Sci-Fly

sci fly icon

 

Op deze pagina vind je korte, hapklare samenvattingen van interessant recent onderzoek naar Roken, Alcohol, Drugs en/ of Dieet. Mooie manier om up-to-date te blijven van wat er gebeurt in de literatuur!

Sci-fly: De impact van COVID-19 op leefstijl van studenten: minder alcohol, meer zitten en minder beweging

De COVID-19 pandemie heeft het leven van studenten flink veranderd. Om de verspreiding van het virus te beperken werden er verschillende maatregelingen ingevoerd zoals het sluiten van horeca en openbare gebouwen (waaronder universiteiten en bibliotheken), reisrestricties, het thuiswerk advies en de implementatie van verschillende lockdowns. Velen studenten hadden het zwaar en zaten geïsoleerd op kleine studentenkamers of verhuisden noodgedwongen terug naar hun ouderlijkhuis. Deze ingrijpende veranderingen hebben onvermijdelijk geleidt tot drastische veranderingen in de leefstijl van studenten. Welke impact had de COVID-19 pandemie op de leefstijl van studenten? In deze sci-fly lees je meer over een Frans onderzoek naar veranderingen in leefstijl tijdens de COVID-19 pandemie. 

KERN
In dit onderzoek werd de impact van de COVID-19 pandemie op de leefstijl (alcohol consumptie, fysieke activiteit en zitgedrag) van Franse universitaire studenten onderzocht. Hiervoor werd er vragenlijst data op vier verschillende tijdstippen voor en/of tijdens de COVID-19 pandemie vergeleken. De uitkomsten laten een positief effect zien op het gebruik van alcohol: studenten zijn minder alcohol gaan drinken. Daarentegen werd een negatief effect waargenomen voor fysieke activiteit en zitgedrag: studenten zijn minder gaan sporten en meer gaan zitten tijdens de COVID-19 pandemie. Opvallend was ook dat vooral lichte lichamelijke activiteit in vergelijking met matige en zware lichamelijke activiteit sterk afnam tijdens de lockdown periodes. De onderzoekers uiten hun zorgen over de lange termijneffecten van de COVID-19 pandemie op de leefstijl van studenten en benadrukken de essentiële rol van de universiteiten in het bevorderen van een actieve leefstijl onder studenten, bijvoorbeeld door het faciliteren van sport voorzieningen of het implementeren van actieve pauzes.

ONDERZOEKSMETHODE
WAT?
In deze studie werd er gekeken naar de verandering in leefstijl (alcohol gebruik, fysieke activiteit en zitgedrag) tijdens verschillende periodes tijdens de COVID-19 pandemie in Frankrijk.  

WIE?
De vier vergeleken cohorten bestaan uit universitaire studenten van verschillende Franse universiteiten.

  • Cohort 1: 1294 studenten (april/mei 2020; tijdens eerste COVID-19 lockdown in Frankrijk)
  • Cohort 2: 373 studenten (juni 2020; na de eerste COVID-19 lockdown)
  • Cohort 3: 284 studenten (oktober 2020; toen het virus onder controle was en de universiteit geopend waren)
  • Cohort 4: 160 studenten (november/december 2020; tijdens de tweede COVID-19 lockdown)

Opmerking: In totaal waren er 91 studenten die aan alle vier de metingen hebben deelgenomen.

HOE?
Voor dit onderzoek werd er gebruik gemaakt van een online vragenlijst, die op vier verschillende tijdstippen tijdens de COVID-19 pandemie verspreid werd via docenten en sociale media. 

VONDSTEN

  • De alcohol consumptie onder studenten nam af tijdens de COVID-19 pandemie.
  • Studenten zijn minder gaan sporten tijdens de COVID-19 pandemie. Met name lichte lichamelijke activiteit nam sterk af in vergelijking met zware en matige lichamelijke activiteit.
  • Studenten zaten meer tijdens de COVID-19 lockdowns, deze trend lijkt zich voort te zetten.

DETAILS
Jaffe AE, Kumar SA, Ramirez JJ, DiLillo D. Is the COVID-19 Pandemic a High-Risk Period for College Student Alcohol Use? A Comparison of Three Spring Semesters. Alcohol Clin Exp Res. 2021 Apr;45(4):854-863. doi: 10.1111/acer.14572. Epub 2021 Mar 23. PMID: 33755213; PMCID: PMC8250603.

Deze sci-fly werd geschreven door Kirsten van Hooijdonk (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Hard worker or addicted to work? Delineating the (work-life) boundaries

The question of how to attain a good work-life balance is not new, but the COVID-19 pandemic and associated restrictions rekindled the debate. Working from home became the norm for many professions and this brought new challenges. For example, without the daily commute to our offices or no colleagues instigating a coffee break, we need to decide for ourselves when it is time to take a break and close our laptops. This left me wondering about those who already had difficulties with setting up work-life boundaries, even before these changes in lifestyle. 

Work addiction, or popularly termed workaholism by Oates (1971)1, is associated to uncontrollable urges and constant thoughts about work, feeling badly when not working – or refrained from work – and extreme work engagement. Although workaholism and work addiction are used as synonyms, some differences can be found between them. While the terms share common traits, such as the urges or compulsion to work, work addiction has been more associated to clinical criteria; namely, significant impairment in own life and/or relationships, or intention to decrease work hours without success.2,3 Thus, being an enthusiastic employee that works long hours does not automatically make you a work addict. 

You might be wondering whether some people are more at risk for experiencing this or it could be the influence of a very demanding work environment. The answer is, as it often happens, that it could be a bit of both.

Morkevičiūtė, Endriulaitienė, & Poškus (2021)4 conducted a systematic review and meta-analyses to identify the risk factors for workaholism and found two main explanations:

  1. Personal variable: perfectionism, a tendency to experience negative emotions, and being driven by external regulations (e.g.., obtain praise or fear of punishment) and high standards – more than by an emotional to the job.
  2. The influence of the context: a demanding work environment (e.g., workload, stress and competitiveness) can specially trigger compulsive work behaviours and, possibly, what we learned at home.

At this point, some of the readers of this blog might be skeptical: can we really consider these hard-workers addicted? Or are these the inventions of lazy people who over pathologize as an excuse? The truth is that neither workaholism nor work addiction are officially classified within the addictive related disorders or recognized in the diagnostic manuals. 

One reason that makes work addiction so difficult to diagnose is that exceeding work demands can also bring benefits and is celebrated by our society. This can be observed more clearly when compared to other less popular non-substance related addictions, such as gambling or shopping. It is important to mention that, progressively, the negative consequences will outweigh the positives. That colleague that was once recognized as a great employee might experiment a decline in productivity. It is only then when we notice that something is wrong. Regardless whether work addiction is or isn’t an official diagnosis, studies have linked it both to mental disorders and physical problems associated with stress (for example burn-out, depression, and cardiovascular diseases).2 Moreover, as it happens with most addictions, families can be severely affected by these behaviours.5

Now that we are cautiously getting back to the office, I would like to ask myself, and the readers, whether the forced home office during the pandemic helped us to delimit our own work boundaries. If the answer is ‘’not really’’, then I hope we have nice colleagues that will take us out of our work bubble to enjoy some coffee breaks.

This blog was written by Milagros Rubio (Radboud University) for RAD-blog, the blog about smoking, alcohol, drugs and diet.

References
1. Oates, W. E. (1971). Confessions of a workaholic: The facts about work addiction. World Publishing Company.
2. Atroszko, P. A. (2019). Work addiction as a behavioural addiction: Towards a valid identification of problematic behaviour. Australian and New Zealand Journal of Psychiatry53(4), 284–285. 
3. Clark, M. A., Smith, R. W., & Haynes, N. J. (2020). The Multidimensional Workaholism Scale: Linking the conceptualization and measurement of workaholism. Journal of Applied Psychology105(11), 1281–1307. 
4. Morkevičiūtė, M., Endriulaitienė, A., & Poškus, M. S. (2021). Understanding the etiology of workaholism: The results of the systematic review and meta-analysis. Journal of Workplace Behavioral Health0(0), 1–22. 
5. Griffiths, M. D., Demetrovics, Z., & Atroszko, P. A. (2018). Ten myths about work addiction. Journal of Behavioral Addictions7(4), 845–857. 

Sci-fly: “De meeste studenten hier kiezen ervoor om groente te eten tijdens de lunch”. Kan dit bericht ervoor zorgen dat studenten meer groente eten?

In een eerdere sci-fly van RAD-blog schreef ik al over het belang van en de mogelijkheden om kinderen gezond te verleiden in de schoolkantine. Het eten van gezonde producten, zoals groente, is immers cruciaal voor een gezonde ontwikkeling. Wanneer jongeren ouder worden en de middelbare school verlaten, zullen ze steeds onafhankelijker worden en hun eigen keuzes maken – ook betreffende hun eigen eetgedrag. Zo zullen studenten die uit huis gaan om te studeren aan een hogeschool of universiteit zelf hun maaltijden moeten kopen en klaarmaken. Dit kan zorgen voor ongezondere eetpatronen. Gegeven de negatieve impact van de consumptie van ongezond voedsel op de gezondheid en academische prestaties van studenten, is het ook voor studenten belangrijk om een gezond eetpatroon te stimuleren. Een goede plek hiervoor is op kantine van de hogeschool of universiteit, waar studenten tijdens de pauze hun lunch kunnen halen. Maar (hoe) kun je er als onderwijsinstelling voor zorgen dat studenten in de kantine verleid worden om gezonde producten te eten? Wetenschappers uit Frankrijk zochten het uit.

