Sci-Fly

sci fly icon

 

Op deze pagina vind je korte, hapklare samenvattingen van interessant recent onderzoek naar Roken, Alcohol, Drugs en/ of Dieet. Mooie manier om up-to-date te blijven van wat er gebeurt in de literatuur!

Sci-fly: COVID 19 related stress in parents: food parenting practices and child snack intake during the COVID-19 pandemic

Around the globe the corona (COVID-19) pandemic has caused unprecedented changes to the lives of many families. The majority of children and parents were forced to stay at home for a prolonged time due to mandatory lockdowns with consequent closure of non-essential businesses, kindergartens and schools, and cancellation of out-of-home leisure time activities and social gatherings. Furthermore, parents were deprived of resources (e.g. daycare, public libraries) and support systems (i.e. from family members, friends, school or other institutions), and were required to combine work (from home), childcare, and home schooling. Parents have thus experienced particular pressures during the pandemic due to disruption of habits and daily routines of work and life.

Previous research shows that stress can impact parents’ food parenting practices. Food parenting practices are active techniques or behaviors used by parents to influence a child’s food intake. Parents who report more stress may use more coercive practices that are less responsive to children’s hunger and satiety cues. Stressed parents may also be more likely to use food or snacks as coping strategies to manage children’s behavior or emotions.

CORE
Parents experienced increased levels of stress during the COVID-19 pandemic, and this stress was associated with the way they interacted with their children around food. Specifically, parents reporting higher pandemic-associated stress reported more efforts to plan and create routines around meals or snacks (structure), and more positive interactions in terms of eating and engaging with their children around mealtime (autonomy support) but also more use of food to manage their children’s emotions (coercive). When parents reported greater pandemic-associated stress, children’s intake of sweet and savory snacks was higher and was associated with snack parenting practices. To protect children’s nutritional health during the pandemic, guidance for parents is therefore warranted,. A limitation of the study was that the findings may be less applicable to racial and ethnic minorities of low SES families living in different geographic regions, seeing as the sample was weighted towards wealthier, more educated families (mostly college graduates), and the majority of respondents were white.

RESEARCH METHODS
What has been researched?
– The first aim was to briefly characterize parents’ food parenting practices (i.e. positive mealtime practices, general feeding practices and snack parenting practices) during the COVID-19 pandemic and current stress (COVID-19 specific and financial stress) experienced by parents due to the pandemic.
– The second aim was to investigate relationships between measures of food parenting practices and parents’ COVID-19-specific stress. 
– The third aim was to test whether effects of parents’ COVID-19-specific stress on frequency of children’s snack food intake could be partially explained by snack parenting practices.

Who participated in the research?
318 parents of 2-12 year old children from the USA. 

How was the research conducted?
Parents (N = 318) of 2–12-year old children completed a cross-sectional online survey assessing current COVID-19-specific stress, pre-COVID-19 stress, financial stress (e.g. food insecurity), food parenting practices, and child snack intake frequency. Structural Equation Modeling was used to model simultaneous paths of relationships and test direct and indirect effects.

FINDINGS
1. Stress, including financial hardship, was higher compared with before the crisis. 
2. The majority of children had regular mealtimes and irregular snack times. 
3. Higher COVID-19-specific stress was associated with more structure and positive interactions (e.g. eating with or engaging with child around mealtimes) but also more non-nutritive use of food and snacks (e.g. emotional and instrumental feeding).
4. Higher COVID-19-specific stress was also associated with greater child intake frequency of sweet and savory snacks, with some evidence for mediation by snack parenting practices.

DETAILS
Jansen, E., Thapaliya, G., Aghababian, A., Sadler, J., Smith, K., & Carnell, S. (2021). Parental stress, food parenting practices and child snack intake during the COVID-19 pandemic. Appetite, 161, 105119. doi:10.1016/j.appet.2021.105119

This sci-fly was written by Maaike Koning (Radboud University) for RAD-blog, the blog about smoking, alcohol, drugs and diet.

Welke jongeren zijn ‘kwetsbaar’ en waarom? COVID-19 biedt inzicht…

De literatuur laat zien dat het gewicht van jongeren met name toe lijkt te nemen bij jongeren met een pre-COVID-19 ‘kwetsbaarheid’, oftewel, bij jongeren met overgewicht.1 Hetzelfde lijkt te gelden voor specifieke aspecten van de mentale gezondheid van adolescenten. Ook daar verslechteren veelal juist dié adolescenten die voorheen al tot een verhoogde risicogroep behoorden, zoals jongeren met verhoogde depressieve problematiek of ADHD.2-4 Onderzoekers proberen nu (nog) meer inzicht te verkrijgen in de vraag waarom sommige jongeren kwetsbaarder en anderen juist weerbaarder zijn tijdens de COVID-19 situatie. Laatst hoorde ik iemand zeggen: “We zijn wel klaar met het COVID-19 sociaal-emotioneel gerelateerde onderzoek en we weten wel genoeg.” Is dat zo? 

In pre-COVID-19 longitudinaal onderzoek naar de ontwikkeling van mentaal welbevinden van jongeren proberen onderzoekers vaak inzicht te verkrijgen in de causale volgorde van sociaal-emotionele relaties over tijd. De COVID-19 situatie is een groot sociaal experiment waarbij diverse belangrijke sociale voorspellers van welbevinden (tijdelijk) zijn gemanipuleerd. Als we als onderzoekers goed in kaart brengen welke (sociale) manipulaties hebben plaatsgevonden, dan biedt deze periode van onderzoek dus een unieke context voor sociaal-emotioneel onderzoek, met ook implicaties voor het post-COVID-19 tijdperk.

Uit COVID-19 onderzoek tot nu toe blijkt dat ouders een belangrijke rol spelen in het emotioneel welbevinden van hun adolescente kinderen. Zo zijn bijvoorbeeld meer conflicten met ouders en minder steun factoren die vooraf gaan aan een toename in mentale problematiek bij jongeren tijdens de COVID-19 situatie, terwijl positieve ouder-kind discussies mentaal welbevinden juist lijken te bevorderen.5,6 Het is belangrijk om te begrijpen wat er tijdens dergelijke ouder-kind interacties precies plaatsvindt en hoe we hier beter op kunnen ingrijpen. De ‘Experience Sampling Method’ (ESM) is een intensieve longitudinale data verzameling techniek die hier meer inzicht in kan geven doordat ouders en kinderen veelvuldig op meerdere momenten per dag korte vragen (per app) invullen. Daarom starten we binnenkort binnen het ‘G(V)OED voor elkaar’ onderzoeksproject met een ESM studie.

Zijn we dus klaar met het sociaal-emotioneel gerelateerde COVID-19 onderzoek? Ik denk van niet. We kunnen nog veel van deze periode leren. Zeker ook over bijvoorbeeld het functioneren en welbevinden van jongeren met overgewicht die zoals eerder benoemd een groter risico lopen op meer gewichtstoename ten gevolge van COVID-19 en daardoor vermoedelijk weer een toename in mentale problematiek zullen ervaren.7 Het is belangrijk is dat we meer inzicht krijgen in hoe we deze jongeren kunnen helpen. Ook hier kan COVID-gerelateerd onderzoek meer inzicht geven in de rol van ouders en de thuiscontext. Deze inzichten zijn belangrijk omdat ze de basis kunnen vormen voor de verdere ontwikkeling van creatieve en gepersonaliseerde interventies die meer oog hebben voor vermoedelijk veelal onbewuste en automatische patronen binnen de (sociale) gezinscontext.

Deze blog werd geschreven door Junilla Larsen (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Khan MA, Menon P, Govender R, Samra A, Nauman J, Ostlundh L, Mustafa H, Allaham KK, Smith JE, Al Kaabi JM: Systematic review of the effects of pandemic confinements on body weight and their determinants. Brit J Nutr 2021:1-74.
2. Singh S, Roy MD, Sinha CPTMK, Parveen CPTMS, Sharma CPTG, Joshi CPTG: Impact of COVID-19 and lockdown on mental health of children and adolescents: A narrative review with recommendations. Psychiatry Res 2020:113429.
3. Bendau A, Kunas SL, Wyka S, Petzold MB, Plag J, Asselmann E, Ströhle A: Longitudinal changes of anxiety and depressive symptoms during the COVID-19 pandemic in Germany: The role of pre-existing anxiety, depressive, and other mental disorders. Journal of anxiety disorders 2021, 79:102377.
4. Breaux R, Dvorsky MR, Marsh NP, Green CD, Cash AR, Shroff DM, Buchen N, Langberg JM, Becker SP: Prospective impact of COVID‐19 on mental health functioning in adolescents with and without ADHD: protective role of emotion regulation abilities. J Child Psychol Psychiatry 2021.
5. Jones EA, Mitra AK, Bhuiyan AR: Impact of COVID-19 on Mental Health in Adolescents: A Systematic Review. Int J Environ Res Public Health 2021, 18(5):2470.
6. Magson NR, Freeman JY, Rapee RM, Richardson CE, Oar EL, Fardouly J: Risk and protective factors for prospective changes in adolescent mental health during the COVID-19 pandemic. J Youth Adolesc 2021, 50(1):44-57.
7.  Van den Broek N, Treur JL, Larsen JK, Verhagen M, Verweij KJ, Vink JM: Causal associations between body mass index and mental health: a Mendelian randomisation study. J Epidemiol Community Health 2018, 72(8):708-710.

Beste student: Blijf jij rookvrij op 31 mei?

