).

VONDSTEN
– Het alcoholgebruik van ouders (frequentie en hoeveelheid) en volwassenen buiten de familiare context (kennissen) voorspellen de kennis en normen die jonge kinderen over alcohol(gebruik) hebben.
– Jonge kinderen weten meer over alcohol en de normen rond alcoholgebruik als a) ouders regelmatig drinken; b) ouders veel drinken; c) ouders drinken tijdens het eten; d) er regelmatig contact is met andere volwassen en e) de familie vaak jaarmarkten, feestjes of festivals bezoekt.
– Factoren die geen invloed hebben op de kennis en normen die jonge kinderen over alcohol(gebruik) hebben zijn a) binge drinken door ouders; b) televisie kijken door kinderen; en c) alleenstaande huishoudens.

Het huidige onderzoek suggereert dat kinderen die vaak worden blootgesteld aan het alcoholgebruik van volwassenen (niet alleen ouders, ook andere volwassenen) de indruk kunnen krijgen dat het drinken van alcohol normaal is. Ook kan het bijdragen aan de ontwikkeling van een positieve houding ten aanzien van alcohol (sociale normen) en positieve verwachtingen van alcoholgebruik (verwachtingen). Beide van deze alcoholgerelateerde cognities zijn gerelateerd aan het eerder beginnen met het drinken van alcohol en meer drinken in de adolescentie. Longitudinale onderzoeken zijn nodig om de invloed van alcoholkennis en –normen van jonge kinderen op alcoholinitiatie in de vroege adolescentie en vervolggebruik te meten.

DETAILS
Kuntsche, E., & Kuntsche, S. (2019). Parental drinking and characteristics of family life as predictors of preschoolers’ alcohol-related knowledge and norms. Addictive behaviors, 88, 92-98.

Deze sci-fly werd geschreven door dr. Carmen Voogt (Expertisecentrum Alcohol van het Trimbos-instituut/ Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Alcoholvrije alternatieven opstapje naar ‘het echte werk’?

De opkomst van alcoholvrij bier en andere dranken die lijken op alcohol  is een grote trend in Nederland. Dit blijkt uit de komst van verschillende alcoholvrije bieren, radlers, ciders, wijnen en zelfs gin (vanaf hier: alcoholvrije alternatieven). De toename in consumptie van alcoholvrije alternatieven is eenvoudig te verklaren door de voordelen die hieraan hangen: na consumptie mag iemand nog steeds een auto besturen, alcoholvrije alternatieven kunnen gedronken worden door zwangere vrouwen en zijn over het algemeen gezonder, ondanks dat ze in toenemende mate lijken op (en smaken als) de alcoholische tegenhangers.

Naast de voordelen van de groeiende alcoholvrije markt, is het voor jongeren echter nog onbekend in hoeverre alcoholvrije alternatieven invloed hebben op alcoholgebruik. Een mogelijk gevolg van het drinken van alcoholvrije alternatieven is namelijk dat de opstap naar alcoholhoudende dranken kleiner wordt. Hier is nog weinig onderzoek naar gedaan, maar een studie vindt zijn oorsprong in Japan. Net als in Nederland zijn er in Japan geen regulaties van de consumptie van alcoholvrije alternatieven onder jongeren.

KERN
In deze studie werd onderzocht of jongeren meer alcohol gaan drinken als ze al ervaring hebben met alcoholvrije alternatieven. Ondanks dat dit paper enkele jaren oud is (2016) en de gegevens uit Japan komen, is dit één van de weinige onderzoeken die zich richt op de gevolgen van de opkomst van alcoholvrije alternatieven.

bike beer

 
METHODE
Voor deze studie vulden in totaal 100,050 jongeren tussen 12 en 18 jaar uit Japan (waarvan 51,587 jongens) eenmalig een vragenlijst in. Hierin werd gevraagd naar de consumptie van zowel alcoholhoudende dranken als alcoholvrije alternatieven. Als jongeren aangaven dat ze beide ‘soorten’ dranken al eens geconsumeerd hadden, werd er gevraagd naar de volgorde van consumptie (eerst alcoholvrij en dan alcoholhoudend of andersom).

VONDSTEN

  • De consumptie van alcoholvrije alternatieven bereikte een piek rond 15 jaar oud. Daarbij werd gevonden dat meisjes gemiddeld meer alcoholvrije alternatieven dronken dan jongens. Dit heeft mogelijk te maken met de Japanse cultuur (vaker intolerant ten opzichte van alcoholgebruik onder vrouwen) en marketing (advertenties zijn vaker gericht op uiterlijk en gezondheid).
  • Er werd gevonden dat de consumptie van alcoholvrije alternatieven geassocieerd was met de consumptie van alcoholhoudende dranken.
  • De volgorde van alcoholvrije alternatieven en alcoholische dranken werd vastgesteld. Het bleek dat voor alcoholgebruik vaker voorafging aan het consumeren van alcoholvrije alternatieven. Dit suggereert dat alcoholvrije alternatieven geen trigger zijn voor het drinken van alcoholische drankjes. Daarnaast bleek dat dit niet verschilde voor jongens en meisjes.
  • De proportie jongeren die alcoholvrije alternatieven eerder dronk was groter onder jongere studenten. De onderzoekers merken op dat het mogelijk is dat alcoholvrije alternatieven een ‘gateway’ zijn naar alcoholhoudende dranken.

De studie heeft verschillende beperkingen. Een belangrijk punt is dat deze studie specifiek is voor de Japanse cultuur: een land waar alcoholvrije alternatieven veel geconsumeerd worden en makkelijk te verkrijgen zijn.

Het stijgend aandeel van alcoholvrije alternatieven is ook in Nederland zichtbaar en maakt een studie als deze een belangrijk startpunt voor onderzoek in onze cultuur. Gebaseerd op deze studie zou het interessant zijn om bepalen of jongeren in Nederland een verhoogd risico lopen om eerder te beginnen met alcohol of om meer te gaan drinken, wanneer ze al op jongere leeftijd in aanraking zijn gekomen met alcoholvrije alternatieven.