Foto via Unsplash

KERN
– In dit onderzoek werd getest of studenten meer groente eten na het zien van een bericht waarin wordt beschreven welk gedrag vaak voorkomt onder medestudenten. In dit onderzoek is dat gedrag het eten van groente. Dit wordt een “sociale norm” genoemd.
– Het blootstellen van studenten aan een dergelijk bericht met een sociale norm kan invloed hebben op hun groenteconsumptie.
– Zo voorkomt het blootstellen aan een bericht met een sociale norm dat studenten minder frequent groente gaan consumeren.
– Ook zorgt de blootstelling aan het bericht met een sociale norm voor een (tijdelijke) toename in de hoeveelheid groente die studenten consumeren.

ONDERZOEKSMETHODE
In dit onderzoek namen studenten deel van een universiteit in Frankrijk. Het onderzoek vond plaats in twee grotere universiteitskantines. In het eerste deel van het onderzoek werd één kantine willekeurig geselecteerd om een bericht met een “sociale norm” te tonen die de groenteconsumptie stimuleert. In een dergelijk “sociale norm” bericht wordt beschreven welk gedrag vaak voorkomt onder medestudenten, in dit geval dus het eten van groente. Meer specifiek kregen studenten in de kantine van de interventie-conditie het volgende bericht te zien: “De meeste studenten hier kiezen ervoor om groente te eten tijdens de lunch”, terwijl in de andere kantine een neutraal bericht werd getoond (controle-conditie; “De meeste studenten maken hier hun dienblad schoon na de lunch”). Deze berichten stonden op posters die op verschillende plekken in de kantine werden opgehangen. Drie weken lang werd er voor drie dagen tijdens lunchtijd in de twee kantines geobserveerd wat er werd gekocht en hoeveel procent van het bord bestond uit groente. De observatie vond plaats in drie stadia: de week voorafgaand aan het bericht (pre-interventie); de week waarin het bericht werd getoond (interventie); en een week na het tonen van het bericht (post-interventie). Na deze drie weken werden de twee berichten omgewisseld tussen de twee kantines en ging een nieuwe observatieperiode van drie weken van start. In totaal werden er 12.994 geobserveerde maaltijden gecodeerd. Het onderzoek vond vóór de coronacrisis plaats. 

VONDSTEN
– De frequentie van de groenteconsumptie van studenten in de interventie-conditie bleef gelijk tijdens de interventie-week, terwijl dit voor studenten in de controle-conditie met 17% afnam.
– Wat betreft de hoeveelheid groente die studenten consumeerden, werd er een toename tijdens de interventie-week waargenomen voor studenten in de interventie-conditie. Meer specifiek was de hoeveelheid groente 1.56 keer groter tijdens de interventie-week dan in de pre-interventie week. Deze toename werd niet gevonden voor de studenten in de controle-conditie. 
– De toename van de hoeveelheid groente was niet meer zichtbaar in de post-interventie week voor studenten in de interventie-conditie.

DETAILS
Guichard, E., Autin, F., Croizet, J. C., & Jouffre, S. (2021). Increasing vegetables purchase with a descriptive-norm message: A cluster randomized controlled intervention in two university canteens. Appetite, 167, 105624. doi: https://doi.org/10.1016/j.appet.2021.105624

Deze sci-fly werd geschreven door Nina van den Broek (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Corona-gerelateerde stress en roken

Ruim de helft van de rokers geeft aan stress te ervaren door de coronacrisis. Veel rokers geven daarbij aan dat zij door deze stress meer zijn gaan roken.1 Volgens het Trimbos instituut gaven rokers tijdens de eerste golf aan vooral uit verveling meer te zijn gaan roken, nu blijkt dat stress een belangrijke factor is.1

Hoewel recent onderzoek uitwijst dat rokers verschillend op de coronacrisis reageren; bijna een kwart (24%) van de mensen die roken geeft aan dat zij door de coronacrisis meer zijn gaan roken en 16% geeft aan juist minder te zijn gaan roken1, worden er  weinig verklaringen gegeven waarom sommige rokers juist meer zijn gaan roken en anderen juist minder zijn gaan roken.2 Een verklaring hiervoor kan zijn dat dit beïnvloed wordt door coronacrisis-specifieke stress.3 Terwijl verveling, de beperking qua lichaamsbeweging en thuiswerken juist aansporen tot meer roken4, zijn de angst om corona te krijgen en hier erg ziek van te worden juist aanleiding om minder te roken.5 Er zijn ook rokers die door de vermindering aan sociale activiteiten door de lockdowns en crisis minder zijn gaan roken, dit zijn rokers die vooral roken op sociale gelegenheden, met vrienden of op een feestje.2 In Engeland verschijnen alarmerende berichten dat er grote toenames zijn in het aantal mensen dat is begonnen met roken tijdens de eerste lockdown. Vooral jongvolwassen, in lager sociaaleconomische groepen, zouden zijn begonnen met roken tijdens de eerste lockdown als gevolg van sociale isolatie en stress.6 Deze groep heeft ook te maken met financiële consequenties door de coronacrisis, wat zich kan uiten in meer stress. Meer gaan roken tijdens lockdowns werd ook geassocieerd met psychische klachten, zoals angst en depressieve klachten, vermindering van slaap, en een mindere kwaliteit van leven.7 Rokers met psychische klachten lijken extra kwetsbaar voor corona-relateerde stress wat zich uit hun rookgedrag. 

Terwijl de versoepelingen gunstige effecten hebben op eenzaamheid, sociale isolatie en verveling, zal het lastiger zijn om de slechte gewoonten te verbreken die tijdens de langere periodes van lockdowns ontwikkeld zijn. Deze gegevens benadrukken hoe belangrijk het is om stoppen met roken te faciliteren, al dan niet met publieke campagnes gericht op roken en omgaan met stress tijdens de coronacrisis. 

Deze blog werd geschreven door Maaike Koning (Hogeschool Windesheim en Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Trimbos (2021). Door stress tijdens de corona crisis roken rokers meer. Verkregen via: https://www.trimbos.nl/actueel/nieuws/bericht/door-stress-tijdens-de-coronacrisis-roken-rokers-meer
2. Bommelé, J., Hopman, P., Walters, B. H., Geboers, C., Croes, E., Fong, G. T., … & Willemsen, M. (2020). The double-edged relationship between COVID-19 stress and smoking: Implications for smoking cessation. Tobacco Induced Diseases18, 63.
3. Stanton, R., To, Q. G., Khalesi, S., Williams, S. L., Alley, S. J., Thwaite, T. L., … & Vandelanotte, C. (2020). Depression, anxiety and stress during COVID-19: associations with changes in physical activity, sleep, tobacco and alcohol use in Australian adults. International Journal of Environmental Research and Public Health17, 4065.
4. Sidor, A., & Rzymski, P. (2020). Dietary choices and habits during COVID-19 lockdown: Experience from Poland. Nutrients12, 1657.
5. Yach, D. (2020). Tobacco use patterns in five countries during the COVID-19 lockdown. Nicotine & Tobacco Research, 22, 1671-1672.
6. Jackson, S. E., Beard, E., Angus, C., Field, M., & Brown, J. (2021). Moderators of changes in smoking, drinking, and quitting behaviour associated with the first Covid-19 lockdown in England. Addiction.
7. Carreras, G., Lugo, A., Stival, C., Amerio, A., Odone, A., Pacifici, R., … & Gorini, G. (2021). Impact of COVID-19 lockdown on smoking consumption in a large representative sample of Italian adults. Tobacco Control

Sci-fly: COVID 19 related stress in parents: food parenting practices and child snack intake during the COVID-19 pandemic

Around the globe the corona (COVID-19) pandemic has caused unprecedented changes to the lives of many families. The majority of children and parents were forced to stay at home for a prolonged time due to mandatory lockdowns with consequent closure of non-essential businesses, kindergartens and schools, and cancellation of out-of-home leisure time activities and social gatherings. Furthermore, parents were deprived of resources (e.g. daycare, public libraries) and support systems (i.e. from family members, friends, school or other institutions), and were required to combine work (from home), childcare, and home schooling. Parents have thus experienced particular pressures during the pandemic due to disruption of habits and daily routines of work and life.

Previous research shows that stress can impact parents’ food parenting practices. Food parenting practices are active techniques or behaviors used by parents to influence a child’s food intake. Parents who report more stress may use more coercive practices that are less responsive to children’s hunger and satiety cues. Stressed parents may also be more likely to use food or snacks as coping strategies to manage children’s behavior or emotions.

