Sci-Fly

sci fly icon

 

Op deze pagina vind je korte, hapklare samenvattingen van interessant recent onderzoek naar Roken, Alcohol, Drugs en/ of Dieet. Mooie manier om up-to-date te blijven van wat er gebeurt in de literatuur!

Sci-fly: Ongezond gedrag verminderen door inzet op automatische processen? Een categorisatie van interventie technieken!

Mensen worden vaak ‘verleid’ door attractieve, maar vaak ongezonde, cues in hun omgeving. Zo kan het zien of ruiken van smakelijk voedsel bijvoorbeeld leiden tot een plotselinge hunkering naar voedsel. En deze hunkering leidt vaak tot ongeplande en ongezonde voedselconsumptie via geconditioneerde en automatische stimulus-response reacties. Er zijn verschillende interventie technieken die inspelen op deze automatische reacties om ongezonde gedragingen te voorkomen. Dit artikel deelt interventie technieken in op basis van hoe ze inspelen op deze automatische reacties. Dit is belangrijk omdat een dergelijke categorisatie van technieken een hulpmiddel kan vormen voor gezondheidsprofessionals (clinici of onderzoekers) om gerichte keuzes voor specifieke (combinaties van) technieken te maken.

Binnen het model van dit artikel (zie plaatje) worden globaal gezien twee soorten technieken onderscheiden: (1) technieken die er in eerste instantie voor zorgen dat automatische stimulus-response associaties niet of in mindere mate optreden (antecedentgerichte strategieën) versus (2) technieken die direct insteken op het veranderen van stimulus-response associaties (responsegerichte strategieën). Naast deze globale indeling, wordt eveneens een verder onderscheid aangebracht tussen twee sub-vormen van antecedentgerichte strategieën: direct en indirect. Directe antecedentgerichte strategieën hebben tot doel automatische ongewenste reacties direct te voorkomen door het vermijden van specifieke ongewenste stimulus-response associaties. Dit kan door situaties aan te passen (bijvoorbeeld door een fruitschaal op tafel te plaatsen) of door verschillende situaties te selecteren (bijvoorbeeld niet naar de supermarkt gaan als je honger hebt). Indirecte antecedentgerichte strategieën werken via het vergroten van zelfcontrole door het verplaatsen van aandacht (bijvoorbeeld aandacht schenken aan het eten van een maaltijd) of een verandering in ‘perceptie’ van situaties (bijvoorbeeld ‘mindfulness acceptatie’). Ten slotte zijn responsgerichte strategieën (zoals bijvoorbeeld ‘approach/avoidance’ training) direct gericht op het verminderen van automatische ongewenste (impulsieve) reacties.

In het artikel worden drie hypothesen besproken die praktische richtlijnen bieden voor de selectie van interventietechnieken. Ten eerste, directe antecedentgerichte strategieën werken beter voor personen die minder impulsief zijn, terwijl responsgerichte strategieën beter werken voor mensen die impulsiever zijn. Ten tweede, als directe antecedentgerichte strategieën succesvol zijn, dan zijn responsegerichte strategieën niet meer nodig. Ten derde, directe antecedentgerichte strategieën kunnen het gebruik van responsegerichte interventiestrategieën ondersteunen. Het artikel gaat vervolgens in op een aantal voorbeelden dat deze hypotheses lijkt te ondersteunen. Echter, meer onderzoek is nodig, ook naar effecten van verschillende combinaties van technieken. Zo lijken bijvoorbeeld combinaties van indirecte antecedentgerichte strategieën (zoals mindfulness) en responsgerichte strategieën gunstige effecten te bieden. Het artikel sluit af met een aantal concrete handvatten voor toekomstig onderzoek. Dit toekomstige onderzoek kan vooral belangrijke inzichten bieden voor kwetsbare doelgroepen met een lagere sociaal-economische positie (SEP), omdat zij vaak meer problemen hebben met het vertalen van intenties in gedrag. Hopelijk inspireert dit raamwerk dus toekomstig interventie onderzoek dat erop gericht is om gezondheidsverschillen tussen mensen met hogere en lagere SEP te verkleinen.