DETAILS
Kinjo, A., Imamoto, A., Ikeda, M., Itani, O., Ohida, T., Kaneita, Y., … & Osaki, Y. (2016). The Association Between Alcohol-Flavoured Non-Alcoholic Beverages and Alcohol Use in Japanese Adolescents. Alcohol and Alcoholism52(3), 351-357.

Deze sci-fly werd geschreven door Koen Smit (Trimbos Instituut/ Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Sci-fly: Nicotineverslaving – onderzoek naar de neurobiologische risicofactoren

De meest voorkomende verslaving onder jongeren is die aan sigaretten, ofwel nicotine. Sigaretten zijn, in vergelijking tot andere drugs, eenvoudig te verkrijgen en daardoor komt experimenteren met roken onder jongeren veel voor. Terwijl sommige jongeren gemakkelijk van de sigaretten af kunnen blijven nadat ze een aantal keer gerookt hebben, lijkt dit voor anderen veel moeilijker. Waarom zijn sommige jongeren gevoeliger voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving in vergelijking tot anderen? Onderzoek naar de onderliggende neurobiologische risicofactoren kan inzicht geven.

Uit eerder onderzoek weten we dat drugs gerelateerde beloningen (bijvoorbeeld een sigaret of een pakje sigaretten) zorgen voor een verhoogde activiteit in het beloningsgebied in de hersenen van verslaafde volwassenen. Niet-drugs gerelateerde beloningen, zoals geld, zijn juist minder interessant en resulteren in verminderde activiteit. Eerder onderzoek was met name gefocust op volwassenen, maar deze studie was een van de eerste studies die dit fenomeen testte in adolescenten.

KERN
De onderzoekers vonden dat het beloningsgebied in de hersenen van jongeren die roken minder actief is bij het zien van alledaagse beloningen, zoals geld, in vergelijking met jongeren die niet roken. Deze verminderde activatie van het beloningsgebied voor alledaagse beloningen werd zelfs waargenomen in jongeren die in hun leven slechts 10x gerookt hebben. Verminderde activiteit in het beloningsgebied van het brein voor alledaagse beloningen is dus mogelijk een risico factor voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving.

rokers brein beloning geld

ONDERZOEKSMETHODE
Het doel van deze studie was om meer inzicht te krijgen in de neurobiologische risicofactoren verantwoordelijk voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving. Om dit te onderzoeken werden 43 jongeren die roken vergeleken met 43 jongeren die niet roken. Met behulp van fMRI werd gekeken hoe het brein reageert op alledaagse beloningen (geld) en of er verschillen zijn tussen de 2 groepen in de activatie van het beloningsgebied in het brein. Er werd ook gekeken of de activatie in het beloningsgebied van het brein gerelateerd is aan het aantal sigaretten dat iemand gemiddeld genomen rookte in de maand voorafgaand aan het onderzoek. Daarnaast werd een kleine groep van milde rokers (14 jongeren, die minder dan 10x gerookt hebben in hun leven) vergeleken met de groep rokers.

VONDSTEN
Het beloningsgebied in de hersenen van de rokers in vergelijking tot de niet-rokers was minder actief voor alledaagse beloningen.

  • De activatie in dit gebied hing samen met het aantal sigaretten dat iemand gemiddeld genomen had gerookt in de maand voorafgaand aan het onderzoek. Dat wil zeggen dat hoe vaker iemand gemiddeld genomen rookte in de afgelopen maand, hoe lager de activiteit in het beloningsgebied.
  • De verminderde activiteit in het beloningsysteem werd ook waargenomen in de groep jongeren die minder dan 10 keer in hun leven gerookt hadden. Op basis van dit resultaat suggereren de onderzoekers dat jongeren die minder gevoelig zijn voor geld beloningen (minder activiteit in het beloningsgebied in de hersenen bij het zien van geld beloningen) mogelijk vatbaarder zijn voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving. Omdat de jongeren slechts 10x of minder gerookt hebben in hun leven, zijn de veranderingen in de activiteit van het brein niet het gevolg van chronisch nicotine gebruik. Deze data wijst erop dat verminderde activiteit in het beloningsgebied juist resulteert in roken. Echter, meer longitudinaal onderzoek is nodig om dit verder te onderzoeken.
  • De huidige studie suggereert dat verminderde activiteit in het beloningsgebied voor alledaagse beloningen mogelijk een risico factor is voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving.

DETAILS
Peters, J., Bromberg, U., …, Büchel, C. (2011). Lower  ventral striatal activation during reward anticipation in adolescent smokers. Am J Psychiatry,  168(5):540-9.

Deze sci-fly werd geschreven door Joyce Dieleman (Trimbos Instituut/ Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Sci-fly: Cannabisgebruik verminderen, maar niet stoppen – behulpzaam of niet?

Onderzoek naar de behandeling van verslavingen focust zich normaliter op onthouding van middelen – volledig stoppen met iets gebruiken, om vervolgens te kunnen herstellen. Tot voor kort werd er niet of nauwelijks gekeken naar de vermindering van middelengebruik, en hoe dit in verhouding staat met onthouding. Als een verslaafd persoon simpelweg minder gaat gebruiken, kan hij/zij daar dan de vruchten van plukken? Of houdt diegene zichzelf hiermee voor de gek? De verminderingsstrategie wordt vaak afgeraden in de behandeling (ten voordele van de onthoudingsstrategie). Desondanks kunnen er positieve effecten verbonden zijn aan de verminderingsstrategie, bijvoorbeeld voor de fysieke en mentale gezondheid. Als iemand deze voordelen ervaart, zou het misschien zelfs motiverend kunnen werken bij het afbouwen van middelengebruik, of om de vervolgstap te zetten naar volledige onthouding.

plaatje_vermindering.png

KERN
– In dit onderzoek werden (ex-)cannabisverslaafden verdeeld in drie groepen op basis van hun recente middelengebruik: 1) onthouding, 2) licht gebruik, en 3) zwaar gebruik.
– Deze groepen werden vervolgens vergeleken op verschillende maten van fysieke en mentale gezondheid.
– De onthoudingsgroep en de lichtgebruikers rapporteerden betere uitkomsten op fysieke en mentale gezondheid dan de zwaargebruikers. Dit gold bijvoorbeeld voor de algemene gezondheid, eetlust, en symptomen van depressie- of angststoornissen.