CORE
Parents experienced increased levels of stress during the COVID-19 pandemic, and this stress was associated with the way they interacted with their children around food. Specifically, parents reporting higher pandemic-associated stress reported more efforts to plan and create routines around meals or snacks (structure), and more positive interactions in terms of eating and engaging with their children around mealtime (autonomy support) but also more use of food to manage their children’s emotions (coercive). When parents reported greater pandemic-associated stress, children’s intake of sweet and savory snacks was higher and was associated with snack parenting practices. To protect children’s nutritional health during the pandemic, guidance for parents is therefore warranted,. A limitation of the study was that the findings may be less applicable to racial and ethnic minorities of low SES families living in different geographic regions, seeing as the sample was weighted towards wealthier, more educated families (mostly college graduates), and the majority of respondents were white.

RESEARCH METHODS
What has been researched?
– The first aim was to briefly characterize parents’ food parenting practices (i.e. positive mealtime practices, general feeding practices and snack parenting practices) during the COVID-19 pandemic and current stress (COVID-19 specific and financial stress) experienced by parents due to the pandemic.
– The second aim was to investigate relationships between measures of food parenting practices and parents’ COVID-19-specific stress. 
– The third aim was to test whether effects of parents’ COVID-19-specific stress on frequency of children’s snack food intake could be partially explained by snack parenting practices.

Who participated in the research?
318 parents of 2-12 year old children from the USA. 

How was the research conducted?
Parents (N = 318) of 2–12-year old children completed a cross-sectional online survey assessing current COVID-19-specific stress, pre-COVID-19 stress, financial stress (e.g. food insecurity), food parenting practices, and child snack intake frequency. Structural Equation Modeling was used to model simultaneous paths of relationships and test direct and indirect effects.

FINDINGS
1. Stress, including financial hardship, was higher compared with before the crisis. 
2. The majority of children had regular mealtimes and irregular snack times. 
3. Higher COVID-19-specific stress was associated with more structure and positive interactions (e.g. eating with or engaging with child around mealtimes) but also more non-nutritive use of food and snacks (e.g. emotional and instrumental feeding).
4. Higher COVID-19-specific stress was also associated with greater child intake frequency of sweet and savory snacks, with some evidence for mediation by snack parenting practices.

DETAILS
Jansen, E., Thapaliya, G., Aghababian, A., Sadler, J., Smith, K., & Carnell, S. (2021). Parental stress, food parenting practices and child snack intake during the COVID-19 pandemic. Appetite, 161, 105119. doi:10.1016/j.appet.2021.105119

This sci-fly was written by Maaike Koning (Radboud University) for RAD-blog, the blog about smoking, alcohol, drugs and diet.

Welke jongeren zijn ‘kwetsbaar’ en waarom? COVID-19 biedt inzicht…

De literatuur laat zien dat het gewicht van jongeren met name toe lijkt te nemen bij jongeren met een pre-COVID-19 ‘kwetsbaarheid’, oftewel, bij jongeren met overgewicht.1 Hetzelfde lijkt te gelden voor specifieke aspecten van de mentale gezondheid van adolescenten. Ook daar verslechteren veelal juist dié adolescenten die voorheen al tot een verhoogde risicogroep behoorden, zoals jongeren met verhoogde depressieve problematiek of ADHD.2-4 Onderzoekers proberen nu (nog) meer inzicht te verkrijgen in de vraag waarom sommige jongeren kwetsbaarder en anderen juist weerbaarder zijn tijdens de COVID-19 situatie. Laatst hoorde ik iemand zeggen: “We zijn wel klaar met het COVID-19 sociaal-emotioneel gerelateerde onderzoek en we weten wel genoeg.” Is dat zo? 

In pre-COVID-19 longitudinaal onderzoek naar de ontwikkeling van mentaal welbevinden van jongeren proberen onderzoekers vaak inzicht te verkrijgen in de causale volgorde van sociaal-emotionele relaties over tijd. De COVID-19 situatie is een groot sociaal experiment waarbij diverse belangrijke sociale voorspellers van welbevinden (tijdelijk) zijn gemanipuleerd. Als we als onderzoekers goed in kaart brengen welke (sociale) manipulaties hebben plaatsgevonden, dan biedt deze periode van onderzoek dus een unieke context voor sociaal-emotioneel onderzoek, met ook implicaties voor het post-COVID-19 tijdperk.

Uit COVID-19 onderzoek tot nu toe blijkt dat ouders een belangrijke rol spelen in het emotioneel welbevinden van hun adolescente kinderen. Zo zijn bijvoorbeeld meer conflicten met ouders en minder steun factoren die vooraf gaan aan een toename in mentale problematiek bij jongeren tijdens de COVID-19 situatie, terwijl positieve ouder-kind discussies mentaal welbevinden juist lijken te bevorderen.5,6 Het is belangrijk om te begrijpen wat er tijdens dergelijke ouder-kind interacties precies plaatsvindt en hoe we hier beter op kunnen ingrijpen. De ‘Experience Sampling Method’ (ESM) is een intensieve longitudinale data verzameling techniek die hier meer inzicht in kan geven doordat ouders en kinderen veelvuldig op meerdere momenten per dag korte vragen (per app) invullen. Daarom starten we binnenkort binnen het ‘G(V)OED voor elkaar’ onderzoeksproject met een ESM studie.

Zijn we dus klaar met het sociaal-emotioneel gerelateerde COVID-19 onderzoek? Ik denk van niet. We kunnen nog veel van deze periode leren. Zeker ook over bijvoorbeeld het functioneren en welbevinden van jongeren met overgewicht die zoals eerder benoemd een groter risico lopen op meer gewichtstoename ten gevolge van COVID-19 en daardoor vermoedelijk weer een toename in mentale problematiek zullen ervaren.7 Het is belangrijk is dat we meer inzicht krijgen in hoe we deze jongeren kunnen helpen. Ook hier kan COVID-gerelateerd onderzoek meer inzicht geven in de rol van ouders en de thuiscontext. Deze inzichten zijn belangrijk omdat ze de basis kunnen vormen voor de verdere ontwikkeling van creatieve en gepersonaliseerde interventies die meer oog hebben voor vermoedelijk veelal onbewuste en automatische patronen binnen de (sociale) gezinscontext.

Deze blog werd geschreven door Junilla Larsen (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Khan MA, Menon P, Govender R, Samra A, Nauman J, Ostlundh L, Mustafa H, Allaham KK, Smith JE, Al Kaabi JM: Systematic review of the effects of pandemic confinements on body weight and their determinants. Brit J Nutr 2021:1-74.
2. Singh S, Roy MD, Sinha CPTMK, Parveen CPTMS, Sharma CPTG, Joshi CPTG: Impact of COVID-19 and lockdown on mental health of children and adolescents: A narrative review with recommendations. Psychiatry Res 2020:113429.
3. Bendau A, Kunas SL, Wyka S, Petzold MB, Plag J, Asselmann E, Ströhle A: Longitudinal changes of anxiety and depressive symptoms during the COVID-19 pandemic in Germany: The role of pre-existing anxiety, depressive, and other mental disorders. Journal of anxiety disorders 2021, 79:102377.
4. Breaux R, Dvorsky MR, Marsh NP, Green CD, Cash AR, Shroff DM, Buchen N, Langberg JM, Becker SP: Prospective impact of COVID‐19 on mental health functioning in adolescents with and without ADHD: protective role of emotion regulation abilities. J Child Psychol Psychiatry 2021.
5. Jones EA, Mitra AK, Bhuiyan AR: Impact of COVID-19 on Mental Health in Adolescents: A Systematic Review. Int J Environ Res Public Health 2021, 18(5):2470.
6. Magson NR, Freeman JY, Rapee RM, Richardson CE, Oar EL, Fardouly J: Risk and protective factors for prospective changes in adolescent mental health during the COVID-19 pandemic. J Youth Adolesc 2021, 50(1):44-57.
7.  Van den Broek N, Treur JL, Larsen JK, Verhagen M, Verweij KJ, Vink JM: Causal associations between body mass index and mental health: a Mendelian randomisation study. J Epidemiol Community Health 2018, 72(8):708-710.

Beste student: Blijf jij rookvrij op 31 mei?

Op 31 mei is het Wereld Niet Roken Dag. Deze dag is in 1987 door de World Health Organization in het leven geroepen om aandacht te schenken aan de gevaren van roken.1 Wereldwijd worden rokers aangemoedigd om (ten minste één dag) te stoppen met roken.2 Inmiddels zijn we 34 jaar verder en kunnen we deze dag nog niet afschaffen. Roken is nog steeds doodsoorzaak nummer 1 als je kijkt naar vermijdbare risico’s. Zware rokers verliezen gemiddeld 13 levensjaren, matige rokers 9 en lichtere rokers 5.3

In onderzoek naar roken gaat er niet vaak aandacht uit naar studenten. Maar juist nu, tijdens de coronacrisis, lijkt dit wel extra belangrijk. Om een indruk te geven van de cijfers heb ik gebruik gemaakt van een dataset die in het kader van een Internationale studie4 in mei 2020 verzameld is bij studenten van Nederlandse universiteiten en HBOs.a

Hoeveel studenten roken er eigenlijk?
Voor de coronacrisis rookte zo’n 12,1% van de studenten wekelijks (5,6%) of dagelijks (6,5%). Dat is 1 op de 8 studenten. Tijdens de eerste lockdown in mei 2020 rapporteert 11,6% van de studenten wekelijks (4,2%) of dagelijks (7,5%) te roken. 