DETAILS
Larsen, J. K., & Hollands, G. J. (2021). Targeting automatic processes to reduce unhealthy behaviours: a process framework. Health Psychology Review, 1-16. https://doi.org/10.1080/17437199.2021.1876572

Deze sci-fly werd geschreven door Junilla Larsen (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Bananen, biefstuk en Libanees platbrood: Verandert ons eetgedrag tijdens de COVID-19 pandemie?

Begin januari ontving ik een jaaroverzicht van PICNIC in mijn mailbox, waar ik sinds de coronacrisis geregeld mijn boodschappen bestel. Naast wat persoonlijke feitjes over 2020 (ik hoefde 331 kilo boodschappen niet zelf te sjouwen, oftewel: het gewicht van 11.033 dwerghamsters!) bevatte de mail ook een aantal opvallende algemene statistieken. Zo bleek dat biefstuk en Libanees platbrood in 2020 4 keer vaker werden gekocht dan in het jaar ervoor. De meest gekochte producten waren na een jaar echter onveranderd gebleven: melk, komkommer en bananen vormden nog steeds de PICNIC Top 3. Dit deed me afvragen: is ons eetgedrag gedurende de coronacrisis eigenlijk veranderd?

Er zijn genoeg redenen om aan te nemen dat onze eetvoorkeuren en -patronen worden beïnvloed door de COVID-19 pandemie. Zo leiden de ingevoerde maatregelen zoals de (tijdelijke) sluiting van de horeca, scholen en kinderopvang, alsmede het thuiswerkdevies, waarschijnlijk tot een verandering in de dagelijkse routines en leefstijl.1 Mensen zijn vaker thuis, eten minder buitenshuis en hebben mogelijk meer tijd om te koken. Of juist minder tijd, in het geval van toegenomen werkdruk of zorgtaken. Daarnaast zijn verveling, stress en angst het afgelopen jaar significant toegenomen.2 Mogelijk werken deze gevoelens emotioneel eten (dat wil zeggen: eten om jezelf af te leiden, troosten of gerust te stellen) in de hand.3

Opvallend genoeg blijkt uit onderzoek in opdracht van het Voedingscentrum dat het overgrote deel van de Nederlanders (>80%) niet anders is gaan eten tijdens de eerste en de tweede coronagolf.4 Deze meest recente resultaten, die betrekking hebben op de tweede golf in november, zijn gebaseerd op een representatieve steekproef van 1265 Nederlandse volwassenen (18+). Ook andere bronnen rapporteerden dat het eetgedrag van de meeste Nederlanders gedurende de coronacrisis niet anders is dan normaal.5 Dit bevestigt maar weer dat eetgewoonten in veel gevallen bijzonder ingesleten en moeilijk te veranderen zijn.

Toch is een deel van de Nederlanders tijdens de tweede golf wel anders gaan eten: 9% at gezonder en 5% at ongezonder.4 De belangrijkste redenen om gezonder te eten waren het willen verhogen van de weerstand en het hebben van meer tijd en ruimte om bezig te zijn met gezond eten en koken. Redenen waarom ongezonder werd gegeten waren de toename in het aantal ongezonde verleidingen thuis en het aantal eetmomenten, maar ook gevoelens van stress en verveling. Verder bleek dat een deel van de Nederlanders tijdens de tweede coronagolf meer tijd nam om te eten (17%), meer groente en fruit at (17%) en zich bewuster was van zijn/haar eetgedrag (17%). Ook werd er door een deel meer snoep en snacks geconsumeerd (18%) en vaker eten besteld of afgehaald (30%). 

De Nederlanders die tijdens de tweede coronagolf het meest in hun eetgedrag waren veranderd (dus die zowel gezonder als ongezonder zijn gaan eten) waren hoogopgeleiden en jongvolwassenen onder de 30 jaar.4 Hoe dat komt is, is (nog) niet bekend. Mogelijk brengen deze resultaten groepen aan het licht die ook al voor de coronacrisis (minder) moeite hadden om gezond te eten. Jaap Seidell, hoogleraar voeding en gezondheid aan de Vrije Universiteit Amsterdam, voorspelt dat deze verschillen tijdens de COVID-19 pandemie alleen maar groter worden.5 Dit is in lijn met resultaten uit Deens onderzoek, die laten zien dat personen met een ongezonder eetpatroon voor aanvang van de pandemie meer negatieve gevolgen ervoeren tijdens de coronacrisis (en specifiek de lockdown) wat betreft eten, beweging en gewicht dan personen die voor aanvang een gezonder eetpatroon hadden.6 Toekomstig wetenschappelijk (peer-reviewed) onderzoek onder de Nederlandse bevolking moet gaan uitwijzen wat de impact is van de COVID-19 pandemie op het eetgedrag van verschillende groepen binnen onze samenleving en waarom, en suggesties aandragen hoe de gezondheidsverschillen die naar aanleiding van deze crisis ontstaan kunnen worden beperkt.