ONDERZOEKSMETHODE
Deze studie onderzocht of een verminderde mate van cannabisgebruik gerelateerd zou zijn aan positieve gezondheidsuitkomsten, in vergelijking met zwaar gebruik of onthouding. Zulke uitkomsten zouden een positieve bijdrage kunnen leveren aan het behandelingsproces – bijvoorbeeld om mensen te motiveren, of als volledige onthouding (nog) onmogelijk is. Een groep Amerikaanse onderzoekers heeft hiervoor vragenlijstonderzoek gedaan bij 111 mensen met een geschiedenis van problematisch cannabisgebruik (denk hierbij bijvoorbeeld aan deelnemers van Marijuana Anonymous bijeenkomsten in de VS). Op basis van hun gebruiksgeschiedenis van de afgelopen 30 dagen werden zij verdeeld in drie groepen: 1) de onthoudingsgroep, 2) lichtgebruikers (3 of minder dagen per week) en 3) zwaargebruikers (>4 dagen per week). Deze drie groepen werden vergeleken op verschillende maten van fysieke en mentale gezondheid.

VONDSTEN
– Over het algemeen scoorden zwaargebruikers van cannabis het slechtst van alle groepen.
– De verschillen tussen de onthoudingsgroep en de lichtgebruikers waren klein en statistisch niet-significant.
– In verhouding tot de zwaargebruikers, hadden de onthoudingsgroep en de lichtgebruikers betere scores op algemene gezondheid, eetlust en depressie.
– Volledige onthouding was daarnaast nog gerelateerd aan een hogere slaapkwaliteit en minder angstsymptomen.
– Verminderd cannabisgebruik wordt dus geassocieerd met een aantal positieve gezondheidsuitkomsten, in verhouding tot zwaar gebruik (>4 dagen per week)

Verminderd cannabisgebruik lijkt dus enkele voordelen met zich mee te brengen, maar onderzoeken over langere periodes zijn nodig om deze stelling verder te kunnen bevestigen. Daarnaast is het nog onbekend in hoeverre dit motiverend zou kunnen werken bij het stopproces.

DETAILS
Mooney, L. J., Zhu, Y., Yoo, C., Valdez, J., Moino, K., Liao, J. Y., & Hser, Y. I. (2018). Reduction in Cannabis Use and Functional status in physical health, mental health, and Cognition. Journal of Neuroimmune Pharmacology13(4), 479-487

Deze sci-fly werd geschreven door Dennis Trommelen, masterstudent Behavioral Science Institute, Radboud Universiteit Nijmegen.

Sci-fly: Rookgedrag bij zwangere vrouwen

Roken en meeroken zijn schadelijk voor je gezondheid. Maar wat zijn de gevolgen van roken rond de zwangerschap? Voorafgaand aan de zwangerschap is de kans om zwanger te worden kleiner als een vrouw/haar partner regelmatig een sigaret opsteekt. Roken tijdens de zwangerschap verhoogt de kans op ernstige gevolgen voor het ongeboren kind, zoals een miskraam, vroeggeboorte of een laag geboortegewicht. Na de zwangerschap kan de baby nicotine binnenkrijgen via borstvoeding of worden blootgesteld aan rokers in de omgeving (meeroken).

In de afgelopen tijd zijn er veel stoppen met roken methodes opgezet en getest, sommigen bleken effectief, anderen waren minder succesvol. Om deze stoppen met roken methodes beter te kunnen laten aansluiten bij de doelgroep, is het belangrijk dat we meer zicht hebben op zowel de risicofactoren (wat maakt dat vrouwen blijven roken rond de zwangerschap?) als de beschermende factoren (wat maakt dat vrouwen stoppen met roken rond de zwangerschap?). Deze studie zocht dit uit!

KERN
Het is essentieel dat de partner stopt met roken voorafgaand aan de zwangerschap en dat hij/zij niet rookt tijdens de zwangerschap. Rookt de partner wel tijdens de zwangerschap, dan dient deze na de bevalling te stoppen met roken.

Gezondheidsbevorderaars en preventiewerkers dienen het rookgedrag van zowel de zwangere vrouw als haar partner bespreekbaar te maken en deze hulpverleners kunnen stellen waar nodig verwijzen naar een effectieve stoppen met roken methode.

ONDERZOEKSMETHODE
Het doel van deze studie was om meer inzicht te krijgen in risico- en beschermende factoren voor vrouwen die:

  • Roken voor de zwangerschap
  • Roken tijdens de zwangerschap
  • Succesvol stoppen tijdens de zwangerschap
  • Terugvallen in rookgedrag na de bevalling

In totaal vulden 1858 Nederlandse vrouwen vragenlijsten in over hun middelengebruik (roken, alcohol- en drugsgebruik) voor, tijdens en na de zwangerschap. De onderzoekspopulatie werd geworven bij consultatiebureaus en bestond uit moeders (gemiddeld 32 jaar) van jonge kinderen (jongste kind jonger dan 5 jaar). De Monitor werd uitgevoerd bij 46 consultatiebureaus, verspreid over 35 Nederlandse steden. In de analyses werd het rookgedrag van vrouwen rond de zwangerschap uitgezet tegen sociaal demografische factoren, middelengebruik, rookgedrag van de partner en hulp bij stoppen met roken.