Als we de situatie voor en tijdens de lockdown vergelijken dan blijkt dat 2,7% van de studenten  gestopt is met roken in de eerste lockdown, terwijl 2,3% aangeeft juist begonnen te zijn. Daarnaast was 9,4% van de studenten zowel voor als tijdens de corona crisis een roker en de rest (85,6%) een niet-roker. Het onderscheid in deze subgroepen is belangrijk. Voorlopige analyses laten namelijk zien dat juist de studenten die begonnen zijn met roken én de studenten die zijn blijven roken rapporteren dat hun werkdruk is toegenomen tijdens de coronacrisis, dat ze meer financiële zorgen hadden en dat ze meer verveeld waren dan andere (niet-rokende) studenten (zie figuur en voetnoot b). 

Zijn rokende studenten door de coronacrisis méér gaan roken?
Het antwoord is: ja. De studenten rookten voor de coronacrisis gemiddeld 6,7 sigaret per dag, en tijdens de eerste lockdown was dat 8,0 sigaret per dag.c Ongeveer 40% van de rokende studenten is evenveel blijven roken (-1 tot +1 sigaret per dag) terwijl 43,7% meer is gaan roken. Deze laatste groep is gemiddeld 5 sigaretten per dag meer gaan roken (van 6,3 naar 11,3).

Het Trimbos instituut concludeerde op basis van hun leefstijlmonitor: “mensen die blijven roken tijdens de coronacrisis, roken meer”.5 Uit ons onderzoek blijkt dat dit ook geldt voor studenten. Verder liet het Trimbos onderzoek zien dat rokers tijdens de coronacrisis vooral meer roken uit verveling of door stress.5 Dit lijkt ook van toepassing te zijn voor studenten. 

Stoppen met roken levert op elke leeftijd nog gezondheidswinst op. Ex-rokers die vóór hun 35e stoppen, hebben dezelfde levensverwachting als levenslange niet-rokers. Voor veel mensen is stoppen met roken een grote en moeilijke stap, maar misschien lukt het om te beginnen met 1 dag niet roken? Daarom mijn oproep voor studenten, en ook voor iedereen die geen student is: blijf jij 31 mei rookvrij? Al binnen 1 dag zijn er merkbare effecten (zie figuur). Kijk voor tips op https://www.ikstopnu.nl/31-mei-wereld-niet-roken-dag/

Deze blog werd geschreven door Jacqueline Vink (hoogleraar bij het Behavioural Science Institute, RU) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet. 

Met dank aan
De Nederlandse instellingen die mee hebben gedaan (met tussen haakjes de contactpersonen): Radboud Universiteit (Ellen Verbakel, Jacqueline Vink), In Holland (Rutger Kappe), Universiteit van Amsterdam (Claudia van der Heijde, Peter Vonk), Universiteit Maastricht (Anke Oenema), Wageningen Universiteit (Door van der Sloot), Universiteit Groningen, en nog een aantal onderwijsinstellingen met < 50 deelnemers.

Voetnoten
Er is een selectie gemaakt van studenten tussen de 17 en 28 jaar die de vragenlijst tot het einde afgemaakt hebben (N=10,600; gemiddelde leeftijd 21,8 jaar (SD 2,4); 29,0% man, 70,2% vrouw, 0,7% anders). Voor meer info over de dataset of over deze resultaten, mail naar: jacqueline.vink@ru.nl
Werkdruk: werkdruk studie toegenomen sinds coronacrisis? (1=sterk mee oneens, 5=sterk mee eens); Financiën: voldoende financiële middelen tijdens de coronacrisis? (1=sterk mee eens, 5=sterk mee oneens); Verveeld: Mei 2020 (dus tijdens eerste lockdown): geef aan hoe vaak je je in de afgelopen week verveeld voelde (1=(bijna) niet, 4=(bijna) altijd).
c Aantal sigaretten is gerapporteerd in een subsample van de rokende studenten, bij 1 van de onderwijsinstellingen is het aantal sigaretten niet uitgevraagd.

Referenties
1. World no tobacco day. https://nl.wikipedia.org/wiki/Werelddag_zonder_tabak
2. In Nederland: https://www.ikstopnu.nl/31-mei-wereld-niet-roken-dag/
3. Carin M.M. Reep-van den Bergh, Peter P.M. Harteloh en Esther A. Croes. Doodsoorzaak nr. 1 bij jonge Nederlanders: de sigaret. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 2017;161: D1991
4. COVID-19 international student wellbeing study: https://www.uantwerpen.be/en/research-groups/centre-population-family-health/research2/covid-19-internation/
5. Door stress tijdens de coronacrisis roken rokers meer. Contactpersoon Marc Willemsen. https://www.trimbos.nl/actueel/nieuws/bericht/door-stress-tijdens-de-coronacrisis-roken-rokers-meer

Reuk- en smaakverlies door het coronavirus: Wat is de impact op ons eetgedrag?

Een veelvoorkomend symptoom van het coronavirus is het verlies van reuk en smaak1. Bij de meesten verbetert dit gelukkig binnen twee weken2, maar een klein deel ruikt en proeft zelfs maanden later nog steeds niks. Reuk en smaak dragen bij aan de eetbeleving. Zo kan het ruiken van een bepaald product de eetlust hiervoor opwekken. Denk bijvoorbeeld aan de geur van versgebakken brood of een appeltaart die net uit de oven komt. Het proeven van smaken draagt bij aan je gevoel van verzadiging. Daarnaast hebben reuk en smaak een belangrijke waarschuwingsfunctie, bijvoorbeeld voor het herkennen van verbrand en bedorven voedsel, vuur en rook, of een gaslucht.3 Wanneer je reuk- en smaakvermogen na een coronabesmetting dan opeens weg zijn, hoe kan dit dan je eetgedrag en -beleving beïnvloeden?

Onderzoek onder ex-coronapatiënten met reuk- en/of smaakverlies laat zien dat zo’n 85% van de ondervraagden het gevoel had minder te kunnen genieten van eten, en dat bij 55-65% de eetlust was afgenomen. Ook gaf meer dan de helft aan dat ze het gevoel hebben meer risico’s te lopen, waarbij vooral het niet herkennen van rook of vuur werd gezien als een groter gevaar. De impact van het niet kunnen ruiken en proeven was volgens de deelnemers zelfs veel breder dan alleen eetgedrag. Het merendeel van de had het gevoel dat hun algehele kwaliteit van leven hierdoor was afgenomen.4,5  

Daarnaast is het aannemelijk dat iemands eetgewoonten veranderen wanneer reuk- en smaakverlies door het coronavirus lang aanhoudt.6 Zo zou het verlies in plezier aan eten en het bereiden daarvan er mogelijk voor kunnen zorgen dat iemand minder gaat eten en daardoor afvalt. Een ander risico is dat iemand juist vaker kiest voor een (vaak ongezondere) kant-en-klaar maaltijd, wat weer kan leiden tot gewichtstoename. Daarnaast zou men ook minder kunnen genieten van gelegenheden die vaak in het teken staan van eten, zoals bijvoorbeeld Kerstmis of verjaardagen.7 Ondervoeding en gewichtsverandering zouden dus op de loer kunnen liggen, al zijn deze langdurige gevolgen nog niet wetenschappelijk onderzocht onder ex-coronapatiënten.

Al met al kan (langdurig) reuk- en smaakverlies door het coronavirus een grote impact hebben op iemands leven. Onderzoek hiernaar staat echter nog in de kinderschoenen. Er is dan ook veel wat we nog niet weten. Wil jij een bijdrage leveren? Doe dan mee aan het onderzoek van het Global Consortium for Chemosensory Research (GCCR). Door meer kennis te vergaren gaan we het steeds beter begrijpen, waardoor het hopelijk ook beter behandeld kan worden.

Deze blog werd geschreven door Desi Beckers (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken alcohol drugs en dieet.