Op 31 mei is het Wereld Niet Roken Dag. Deze dag is in 1987 door de World Health Organization in het leven geroepen om aandacht te schenken aan de gevaren van roken.1 Wereldwijd worden rokers aangemoedigd om (ten minste één dag) te stoppen met roken.2 Inmiddels zijn we 34 jaar verder en kunnen we deze dag nog niet afschaffen. Roken is nog steeds doodsoorzaak nummer 1 als je kijkt naar vermijdbare risico’s. Zware rokers verliezen gemiddeld 13 levensjaren, matige rokers 9 en lichtere rokers 5.3

In onderzoek naar roken gaat er niet vaak aandacht uit naar studenten. Maar juist nu, tijdens de coronacrisis, lijkt dit wel extra belangrijk. Om een indruk te geven van de cijfers heb ik gebruik gemaakt van een dataset die in het kader van een Internationale studie4 in mei 2020 verzameld is bij studenten van Nederlandse universiteiten en HBOs.a

Hoeveel studenten roken er eigenlijk?
Voor de coronacrisis rookte zo’n 12,1% van de studenten wekelijks (5,6%) of dagelijks (6,5%). Dat is 1 op de 8 studenten. Tijdens de eerste lockdown in mei 2020 rapporteert 11,6% van de studenten wekelijks (4,2%) of dagelijks (7,5%) te roken. 

Als we de situatie voor en tijdens de lockdown vergelijken dan blijkt dat 2,7% van de studenten  gestopt is met roken in de eerste lockdown, terwijl 2,3% aangeeft juist begonnen te zijn. Daarnaast was 9,4% van de studenten zowel voor als tijdens de corona crisis een roker en de rest (85,6%) een niet-roker. Het onderscheid in deze subgroepen is belangrijk. Voorlopige analyses laten namelijk zien dat juist de studenten die begonnen zijn met roken én de studenten die zijn blijven roken rapporteren dat hun werkdruk is toegenomen tijdens de coronacrisis, dat ze meer financiële zorgen hadden en dat ze meer verveeld waren dan andere (niet-rokende) studenten (zie figuur en voetnoot b). 

Zijn rokende studenten door de coronacrisis méér gaan roken?
Het antwoord is: ja. De studenten rookten voor de coronacrisis gemiddeld 6,7 sigaret per dag, en tijdens de eerste lockdown was dat 8,0 sigaret per dag.c Ongeveer 40% van de rokende studenten is evenveel blijven roken (-1 tot +1 sigaret per dag) terwijl 43,7% meer is gaan roken. Deze laatste groep is gemiddeld 5 sigaretten per dag meer gaan roken (van 6,3 naar 11,3).

Het Trimbos instituut concludeerde op basis van hun leefstijlmonitor: “mensen die blijven roken tijdens de coronacrisis, roken meer”.5 Uit ons onderzoek blijkt dat dit ook geldt voor studenten. Verder liet het Trimbos onderzoek zien dat rokers tijdens de coronacrisis vooral meer roken uit verveling of door stress.5 Dit lijkt ook van toepassing te zijn voor studenten. 

Stoppen met roken levert op elke leeftijd nog gezondheidswinst op. Ex-rokers die vóór hun 35e stoppen, hebben dezelfde levensverwachting als levenslange niet-rokers. Voor veel mensen is stoppen met roken een grote en moeilijke stap, maar misschien lukt het om te beginnen met 1 dag niet roken? Daarom mijn oproep voor studenten, en ook voor iedereen die geen student is: blijf jij 31 mei rookvrij? Al binnen 1 dag zijn er merkbare effecten (zie figuur). Kijk voor tips op https://www.ikstopnu.nl/31-mei-wereld-niet-roken-dag/

Deze blog werd geschreven door Jacqueline Vink (hoogleraar bij het Behavioural Science Institute, RU) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet. 

Met dank aan
De Nederlandse instellingen die mee hebben gedaan (met tussen haakjes de contactpersonen): Radboud Universiteit (Ellen Verbakel, Jacqueline Vink), In Holland (Rutger Kappe), Universiteit van Amsterdam (Claudia van der Heijde, Peter Vonk), Universiteit Maastricht (Anke Oenema), Wageningen Universiteit (Door van der Sloot), Universiteit Groningen, en nog een aantal onderwijsinstellingen met < 50 deelnemers.

Voetnoten
Er is een selectie gemaakt van studenten tussen de 17 en 28 jaar die de vragenlijst tot het einde afgemaakt hebben (N=10,600; gemiddelde leeftijd 21,8 jaar (SD 2,4); 29,0% man, 70,2% vrouw, 0,7% anders). Voor meer info over de dataset of over deze resultaten, mail naar: jacqueline.vink@ru.nl
Werkdruk: werkdruk studie toegenomen sinds coronacrisis? (1=sterk mee oneens, 5=sterk mee eens); Financiën: voldoende financiële middelen tijdens de coronacrisis? (1=sterk mee eens, 5=sterk mee oneens); Verveeld: Mei 2020 (dus tijdens eerste lockdown): geef aan hoe vaak je je in de afgelopen week verveeld voelde (1=(bijna) niet, 4=(bijna) altijd).
c Aantal sigaretten is gerapporteerd in een subsample van de rokende studenten, bij 1 van de onderwijsinstellingen is het aantal sigaretten niet uitgevraagd.

Referenties
1. World no tobacco day. https://nl.wikipedia.org/wiki/Werelddag_zonder_tabak
2. In Nederland: https://www.ikstopnu.nl/31-mei-wereld-niet-roken-dag/
3. Carin M.M. Reep-van den Bergh, Peter P.M. Harteloh en Esther A. Croes. Doodsoorzaak nr. 1 bij jonge Nederlanders: de sigaret. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 2017;161: D1991
4. COVID-19 international student wellbeing study: https://www.uantwerpen.be/en/research-groups/centre-population-family-health/research2/covid-19-internation/
5. Door stress tijdens de coronacrisis roken rokers meer. Contactpersoon Marc Willemsen. https://www.trimbos.nl/actueel/nieuws/bericht/door-stress-tijdens-de-coronacrisis-roken-rokers-meer

Reuk- en smaakverlies door het coronavirus: Wat is de impact op ons eetgedrag?

Een veelvoorkomend symptoom van het coronavirus is het verlies van reuk en smaak1. Bij de meesten verbetert dit gelukkig binnen twee weken2, maar een klein deel ruikt en proeft zelfs maanden later nog steeds niks. Reuk en smaak dragen bij aan de eetbeleving. Zo kan het ruiken van een bepaald product de eetlust hiervoor opwekken. Denk bijvoorbeeld aan de geur van versgebakken brood of een appeltaart die net uit de oven komt. Het proeven van smaken draagt bij aan je gevoel van verzadiging. Daarnaast hebben reuk en smaak een belangrijke waarschuwingsfunctie, bijvoorbeeld voor het herkennen van verbrand en bedorven voedsel, vuur en rook, of een gaslucht.3 Wanneer je reuk- en smaakvermogen na een coronabesmetting dan opeens weg zijn, hoe kan dit dan je eetgedrag en -beleving beïnvloeden?

Onderzoek onder ex-coronapatiënten met reuk- en/of smaakverlies laat zien dat zo’n 85% van de ondervraagden het gevoel had minder te kunnen genieten van eten, en dat bij 55-65% de eetlust was afgenomen. Ook gaf meer dan de helft aan dat ze het gevoel hebben meer risico’s te lopen, waarbij vooral het niet herkennen van rook of vuur werd gezien als een groter gevaar. De impact van het niet kunnen ruiken en proeven was volgens de deelnemers zelfs veel breder dan alleen eetgedrag. Het merendeel van de had het gevoel dat hun algehele kwaliteit van leven hierdoor was afgenomen.4,5  

Daarnaast is het aannemelijk dat iemands eetgewoonten veranderen wanneer reuk- en smaakverlies door het coronavirus lang aanhoudt.6 Zo zou het verlies in plezier aan eten en het bereiden daarvan er mogelijk voor kunnen zorgen dat iemand minder gaat eten en daardoor afvalt. Een ander risico is dat iemand juist vaker kiest voor een (vaak ongezondere) kant-en-klaar maaltijd, wat weer kan leiden tot gewichtstoename. Daarnaast zou men ook minder kunnen genieten van gelegenheden die vaak in het teken staan van eten, zoals bijvoorbeeld Kerstmis of verjaardagen.7 Ondervoeding en gewichtsverandering zouden dus op de loer kunnen liggen, al zijn deze langdurige gevolgen nog niet wetenschappelijk onderzocht onder ex-coronapatiënten.

Al met al kan (langdurig) reuk- en smaakverlies door het coronavirus een grote impact hebben op iemands leven. Onderzoek hiernaar staat echter nog in de kinderschoenen. Er is dan ook veel wat we nog niet weten. Wil jij een bijdrage leveren? Doe dan mee aan het onderzoek van het Global Consortium for Chemosensory Research (GCCR). Door meer kennis te vergaren gaan we het steeds beter begrijpen, waardoor het hopelijk ook beter behandeld kan worden.

Deze blog werd geschreven door Desi Beckers (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken alcohol drugs en dieet.