VONDSTEN

Foto_roken_zwangerschap-2042210636-1557847660388.png

  • Roken voor de zwangerschap hangt samen met:
    • laag of gemiddeld opleidingsniveau
    • alleen wonen
    • alcoholgebruik voor de zwangerschap
    • cannabisgebruik voor de zwangerschap
    • rokende partner
  • Roken tijdens de zwangerschap hangt samen met:
    • laag of gemiddeld opleidingsniveau
    • alleen wonen
    • geen alcoholgebruik voor de zwangerschap
    • rokende partner
  • Succesvol stoppen tijdens de zwangerschap hangt samen met:
    • hoog opleidingsniveau
    • alcoholgebruik voor de zwangerschap
    • weinig contact met hulpverleners over stoppen met roken
    • minder gebruik van stoppen met roken methode
  • Terugval in rookgedrag na de bevalling hangt samen met:
    • rokende partner

DETAILS
Scheffers-van Schayck, T., Tuithof, M., Otten, R., Engels, R., & Kleinjan, M. (2019). Smoking Behavior of Women Before, During, and after Pregnancy: Indicators of Smoking, Quitting, and Relapse. European Addiction Research, 25, 132-144.

Deze sci-fly werd geschreven door Pauline Geuijen (Radboudumc) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Sci-fly: Kinderen gezond verleiden in de schoolkantine

Slechts vier op de tien kinderen in Nederland eet voldoende groente en fruit, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau van de Statistiek. Omdat het eten van groente en fruit cruciaal is voor het gezond opgroeien van kinderen, is het van groot belang om de consumptie van deze gezonde producten bij kinderen te stimuleren. Een goede plek om hiermee te beginnen is op school; hier brengen kinderen immers een groot deel van hun tijd door. Maar (hoe) kun je er als (basis)school voor zorgen dat kinderen op school verleid worden om gezonde producten te eten? Wetenschappers uit het Verenigd Koninkrijk zochten het uit.

KERN
– Op twee basisscholen (interventie-scholen) werd het aanbod, de positionering, en de uitstraling van groente en fruit in de schoolkantine aangepast om deze aantrekkelijker te maken. Op twee andere basisscholen (controle-scholen) werden deze aanpassingen niet gedaan.
– Kinderen op de interventie-scholen aten na drie weken meer fruit, vitamine C en vezels. Op de controle-scholen werd dit verschil niet waargenomen.
– Er werden geen verschillen gevonden voor de consumptie van groente op zowel de interventie-scholen als de controle-scholen.
– Op school kunnen kinderen worden verleid om meer fruit te eten door het aanbod, de positionering, en de uitstraling hiervan aantrekkelijker te maken in de schoolkantine.

ONDERZOEKSMETHODE
In deze studie werd onderzocht of aanpassingen in het aanbod, de positionering, en de uitstraling van groente en fruit ervoor zorgen dat kinderen op scholen meer groente en fruit gaan eten. Leerlingen van vier basisscholen uit het Verenigd Konikrijk deden mee aan het onderzoek. Leerlingen van twee van deze basisscholen werden toegewezen aan de interventie-conditie en leerlingen van de andere twee bassischolen werden toegewezen aan de controle-conditie.

In de controle-conditie werd er niets veranderd aan de schoolkantine. In de interventie-conditie werden de volgende aanpassingen gedaan aan het aanbod, de positionering, en de uitstraling van groente en fruit:

– Advertenties en reclames: Er werden felgekleurde posters opgehangen in de eetzaal, met hierop kinderen en stripfiguren die aan het genieten zijn van groenten en fruit. Daarnaast stond er aan het begin van de rij van de kantine een bord met hierop de “groente van de dag”.
– Aantrekkelijke namen: Voor elke soort groente en fruit werden nieuwe, aantrekkelijke namen bedacht. Een voorbeeld hiervan was “Dinosaur Tree Broccoli”.
– Aantrekkelijke labels: Er werd een label geplaatst bij elke soort groente en fruit, die aandacht trok met een aantrekkelijke naam, een leuk plaatje, en een stripfiguur.
– Aantrekkelijke porties: Hele stukken fruit werden vervangen door fruit dat al gesneden was. Deze gesneden stukjes fruit werden in kleurrijke plastic bakjes gedaan, die aan het einde van de rij van de kantine op een taartplateau werden geplaatst.
– Fruit en groente als eerste: Waar mogelijk werd de volgorde van serveren veranderd, zodat groente en fruit werden aangeboden vóórdat andere bijgerechten werden aangeboden. Ook werd het personeel geïnstrueerd om kinderen aan te moedigen om een portie groente en fruit te nemen.

Dinosaur Tree Broccoli

VONDSTEN
– Kinderen op de interventie-scholen aten na drie weken meer fruit, vitamine C en vezels dan vóór de interventie. Op de controle-scholen werd dit verschil niet waargenomen.
– Er werden geen verschillen gevonden voor de consumptie van groente op zowel de interventie-scholen als de controle-scholen.

DETAILS
Marcano-Olivier, M., Pearson, R., Ruparell, A., Horne, P. J., Viktor, S., & Erjavec, M. (2019). A low-cost Behavioural Nudge and choice architecture intervention targeting school lunches increases children’s consumption of fruit: A cluster randomised trial. International Journal of Behavioral Nutrition and Physical Activity, 16, 20.

Deze sci-fly werd geschreven door Nina van den Broek, PhD student bij het Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit.

 

Sci-fly: Is voedselverslaving de oorzaak van overgewicht?

In onze samenleving stijgt het aantal mensen met overgewicht. Voedselverslaving wordt genoemd als mogelijke oorzaak hiervan, maar is dit wel terecht? Om deze vraag te beantwoorden moeten we eerst weten wat verstaan wordt onder een verslaving. In de DSM (handboek voor diagnostiek) wordt bepaald aan de hand van een aantal criteria of iemand een verslaving heeft. We spreken over een verslaving wanneer iemand aan minimaal 3 van de volgende criteria voldoet: gebruik is moeilijk te controleren, trek in het middel (craving), opbouw van tolerantie, ontwenningsverschijnselen, absentie van andere interesses, onsuccesvolle pogingen om te stoppen en blijvend gebruik ondanks de wetenschap dat het slecht voor je is.

overgewicht_scifly

KERN
Vaak wordt gedacht dat een voedselverslaving zich uit in, of gelijk is aan, overmatig eten. Er is sprake van overmatig eten bij meer voedsel inname dan nodig is om een gezond lichaamsgewicht te behouden. Daarom wordt voedselverslaving vaak gezien als oorzaak van overgewicht en obesitas. Als er daadwerkelijk sprake is van een verslaving, heeft dit gevolgen voor de behandeling van overgewicht en obesitas.