Referenties
1. Ibekwe, T. S., Fasunla, A. J. & Orimadegun, A. E. (2020). Systematic review and meta-analysis of smell and taste disorders in COVID-19. OTO Open, 4(3). doi:10.1177/2473974X20957975
2. Santos, R. E. A., da Silva, M. G., do Monte Silva, M. C. B., Barbosa, D. A. M., do Vale Gomes, A. L., Galindo, L. C. M., da Silva Aragão, R., & Ferraz-Pereira, K. N. (2021).Onset and duration of symptoms of loss of smell/taste in patients with COVID-19: A systematic review. American Journal of Otolaryngology, 42(2). doi:10.1016/j.amjoto.2020.102889
3. Boesveldt, S. & de Graaf, K. (2017). The differential role of smell and taste for eating behavior. Perception, 46(3-4). doi:10.1177/0301006616685576
4. Elkholi, S. M. A., Abdelwahab, M. K., & Abdelhafeez, M. (2021). Impact of the smell loss on the quality of life and adopted coping strategies in COVID-19 patients. Rhinology. doi:10.1007/s00405-020-06575-7
5. Coehlo, D. H., Reiter, E. R., Budd, S. G., Shin, Y., Kons, Z. A., Costanzo, R.M. (2021). Quality of life and safety impact of COVID-19 associated smell and taste disturbances. American Journal of Otolaryngology, 42(4). doi:10.1016/j.amjoto.2021.103001
6. Risso, D., Drayna, D., Morini, G. (2020). Alterations, reduction and taste loss: main causes and potential implications on dietary habits. Nutrients, 12(11). doi:10.3390/nu12113284
7. Erskine, S .E., & Philpott, C. M. (2019). An unmet need: Patients with smell and taste disorders. Clinical Otolaryngology, 45(2), 197-203

Sci-fly: From single to married life in one step? How romantic relationship progression affects alcohol use in young adults

Navigating the 20s can be quite demanding. Emerging adults engage in new responsibilities, such as beginning a career path, establishing romantic relationships and building a family. More duties will most likely imply settling down and reducing “party animal” moments. Research has shown that these prototypical role transitions may be incompatible with (problem) alcohol use. One challenging transition, and the focus of this sci-fly, is establishing a romantic relationship. Traditionally, research focused on the presence or absence of certain relationship milestones, such as marriage, as an important influence for reducing alcohol use. But, is this really capturing the rapid changes and evolution of the romantic relationships of young adults? Also, are romantic relationships affecting alcohol use, or are alcohol problems affecting the progression of these relationships? Two scientist from the US came up with a new way to look into a classic topic – providing interesting insights!

CORE
Most research about normative decline in alcohol use and romantic relationship role changes focused on big transitions (from single to married) happening over several years. This study included more subtle, year-to-year, changes in romantic relationships progression (i.e. from single, dating, committed, to long-term relationships) to examine associations with problematic drinking in the transition out of university. The researchers provided a more detailed picture, as it was found that getting into a deeper commitment, and not necessarily getting married, was related to less problematic alcohol use. The findings did not depend on being graduated. In addition, the opposite relation was not found: alcohol problems did not seem to affect relationship progression. Future studies should also consider the partners’ report as well as include a population with more problematic alcohol use, and different educational backgrounds. Finally, this study did not ask about the composition of the couples (e.g. same or other-sex couples). This may limit generalization of the findings. 

RESEARCH METHODS

What has been researched?

  • Does progressing in romantic relationship roles (e.g. going from single to dating and from dating to seriously committed – but not yet marriage) predict less problematic alcohol involvement?
  • Does problematic alcohol use predict less progress in the above mentioned romantic relationship transitions? 
  • How does leaving college affect these associations? (exploratory question)

Who participated in the research?

  • 404 students from a public northeastern university in the USA. 
  • The students were in their fourth, fifth and sixth year since university enrollment and the majority were female (63%). 
  • Participants started the study with a mean age of 21.10.

How was the research conducted?

  • This study was part of a bigger research on post-traumatic stress and substance use in college students. Only the last two years of data collection were included.
  • Problem alcohol use was measured at three time points by using several self-report measures, including alcohol-related consequences, alcohol abuse symptoms and alcohol dependence symptoms. 
  • For relationship transitions, participants were asked about their romantic relationship involvement: (1) not involved in a romantic relationship, (2) in a casual romantic relationship, (3) in a serious/committed relationship, (4) engaged or married or in a long-term committed monogamous relationship. Relationship changes were compared from Year 1 to 2, and from year 2 to 3, and collapsed into three transitions: increased romantic involvement, stable involvement, decreased involvement.  
  • Graduation status was measured using a single item with several response categories regarding education status. Participants were considered graduated if they picked the “graduated” subcategory or if they were “graduate students or other post-bachelor’s students”.

FINDINGS

  1. Most individuals progressed in their relationship “step-by-step” (e.g. from a more casual to committed relationship). Only 19% of the transitions reflected big changes (e.g. married or divorced). Those who got more involved in their relationship had fewer alcohol problems by the next year than those who were less romantically involved than before in this period. This was true from the first to the second year of the study, as well as from the second to the third year.
  2. Alcohol problems did not predict whether individuals increased or decreased in their romantic involvement. The relationship was absent for each year comparison. 
  3. Being graduated (or not) did not influence the findings.

DETAILS
Egerton, G. A., & Read, J. P. (2019). Relationship role transitions and problem alcohol use in emerging adulthood. Emerging Adulthood7(4), 291-303.

This sci-fly was written by Milagros Rubio (Radboud University) for RAD-blog, the blog about smoking, alcohol, drugs and diet.

Van ‘gezellig’ gebruik naar thuis trippen?

Afgelopen weekend belandden zeven jongeren uit een studentenhuis in Nijmegen in het ziekenhuis als gevolg van een ‘slechte trip’ na het gebruik van een roze pil met Tesla-logo1. Zou dit ook gebeurd zijn als deze studenten niet opgehokt zaten door de avondklok? Studentenblad Vox uitte vorige maand haar zorgen over een kleine groep van recreatieve drugsgebruikende studenten die tijdens de coronacrisis meer drugs is gaan gebruiken2. Hoe is het drugsgebruik bij jongvolwassenen veranderd ten tijde van de coronacrisis? 

Door de coronamaatregelen staat onze mentale gezondheid onder druk. Discotheken en kroegen zijn al tijden gesloten en ook de festivals gaan aan onze neus voorbij. Tel daarbij op dat er weinig mogelijkheden zijn om samen te eten, te sporten of een borrel te drinken en je kunt je voorstellen dat jongvolwassenen zich geïsoleerd of eenzaam voelen. Amerikaans onderzoek tijdens de eerste lockdown (april – mei 2020) wees uit dat 1008 ondervraagde jongvolwassenen in grote mate last hadden van eenzaamheid (49%), depressieve symptomen (80%) en/of angstsymptomen (61%)3. Een belangrijke bevinding van de auteurs was dat een grotere mate van eenzaamheid samenhing met meer depressieve en angstsymptomen. Daarnaast ging een grotere mate van angstsymptomen gepaard met problematischer gebruik van drugs. 

Afbeelding van www.unsplash.com

Ook in Nederland werd grootschalig onderzoek gedaan naar veranderingen in middelengebruik door de coronacrisis. Het Trimbos Instituut publiceerde twee factsheets over onder andere het drugsgebruik tijdens de eerste lockdown (maart – mei 2020)4 en tijdens de eerste versoepelingen (juni – september 2020)5. Er werden zowel toe- als afnames gevonden in drugsgebruik, met daarbij verschillen tussen middelen en in locatie van gebruik. Als er een verandering plaatsvond in de frequentie en/of hoeveelheid van recreatief drugsgebruik tijdens de eerste lockdown4, dan was dit veelal: 
– Meer en/of vaker gebruik van bewustzijnsveranderende middelen zoals cannabis, 2-CB en truffels
– Minder en/of minder vaak gebruik van stimulerende middelen zoals cocaïne, ecstasy en amfetamine

Tijdens de eerste versoepelingen werden met name amfetamine, cocaïne en cannabis vaker (+40%) gebruikt5. De meestgenoemde redenen om vaker of meer drugs te gebruiken waren verveling (71%), niet uit (kunnen) gaan (54%) en/of nieuwsgierig naar nieuwe ervaringen (30%)4. Redenen om juist minder vaak of minder veel drugs te gebruiken waren met name niet uit (kunnen) gaan (80%), vrienden niet of minder zien (74%) en fysieke (26%) en/of mentale gezondheid (26%). 

Bovenstaande onderzoeksresultaten geven een beeld van de verschuivingen in drugsgebruik onder jongvolwassenen tijdens de eerste lockdown en de eerste versoepelingen. Gezien de strengere maatregelen en langere duur van de tweede lockdown is het mogelijk dat het drugsgebruik onder jongvolwassenen verder of anders is verschoven. Hoewel de coronacrisis enerzijds zorgt voor een afname in sociale situaties waarin jongvolwassenen doorgaans starten met drugsgebruik, waarschuwen onderzoekers anderzijds voor een verhoogde aanwezigheid van risicofactoren voor verslaving6. Op de lange termijn kunnen stress, sociale isolatie en verveling ten gevolge van de coronacrisis bijdragen aan het ontwikkelen van een verslaving. 

Helaas is de vraag of de zeven Nijmeegse jongeren ook in het ziekenhuis waren beland als we geen coronamaatregelen hadden niet eenvoudig te beantwoorden. Maar als er geen avondklok was geweest en deze jongeren weer uit konden gaan zoals voorheen, dan hadden ze misschien geen drugs genomen of waren ze zo slim geweest om de drug vooraf te laten testen bij een van de drugstestservices van het Trimbos Instituut. Hier kun je gratis en anoniem drugs laten testen, zie www.drugs-test.nl.  

Deze blog werd geschreven door Pauline Geuijen (Radboudumc) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet. 