Referenties
1. Ibekwe, T. S., Fasunla, A. J. & Orimadegun, A. E. (2020). Systematic review and meta-analysis of smell and taste disorders in COVID-19. OTO Open, 4(3). doi:10.1177/2473974X20957975
2. Santos, R. E. A., da Silva, M. G., do Monte Silva, M. C. B., Barbosa, D. A. M., do Vale Gomes, A. L., Galindo, L. C. M., da Silva Aragão, R., & Ferraz-Pereira, K. N. (2021).Onset and duration of symptoms of loss of smell/taste in patients with COVID-19: A systematic review. American Journal of Otolaryngology, 42(2). doi:10.1016/j.amjoto.2020.102889
3. Boesveldt, S. & de Graaf, K. (2017). The differential role of smell and taste for eating behavior. Perception, 46(3-4). doi:10.1177/0301006616685576
4. Elkholi, S. M. A., Abdelwahab, M. K., & Abdelhafeez, M. (2021). Impact of the smell loss on the quality of life and adopted coping strategies in COVID-19 patients. Rhinology. doi:10.1007/s00405-020-06575-7
5. Coehlo, D. H., Reiter, E. R., Budd, S. G., Shin, Y., Kons, Z. A., Costanzo, R.M. (2021). Quality of life and safety impact of COVID-19 associated smell and taste disturbances. American Journal of Otolaryngology, 42(4). doi:10.1016/j.amjoto.2021.103001
6. Risso, D., Drayna, D., Morini, G. (2020). Alterations, reduction and taste loss: main causes and potential implications on dietary habits. Nutrients, 12(11). doi:10.3390/nu12113284
7. Erskine, S .E., & Philpott, C. M. (2019). An unmet need: Patients with smell and taste disorders. Clinical Otolaryngology, 45(2), 197-203

Sci-fly: From single to married life in one step? How romantic relationship progression affects alcohol use in young adults

Navigating the 20s can be quite demanding. Emerging adults engage in new responsibilities, such as beginning a career path, establishing romantic relationships and building a family. More duties will most likely imply settling down and reducing “party animal” moments. Research has shown that these prototypical role transitions may be incompatible with (problem) alcohol use. One challenging transition, and the focus of this sci-fly, is establishing a romantic relationship. Traditionally, research focused on the presence or absence of certain relationship milestones, such as marriage, as an important influence for reducing alcohol use. But, is this really capturing the rapid changes and evolution of the romantic relationships of young adults? Also, are romantic relationships affecting alcohol use, or are alcohol problems affecting the progression of these relationships? Two scientist from the US came up with a new way to look into a classic topic – providing interesting insights!

CORE
Most research about normative decline in alcohol use and romantic relationship role changes focused on big transitions (from single to married) happening over several years. This study included more subtle, year-to-year, changes in romantic relationships progression (i.e. from single, dating, committed, to long-term relationships) to examine associations with problematic drinking in the transition out of university. The researchers provided a more detailed picture, as it was found that getting into a deeper commitment, and not necessarily getting married, was related to less problematic alcohol use. The findings did not depend on being graduated. In addition, the opposite relation was not found: alcohol problems did not seem to affect relationship progression. Future studies should also consider the partners’ report as well as include a population with more problematic alcohol use, and different educational backgrounds. Finally, this study did not ask about the composition of the couples (e.g. same or other-sex couples). This may limit generalization of the findings. 

RESEARCH METHODS

What has been researched?

  • Does progressing in romantic relationship roles (e.g. going from single to dating and from dating to seriously committed – but not yet marriage) predict less problematic alcohol involvement?
  • Does problematic alcohol use predict less progress in the above mentioned romantic relationship transitions? 
  • How does leaving college affect these associations? (exploratory question)

Who participated in the research?

  • 404 students from a public northeastern university in the USA. 
  • The students were in their fourth, fifth and sixth year since university enrollment and the majority were female (63%). 
  • Participants started the study with a mean age of 21.10.

How was the research conducted?

  • This study was part of a bigger research on post-traumatic stress and substance use in college students. Only the last two years of data collection were included.
  • Problem alcohol use was measured at three time points by using several self-report measures, including alcohol-related consequences, alcohol abuse symptoms and alcohol dependence symptoms. 
  • For relationship transitions, participants were asked about their romantic relationship involvement: (1) not involved in a romantic relationship, (2) in a casual romantic relationship, (3) in a serious/committed relationship, (4) engaged or married or in a long-term committed monogamous relationship. Relationship changes were compared from Year 1 to 2, and from year 2 to 3, and collapsed into three transitions: increased romantic involvement, stable involvement, decreased involvement.  
  • Graduation status was measured using a single item with several response categories regarding education status. Participants were considered graduated if they picked the “graduated” subcategory or if they were “graduate students or other post-bachelor’s students”.

FINDINGS

  1. Most individuals progressed in their relationship “step-by-step” (e.g. from a more casual to committed relationship). Only 19% of the transitions reflected big changes (e.g. married or divorced). Those who got more involved in their relationship had fewer alcohol problems by the next year than those who were less romantically involved than before in this period. This was true from the first to the second year of the study, as well as from the second to the third year.
  2. Alcohol problems did not predict whether individuals increased or decreased in their romantic involvement. The relationship was absent for each year comparison. 
  3. Being graduated (or not) did not influence the findings.

DETAILS
Egerton, G. A., & Read, J. P. (2019). Relationship role transitions and problem alcohol use in emerging adulthood. Emerging Adulthood7(4), 291-303.

This sci-fly was written by Milagros Rubio (Radboud University) for RAD-blog, the blog about smoking, alcohol, drugs and diet.

Van ‘gezellig’ gebruik naar thuis trippen?

Afgelopen weekend belandden zeven jongeren uit een studentenhuis in Nijmegen in het ziekenhuis als gevolg van een ‘slechte trip’ na het gebruik van een roze pil met Tesla-logo1. Zou dit ook gebeurd zijn als deze studenten niet opgehokt zaten door de avondklok? Studentenblad Vox uitte vorige maand haar zorgen over een kleine groep van recreatieve drugsgebruikende studenten die tijdens de coronacrisis meer drugs is gaan gebruiken2. Hoe is het drugsgebruik bij jongvolwassenen veranderd ten tijde van de coronacrisis? 

Door de coronamaatregelen staat onze mentale gezondheid onder druk. Discotheken en kroegen zijn al tijden gesloten en ook de festivals gaan aan onze neus voorbij. Tel daarbij op dat er weinig mogelijkheden zijn om samen te eten, te sporten of een borrel te drinken en je kunt je voorstellen dat jongvolwassenen zich geïsoleerd of eenzaam voelen. Amerikaans onderzoek tijdens de eerste lockdown (april – mei 2020) wees uit dat 1008 ondervraagde jongvolwassenen in grote mate last hadden van eenzaamheid (49%), depressieve symptomen (80%) en/of angstsymptomen (61%)3. Een belangrijke bevinding van de auteurs was dat een grotere mate van eenzaamheid samenhing met meer depressieve en angstsymptomen. Daarnaast ging een grotere mate van angstsymptomen gepaard met problematischer gebruik van drugs. 

Afbeelding van www.unsplash.com

Ook in Nederland werd grootschalig onderzoek gedaan naar veranderingen in middelengebruik door de coronacrisis. Het Trimbos Instituut publiceerde twee factsheets over onder andere het drugsgebruik tijdens de eerste lockdown (maart – mei 2020)4 en tijdens de eerste versoepelingen (juni – september 2020)5. Er werden zowel toe- als afnames gevonden in drugsgebruik, met daarbij verschillen tussen middelen en in locatie van gebruik. Als er een verandering plaatsvond in de frequentie en/of hoeveelheid van recreatief drugsgebruik tijdens de eerste lockdown4, dan was dit veelal: 
– Meer en/of vaker gebruik van bewustzijnsveranderende middelen zoals cannabis, 2-CB en truffels
– Minder en/of minder vaak gebruik van stimulerende middelen zoals cocaïne, ecstasy en amfetamine

Tijdens de eerste versoepelingen werden met name amfetamine, cocaïne en cannabis vaker (+40%) gebruikt5. De meestgenoemde redenen om vaker of meer drugs te gebruiken waren verveling (71%), niet uit (kunnen) gaan (54%) en/of nieuwsgierig naar nieuwe ervaringen (30%)4. Redenen om juist minder vaak of minder veel drugs te gebruiken waren met name niet uit (kunnen) gaan (80%), vrienden niet of minder zien (74%) en fysieke (26%) en/of mentale gezondheid (26%). 

Bovenstaande onderzoeksresultaten geven een beeld van de verschuivingen in drugsgebruik onder jongvolwassenen tijdens de eerste lockdown en de eerste versoepelingen. Gezien de strengere maatregelen en langere duur van de tweede lockdown is het mogelijk dat het drugsgebruik onder jongvolwassenen verder of anders is verschoven. Hoewel de coronacrisis enerzijds zorgt voor een afname in sociale situaties waarin jongvolwassenen doorgaans starten met drugsgebruik, waarschuwen onderzoekers anderzijds voor een verhoogde aanwezigheid van risicofactoren voor verslaving6. Op de lange termijn kunnen stress, sociale isolatie en verveling ten gevolge van de coronacrisis bijdragen aan het ontwikkelen van een verslaving. 

Helaas is de vraag of de zeven Nijmeegse jongeren ook in het ziekenhuis waren beland als we geen coronamaatregelen hadden niet eenvoudig te beantwoorden. Maar als er geen avondklok was geweest en deze jongeren weer uit konden gaan zoals voorheen, dan hadden ze misschien geen drugs genomen of waren ze zo slim geweest om de drug vooraf te laten testen bij een van de drugstestservices van het Trimbos Instituut. Hier kun je gratis en anoniem drugs laten testen, zie www.drugs-test.nl.  

Deze blog werd geschreven door Pauline Geuijen (Radboudumc) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet. 