ONDERZOEKSMETHODE
In deze review werd onderzocht of voedselverslaving een verklaring voor overgewicht kan zijn. Daarvoor is op basis van vele andere onderzoeken een vergelijking gemaakt tussen voedselverslaving en middelenverslaving.

VONDSTEN
Een overeenkomst tussen middelengebruik en voedsel is het ‘craving’ effect. Craving wil zeggen dat je trek krijgt in het middel of in bepaald voedsel, bijvoorbeeld chocolade. Uit onderzoek blijkt dat dezelfde hersenstructuren hierbij een rol spelen. Een andere overeenkomst is de tolerantie. Tolerantie in het geval van voeding wordt vooral opgebouwd doordat de maag groter wordt. Doordat de maag in capaciteit toeneemt, is er meer voeding nodig om een vol gevoel te krijgen. Dit is in feite hetzelfde bij middelengebruik, daarbij bouwen mensen ook tolerantie op, waardoor steeds meer van het middel nodig is om hetzelfde effect te krijgen, denk bijvoorbeeld aan alcohol.

Een belangrijk verschil is dat voeding makkelijker in meer of mindere mate genomen kan worden zonder dat er grote effecten ontstaan. Wanneer je het gevoel hebt dat je vol zit is er vaak nog wel ruimte in je maag voor meer. Wanneer je teveel van een middel gebruikt dan is er sprake van een overdosis, wat grote gevolgen kan hebben. Daarnaast is het ook zo dat wanneer mensen van hun verslaving af willen ze zich geheel kunnen onthouden van het middel. In het geval van voeding is dat niet mogelijk, dit hebben we nodig om te overleven. Echter kunnen we in onze voeding wel gezondere keuzes maken en zeer energierijk voedsel (met veel suikers en vetten) vaker laten staan.

De belangrijkste bevinding in dit onderzoek is dat voedselverslaving niet altijd de oorzaak is van overgewicht. Veel mensen met obesitas voldoen niet aan de criteria van een voedselverslaving. Overmatige inname van energierijk voedsel is op zichzelf staand de belangrijkste verklaring voor overgewicht en dit is dus niet hetzelfde als een voedselverslaving.

DETAILS
Rogers, P. J. (2017). Food and drug addictions: Similarities and differences. Pharmacology Biochemistry and Behavior, 153, 182-190.

Deze sci-fly werd geschreven door Loes Huijbers, master student Pedagogische Wetenschappen en Onderwijskunde, Radboud Universiteit.

Sci-Fly: Opa en oma als oppas: Een gezonde voedselomgeving voor het kleinkind?

Opa en oma spelen een belangrijke rol in de opvoeding van hun kleinkind. Helemaal nu het aantal tweeverdieners binnen gezinnen stijgt, en daarmee de vraag naar betrouwbare en goedkope kinderopvang. Ongeveer een derde van de kinderen met werkende ouders gaat naar zijn of haar grootouders. Nu staan opa en oma vooral te boek als zorgzaam en liefdevol, maar niet als de meest gezonde opvoeders. Ze verwennen hun kleinkind immers dolgraag. In het licht van de groeiende obesitasepidemie rijst daarom de vraag: In hoeverre creëren grootouders een gezonde voedselomgeving voor hun kleinkind?

grandma-1038239_1280.png

KERN
Veel opa’s en oma’s passen niet alleen op, maar bereiden tijdens het oppassen ook maaltijden en snacks, vaak zelfs meerdere keren per week. Uit deze studie blijkt dat grootouders over het algemeen een gezonde voedselomgeving voor hun kleinkind creëren. Wel zijn er risicogroepen die mogelijk meer hulp nodig hebben bij het klaarmaken van gezonde maaltijden en snacks, waaronder oudere grootvaders en grootouders uit minder welvarende wijken. Ook blijkt dat kleindochters en jongere kleinkinderen vaker gezonde producten aangeboden krijgen. Het belang van gezonde voeding kan bij grootouders van kleinzoons en oudere kleinkinderen daarom nog extra worden benadrukt. Het promoten van gezonde voedselkeuzes kan worden gefaciliteerd door voedingsinformatie op productetiketten beter af te stemmen op de oudere doelgroep. Denk daarbij aan duidelijk leesbare lettertypes en kleuren en eenvoudig taalgebruik.

De huidige gezondheidsprogramma’s zijn vaak alleen gericht op ouders. Dat is een gemiste kans, aangezien andere opvoeders –waaronder opa en oma– een belangrijke rol spelen in de eetopvoeding. Gezondheidsinterventies gericht op (de preventie van) overgewicht en obesitas bij kinderen doen er daarom goed aan de rol van grootouders te erkennen en integreren.

ONDERZOEKSMETHODE
Het doel van deze studie was om meer inzicht te krijgen in de volgende drie vragen:

  1. In hoeverre geven grootouders snacks en maaltijden aan hun kleinkinderen?
  2. Welke soorten eten en drinken geven grootouders aan hun kleinkinderen?
  3. Welke factoren zijn gerelateerd aan de soorten eten en drinken die grootouders hun kleinkinderen geven?

Om deze vragen te beantwoorden werd een online vragenlijst uitgezet onder Australische opa’s en oma’s. Gevraagd werd hoe vaak zij oppassen, welke maaltijden zij bereiden, welk eten en drinken zij hun kleinkind geven en waarom zij voor bepaalde voedingsproducten kiezen. De vragenlijst werd ingevuld door 1076 grootouders (gemiddeld 65 jaar oud, 60% oma’s). Alleen grootouders die minstens 3 uur per week oppassen konden met de studie meedoen. De gemiddelde leeftijd van de kleinkinderen was 7.2 jaar.