Referenties

  1. Van Wijngaarden, L. (10 april 2021). Zeven jongeren naar ziekenhuis na slechte trip door drugs: ‘Ze leken compleet te flippen’, in: Gelderlander. Geraadpleegd via https://www.gelderlander.nl/nijmegen/zeven-jongeren-naar-ziekenhuis-na-slechte-trip-door-drugs-ze-leken-compleet-te-flippen~a9b35c1b/
  2. Noij, M., & Van Pelt, S. (3 maart 2021). Studenten nemen minder drugs en drank tijdens corona, maar ‘zorgelijke’ subgroep gebruikt meer, in: Vox Magazine. Geraadpleegd via https://www.voxweb.nl/nieuws/studenten-nemen-minder-drugs-en-drank-tijdens-corona-maar-zorgelijke-subgroep-gebruikt-meer  
  3. Horigian, V.E., Schmidt, R.D., & Feaster, D.J. (2021). Loneliness, Mental Health, and Substance Use among US Young Adults during COVID-19. Journal of Psychoactive Drugs, 53, 1-9. doi: 10.1080/02791072.2020
  4. Van Miltenburg, C.J.A., Van Laar, M.W., & Van Beek, R. (2020). Factsheet: De impact van COVID-19 en de coronamaatregelen op alcohol-, tabak- en drugsgebruik onder uitgaanders. Trimbos-instituut.
  5. Van Beek, R. J. J., van Miltenburg, C. J. A., Blankers, M., & Van Laar, M. (2021). Factsheet: Uitgaansgedrag en middelengebruik tijdens de coronapandemie. Trimbos-instituut.
  6. Sarvey, D., & Welsh, J.W. (2021). Adolescent substance use: Challenges and opportunities related to COVID-19. Journal of Substance Abuse Treatment, 122, 108212. doi: 10.1016/j.jsat.2020.108212

Hoe veranderen de sociale relaties en het mentaal welbevinden bij jongeren door de coronacrisis?

Het “G(V)OED voor elkaar corona-onderzoek”
“De coronacrisis is extra zwaar voor pubers: ‘Ze mogen niks’” kopt het Parool op 6 mei 2020.1 En inderdaad, de maatregelen die tijdens de coronacrisis worden genomen, hebben grote invloed op jongeren die zich in een unieke, zeer kritieke periode in hun ontwikkeling (lichamelijk, sociaal en mentaal) bevinden. Onder andere vanwege social distancing, het tijdelijk sluiten van de middelbare scholen en het inperken van de vrijetijdsbesteding kunnen essentiële ontwikkelingstaken (zoals het maken en behouden van vriendschappen2) beperkter tot uitvoer worden gebracht. Jongeren zijn als gevolg van de maatregelen meer aangewezen op de gezinssituatie en hebben minder mogelijkheden voor (offline) contact met hun leeftijdgenoten. De coronacrisis kan daarom ook wel gezien worden als een sociaal experiment. Het is echter nog onbekend wat de korte- en langere-termijn effecten zijn van dit “experiment” op het leven van jongeren en dat van hun ouders. 

Het is cruciaal om te onderzoeken wat de invloed van de coronacrisis is op de dynamiek binnen sociale relaties, en hoe deze sociale dynamiek vervolgens het mentaal welbevinden (denk aan gevoelens van depressie, eenzaamheid en stress) van jongeren bepaalt. Meer specifiek is het van belang om te onderzoeken welke jongeren negatieve effecten ondervinden (door bijvoorbeeld stress thuis, een slechte relatie met ouders of veranderende relaties met vrienden), en welke jongeren juist positieve effecten ervaren (door bijvoorbeeld intensivering van de goede relatie met ouders of het beperken van problematisch contact met klasgenoten). In een nieuw onderzoek, genaamd het “G(V)OED voor elkaar corona-onderzoek”, gaan wij in kaart brengen wat de gevolgen van de coronacrisis zijn op de sociale relaties (met ouders en vrienden), en wat de impact hiervan is op het mentaal welbevinden van (kwetsbare) jongeren. Op deze manier biedt dit onderzoek belangrijk inzichten in of – èn hoe – sociale systemen betrokken kunnen worden in de preventie en verbetering van mentale problematiek bij jongeren (als gevolg van de coronacrisis). 

Ons longitudinale “G(V)OED voor elkaar!” onderzoeksproject3, waarin wij de afgelopen jaren op drie momenten gegevens hebben verzameld over de sociale, mentale en fysieke ontwikkeling van jongeren en hun ouders, dient als de basis. De vierde en laatste onderzoeksmeting stond gepland voor het voorjaar van 2020, maar is uitgesteld vanwege de coronacrisis. Deze vierde onderzoeksmeting heeft daarom (online) plaatsgevonden in het najaar van 2020. Om meer inzicht te krijgen in de gevolgen van de coronacrisis breiden we het onderzoek uit met 3 online vragenlijstmetingen (onderzoeksmetingen 5, 6 en 7) in schooljaar ‘20/’21 bij jongeren en ouders. Ook zullen we een app-studie uitvoeren met verschillende korte metingen per dag gedurende een week bij een sub-groep jongeren en ouders. Zo combineren we onze gegevens van vóór de coronacrisis met gegevens tijdens en na de coronacrisis. Op dit moment worden gegevens verzamelend binnen de vijfde onderzoeksmeting. 

Nieuwe deelnemers gezocht!
Wij zoeken nog nieuwe deelnemers: jongeren (in de leeftijd van 16 tot en met 18 jaar) en een ouder uit hetzelfde gezin die willen meedoen aan ons online vragenlijstonderzoek. Meedoen betekent dat jullie 3 keer ieder een online vragenlijst invullen (in maart/april, juni en september 2021). Dit kost ongeveer een half uur per vragenlijst. Jullie ontvangen allebei voor iedere (volledig) ingevulde vragenlijst een bol.com cadeaubon van 5 euro binnen een week na het invullen. Daarnaast krijgen jullie ieder 5 euro extra als jullie alle 3 de vragenlijsten van dit onderzoek invullen. Jullie kunnen persoon dus 20 euro verdienen met het invullen van de vragenlijsten. Dat is in totaal 40 euro!


Bij vragen over het “G(V)OED voor elkaar corona-onderzoek” kunt u contact opnemen met het onderzoeksteam via goedvoorelkaar@pwo.ru.nl of via 0631132112 (WhatsApp). Bezoek ook eens onze website www.ru.nl/goedvoorelkaar! Dit project wordt mogelijk gemaakt door ZonMw.

Deze blog werd geschreven door Nina van den Broek (Radboud Universiteit, promovenda en projectleider van het “G(V)OED voor elkaar corona-onderzoek”) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties:
1. Van der Beek, H. (2020) De coronacrisis is extra zwaar voor pubers: ‘Ze mogen niks’. Het Parool, Verkregen via https://www.parool.nl/nieuws/de-coronacrisis-is-extra-zwaar-voor-pubers-ze-mogen-niks~b7ba5fc4/.
2. Hartup, W. W (1996). The company they keep: Friendships and their developmental significance. Child Development, 67, 1–13.
3. Van den Broek, N., Larsen, J. K., Verhagen, M., Burk, W. J. & Vink, J. M. (2020). Is adolescents’ food intake associated with exposure to the food intake of their mothers and best friends? Nutrients, 12, 786.

Sci-fly: Wat zegt het hebben van mentale gezondheidsproblemen over succesvol stoppen met roken?

Rokers met psychische aandoeningen gaven in eerder onderzoek aan dat ze beter om kunnen gaan met de symptomen van een psychische aandoening wanneer ze roken. Dit is opvallend, want het is bewezen dat stoppen met roken juist ook samenhangt met vermindering van de symptomen van psychische aandoeningen en de verbetering van algemeen welzijn. Bovendien is aangetoond dat depressieve rokers kunnen minderen of stoppen met roken zonder dat daarbij de symptomen van hun depressie verergeren. Het komt echter niet vaak voor dat zorgprofessionals medicatie of gedragsstrategieën gebruiken om het stoppen met roken te stimuleren bij patiënten met psychische aandoeningen, waardoor roken onder mensen met een psychische aandoening door sommigen beschouwd wordt als een “verwaarloosde epidemie”.

Afbeelding via pixabay.com.

KERN
Deze studie onderzocht de unieke rol die mentale gezondheid kan spelen binnen de relatie tussen nicotineafhankelijkheid en het doen van stoppogingen over een langere tijd. De onderzoekers bekeken de verbanden tussen symptomen van psychische aandoeningen, nicotineafhankelijkheid en a) de waarschijnlijkheid om te stoppen met roken tijdens de onderzoeksperiode, b) het doen van een stoppoging in de afgelopen 12 maanden, en c) de totale sigarettenconsumptie in de afgelopen 30 dagen. Het blijkt dat met name volwassenen met symptomen van psychische aandoeningen minder kans hebben om te kunnen stoppen met roken, deels vanwege de waarschijnlijke interactie tussen nicotineafhankelijkheid en mentale gezondheid. 

ONDERZOEKSMETHODE
WAT
In deze studie werd gekeken wat het verband is tussen psychische aandoeningen, hoge nicotineafhankelijkheid en stoppogingen om uiteindelijk meer gerichte strategieën voor tabakspreventie- en bestrijding te kunnen vormen. 