Referenties

  1. Van Wijngaarden, L. (10 april 2021). Zeven jongeren naar ziekenhuis na slechte trip door drugs: ‘Ze leken compleet te flippen’, in: Gelderlander. Geraadpleegd via https://www.gelderlander.nl/nijmegen/zeven-jongeren-naar-ziekenhuis-na-slechte-trip-door-drugs-ze-leken-compleet-te-flippen~a9b35c1b/
  2. Noij, M., & Van Pelt, S. (3 maart 2021). Studenten nemen minder drugs en drank tijdens corona, maar ‘zorgelijke’ subgroep gebruikt meer, in: Vox Magazine. Geraadpleegd via https://www.voxweb.nl/nieuws/studenten-nemen-minder-drugs-en-drank-tijdens-corona-maar-zorgelijke-subgroep-gebruikt-meer  
  3. Horigian, V.E., Schmidt, R.D., & Feaster, D.J. (2021). Loneliness, Mental Health, and Substance Use among US Young Adults during COVID-19. Journal of Psychoactive Drugs, 53, 1-9. doi: 10.1080/02791072.2020
  4. Van Miltenburg, C.J.A., Van Laar, M.W., & Van Beek, R. (2020). Factsheet: De impact van COVID-19 en de coronamaatregelen op alcohol-, tabak- en drugsgebruik onder uitgaanders. Trimbos-instituut.
  5. Van Beek, R. J. J., van Miltenburg, C. J. A., Blankers, M., & Van Laar, M. (2021). Factsheet: Uitgaansgedrag en middelengebruik tijdens de coronapandemie. Trimbos-instituut.
  6. Sarvey, D., & Welsh, J.W. (2021). Adolescent substance use: Challenges and opportunities related to COVID-19. Journal of Substance Abuse Treatment, 122, 108212. doi: 10.1016/j.jsat.2020.108212

Hoe veranderen de sociale relaties en het mentaal welbevinden bij jongeren door de coronacrisis?

Het “G(V)OED voor elkaar corona-onderzoek”
“De coronacrisis is extra zwaar voor pubers: ‘Ze mogen niks’” kopt het Parool op 6 mei 2020.1 En inderdaad, de maatregelen die tijdens de coronacrisis worden genomen, hebben grote invloed op jongeren die zich in een unieke, zeer kritieke periode in hun ontwikkeling (lichamelijk, sociaal en mentaal) bevinden. Onder andere vanwege social distancing, het tijdelijk sluiten van de middelbare scholen en het inperken van de vrijetijdsbesteding kunnen essentiële ontwikkelingstaken (zoals het maken en behouden van vriendschappen2) beperkter tot uitvoer worden gebracht. Jongeren zijn als gevolg van de maatregelen meer aangewezen op de gezinssituatie en hebben minder mogelijkheden voor (offline) contact met hun leeftijdgenoten. De coronacrisis kan daarom ook wel gezien worden als een sociaal experiment. Het is echter nog onbekend wat de korte- en langere-termijn effecten zijn van dit “experiment” op het leven van jongeren en dat van hun ouders. 

Het is cruciaal om te onderzoeken wat de invloed van de coronacrisis is op de dynamiek binnen sociale relaties, en hoe deze sociale dynamiek vervolgens het mentaal welbevinden (denk aan gevoelens van depressie, eenzaamheid en stress) van jongeren bepaalt. Meer specifiek is het van belang om te onderzoeken welke jongeren negatieve effecten ondervinden (door bijvoorbeeld stress thuis, een slechte relatie met ouders of veranderende relaties met vrienden), en welke jongeren juist positieve effecten ervaren (door bijvoorbeeld intensivering van de goede relatie met ouders of het beperken van problematisch contact met klasgenoten). In een nieuw onderzoek, genaamd het “G(V)OED voor elkaar corona-onderzoek”, gaan wij in kaart brengen wat de gevolgen van de coronacrisis zijn op de sociale relaties (met ouders en vrienden), en wat de impact hiervan is op het mentaal welbevinden van (kwetsbare) jongeren. Op deze manier biedt dit onderzoek belangrijk inzichten in of – èn hoe – sociale systemen betrokken kunnen worden in de preventie en verbetering van mentale problematiek bij jongeren (als gevolg van de coronacrisis). 

Ons longitudinale “G(V)OED voor elkaar!” onderzoeksproject3, waarin wij de afgelopen jaren op drie momenten gegevens hebben verzameld over de sociale, mentale en fysieke ontwikkeling van jongeren en hun ouders, dient als de basis. De vierde en laatste onderzoeksmeting stond gepland voor het voorjaar van 2020, maar is uitgesteld vanwege de coronacrisis. Deze vierde onderzoeksmeting heeft daarom (online) plaatsgevonden in het najaar van 2020. Om meer inzicht te krijgen in de gevolgen van de coronacrisis breiden we het onderzoek uit met 3 online vragenlijstmetingen (onderzoeksmetingen 5, 6 en 7) in schooljaar ‘20/’21 bij jongeren en ouders. Ook zullen we een app-studie uitvoeren met verschillende korte metingen per dag gedurende een week bij een sub-groep jongeren en ouders. Zo combineren we onze gegevens van vóór de coronacrisis met gegevens tijdens en na de coronacrisis. Op dit moment worden gegevens verzamelend binnen de vijfde onderzoeksmeting. 

Nieuwe deelnemers gezocht!
Wij zoeken nog nieuwe deelnemers: jongeren (in de leeftijd van 16 tot en met 18 jaar) en een ouder uit hetzelfde gezin die willen meedoen aan ons online vragenlijstonderzoek. Meedoen betekent dat jullie 3 keer ieder een online vragenlijst invullen (in maart/april, juni en september 2021). Dit kost ongeveer een half uur per vragenlijst. Jullie ontvangen allebei voor iedere (volledig) ingevulde vragenlijst een bol.com cadeaubon van 5 euro binnen een week na het invullen. Daarnaast krijgen jullie ieder 5 euro extra als jullie alle 3 de vragenlijsten van dit onderzoek invullen. Jullie kunnen persoon dus 20 euro verdienen met het invullen van de vragenlijsten. Dat is in totaal 40 euro!


Bij vragen over het “G(V)OED voor elkaar corona-onderzoek” kunt u contact opnemen met het onderzoeksteam via goedvoorelkaar@pwo.ru.nl of via 0631132112 (WhatsApp). Bezoek ook eens onze website www.ru.nl/goedvoorelkaar! Dit project wordt mogelijk gemaakt door ZonMw.

Deze blog werd geschreven door Nina van den Broek (Radboud Universiteit, promovenda en projectleider van het “G(V)OED voor elkaar corona-onderzoek”) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties:
1. Van der Beek, H. (2020) De coronacrisis is extra zwaar voor pubers: ‘Ze mogen niks’. Het Parool, Verkregen via https://www.parool.nl/nieuws/de-coronacrisis-is-extra-zwaar-voor-pubers-ze-mogen-niks~b7ba5fc4/.
2. Hartup, W. W (1996). The company they keep: Friendships and their developmental significance. Child Development, 67, 1–13.
3. Van den Broek, N., Larsen, J. K., Verhagen, M., Burk, W. J. & Vink, J. M. (2020). Is adolescents’ food intake associated with exposure to the food intake of their mothers and best friends? Nutrients, 12, 786.

Sci-fly: Wat zegt het hebben van mentale gezondheidsproblemen over succesvol stoppen met roken?

Rokers met psychische aandoeningen gaven in eerder onderzoek aan dat ze beter om kunnen gaan met de symptomen van een psychische aandoening wanneer ze roken. Dit is opvallend, want het is bewezen dat stoppen met roken juist ook samenhangt met vermindering van de symptomen van psychische aandoeningen en de verbetering van algemeen welzijn. Bovendien is aangetoond dat depressieve rokers kunnen minderen of stoppen met roken zonder dat daarbij de symptomen van hun depressie verergeren. Het komt echter niet vaak voor dat zorgprofessionals medicatie of gedragsstrategieën gebruiken om het stoppen met roken te stimuleren bij patiënten met psychische aandoeningen, waardoor roken onder mensen met een psychische aandoening door sommigen beschouwd wordt als een “verwaarloosde epidemie”.

Afbeelding via pixabay.com.

KERN
Deze studie onderzocht de unieke rol die mentale gezondheid kan spelen binnen de relatie tussen nicotineafhankelijkheid en het doen van stoppogingen over een langere tijd. De onderzoekers bekeken de verbanden tussen symptomen van psychische aandoeningen, nicotineafhankelijkheid en a) de waarschijnlijkheid om te stoppen met roken tijdens de onderzoeksperiode, b) het doen van een stoppoging in de afgelopen 12 maanden, en c) de totale sigarettenconsumptie in de afgelopen 30 dagen. Het blijkt dat met name volwassenen met symptomen van psychische aandoeningen minder kans hebben om te kunnen stoppen met roken, deels vanwege de waarschijnlijke interactie tussen nicotineafhankelijkheid en mentale gezondheid. 

ONDERZOEKSMETHODE
WAT
In deze studie werd gekeken wat het verband is tussen psychische aandoeningen, hoge nicotineafhankelijkheid en stoppogingen om uiteindelijk meer gerichte strategieën voor tabakspreventie- en bestrijding te kunnen vormen. 

WIE
7290 Amerikaanse (jong)volwassen rokers die deelnamen aan de Population Assessment for Tobacco and Health (PATH) van 2013 tot 2018. 