VONDSTEN
De meeste grootouders passen 1 (43%) of 2 tot 3 (41%) keer per week op hun kleinkind, met een gemiddelde van 13.6 uur per week. Het overgrote deel van de grootouders (82%) geeft hun kleinkind tijdens het oppassen snacks. Daarnaast maakt 40% ontbijt, bereidt 57% lunch en kookt 48% van de grootouders avondeten voor hun kleinkind. Jongere kleinkinderen krijgen vaker ontbijt en lunch van hun grootouders; oudere kinderen krijgen vaker avondeten. Onderstaand figuur toont de gemiddelde frequentie van verschillende soorten eten en drinken die grootouders hun kleinkind geven.

Aanbodfrequentie fig

Hoe gezond een product is wordt door grootouders gezien als de belangrijkste factor in het bepalen de snacks en maaltijden die zij aanbieden. Ook de smaak van het product en de voorkeur van de ouders van het kleinkind voor een bepaald product vinden zij belangrijk. Prijs en eenvoud zijn de minst belangrijke factoren, wellicht omdat veel grootouders met pensioen zijn en genoeg tijd om handen hebben. Wel bleek dat grootouders uit meer welvarende wijken het belangrijker vinden dat het product dat ze aanbieden gezond is dan grootouders uit minder welvarende wijken.

Om te bepalen welke producten gezond zijn kijkt driekwart van de grootouders (74%) af en toe op het etiket van voorverpakte voedingsmiddelen. Slechts 15% van de grootouders leest deze etiketten altijd.Grootouders met een hoger opleidingsniveau en grootouders van een kleindochter lezen vaker etiketten dan grootouders met een lager opleidingsniveau en grootouders van een kleinzoon.

Wat bleek verder uit de resultaten?

  • Oma’s geven hun kleinkind vaker vers fruit en zuivelproducten dan opa’s, terwijl opa’s vaker zoute snacks geven dan oma’s.
  • Grootouders uit meer welvarende wijken geven hun kind vaker vers fruit en minder zoete of zoute snacks, in vergelijking met grootouders uit minder welvarende wijken.
  • Kleindochters krijgen vaker vers fruit, groente en gedroogd fruit of fruitsap van hun grootouders dan kleinzoons.
  • Jongere kleinkinderen krijgen vaker zuivelproducten, graanproducten en gedroogd fruit of fruitsap, en minder vaak zoute snacks en zoete drankjes dan oudere kleinkinderen.

DETAILS
Jongenelis, M. I., Talati, Z., Morley, B., & Pratt, I. S. (2019). The role of grandparents as providers of food to their grandchildren. Appetite, 134,78-85.

Deze sci-fly werd geschreven door Levie Karssen, junior onderzoeker bij het Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit.

Sci-Fly: Hoe M&M’s je eetgedrag onthullen

Gedurende een dag maken we vele beslismomenten over eten: pak ik dat lekkere koekje? Neem ik een appel of banaan? En wat ga ik klaarmaken voor het avondeten? Het eetgedrag van mensen wordt beïnvloed door verschillende factoren in je omgeving: van de grootte van de portie die je wilt nemen tot de aanwezigheid van mensen op een bepaald moment. Eten heeft ook een sociale functie, bijvoorbeeld: even lekker bijkletsen met een vriend onder het genot van een hapje en drankje. Er is gebleken dat mensen meer eten als ze samenzijn met anderen dan wanneer ze alleen zijn. Wanneer iemand die een voorbeeld is voor een persoon (rolmodel) meer eet, zijn mensen zelf ook geneigd om meer te eten (imitatie-effect). Overmatig veel eten doen mensen in gezelschap minder snel, omdat ze een goede indruk willen maken op de ander en veel eten vaak een negatieve ondertoon heeft.

Plaatje_Eva.jpg

KERN
Het doel van deze studie was om de imitatie van eetgedrag te onderzoeken bij jonge vrouwen met een normaal gewicht. De onderzoekers wilden een testomgeving creëren die zoveel mogelijk lijkt op de normale situatie bij mensen thuis. Daarom vonden de observaties plaats in een observatiehuiskamer met een lekkere bank, tv en op tafel een schaaltje M&M’s.

ONDERZOEKSMETHODE
Proefpersonen die zich aanmeldden voor dit onderzoek werden gevraagd samen met een ander (een rolmodel die de rol van een naïeve proefpersoon speelde) tv-reclames te beoordelen. In de pauze van 15 minuten mochten de twee proefpersonen de tijd naar wens invullen. Vooraf was het rolmodel geïnstrueerd hoeveel M&M’s zij moest eten: veel (25 M&M’s), weinig (4 M&M’s) of niets. Ook het figuur van het rolmodel varieerde: er waren slanke rolmodellen en normale rolmodellen (slanke rolmodellen die een siliconen band onder het shirt kregen, zodat ze er iets voller uitzien). Tijdens deze experimentele setting werd dan geobserveerd hoeveel M&M’s de proefpersoon zou eten en of er sprake zou zijn van een imitatie-effect. Na afloop vulden beide proefpersonen een uitgebreide vragenlijst in over hoeveel honger ze op dat moment hadden, hoe lekker ze M&M’s vinden, hun huidig lijngedrag en hun beoordeling van het figuur van de ander. Ook naar het verwachtte doel werd gevraagd, want het is de bedoeling dat de proefpersonen tijdens het experiment niet het eigenlijke doel van de studie weten. De gegevens van 102 vrouwelijke studentes met een gemiddelde leeftijd van 20,5 jaar en een gemiddeld BMI van 21,50 konden worden meegenomen in de analyse.

VONDSTEN
Na analyse van de observaties is gebleken dat proefpersonen meer M&M’s eten wanneer vergezeld door een normaal gewicht proefpersoon die veel M&M’s at, dan wanneer hetzelfde rolmodel geen/weinig M&M’s at. Het imitatie-effect bleek dus significant in de normale gewichtsconditie (met extra buikband), het slanke model werd niet geïmiteerd. Het BMI en dieetintenties van de proefpersonen had hier geen effect op. Het lijkt er dus op dat gevoelens van gelijkheid imitatie-effecten zouden kunnen versterken.

DETAILS
Hermans, R., Larsen, J., & Engels, R. (2008). Zien eten doet eten: een experimentele studie naar imitatie van eetgedrag bij jonge vrouwen. Psychologie & Gezondheid, 36/04.