WIE
7290 Amerikaanse (jong)volwassen rokers die deelnamen aan de Population Assessment for Tobacco and Health (PATH) van 2013 tot 2018. 

HOE

De onderzoekers registreerden hoe vaak en hoeveel de participanten rookten, stoppogingen in de afgelopen 30 dagen en de afgelopen 12 maanden, nicotineafhankelijkheid, en hoe frequent en in welke mate de participanten symptomen vertoonden van psychische aandoeningen in het afgelopen jaar. Deze symptomen werden onderverdeeld in de categorieën a) symptomen van drugsmisbruik, b) internaliserende symptomen en c) externaliserende symptomen. De onderzoekers hebben er echter voor gekozen om de mensen met alleen symptomen van drugsmisbruik niet mee te nemen in hun analyses. 

VONDSTEN

  • Volwassenen met psychische symptomen die niet zo nicotineafhankelijk zijn, hadden meer kans om een ​​stoppoging te doen en om te stoppen dan degenen zonder psychische symptomen of met hoge nicotineafhankelijkheid.
  • Mensen met hoge nicotineafhankelijkheid en meer symptomen van psychische aandoeningen doen minder vaak een stoppoging en als ze een stoppoging doen, lukt het hen minder vaak om ook daadwerkelijk te stoppen. De onderzoekers geven in hun verklaring voor deze vondst aan dat mensen met een psychische aandoening zowel ernstige symptomen van hun aandoening als van nicotineontwenning ervaren, wat het stoppen of minderen met roken moeilijker maakt.
  • Internaliserende symptomen in combinatie met een hoge nicotineafhankelijkheid voorspelden meer sigarettenconsumptie.
  • Nicotineafhankelijke volwassenen met zowel internaliserende als externaliserende symptomen zullen de minste kans hebben om succesvol te stoppen met roken.      
  • Het ervaren van psychische symptomen leek minder invloed te hebben op het rookgedrag bij volwassenen die minder vaak rookten (niet-dagelijkse rokers). 

DETAILS
Snell, M., Harless, D., Shin, S., Cunningham, P., & Barnes, A. (2021). A longitudinal assessment of nicotine dependence, mental health, and attempts to quit Smoking: Evidence from waves 1–4 of the Population Assessment of Tobacco and Health (PATH) study. Addictive Behaviors, 115, 106787.

Deze sci-fly werd geschreven door Ismay de Beijer (student aan de Radboud Universiteit en stagiair bij IrisZorg) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Sci-fly: Ongezond gedrag verminderen door inzet op automatische processen? Een categorisatie van interventie technieken!

Mensen worden vaak ‘verleid’ door attractieve, maar vaak ongezonde, cues in hun omgeving. Zo kan het zien of ruiken van smakelijk voedsel bijvoorbeeld leiden tot een plotselinge hunkering naar voedsel. En deze hunkering leidt vaak tot ongeplande en ongezonde voedselconsumptie via geconditioneerde en automatische stimulus-response reacties. Er zijn verschillende interventie technieken die inspelen op deze automatische reacties om ongezonde gedragingen te voorkomen. Dit artikel deelt interventie technieken in op basis van hoe ze inspelen op deze automatische reacties. Dit is belangrijk omdat een dergelijke categorisatie van technieken een hulpmiddel kan vormen voor gezondheidsprofessionals (clinici of onderzoekers) om gerichte keuzes voor specifieke (combinaties van) technieken te maken.

Binnen het model van dit artikel (zie plaatje) worden globaal gezien twee soorten technieken onderscheiden: (1) technieken die er in eerste instantie voor zorgen dat automatische stimulus-response associaties niet of in mindere mate optreden (antecedentgerichte strategieën) versus (2) technieken die direct insteken op het veranderen van stimulus-response associaties (responsegerichte strategieën). Naast deze globale indeling, wordt eveneens een verder onderscheid aangebracht tussen twee sub-vormen van antecedentgerichte strategieën: direct en indirect. Directe antecedentgerichte strategieën hebben tot doel automatische ongewenste reacties direct te voorkomen door het vermijden van specifieke ongewenste stimulus-response associaties. Dit kan door situaties aan te passen (bijvoorbeeld door een fruitschaal op tafel te plaatsen) of door verschillende situaties te selecteren (bijvoorbeeld niet naar de supermarkt gaan als je honger hebt). Indirecte antecedentgerichte strategieën werken via het vergroten van zelfcontrole door het verplaatsen van aandacht (bijvoorbeeld aandacht schenken aan het eten van een maaltijd) of een verandering in ‘perceptie’ van situaties (bijvoorbeeld ‘mindfulness acceptatie’). Ten slotte zijn responsgerichte strategieën (zoals bijvoorbeeld ‘approach/avoidance’ training) direct gericht op het verminderen van automatische ongewenste (impulsieve) reacties.

In het artikel worden drie hypothesen besproken die praktische richtlijnen bieden voor de selectie van interventietechnieken. Ten eerste, directe antecedentgerichte strategieën werken beter voor personen die minder impulsief zijn, terwijl responsgerichte strategieën beter werken voor mensen die impulsiever zijn. Ten tweede, als directe antecedentgerichte strategieën succesvol zijn, dan zijn responsegerichte strategieën niet meer nodig. Ten derde, directe antecedentgerichte strategieën kunnen het gebruik van responsegerichte interventiestrategieën ondersteunen. Het artikel gaat vervolgens in op een aantal voorbeelden dat deze hypotheses lijkt te ondersteunen. Echter, meer onderzoek is nodig, ook naar effecten van verschillende combinaties van technieken. Zo lijken bijvoorbeeld combinaties van indirecte antecedentgerichte strategieën (zoals mindfulness) en responsgerichte strategieën gunstige effecten te bieden. Het artikel sluit af met een aantal concrete handvatten voor toekomstig onderzoek. Dit toekomstige onderzoek kan vooral belangrijke inzichten bieden voor kwetsbare doelgroepen met een lagere sociaal-economische positie (SEP), omdat zij vaak meer problemen hebben met het vertalen van intenties in gedrag. Hopelijk inspireert dit raamwerk dus toekomstig interventie onderzoek dat erop gericht is om gezondheidsverschillen tussen mensen met hogere en lagere SEP te verkleinen.

DETAILS
Larsen, J. K., & Hollands, G. J. (2021). Targeting automatic processes to reduce unhealthy behaviours: a process framework. Health Psychology Review, 1-16. https://doi.org/10.1080/17437199.2021.1876572

Deze sci-fly werd geschreven door Junilla Larsen (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Bananen, biefstuk en Libanees platbrood: Verandert ons eetgedrag tijdens de COVID-19 pandemie?

Begin januari ontving ik een jaaroverzicht van PICNIC in mijn mailbox, waar ik sinds de coronacrisis geregeld mijn boodschappen bestel. Naast wat persoonlijke feitjes over 2020 (ik hoefde 331 kilo boodschappen niet zelf te sjouwen, oftewel: het gewicht van 11.033 dwerghamsters!) bevatte de mail ook een aantal opvallende algemene statistieken. Zo bleek dat biefstuk en Libanees platbrood in 2020 4 keer vaker werden gekocht dan in het jaar ervoor. De meest gekochte producten waren na een jaar echter onveranderd gebleven: melk, komkommer en bananen vormden nog steeds de PICNIC Top 3. Dit deed me afvragen: is ons eetgedrag gedurende de coronacrisis eigenlijk veranderd?

Er zijn genoeg redenen om aan te nemen dat onze eetvoorkeuren en -patronen worden beïnvloed door de COVID-19 pandemie. Zo leiden de ingevoerde maatregelen zoals de (tijdelijke) sluiting van de horeca, scholen en kinderopvang, alsmede het thuiswerkdevies, waarschijnlijk tot een verandering in de dagelijkse routines en leefstijl.1 Mensen zijn vaker thuis, eten minder buitenshuis en hebben mogelijk meer tijd om te koken. Of juist minder tijd, in het geval van toegenomen werkdruk of zorgtaken. Daarnaast zijn verveling, stress en angst het afgelopen jaar significant toegenomen.2 Mogelijk werken deze gevoelens emotioneel eten (dat wil zeggen: eten om jezelf af te leiden, troosten of gerust te stellen) in de hand.3

Opvallend genoeg blijkt uit onderzoek in opdracht van het Voedingscentrum dat het overgrote deel van de Nederlanders (>80%) niet anders is gaan eten tijdens de eerste en de tweede coronagolf.4 Deze meest recente resultaten, die betrekking hebben op de tweede golf in november, zijn gebaseerd op een representatieve steekproef van 1265 Nederlandse volwassenen (18+). Ook andere bronnen rapporteerden dat het eetgedrag van de meeste Nederlanders gedurende de coronacrisis niet anders is dan normaal.5 Dit bevestigt maar weer dat eetgewoonten in veel gevallen bijzonder ingesleten en moeilijk te veranderen zijn.