HOE

De onderzoekers registreerden hoe vaak en hoeveel de participanten rookten, stoppogingen in de afgelopen 30 dagen en de afgelopen 12 maanden, nicotineafhankelijkheid, en hoe frequent en in welke mate de participanten symptomen vertoonden van psychische aandoeningen in het afgelopen jaar. Deze symptomen werden onderverdeeld in de categorieën a) symptomen van drugsmisbruik, b) internaliserende symptomen en c) externaliserende symptomen. De onderzoekers hebben er echter voor gekozen om de mensen met alleen symptomen van drugsmisbruik niet mee te nemen in hun analyses. 

VONDSTEN

  • Volwassenen met psychische symptomen die niet zo nicotineafhankelijk zijn, hadden meer kans om een ​​stoppoging te doen en om te stoppen dan degenen zonder psychische symptomen of met hoge nicotineafhankelijkheid.
  • Mensen met hoge nicotineafhankelijkheid en meer symptomen van psychische aandoeningen doen minder vaak een stoppoging en als ze een stoppoging doen, lukt het hen minder vaak om ook daadwerkelijk te stoppen. De onderzoekers geven in hun verklaring voor deze vondst aan dat mensen met een psychische aandoening zowel ernstige symptomen van hun aandoening als van nicotineontwenning ervaren, wat het stoppen of minderen met roken moeilijker maakt.
  • Internaliserende symptomen in combinatie met een hoge nicotineafhankelijkheid voorspelden meer sigarettenconsumptie.
  • Nicotineafhankelijke volwassenen met zowel internaliserende als externaliserende symptomen zullen de minste kans hebben om succesvol te stoppen met roken.      
  • Het ervaren van psychische symptomen leek minder invloed te hebben op het rookgedrag bij volwassenen die minder vaak rookten (niet-dagelijkse rokers). 

DETAILS
Snell, M., Harless, D., Shin, S., Cunningham, P., & Barnes, A. (2021). A longitudinal assessment of nicotine dependence, mental health, and attempts to quit Smoking: Evidence from waves 1–4 of the Population Assessment of Tobacco and Health (PATH) study. Addictive Behaviors, 115, 106787.

Deze sci-fly werd geschreven door Ismay de Beijer (student aan de Radboud Universiteit en stagiair bij IrisZorg) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Sci-fly: Ongezond gedrag verminderen door inzet op automatische processen? Een categorisatie van interventie technieken!

Mensen worden vaak ‘verleid’ door attractieve, maar vaak ongezonde, cues in hun omgeving. Zo kan het zien of ruiken van smakelijk voedsel bijvoorbeeld leiden tot een plotselinge hunkering naar voedsel. En deze hunkering leidt vaak tot ongeplande en ongezonde voedselconsumptie via geconditioneerde en automatische stimulus-response reacties. Er zijn verschillende interventie technieken die inspelen op deze automatische reacties om ongezonde gedragingen te voorkomen. Dit artikel deelt interventie technieken in op basis van hoe ze inspelen op deze automatische reacties. Dit is belangrijk omdat een dergelijke categorisatie van technieken een hulpmiddel kan vormen voor gezondheidsprofessionals (clinici of onderzoekers) om gerichte keuzes voor specifieke (combinaties van) technieken te maken.

Binnen het model van dit artikel (zie plaatje) worden globaal gezien twee soorten technieken onderscheiden: (1) technieken die er in eerste instantie voor zorgen dat automatische stimulus-response associaties niet of in mindere mate optreden (antecedentgerichte strategieën) versus (2) technieken die direct insteken op het veranderen van stimulus-response associaties (responsegerichte strategieën). Naast deze globale indeling, wordt eveneens een verder onderscheid aangebracht tussen twee sub-vormen van antecedentgerichte strategieën: direct en indirect. Directe antecedentgerichte strategieën hebben tot doel automatische ongewenste reacties direct te voorkomen door het vermijden van specifieke ongewenste stimulus-response associaties. Dit kan door situaties aan te passen (bijvoorbeeld door een fruitschaal op tafel te plaatsen) of door verschillende situaties te selecteren (bijvoorbeeld niet naar de supermarkt gaan als je honger hebt). Indirecte antecedentgerichte strategieën werken via het vergroten van zelfcontrole door het verplaatsen van aandacht (bijvoorbeeld aandacht schenken aan het eten van een maaltijd) of een verandering in ‘perceptie’ van situaties (bijvoorbeeld ‘mindfulness acceptatie’). Ten slotte zijn responsgerichte strategieën (zoals bijvoorbeeld ‘approach/avoidance’ training) direct gericht op het verminderen van automatische ongewenste (impulsieve) reacties.

In het artikel worden drie hypothesen besproken die praktische richtlijnen bieden voor de selectie van interventietechnieken. Ten eerste, directe antecedentgerichte strategieën werken beter voor personen die minder impulsief zijn, terwijl responsgerichte strategieën beter werken voor mensen die impulsiever zijn. Ten tweede, als directe antecedentgerichte strategieën succesvol zijn, dan zijn responsegerichte strategieën niet meer nodig. Ten derde, directe antecedentgerichte strategieën kunnen het gebruik van responsegerichte interventiestrategieën ondersteunen. Het artikel gaat vervolgens in op een aantal voorbeelden dat deze hypotheses lijkt te ondersteunen. Echter, meer onderzoek is nodig, ook naar effecten van verschillende combinaties van technieken. Zo lijken bijvoorbeeld combinaties van indirecte antecedentgerichte strategieën (zoals mindfulness) en responsgerichte strategieën gunstige effecten te bieden. Het artikel sluit af met een aantal concrete handvatten voor toekomstig onderzoek. Dit toekomstige onderzoek kan vooral belangrijke inzichten bieden voor kwetsbare doelgroepen met een lagere sociaal-economische positie (SEP), omdat zij vaak meer problemen hebben met het vertalen van intenties in gedrag. Hopelijk inspireert dit raamwerk dus toekomstig interventie onderzoek dat erop gericht is om gezondheidsverschillen tussen mensen met hogere en lagere SEP te verkleinen.

DETAILS
Larsen, J. K., & Hollands, G. J. (2021). Targeting automatic processes to reduce unhealthy behaviours: a process framework. Health Psychology Review, 1-16. https://doi.org/10.1080/17437199.2021.1876572

Deze sci-fly werd geschreven door Junilla Larsen (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Bananen, biefstuk en Libanees platbrood: Verandert ons eetgedrag tijdens de COVID-19 pandemie?

Begin januari ontving ik een jaaroverzicht van PICNIC in mijn mailbox, waar ik sinds de coronacrisis geregeld mijn boodschappen bestel. Naast wat persoonlijke feitjes over 2020 (ik hoefde 331 kilo boodschappen niet zelf te sjouwen, oftewel: het gewicht van 11.033 dwerghamsters!) bevatte de mail ook een aantal opvallende algemene statistieken. Zo bleek dat biefstuk en Libanees platbrood in 2020 4 keer vaker werden gekocht dan in het jaar ervoor. De meest gekochte producten waren na een jaar echter onveranderd gebleven: melk, komkommer en bananen vormden nog steeds de PICNIC Top 3. Dit deed me afvragen: is ons eetgedrag gedurende de coronacrisis eigenlijk veranderd?

Er zijn genoeg redenen om aan te nemen dat onze eetvoorkeuren en -patronen worden beïnvloed door de COVID-19 pandemie. Zo leiden de ingevoerde maatregelen zoals de (tijdelijke) sluiting van de horeca, scholen en kinderopvang, alsmede het thuiswerkdevies, waarschijnlijk tot een verandering in de dagelijkse routines en leefstijl.1 Mensen zijn vaker thuis, eten minder buitenshuis en hebben mogelijk meer tijd om te koken. Of juist minder tijd, in het geval van toegenomen werkdruk of zorgtaken. Daarnaast zijn verveling, stress en angst het afgelopen jaar significant toegenomen.2 Mogelijk werken deze gevoelens emotioneel eten (dat wil zeggen: eten om jezelf af te leiden, troosten of gerust te stellen) in de hand.3

Opvallend genoeg blijkt uit onderzoek in opdracht van het Voedingscentrum dat het overgrote deel van de Nederlanders (>80%) niet anders is gaan eten tijdens de eerste en de tweede coronagolf.4 Deze meest recente resultaten, die betrekking hebben op de tweede golf in november, zijn gebaseerd op een representatieve steekproef van 1265 Nederlandse volwassenen (18+). Ook andere bronnen rapporteerden dat het eetgedrag van de meeste Nederlanders gedurende de coronacrisis niet anders is dan normaal.5 Dit bevestigt maar weer dat eetgewoonten in veel gevallen bijzonder ingesleten en moeilijk te veranderen zijn.

Toch is een deel van de Nederlanders tijdens de tweede golf wel anders gaan eten: 9% at gezonder en 5% at ongezonder.4 De belangrijkste redenen om gezonder te eten waren het willen verhogen van de weerstand en het hebben van meer tijd en ruimte om bezig te zijn met gezond eten en koken. Redenen waarom ongezonder werd gegeten waren de toename in het aantal ongezonde verleidingen thuis en het aantal eetmomenten, maar ook gevoelens van stress en verveling. Verder bleek dat een deel van de Nederlanders tijdens de tweede coronagolf meer tijd nam om te eten (17%), meer groente en fruit at (17%) en zich bewuster was van zijn/haar eetgedrag (17%). Ook werd er door een deel meer snoep en snacks geconsumeerd (18%) en vaker eten besteld of afgehaald (30%). 