Wil jij bijdragen aan wetenschappelijk onderzoek naar Nederlandse voedselvoorkeuren en -patronen? Wageningen University & Research heeft de app FoodProfiler ontwikkeld waarin je één keer per dag invult wat je hebt gegeten. Zo krijg je inzicht in je eigen eetprofiel en help je tegelijkertijd de wetenschap :).

Deze blog werd geschreven door Levie Karssen (gastonderzoeker bij de Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Yannakoulia, M., Panagiotakos, D. B., Pitsavos, C., Tsetsekou, E., Fappa, E., Papageorgiou, C., et al. (2008). Eating habits in relations to anxiety symptoms among apparently healthy adults: A pattern analysis from the ATTICA study. Appetite, 51, 519–25. doi: 10.1016/j.appet.2008.04.002
2. Ozamiz-Etxebarria, N., Mondragon, N. I., Santamaria, M. D., and Gorrotxategi, M. P. (2020). Psychological symptoms during the two stages of lockdown in response to the COVID-19 outbreak: an investigation in a sample of citizens in Northern Spain. Frontiers in Psychology, 11, 1491. doi: 10.3389/fpsyg.2020.01491
3. Di Renzo, L., Gualtieri, P., Pivari, F., Soldati, L., Attinà, A., Cinelli, G., et al. (2020). Eating habits and lifestyle changes during COVID-19 lockdown: An Italian survey. Journal of Translational Medicine18, 1–15. doi: 10.1186/s12967-020-02399-5
4. Flycatcher Internet Research in opdracht van het Voedingscentrum (2020). Eetgedrag en corona: Meting 2 november 2020. Geraadpleegd via https://www.voedingscentrum.nl/Assets/Uploads/voedingscentrum/Documents/Professionals/Pers/Persmappen/2e%20quickscan%20corona/Rapportage%20-%20Eetgedrag%20en%20corona%20(november%202020).pdf
5. Le Clercq, A. (29 april 2020). Lockdown leidt tot meer stress en ongezondere leefstijl, in: Volkskrant. Geraadpleegd via https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/lockdown-leidt-tot-meer-stress-en-ongezondere-leefstijl~b4800e04/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F
6. Giacalone, D., Frøst, M. B., & Rodríguez-Pérez, C. (2020). Reported changes in dietary habits during the Covid-19 lockdown in the Danish population: The Danish COVIDiet study. Frontiers in Nutrition7, 294. doi: 10.3389/fnut.2020.592112

Sci-fly: Hoe jouw DNA iets zegt over het drinkgedrag van je partner

Mensen in een relatie lijken vaak op elkaar wat betreft hun alcoholgebruik. Maar is dat omdat we het aantrekkelijk vinden en eerder een relatie aangaan als iemand evenveel drinkt als wij (‘assortative mating’)? Of pas je jouw alcoholgebruik aan aan dat van je partner? Howe en collega’s zochten het uit door een kijkje te nemen in het DNA van proefpersonen en hun partners.  

KERN
Zoals wel vaker in de wetenschap is het antwoord: een beetje van allebei. Het blijkt dat partners elkaar inderdaad selecteren op basis van hun alcoholgebruik (wat blijkt uit het feit dat ze hetzelfde ‘alcohol-gen’ hebben, iets wat bij de geboorte al vastlag), maar ook dat als jij meer drinkt, je partner ook meer gaat drinken (wat blijkt uit het directe effect van iemands ‘alcohol-gen’ op het drinkgedrag van diens partner). Beide vondsten zijn belangrijk. Het bestaan van ‘assortative mating’ (iemand als partner kiezen die op je lijkt) kan een vertekend beeld opleveren als je zoekt naar de oorzaken van alcoholmisbruik. De vondst dat het drinkgedrag van partners effect heeft op het eigen drinkgedrag kan belangrijke informatie zijn voor behandelaars. 