Deze sci-fly werd geschreven door Eva Grotentraast, master student Pedagogische Wetenschappen en Onderwijskunde, Radboud Universiteit.

 

 

 

Sci-Fly: Zijn ouderinterventies effectief in het voorkomen en reduceren van alcoholgebruik onder jongeren?

Een systematische meta-analyse includeerde 20 gerandomiseerde onderzoeken met controle groepen (RCTs) om de effectiviteit van ouderinterventies op het alcoholgebruik van jongeren (10-18 jaar) te onderzoeken. De onderzoeken zijn opgespoord met behulp van elf elektronische databases en via kruisreferenties tot maart 2017. Ouderinterventies blijken effectief in het voorkomen en reduceren van alcoholgebruik onder jongeren. Ouderinterventies die zich richten op zowel algemene als alcoholspecifieke opvoedstrategieën behaalden betere resultaten dan ouderinterventies die zich alleen richten op alcoholspecifieke opvoedstrategieën.

KERN
– Ouderinterventies blijken effectief in het voorkomen en reduceren van alcoholgebruik onder jongeren.
– Ouderinterventies gericht op algemene én alcoholspecifieke opvoedstrategieën zijn effectiever in het voorkomen en reduceren van alcoholgebruik bij jongeren dan ouderinterventies die enkel gericht zijn op alcoholspecifieke opvoedstrategieën.
– Toekomstige RCTs dienen moderatie- en mediatie-effecten van ouderlijk gedrag te onderzoeken om zicht te krijgen in de onderliggende mechanismen van Daarnaast dienen toekomstige meta-analyses bredere inclusiecriteria te hanteren (e.g., RCTs uit Westerse én niet-Westerse landen) om uitspraken te kunnen doen of de effectiviteit van ouderinterventies verschilt op basis van geografische en economische kenmerken van de participanten. Bovendien dienen toekomstige meta-analyses de verschillen in effectiviteit tussen ouderinterventies en ouder-kind interventies te evalueren om beter zicht te krijgen in de werkzame elementen van beide interventies.

ONDERZOEKSMETHODE
– WAT? Wat is de effectiviteit van ouderinterventies om het alcoholgebruik onder jongeren (10- 18 jaar) te reduceren en verschilt de effectiviteit op basis van demografische kenmerken van de participanten (i.e., leeftijd, geslacht, etniciteit), interventiekenmerken (i.e., inhoud, delivery methode) en alcohol uitkomstmaten (i.e., frequentie alcoholgebruik; intensiteit alcoholgebruik; binge drinken, dronkenschap; alcoholintentie)?
– WIE? Gerandomiseerde onderzoeken met controlegroepen (RCTs) die de effectiviteit van ouderinterventies op het alcoholgebruik van jongeren (10-18 jaar) evalueerden.
– HOE? Systematische meta-analyse.

VONDSTEN
De overall effectgrootte van de 20 geïncludeerde ouderinterventies was g=−0.23 (p < 0.05; 95% betrouwbaarheidsinterval). Dit betekent dat ouderinterventies effectief zijn in het voorkomen en reduceren van alcoholgebruik bij jongeren. De resultaten van de moderatie analyses lieten zien dat ouderinterventies die zich alleen richten op alcoholspecifieke opvoedstrategieën minder effectief zijn dan ouderinterventies die zich richten op zowel algemene als alcoholspecifieke opvoedstrategieën (b=0.26, p< .05). Daarnaast bleek dat de effectiviteit van de ouderinterventies groter was op drinkintentie dan op binge drinken (b=−0.20, p< .05). Er werden geen significante moderatie effecten gevonden op basis van de demografische kenmerken van de participanten.

tabel

DETAILS
Boa, A., Hang Haib, A, & Jaccard, J. (2018). Parent-based interventions on adolescent alcohol use outcomes: A systematic review and meta-analysis. Drug and Alcohol Dependence, 191, 98-109.

Deze sci-fly werd geschreven door Carmen Voogt (Radboud Universiteit / Trimbos Instituut) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Sci-fly: De dag na overmatig alcohol gebruik: zijn je cognitieve functies verslechterd?

Heeft overmatig alcohol gebruik gevolgen voor je denkvermogen de volgende dag? De eerste vraag is dan hoe ‘overmatig alcohol gebruik’ of het hebben van een ‘kater’ gedefinieerd wordt. Wetenschappers beschrijven een kater als ‘een combinatie van mentale en fysieke symptomen die ervaren worden op de dag nadat er zwaar gedronken is, startende op het moment dat het percentage alcohol in het bloed weer de 0% nadert’. Er zijn verschillende manieren om het gevolg van een kater te onderzoeken, het kan met een experimentele aanpak waarbij alcohol gegeven wordt in een gecontroleerde omgeving, of in een naturalistisch design waarbij mensen geobserveerd worden in hun eigen omgeving (zoals in de vorige sci-fly). Bij een experiment is het wetenschappelijke nadeel dat er geen grote hoeveelheden alcohol gegeven kunnen worden, aangezien dat niet ethisch is. Daardoor zijn de gevonden effecten mogelijk milder dan in het echte leven. Bij een naturalistisch design is het nadeel weer dat het moeilijker is om te controleren voor andere (omgevings)variabelen.

KERN

Eerdere studies hebben samenhang laten zien tussen overmatig alcohol gebruik en verslechtering van een grote range aan cognitieve vaardigheden de volgende dag. Het ging hier om verslechtering van o.a. aandacht, geheugen, reactietijd, verwerkingstijd, intellectuele processen en zelfs chirurgische vaardigheden. Sommige studies hebben methodologische beperkingen, bijvoorbeeld doordat ze het alcoholpercentage (in bloed) niet hebben bepaald. Het huidige artikel heeft een kritische meta-analyse gedaan, waarbij er een selectie is gemaakt van kwalitatief goede studies, om een uitspraak te kunnen doen over de effecten van overmatig alcohol gebruik op cognitieve vaardigheden een dag later.are you drunk

ONDERZOEKSMETHODE
Na onderzoek van alle wetenschappelijk artikelen gepubliceerd tussen december 2016 en mei 2018 werden er in eerste instantie 805 artikelen geïdentificeerd. Na grondige screening bleven er 39 artikelen over, waarvan er uiteindelijk 11 geschikt waren voor de meta-analyse.