De Nederlanders die tijdens de tweede coronagolf het meest in hun eetgedrag waren veranderd (dus die zowel gezonder als ongezonder zijn gaan eten) waren hoogopgeleiden en jongvolwassenen onder de 30 jaar.4 Hoe dat komt is, is (nog) niet bekend. Mogelijk brengen deze resultaten groepen aan het licht die ook al voor de coronacrisis (minder) moeite hadden om gezond te eten. Jaap Seidell, hoogleraar voeding en gezondheid aan de Vrije Universiteit Amsterdam, voorspelt dat deze verschillen tijdens de COVID-19 pandemie alleen maar groter worden.5 Dit is in lijn met resultaten uit Deens onderzoek, die laten zien dat personen met een ongezonder eetpatroon voor aanvang van de pandemie meer negatieve gevolgen ervoeren tijdens de coronacrisis (en specifiek de lockdown) wat betreft eten, beweging en gewicht dan personen die voor aanvang een gezonder eetpatroon hadden.6 Toekomstig wetenschappelijk (peer-reviewed) onderzoek onder de Nederlandse bevolking moet gaan uitwijzen wat de impact is van de COVID-19 pandemie op het eetgedrag van verschillende groepen binnen onze samenleving en waarom, en suggesties aandragen hoe de gezondheidsverschillen die naar aanleiding van deze crisis ontstaan kunnen worden beperkt.

Wil jij bijdragen aan wetenschappelijk onderzoek naar Nederlandse voedselvoorkeuren en -patronen? Wageningen University & Research heeft de app FoodProfiler ontwikkeld waarin je één keer per dag invult wat je hebt gegeten. Zo krijg je inzicht in je eigen eetprofiel en help je tegelijkertijd de wetenschap :).

Deze blog werd geschreven door Levie Karssen (gastonderzoeker bij de Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Yannakoulia, M., Panagiotakos, D. B., Pitsavos, C., Tsetsekou, E., Fappa, E., Papageorgiou, C., et al. (2008). Eating habits in relations to anxiety symptoms among apparently healthy adults: A pattern analysis from the ATTICA study. Appetite, 51, 519–25. doi: 10.1016/j.appet.2008.04.002
2. Ozamiz-Etxebarria, N., Mondragon, N. I., Santamaria, M. D., and Gorrotxategi, M. P. (2020). Psychological symptoms during the two stages of lockdown in response to the COVID-19 outbreak: an investigation in a sample of citizens in Northern Spain. Frontiers in Psychology, 11, 1491. doi: 10.3389/fpsyg.2020.01491
3. Di Renzo, L., Gualtieri, P., Pivari, F., Soldati, L., Attinà, A., Cinelli, G., et al. (2020). Eating habits and lifestyle changes during COVID-19 lockdown: An Italian survey. Journal of Translational Medicine18, 1–15. doi: 10.1186/s12967-020-02399-5
4. Flycatcher Internet Research in opdracht van het Voedingscentrum (2020). Eetgedrag en corona: Meting 2 november 2020. Geraadpleegd via https://www.voedingscentrum.nl/Assets/Uploads/voedingscentrum/Documents/Professionals/Pers/Persmappen/2e%20quickscan%20corona/Rapportage%20-%20Eetgedrag%20en%20corona%20(november%202020).pdf
5. Le Clercq, A. (29 april 2020). Lockdown leidt tot meer stress en ongezondere leefstijl, in: Volkskrant. Geraadpleegd via https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/lockdown-leidt-tot-meer-stress-en-ongezondere-leefstijl~b4800e04/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F
6. Giacalone, D., Frøst, M. B., & Rodríguez-Pérez, C. (2020). Reported changes in dietary habits during the Covid-19 lockdown in the Danish population: The Danish COVIDiet study. Frontiers in Nutrition7, 294. doi: 10.3389/fnut.2020.592112

Sci-fly: Hoe jouw DNA iets zegt over het drinkgedrag van je partner

Mensen in een relatie lijken vaak op elkaar wat betreft hun alcoholgebruik. Maar is dat omdat we het aantrekkelijk vinden en eerder een relatie aangaan als iemand evenveel drinkt als wij (‘assortative mating’)? Of pas je jouw alcoholgebruik aan aan dat van je partner? Howe en collega’s zochten het uit door een kijkje te nemen in het DNA van proefpersonen en hun partners.  

KERN
Zoals wel vaker in de wetenschap is het antwoord: een beetje van allebei. Het blijkt dat partners elkaar inderdaad selecteren op basis van hun alcoholgebruik (wat blijkt uit het feit dat ze hetzelfde ‘alcohol-gen’ hebben, iets wat bij de geboorte al vastlag), maar ook dat als jij meer drinkt, je partner ook meer gaat drinken (wat blijkt uit het directe effect van iemands ‘alcohol-gen’ op het drinkgedrag van diens partner). Beide vondsten zijn belangrijk. Het bestaan van ‘assortative mating’ (iemand als partner kiezen die op je lijkt) kan een vertekend beeld opleveren als je zoekt naar de oorzaken van alcoholmisbruik. De vondst dat het drinkgedrag van partners effect heeft op het eigen drinkgedrag kan belangrijke informatie zijn voor behandelaars. 

ONDERZOEKSMETHODE
WAT?
De onderzoekers hebben een genetische variant geselecteerd waarvan we weten dat het een relatief sterke invloed heeft op alcoholgebruik (rs1229984 uit het ADH1B gen) en gekeken of a) partners vaker dezelfde versie van deze variant hadden dan je op basis van toeval zou verwachten, en b) of deze variant bij de ene persoon het alcoholgebruik van de partner zou voorspellen.

WIE?
Zo’n 50,000 hetero-koppels (samenwonend) uit het Verenigd Koninkrijk, met een Europese achtergrond (in genetische studies is het vaak noodzakelijk om op één etniciteit tegelijk te focussen). De data komen uit de grote nationale dataset van de UK-Biobank.

HOE?
De alcoholmaten waren ooit/ nooit drinker, op dit moment wel/ niet drinker (>2 glazen per week), en het aantal gedronken glazen per week. Voor vraag a) werd er gekeken of partners dezelfde variant van rs1229984 hadden, ook na correctie voor geboorteplaats. Voor vraag b) werd er de Mendelian Randomisation (MR) methode gebruikt (zie ook hier). Hierbij werd het effect van de genetische variant op het alcoholgedrag van de partner gemeten. Waarom keken ze niet gewoon naar het effect van het alcoholgedrag van de ene persoon op dat van de partner? Omdat zo’n verband door allerlei andere factoren beïnvloed zou kunnen worden. Bijvoorbeeld: misschien leeft het koppel in armoede en zorgt dat voor hoger alcoholgebruik in beide partners, zonder dat er een verband is tussen het gebruik van de partners zelf. Door gewoon naar het alcoholgebruik van het koppel te kijken, kun je geen oorzakelijk verband laten zien. Met MR gebruik je de genetische variant als een ‘instrument’ om alcoholgebruik te meten. Van zo’n variant kun je zeker weten dat hij niet beïnvloed is door externe factoren, omdat je DNA vaststaat vanaf je geboorte. Je weet ook zeker dat er geen omgekeerd verband kan zijn, want drinkgedrag kan je DNA-code niet veranderen (zie het figuur hieronder). Daardoor kun je nu wel een oorzakelijk verband aantonen: als jouw ‘alcohol-gen’ het drinkgedrag van je partner voorspelt, kan dat alleen maar door jouw drinkgedrag zijn gekomen. Met andere woorden, jouw drinkgedrag moet dan de oorzaak zijn van het drinkgedrag van je partner.

Mendelian Randomization methode

VONDSTEN

  • Partners leken inderdaad meer op elkaar qua alcoholgebruik dan je op basis van toeval zou verwachten
  • Daarnaast kwam hun variant van rs1229984 vaak overeen, wat erop duidt dat de partners al op elkaar leken voordat ze samen waren (aangezien je genen vaststaan bij je geboorte)
  • Tenslotte bleek uit de MR analyse een oorzakelijk verband tussen het alcoholgebruik van de één op het alcoholgebruik van de ander

DETAILS
Howe, L. J., Lawson, D. J., Davies, N. M., Pourcain, B. S., Lewis, S. J., Smith, G. D., & Hemani, G. (2019). Genetic evidence for assortative mating on alcohol consumption in the UK Biobank. Nature Communications10, 1-10.

Deze sci-fly werd geschreven door Joëlle Pasman (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Overmacht of over macht? De inzet van geweldloos verzet in de strijd tegen agressie in residentiële jeugdzorg.

Ik kom thuis van een avonddienst op de woongroep. Terwijl ik mijn kleding over een stoel heen gooi, zie ik de schrammen en blauwe plekken op mijn been staan. Mijn collega zei: “We gooien hem wel even in de afzondering, dan komt hij vanzelf bij.” Nu pas bekruipt me het nare gevoel dat deze aanpak geen overmacht was, maar een daad uit wanhoop; een laatste redmiddel in de machtsstrijd, die de kinderen thuis al van ouders gewonnen hadden. Wij wilden ons als groepsleiding niet gewonnen geven. Of de winst vanavond behaald is? Ik lig met een rotgevoel in bed, net als de jongere. Er zijn enkel verliezers in deze strijd.