ONDERZOEKSMETHODE
WAT?
De onderzoekers hebben een genetische variant geselecteerd waarvan we weten dat het een relatief sterke invloed heeft op alcoholgebruik (rs1229984 uit het ADH1B gen) en gekeken of a) partners vaker dezelfde versie van deze variant hadden dan je op basis van toeval zou verwachten, en b) of deze variant bij de ene persoon het alcoholgebruik van de partner zou voorspellen.

WIE?
Zo’n 50,000 hetero-koppels (samenwonend) uit het Verenigd Koninkrijk, met een Europese achtergrond (in genetische studies is het vaak noodzakelijk om op één etniciteit tegelijk te focussen). De data komen uit de grote nationale dataset van de UK-Biobank.

HOE?
De alcoholmaten waren ooit/ nooit drinker, op dit moment wel/ niet drinker (>2 glazen per week), en het aantal gedronken glazen per week. Voor vraag a) werd er gekeken of partners dezelfde variant van rs1229984 hadden, ook na correctie voor geboorteplaats. Voor vraag b) werd er de Mendelian Randomisation (MR) methode gebruikt (zie ook hier). Hierbij werd het effect van de genetische variant op het alcoholgedrag van de partner gemeten. Waarom keken ze niet gewoon naar het effect van het alcoholgedrag van de ene persoon op dat van de partner? Omdat zo’n verband door allerlei andere factoren beïnvloed zou kunnen worden. Bijvoorbeeld: misschien leeft het koppel in armoede en zorgt dat voor hoger alcoholgebruik in beide partners, zonder dat er een verband is tussen het gebruik van de partners zelf. Door gewoon naar het alcoholgebruik van het koppel te kijken, kun je geen oorzakelijk verband laten zien. Met MR gebruik je de genetische variant als een ‘instrument’ om alcoholgebruik te meten. Van zo’n variant kun je zeker weten dat hij niet beïnvloed is door externe factoren, omdat je DNA vaststaat vanaf je geboorte. Je weet ook zeker dat er geen omgekeerd verband kan zijn, want drinkgedrag kan je DNA-code niet veranderen (zie het figuur hieronder). Daardoor kun je nu wel een oorzakelijk verband aantonen: als jouw ‘alcohol-gen’ het drinkgedrag van je partner voorspelt, kan dat alleen maar door jouw drinkgedrag zijn gekomen. Met andere woorden, jouw drinkgedrag moet dan de oorzaak zijn van het drinkgedrag van je partner.

Mendelian Randomization methode

VONDSTEN

  • Partners leken inderdaad meer op elkaar qua alcoholgebruik dan je op basis van toeval zou verwachten
  • Daarnaast kwam hun variant van rs1229984 vaak overeen, wat erop duidt dat de partners al op elkaar leken voordat ze samen waren (aangezien je genen vaststaan bij je geboorte)
  • Tenslotte bleek uit de MR analyse een oorzakelijk verband tussen het alcoholgebruik van de één op het alcoholgebruik van de ander

DETAILS
Howe, L. J., Lawson, D. J., Davies, N. M., Pourcain, B. S., Lewis, S. J., Smith, G. D., & Hemani, G. (2019). Genetic evidence for assortative mating on alcohol consumption in the UK Biobank. Nature Communications10, 1-10.

Deze sci-fly werd geschreven door Joëlle Pasman (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Overmacht of over macht? De inzet van geweldloos verzet in de strijd tegen agressie in residentiële jeugdzorg.

Ik kom thuis van een avonddienst op de woongroep. Terwijl ik mijn kleding over een stoel heen gooi, zie ik de schrammen en blauwe plekken op mijn been staan. Mijn collega zei: “We gooien hem wel even in de afzondering, dan komt hij vanzelf bij.” Nu pas bekruipt me het nare gevoel dat deze aanpak geen overmacht was, maar een daad uit wanhoop; een laatste redmiddel in de machtsstrijd, die de kinderen thuis al van ouders gewonnen hadden. Wij wilden ons als groepsleiding niet gewonnen geven. Of de winst vanavond behaald is? Ik lig met een rotgevoel in bed, net als de jongere. Er zijn enkel verliezers in deze strijd.