VONDSTEN
Op basis van de meta-analyse concludeerden de onderzoekers dat op de dag na overmatig alcoholgebruik (als het alcoholpercentage weer de 0% heeft bereikt):

-er een verslechtering is in de aandacht ergens bij houden, alhoewel er geen verslechtering is in vaardigheden om te multi-tasken.
-zowel het korte termijn geheugen als het lange termijn geheugen slechter is.
-de reactietijden langzamer zijn.

Resultaten van zowel experimentele studies als naturalistische studies wijzen in dezelfde richting: cognitieve vaardigheden zijn slechter tijdens een kater. De auteurs beargumenteren dat de verslechtering in cognitieve functies mogelijk wordt beïnvloed door vermoeidheid. Vermoeidheid is namelijk een belangrijk symptoom van een kater.

Slechts 3 studies hebben gekeken naar het effect van een kater op rijvaardigheden, dus daar kon geen meta-analyse voor gedaan worden. Twee studies rapporteerden verslechtering in de rijvaardigheden, terwijl 1 studie geen effect vond op de gereden snelheid. De auteurs concluderen dat meer onderzoek nodig is om te bepalen of een kater van invloed is op uitvoerende functies zoals rijvaardigheden.

DETAILS
Gunn C., Mackus M., Griffin C., Munafo M.R., Adams S. A systematic review of the nex-day effects of heavy alcohol consumption on cognitive performance. Addiction 2018 Aug 25. doi: 10.1111/add.14404. [Epub ahead of print]

Geschreven door Jacqueline Vink, hoogleraar bij Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit.

Sci-Fly: Wanneer wordt binge drinken gevaarlijk?

Binge drinken is één van de meest belangrijke indicatoren van risicovol alcoholgebruik in onderzoek en werd voor het eerst gerapporteerd in de jaren 60. De definitie voor binge drinken bestaat grofweg uit het drinken van 4 drankjes door vrouwen en 5 drankjes door mannen binnen een tijdspanne van twee uur. De eerste onderzoeken beschreven vaak dat binge drinken gerelateerd is aan negatieve consequenties op de korte termijn (zoals katers en agressief gedrag) en op de lange termijn (zoals afhankelijkheid en ziektes aan de lever). Echter, in hoeverre is dit gebruik op een bepaalde avond nu daadwerkelijk gerelateerd aan de negatieve consequenties die gevonden zijn in eerder onderzoek?

what is binge drinking

KERN
De vraag of binge drinken daadwerkelijk een direct negatief effect heeft op iemands gezondheid, wordt bepaald door verschillende factoren. Het hangt er bijvoorbeeld vanaf naar welk type consequentie we kijken. Zo kan men al bij een beperkte hoeveelheid een kater krijgen, maar om een black-out te krijgen is er een veel hogere hoeveelheid alcohol nodig. Ook kan de dosis alcohol waarbij negatieve effecten optreden per leeftijdscategorie verschillen. Zo is gevonden dat adolescenten minder alcohol nodig hebben om dezelfde negatieve consequenties te verwachten dan volwassenen.

Eerder onderzoek heeft de resultaten vaak gebaseerd op vragenlijsten waarbij het alcoholgebruik achteraf (soms zelfs weken of maanden later) uitgevraagd wordt. Ondanks dat hier al belangrijke informatie uit naar voren is gekomen, is deze manier van onderzoek gevoelig voor onderschattingen van iemands alcoholgebruik. Het zou beter zijn om op het moment zelf te vragen naar alcoholconsumptie. Om deze redenen lijkt het logischer om middels een dagboekstudie te kijken naar wat voor gevolgen een bepaalde hoeveelheid alcohol op iemand heeft.

In deze dagboekstudie werd specifiek gekeken naar vijf verschillende negatieve consequenties als gevolg van overmatig alcoholgebruik: kater, black-out, onveilige seks, gevechten en verwonding.

ONDERZOEKSMETHODE
Het onderzoek werd uitgevoerd in twee studies die verdeeld werden in adolescenten (16-17 jaar) en jongvolwassenen (18-25 jaar). In totaal bestond de onderzoeksgroep uit 369 participanten die allemaal korte vragenlijstjes moesten invullen op donderdag, vrijdag en zaterdagavonden via hun smartphone. In totaal werd er gerapporteerd over 3,554 avonden waardoor onderzocht kon worden hoeveel drankjes er nodig waren voor een bepaalde negatieve consequentie (de zogenaamde “drempel”).

VONDSTEN
De onderzoekers rapporteerden het volgende:

  • Katers waren de meest voorkomende negatieve consequentie
  • Er was een sterke associatie tussen de hoeveelheid alcoholgebruik en de negatieve consequenties.
  • De reguliere drempel voor binge drinken (4+/5+ glazen) bleek voorspelbaar voor katers
  • De grens lag hoger voor de andere consequenties, namelijk drie drankjes meer (black-outs, onveilige seks, gevechten en verwonding).
  • Adolescenten ervaarden deze negatieve consequenties vaker en bij iets minder alcoholgebruik dan volwassenen.
  • Vrouwen ervaarden de negatieve consequenties bij één tot twee drankjes minder dan mannen

Deze resultaten laten zien dat het belangrijk is om verschillende ‘drempelwaarden’ in gedachten te houden wanneer er onderzoek gedaan wordt naar negatieve uitkomsten van alcoholgebruik. Ook lijken dagboekstudies een geschikte manier om onderzoek te doen naar de negatieve uitkomsten van alcoholconsumptie voor de gezondheid.

DETAILS
Labhart, F., Livingston, M., Engels, R., & Kuntsche, E. (2018). After how many drinks does someone experience acute consequences? Determining thresholds for binge drinking based on two event‐level studies. Addiction. Advanced online publication.

Geschreven door Koen Smit, PhD student Radboud Universiteit Nijmegen/ Trimbos Instituut.