Copyright © NOS 2020

Vrijwel dagelijks heb ik, evenals vele zorgprofessionals, op het werk te maken met agressie. Een veelvoorkomend probleem wat op verschillende manieren beantwoord wordt. Waar de-escalerend werken de intentie is van vrijwel alle zorgprofessionals, worden jongeren nog regelmatig gefixeerd en deuren op slot gedraaid. Onderzoekers lieten al in de jaren ’70 en ’80 zien dat er sprake is van een vicieuze cirkel waarin opvoeders en kinderen over en weer proberen controle te verkrijgen door agressie te beantwoorden met het herpakken van de controle of macht door middel van vrijheidsbeperkende maatregelen, wat op zijn beurt weer agressie oproept1-2-3. Nieuwe inzichten zouden deze cirkel kunnen verbreken. De Non-Violent-Resistance methodiek (NVR), gericht op het onder ogen kunnen zien van machteloosheid en het verdragen daarvan, richt zich op het vinden van kracht en geweldloos verzet als antwoord op agressie. Onderzoekers lijken duidelijk: NVR is dé nieuwe methodiek om repressie te minimaliseren en daarmee agressie te verminderen en zelfs voorkomen. 

Tegengeluid kwam er in 2018 met een onderzoek waarin werd aangetoond dat het aantal agressie incidenten op een instelling na implementatie van NVR niet veranderde, echter zouden deze cijfers door transformaties binnen de instelling niet representatief zijn4. De afgelopen jaren zijn er steeds meer onderzoeken gedaan naar de methodiek, welke laten zien dat het aantal incidenten in residentiële instellingen significant afneemt als (in)direct gevolg van de training in NVR van medewerkers in meerdere instellingen5. Medewerkers geven aan dat toepassing van de methodiek zorgt voor meer gemoedsrust, reducering van stress en tijd om na te denken over hun reactie6. Een repressief groepsklimaat, wat onder andere gekenmerkt wordt door het verlies van autonomie van de cliënt, maakt door toepassing van NVR plaats voor een positiever groepsklimaat; een klimaat wat samenhangt met een forse afname van het aantal incidenten7

Met oog op deze resultaten heb ik als student Pedagogische Wetenschappen maar één strijd te winnen; de strijd tegen agressie in de residentiële jeugdzorg. Kunnen wij orthopedagogen van de toekomst de nieuwe Mahatma Ghandi’s en Martin Luther King’s worden en een revolutie veroorzaken in de zorg richting geweldloos verzet?

Deze blog, geschreven door Hilde van den Boom, is onderdeel van een serie gastblogs die geschreven zijn door studenten van de Master Pedagogische Wetenschappen voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag van de Radboud Universiteit.

Referenties
1. Patterson, G. R. (1982). A social learning approach: coercive family process. Eugene ORL: Castalia Publishers. 
2. Watzlawick, P., Beavin, J. H., & Jackson, D. D. (1967). Pragmatics of human communication: a study of interactional patterns, pathologies and paradoxes. New York: W. W. Norton. 
3. Dörenberg, V. E. T., Veer, A. J. E., de, Francke, A. L., Embregts, P. J. C. M., Nieuwenhuizen, M. van, & Frederiks, B. J. M. (2018). Applying Restrictive Measures in the Care of Adolescents With Mild Intellectual Disabilities: Attitudes of Support Staff and Policy Implications. Journal of Policy and Practice in Intellectual Disabilities, 15, 26-35.
4. Gink, K. van., Vermeiren, R., Goddard, N., Domburgh, L. van., Stegen, B. van der., Twisk, J., Popma, A., & Jansen, L. (2018). The Influence of Non-violent Resistance on Work Climate, Living Group Climate and Aggression in Child and Adolescent Residential Care. Childen and Youth Sevices Review 94, 456-465.
5. Visser, K. M., Jansen, L. M. C., Popma, A., Vermeiren, R., & Kasius, M. C. (2020). Adressing Agression in the Residential Setting for Juvelines with Mild Intellectual Disability trough Training in Non-Violent Resistance. Child Youth Care Forum.
6. Gink, K. van., Vissers, K., Popma, A., Vermeiren, R., Domburg, L. van., Stegen, B. van der, & Jansen, L. M. C. (2018). Implementing Non-violent Resistance, a Method to Cope with Aggression in Child and Adolescent Residential Care: Exploration of Staff Members Experiences. Archives of Psychiatric Nursing, 32, 353-359.
7. Tillart, J. van den., Eltink, E., Stams, G-J., Helm, P. van der., & Wissink, I. (2018). Agressive Incidents in Residential Youth Care. International Journal of Offender Therapy and Comparative Criminoly, 62, 3991-4007.

Onzichtbare anorexia nervosa

Anorexia nervosa is een psychische stoornis die wordt beschouwd als de meest ernstige hedendaagse eetstoornis.1 Jaarlijks worden naar schatting 370 op de 100.000 jonge vrouwen in Nederland gediagnosticeerd met anorexia.2 In 2016 was ik er daar helaas één van. De anorexia was langzaam en onzichtbaar in mijn leven geslopen.

Even een terugblik naar 2014. Ik was 16 jaar en druk op zoek naar wie ik echt was. Of eigenlijk wilde zijn. Sinds het begin van de puberteit had ik daar geen moment bij stilgestaan. Ik genoot ‘gewoon’ van mijn leven. Ik ging regelmatig naar feestjes en lekker eten met vriendinnen. Dit veranderde toen ik bleef zitten op de middelbare school.  

Net als de meeste mensen die een eetstoornis hebben (gehad), ben ik erg perfectionistisch.3 Blijven zitten voelde als compleet falen. Als ik niet goed was in presteren op school, moest ik laten zien dat ik ergens anders wel goed in was. Dat was afvallen. Hier faalde ik niet in en het gaf mij een goed gevoel. Daarnaast was ik ervan overtuigd dat anderen mij leuker zouden vinden als ik dunner zou zijn. Ik ging hiermee door en had niet in de gaten dat ik een eetstoornis aan het ontwikkelen was.  

Foto van http://www.unsplash.com

Vanaf dat moment is de anorexia begonnen. Onzichtbaar, want ik ben ruim een jaar mijn gang gegaan met afvallen. Niemand merkte het, ik had maar een licht ondergewicht. Niet bepaald wat je verwacht bij anorexia nervosa.4 Na een jaar trokken mijn vriendinnen aan de bel. 

Tijdens onze examenreis hebben zij een week gezien hoe ik mijzelf had beperkt met eten en na het eten naar het toilet ging. Ze wisten dat ik een probleem had. Ik was opgelucht. Eindelijk zag iemand hoe het echt met mij ging. Na de vakantie ging ik naar de huisarts. 

De huisarts verwees mij naar een GGZ gespecialiseerd in eetstoornissen. Zeven maanden heb ik op de wachtlijst gestaan, de zeven langste maanden uit mijn leven. Mijn lichamelijke en geestelijke gezondheid ging verder achteruit en ik moest daardoor regelmatig vrienden afzeggen. De eetstoornis isoleerde mij.5 Ik ben pas in 2016 gediagnosticeerd, terwijl anorexia al geruime tijd mijn leven beheerste. Gelukkig heb ik passende hulp gekregen en ben ik nu helemaal hersteld.

Wat ik wil benadrukken, is dat het grootste deel van de eetstoornissen onzichtbaar is. Ook anorexia. Ondanks dat er misschien geen sprake is van een extreem ondergewicht, kan een eetstoornis hardnekkig zijn. Ik werd een perfectionist in afvallen. Het maakt je psychisch kapot. Wanneer jij zelf of een ander moeite heeft met eten of je zelfbeeld, neem jezelf hierin serieus en trek op tijd aan de bel. Hoe eerder de hulp start, hoe groter de kans is op herstel. 

Deze blog is onderdeel van een serie gastblogs die geschreven zijn door studenten van de Master Pedagogische Wetenschappen voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag van de Radboud Universiteit.

Referenties
1. Zipfel, S., Giel, K. E., Bulik, C. M., Hay, P., & Schmidt, U. (2015). Anorexia nervosa: aetiology, assessment, and treatment. The Lancet Psychiatry, 2, 1099-1111.
2. Hoek, H. W. & Vandereycken, W. (2008). Een kwarteeuw onderzoek en behandeling van eetstoornissen, Tijdschrift voor Psychiatrie, 50, 85-89.
3. Dahlenburg, S. C., Gleaves, D. H., & Hutchinson, A. D. (2019). Anorexia nervosa and perfectionism: A meta-analysis. International Journal of Eating Disorders, 52, 219–229.
4. Oenema, N. (2020, 29 mei). Waarom een eetstoornis niet altijd zichtbaar is. Women’s Health. Verkregen via https://www.womenshealthmag.com/nl/psyche/a32707011/eetstoornis-onzichtbaar-gewicht-gevoelens/
5. Jenkins, P. E., Hoste, R. R., Meyer, C., & Blissett, J. M. (2011). Eating disorders and quality of life: A review of the literature. Clinical Psychology Review, 31, 113–121. 

Sci-Fly: Over #bodypositivity op Instagram: wat is het effect op jonge vrouwen?

Iemand naar beneden halen omdat diegene een onderkin, hangbuik of cellulitis heeft, is niet bepaald #bodypositive. ‘Body positivity’ (of ‘BoPo’) is al enkele jaren een belangrijke beweging op social media. Lange tijd hebben plaatjes van geïdealiseerde, slanke vrouwenlichamen (‘thin-ideal’) het social media platform Instagram gedomineerd. Het is bekend dat blootstelling aan dergelijke, geïdealiseerde beelden leidt tot een verhoogde negatieve stemming, ontevredenheid over het lichaam en zelfobjectivering bij vrouwen. De BoPo-beweging daagt schoonheidsidealen uit door acceptatie en waardering van álle lichaamstypes aan te moedigen. Nu #thin-ideal het Instagram-veld heeft moeten ruimen voor #BoPo, hebben Cohen en collega’s (2019) het effect van ‘body-positive’-beelden op de stemming en het lichaamsbeeld van jonge vrouwen onderzocht. Ze onderzochten onder meer of dit effect anders is dan bij ‘thin-ideal’-beelden.