Copyright © NOS 2020

Vrijwel dagelijks heb ik, evenals vele zorgprofessionals, op het werk te maken met agressie. Een veelvoorkomend probleem wat op verschillende manieren beantwoord wordt. Waar de-escalerend werken de intentie is van vrijwel alle zorgprofessionals, worden jongeren nog regelmatig gefixeerd en deuren op slot gedraaid. Onderzoekers lieten al in de jaren ’70 en ’80 zien dat er sprake is van een vicieuze cirkel waarin opvoeders en kinderen over en weer proberen controle te verkrijgen door agressie te beantwoorden met het herpakken van de controle of macht door middel van vrijheidsbeperkende maatregelen, wat op zijn beurt weer agressie oproept1-2-3. Nieuwe inzichten zouden deze cirkel kunnen verbreken. De Non-Violent-Resistance methodiek (NVR), gericht op het onder ogen kunnen zien van machteloosheid en het verdragen daarvan, richt zich op het vinden van kracht en geweldloos verzet als antwoord op agressie. Onderzoekers lijken duidelijk: NVR is dé nieuwe methodiek om repressie te minimaliseren en daarmee agressie te verminderen en zelfs voorkomen. 

Tegengeluid kwam er in 2018 met een onderzoek waarin werd aangetoond dat het aantal agressie incidenten op een instelling na implementatie van NVR niet veranderde, echter zouden deze cijfers door transformaties binnen de instelling niet representatief zijn4. De afgelopen jaren zijn er steeds meer onderzoeken gedaan naar de methodiek, welke laten zien dat het aantal incidenten in residentiële instellingen significant afneemt als (in)direct gevolg van de training in NVR van medewerkers in meerdere instellingen5. Medewerkers geven aan dat toepassing van de methodiek zorgt voor meer gemoedsrust, reducering van stress en tijd om na te denken over hun reactie6. Een repressief groepsklimaat, wat onder andere gekenmerkt wordt door het verlies van autonomie van de cliënt, maakt door toepassing van NVR plaats voor een positiever groepsklimaat; een klimaat wat samenhangt met een forse afname van het aantal incidenten7

Met oog op deze resultaten heb ik als student Pedagogische Wetenschappen maar één strijd te winnen; de strijd tegen agressie in de residentiële jeugdzorg. Kunnen wij orthopedagogen van de toekomst de nieuwe Mahatma Ghandi’s en Martin Luther King’s worden en een revolutie veroorzaken in de zorg richting geweldloos verzet?

Deze blog, geschreven door Hilde van den Boom, is onderdeel van een serie gastblogs die geschreven zijn door studenten van de Master Pedagogische Wetenschappen voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag van de Radboud Universiteit.

Referenties
1. Patterson, G. R. (1982). A social learning approach: coercive family process. Eugene ORL: Castalia Publishers. 
2. Watzlawick, P., Beavin, J. H., & Jackson, D. D. (1967). Pragmatics of human communication: a study of interactional patterns, pathologies and paradoxes. New York: W. W. Norton. 
3. Dörenberg, V. E. T., Veer, A. J. E., de, Francke, A. L., Embregts, P. J. C. M., Nieuwenhuizen, M. van, & Frederiks, B. J. M. (2018). Applying Restrictive Measures in the Care of Adolescents With Mild Intellectual Disabilities: Attitudes of Support Staff and Policy Implications. Journal of Policy and Practice in Intellectual Disabilities, 15, 26-35.
4. Gink, K. van., Vermeiren, R., Goddard, N., Domburgh, L. van., Stegen, B. van der., Twisk, J., Popma, A., & Jansen, L. (2018). The Influence of Non-violent Resistance on Work Climate, Living Group Climate and Aggression in Child and Adolescent Residential Care. Childen and Youth Sevices Review 94, 456-465.
5. Visser, K. M., Jansen, L. M. C., Popma, A., Vermeiren, R., & Kasius, M. C. (2020). Adressing Agression in the Residential Setting for Juvelines with Mild Intellectual Disability trough Training in Non-Violent Resistance. Child Youth Care Forum.
6. Gink, K. van., Vissers, K., Popma, A., Vermeiren, R., Domburg, L. van., Stegen, B. van der, & Jansen, L. M. C. (2018). Implementing Non-violent Resistance, a Method to Cope with Aggression in Child and Adolescent Residential Care: Exploration of Staff Members Experiences. Archives of Psychiatric Nursing, 32, 353-359.
7. Tillart, J. van den., Eltink, E., Stams, G-J., Helm, P. van der., & Wissink, I. (2018). Agressive Incidents in Residential Youth Care. International Journal of Offender Therapy and Comparative Criminoly, 62, 3991-4007.