Toch is een deel van de Nederlanders tijdens de tweede golf wel anders gaan eten: 9% at gezonder en 5% at ongezonder.4 De belangrijkste redenen om gezonder te eten waren het willen verhogen van de weerstand en het hebben van meer tijd en ruimte om bezig te zijn met gezond eten en koken. Redenen waarom ongezonder werd gegeten waren de toename in het aantal ongezonde verleidingen thuis en het aantal eetmomenten, maar ook gevoelens van stress en verveling. Verder bleek dat een deel van de Nederlanders tijdens de tweede coronagolf meer tijd nam om te eten (17%), meer groente en fruit at (17%) en zich bewuster was van zijn/haar eetgedrag (17%). Ook werd er door een deel meer snoep en snacks geconsumeerd (18%) en vaker eten besteld of afgehaald (30%). 

De Nederlanders die tijdens de tweede coronagolf het meest in hun eetgedrag waren veranderd (dus die zowel gezonder als ongezonder zijn gaan eten) waren hoogopgeleiden en jongvolwassenen onder de 30 jaar.4 Hoe dat komt is, is (nog) niet bekend. Mogelijk brengen deze resultaten groepen aan het licht die ook al voor de coronacrisis (minder) moeite hadden om gezond te eten. Jaap Seidell, hoogleraar voeding en gezondheid aan de Vrije Universiteit Amsterdam, voorspelt dat deze verschillen tijdens de COVID-19 pandemie alleen maar groter worden.5 Dit is in lijn met resultaten uit Deens onderzoek, die laten zien dat personen met een ongezonder eetpatroon voor aanvang van de pandemie meer negatieve gevolgen ervoeren tijdens de coronacrisis (en specifiek de lockdown) wat betreft eten, beweging en gewicht dan personen die voor aanvang een gezonder eetpatroon hadden.6 Toekomstig wetenschappelijk (peer-reviewed) onderzoek onder de Nederlandse bevolking moet gaan uitwijzen wat de impact is van de COVID-19 pandemie op het eetgedrag van verschillende groepen binnen onze samenleving en waarom, en suggesties aandragen hoe de gezondheidsverschillen die naar aanleiding van deze crisis ontstaan kunnen worden beperkt.

Wil jij bijdragen aan wetenschappelijk onderzoek naar Nederlandse voedselvoorkeuren en -patronen? Wageningen University & Research heeft de app FoodProfiler ontwikkeld waarin je één keer per dag invult wat je hebt gegeten. Zo krijg je inzicht in je eigen eetprofiel en help je tegelijkertijd de wetenschap :).

Deze blog werd geschreven door Levie Karssen (gastonderzoeker bij de Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Yannakoulia, M., Panagiotakos, D. B., Pitsavos, C., Tsetsekou, E., Fappa, E., Papageorgiou, C., et al. (2008). Eating habits in relations to anxiety symptoms among apparently healthy adults: A pattern analysis from the ATTICA study. Appetite, 51, 519–25. doi: 10.1016/j.appet.2008.04.002
2. Ozamiz-Etxebarria, N., Mondragon, N. I., Santamaria, M. D., and Gorrotxategi, M. P. (2020). Psychological symptoms during the two stages of lockdown in response to the COVID-19 outbreak: an investigation in a sample of citizens in Northern Spain. Frontiers in Psychology, 11, 1491. doi: 10.3389/fpsyg.2020.01491
3. Di Renzo, L., Gualtieri, P., Pivari, F., Soldati, L., Attinà, A., Cinelli, G., et al. (2020). Eating habits and lifestyle changes during COVID-19 lockdown: An Italian survey. Journal of Translational Medicine18, 1–15. doi: 10.1186/s12967-020-02399-5
4. Flycatcher Internet Research in opdracht van het Voedingscentrum (2020). Eetgedrag en corona: Meting 2 november 2020. Geraadpleegd via https://www.voedingscentrum.nl/Assets/Uploads/voedingscentrum/Documents/Professionals/Pers/Persmappen/2e%20quickscan%20corona/Rapportage%20-%20Eetgedrag%20en%20corona%20(november%202020).pdf
5. Le Clercq, A. (29 april 2020). Lockdown leidt tot meer stress en ongezondere leefstijl, in: Volkskrant. Geraadpleegd via https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/lockdown-leidt-tot-meer-stress-en-ongezondere-leefstijl~b4800e04/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F
6. Giacalone, D., Frøst, M. B., & Rodríguez-Pérez, C. (2020). Reported changes in dietary habits during the Covid-19 lockdown in the Danish population: The Danish COVIDiet study. Frontiers in Nutrition7, 294. doi: 10.3389/fnut.2020.592112

Sci-fly: Hoe jouw DNA iets zegt over het drinkgedrag van je partner

Mensen in een relatie lijken vaak op elkaar wat betreft hun alcoholgebruik. Maar is dat omdat we het aantrekkelijk vinden en eerder een relatie aangaan als iemand evenveel drinkt als wij (‘assortative mating’)? Of pas je jouw alcoholgebruik aan aan dat van je partner? Howe en collega’s zochten het uit door een kijkje te nemen in het DNA van proefpersonen en hun partners.  

KERN
Zoals wel vaker in de wetenschap is het antwoord: een beetje van allebei. Het blijkt dat partners elkaar inderdaad selecteren op basis van hun alcoholgebruik (wat blijkt uit het feit dat ze hetzelfde ‘alcohol-gen’ hebben, iets wat bij de geboorte al vastlag), maar ook dat als jij meer drinkt, je partner ook meer gaat drinken (wat blijkt uit het directe effect van iemands ‘alcohol-gen’ op het drinkgedrag van diens partner). Beide vondsten zijn belangrijk. Het bestaan van ‘assortative mating’ (iemand als partner kiezen die op je lijkt) kan een vertekend beeld opleveren als je zoekt naar de oorzaken van alcoholmisbruik. De vondst dat het drinkgedrag van partners effect heeft op het eigen drinkgedrag kan belangrijke informatie zijn voor behandelaars. 

ONDERZOEKSMETHODE
WAT?
De onderzoekers hebben een genetische variant geselecteerd waarvan we weten dat het een relatief sterke invloed heeft op alcoholgebruik (rs1229984 uit het ADH1B gen) en gekeken of a) partners vaker dezelfde versie van deze variant hadden dan je op basis van toeval zou verwachten, en b) of deze variant bij de ene persoon het alcoholgebruik van de partner zou voorspellen.

WIE?
Zo’n 50,000 hetero-koppels (samenwonend) uit het Verenigd Koninkrijk, met een Europese achtergrond (in genetische studies is het vaak noodzakelijk om op één etniciteit tegelijk te focussen). De data komen uit de grote nationale dataset van de UK-Biobank.

HOE?
De alcoholmaten waren ooit/ nooit drinker, op dit moment wel/ niet drinker (>2 glazen per week), en het aantal gedronken glazen per week. Voor vraag a) werd er gekeken of partners dezelfde variant van rs1229984 hadden, ook na correctie voor geboorteplaats. Voor vraag b) werd er de Mendelian Randomisation (MR) methode gebruikt (zie ook hier). Hierbij werd het effect van de genetische variant op het alcoholgedrag van de partner gemeten. Waarom keken ze niet gewoon naar het effect van het alcoholgedrag van de ene persoon op dat van de partner? Omdat zo’n verband door allerlei andere factoren beïnvloed zou kunnen worden. Bijvoorbeeld: misschien leeft het koppel in armoede en zorgt dat voor hoger alcoholgebruik in beide partners, zonder dat er een verband is tussen het gebruik van de partners zelf. Door gewoon naar het alcoholgebruik van het koppel te kijken, kun je geen oorzakelijk verband laten zien. Met MR gebruik je de genetische variant als een ‘instrument’ om alcoholgebruik te meten. Van zo’n variant kun je zeker weten dat hij niet beïnvloed is door externe factoren, omdat je DNA vaststaat vanaf je geboorte. Je weet ook zeker dat er geen omgekeerd verband kan zijn, want drinkgedrag kan je DNA-code niet veranderen (zie het figuur hieronder). Daardoor kun je nu wel een oorzakelijk verband aantonen: als jouw ‘alcohol-gen’ het drinkgedrag van je partner voorspelt, kan dat alleen maar door jouw drinkgedrag zijn gekomen. Met andere woorden, jouw drinkgedrag moet dan de oorzaak zijn van het drinkgedrag van je partner.

Mendelian Randomization methode

VONDSTEN

  • Partners leken inderdaad meer op elkaar qua alcoholgebruik dan je op basis van toeval zou verwachten
  • Daarnaast kwam hun variant van rs1229984 vaak overeen, wat erop duidt dat de partners al op elkaar leken voordat ze samen waren (aangezien je genen vaststaan bij je geboorte)
  • Tenslotte bleek uit de MR analyse een oorzakelijk verband tussen het alcoholgebruik van de één op het alcoholgebruik van de ander

DETAILS
Howe, L. J., Lawson, D. J., Davies, N. M., Pourcain, B. S., Lewis, S. J., Smith, G. D., & Hemani, G. (2019). Genetic evidence for assortative mating on alcohol consumption in the UK Biobank. Nature Communications10, 1-10.

Deze sci-fly werd geschreven door Joëlle Pasman (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.