Foto door Heather Hazzan en Lily Cummings (All Woman Project)

KERN
Deze studie onderzocht of het effect van blootstelling aan BoPo-beelden op de stemming, lichaamstevredenheid en –waardering, en zelfobjectivering van jonge vrouwen anders is dan ‘thin-ideal’-beelden en beelden die niets met uiterlijk te maken hebben (‘appearance-neutral’). Uit de resultaten bleek dat het geval te zijn. De onderzoekers concludeerden dat blootstelling aan BoPo-beelden een positieve invloed heeft op de stemming en het lichaamsbeeld van vrouwen, in tegenstelling tot ‘thin-ideal’-beelden. Jonge vrouwen die vaak ‘thin-ideal’-beelden zien op social media wordt daarom aanbevolen om BoPo-accounts te volgen, zodat hun stemming verbetert en ze een positief lichaamsbeeld ontwikkelen.

ONDERZOEKSMETHODE
WAT? 
Wat is het effect van BoPo-Instagrambeelden op de stemming, lichaamstevredenheid en –waardering, en zelfobjectivering van jonge vrouwen, ten opzichte van ‘thin-ideal’- en ‘appearance-neutral’-beelden?

WIE? 
195 Australische vrouwen met een gemiddelde leeftijd van 21.7 jaar.

HOE?
– De vrouwen werden willekeurig verdeeld over drie groepen: één groep werd blootgesteld aan ‘body positive’-beelden, één groep aan ‘thin-ideal’-beelden en één groep aan ‘appearance-neutral’-beelden.
– Stemming en lichaamstevredenheid werden zowel voor als na blootstelling aan de beelden gemeten aan de hand van een visuele schaal, waarop de deelnemer haar gevoel kon uitdrukken.
– Zelfobjectivering werd na de blootstelling aan de beelden gemeten aan de hand van een zinaanvullijst die ging over de beschrijving van de zelf.
– Lichaamswaardering werd na blootstelling aan de beelden gemeten aan de hand van een test over lichaamswaardering.

VONDSTEN
Allereerst werd blootstelling aan BoPo-beelden op Instagram geassocieerd met een verbetering van de positieve stemming en lichaamstevredenheid van jonge vrouwen, terwijl blootstelling aan ‘thin-ideal’-beelden leidde tot een vermindering van de positieve stemming en lichaamstevredenheid. Blootstelling aan ‘appearance-neutral’-beelden had geen invloed op het lichaamsbeeld, maar werd wel geassocieerd met een verbetering van de positieve stemming. 

Grafiek: Visuele representatie van de belangrijkste conclusie uit het onderzoek.

Ten tweede rapporteerden vrouwen die BoPo-beelden te zien hadden gekregen een grotere lichaamswaardering dan vrouwen die ‘thin-ideal’-beelden hadden gezien. Tot slot werd blootstelling aan BoPo- en ‘thin-ideal’-beelden geassocieerd met een verhoogde mate van zelfobjectivering dan blootstelling aan ‘appearance-neutral’-beelden.

DETAILS
Cohen, R., Fardouly, J., Newton-John, T., & Slater, A. (2019). #BoPo on Instagram: An experimental investigation of the effects of viewing body positive content on young women’s mood and body image. New Media & Society21, 1546–1564.

Deze sci-fly, geschreven door Francien de Wolf, is onderdeel van een serie gastblogs die geschreven zijn door studenten van de Master Pedagogische Wetenschappen voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag van de Radboud Universiteit.

Coronakilo’s? Zo kom je er vanaf!

Ons sociale leven is in het afgelopen jaar behoorlijk stil komen te liggen. Je werkt thuis, je studeert thuis, je vergadert thuis en daarnaast verveel je je kapot. Je kijkt om je heen en ziet die koektrommel en gevulde voorraadkast verleidelijk naar je lachen. Je denkt bij jezelf: Oké dan, één koekje kan er nog wel bij, ik heb het immers al zwaar genoeg. Voordat je het weet vliegen de befaamde coronakilo’s eraan. Herkenbaar? Voor mij wel, en ik zal hierin heus niet de enige zijn …

De term coronakilo’s zou zo maar eens in het rijtje van populairste woorden van dit jaar kunnen komen. Met coronakilo’s wordt het toenemen in lichaamsgewicht bedoeld dat veroorzaakt wordt door een sedentaire (ofwel niet-actieve) levensstijl, verveling en stress tijdens de coronacrisis1. Hoewel er in de wetenschap nog weinig bekend is over de directe relatie tussen de toename in gewicht en de lockdown als gevolg van de coronacrisis, biedt het bestaande onderzoek wel mogelijke verklaringen.

Zo blijkt uit eerder onderzoek onder studenten dat factoren als ‘alleen zijn’ en ‘sociale isolatie’ ervoor kunnen zorgen er meer en ongezonder gegeten wordt2. Deze toename van voedselconsumptie tijdens een lockdown lijkt verschillende oorzaken te hebben. Ten eerste speelt stress een belangrijke rol. Het eten van veel voedsel en ongezond voedsel is voor veel mensen een manier om spanning, die de maatregelen van de coronacrisis met zich mee kunnen brengen, te verminderen3,5. Een andere oorzaak is dat mensen uit verveling meer gaan eten aangezien sociale activiteiten beperkt zijn4. Tenslotte kunnen mensen eten gaan zien als een beloning voor het volhouden van de maatregelen5. De toename in gewicht kan ook verklaard worden door het feit dat mensen tijdens een lockdown minder bewegen, doordat de sportscholen bijvoorbeeld gesloten waren6.

De vraag is nu: Hoe kun je dan voorkomen dat je tijdens deze tweede (gedeeltelijke) lockdown de kilo’s er niet weer aanvliegen? De Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO)7 en het Voedingscentrum8 geven hier adviezen voor. Het is ten eerste belangrijk dat je je gebruikelijke eetpatroon aanhoudt en structuur in je leven aanbrengt. Dus plan vaste eetmomenten en snack niet te veel tussendoor. Eet daarnaast niet meer dan nodig is. Een andere bruikbare tip is om gezonde dingen in huis te halen en de ongezonde dingen buiten het zicht neer te zetten. Tenslotte is bewegen belangrijk, dit zorgt voor verbranding van de calorieën en is tevens stress-verlagend3,9. Ga eens een rondje in de buurt wandelen, sta regelmatig op van je studeerplek voor wat rek- en strekoefeningen en zeg gedag tegen die overtollige coronakilo’s!

Deze blog, geschreven door Tess Hendrikx, is onderdeel van een serie gastblogs die geschreven zijn door studenten van de Master Pedagogische Wetenschappen voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag van de Radboud Universiteit.

Referenties
1. Balnat, V. (2020). Unter beobachtung: Corona-wortschatz im Deutchen und Französischen. Noveaux Cahiers d’Allemand: Revue de linguistique et de didactique. Verkregen van https://hal.archives-ouvertes.fr/hal-02931171/document . 
2. Mason, T.B., Heron, K.E., Braitman, A.L., & Lewis, R.J. (2016). A daily diary study of perceived social isolation, dietary restraint, and negative affect in binge eating. Appetite, 97, 94 – 100. https://doi.org/10.1016/j.appet.2015.11.027  
3. Mouchacca, J., Abbott, G.R., & Ball, K. (2013). Associations between psychological stress, eating, physical activity, sedentary behaviours and body weight among women: a longitudinal study. BMC Public Health, 13, 1 – 11. https://doi.org/10.1186/1471-2458-13-828
4. Brooks, S.K., Webster, R.K., Smith, L.E., Woodland, L., Wessely, S., Greenberg. N., et al. (2020). The psychological impact of quarantine and how to reduce it: rapid review of the evidence. Lancet, 395, 912 – 920. https://doi.org/10.1016/S0140-6736(20)30460-8 
5. Ahmed, H.O. (2020). The impact of social distancing and self-isolation in the last corona COVID-19 outbreak on the body weight in Sulaimani governorate – Kurdistan/Iraq, a prospective case series study. Annals of medicine and surgery, 59, 110 – 117. https://doi.org/10.1016/j.amsu.2020.09.024
6. Lim, M.A. & Pranata, R. (2020). Sport activities during any pandemic lockdown. Irish Journal of Medicine Science. https://doi.org/10.1007/s11845-020-02300-9  
7. Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) (2020). Werken tijdens de corona-crisis. Geraadpleegd van: https://www.monitorarbeid.tno.nl/coronacrisis/blog
8. Voedingscentrum (2020). Hoe blijf je gezond eten en bewegen als je thuiswerkt vanwege corona?. Geraadpleegd van: https://www.voedingscentrum.nl/nl/thema/coronavirus-voeding/hoe-blijf-je-gezond-eten-en-bewegen-als-je-thuiswerkt-vanwege-corona-.aspx
9. Mattioli, A., Sciomer, S., Cocchi, C., Maffei, S., & Gallina, S. (2020). Quarantine during COVID-19 outbreak: Changes in diet and physical activity increase the risk of cardiovascular disease. Nutrition metabolism & cardiovascular diseases, 30, 1409 – 1417.  https://doi.org/10.1016/j.numecd.2020.05.020