Onzichtbare anorexia nervosa

Anorexia nervosa is een psychische stoornis die wordt beschouwd als de meest ernstige hedendaagse eetstoornis.1 Jaarlijks worden naar schatting 370 op de 100.000 jonge vrouwen in Nederland gediagnosticeerd met anorexia.2 In 2016 was ik er daar helaas één van. De anorexia was langzaam en onzichtbaar in mijn leven geslopen.

Even een terugblik naar 2014. Ik was 16 jaar en druk op zoek naar wie ik echt was. Of eigenlijk wilde zijn. Sinds het begin van de puberteit had ik daar geen moment bij stilgestaan. Ik genoot ‘gewoon’ van mijn leven. Ik ging regelmatig naar feestjes en lekker eten met vriendinnen. Dit veranderde toen ik bleef zitten op de middelbare school.  

Net als de meeste mensen die een eetstoornis hebben (gehad), ben ik erg perfectionistisch.3 Blijven zitten voelde als compleet falen. Als ik niet goed was in presteren op school, moest ik laten zien dat ik ergens anders wel goed in was. Dat was afvallen. Hier faalde ik niet in en het gaf mij een goed gevoel. Daarnaast was ik ervan overtuigd dat anderen mij leuker zouden vinden als ik dunner zou zijn. Ik ging hiermee door en had niet in de gaten dat ik een eetstoornis aan het ontwikkelen was.  

Foto van http://www.unsplash.com

Vanaf dat moment is de anorexia begonnen. Onzichtbaar, want ik ben ruim een jaar mijn gang gegaan met afvallen. Niemand merkte het, ik had maar een licht ondergewicht. Niet bepaald wat je verwacht bij anorexia nervosa.4 Na een jaar trokken mijn vriendinnen aan de bel. 

Tijdens onze examenreis hebben zij een week gezien hoe ik mijzelf had beperkt met eten en na het eten naar het toilet ging. Ze wisten dat ik een probleem had. Ik was opgelucht. Eindelijk zag iemand hoe het echt met mij ging. Na de vakantie ging ik naar de huisarts. 

De huisarts verwees mij naar een GGZ gespecialiseerd in eetstoornissen. Zeven maanden heb ik op de wachtlijst gestaan, de zeven langste maanden uit mijn leven. Mijn lichamelijke en geestelijke gezondheid ging verder achteruit en ik moest daardoor regelmatig vrienden afzeggen. De eetstoornis isoleerde mij.5 Ik ben pas in 2016 gediagnosticeerd, terwijl anorexia al geruime tijd mijn leven beheerste. Gelukkig heb ik passende hulp gekregen en ben ik nu helemaal hersteld.

Wat ik wil benadrukken, is dat het grootste deel van de eetstoornissen onzichtbaar is. Ook anorexia. Ondanks dat er misschien geen sprake is van een extreem ondergewicht, kan een eetstoornis hardnekkig zijn. Ik werd een perfectionist in afvallen. Het maakt je psychisch kapot. Wanneer jij zelf of een ander moeite heeft met eten of je zelfbeeld, neem jezelf hierin serieus en trek op tijd aan de bel. Hoe eerder de hulp start, hoe groter de kans is op herstel. 

Deze blog is onderdeel van een serie gastblogs die geschreven zijn door studenten van de Master Pedagogische Wetenschappen voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag van de Radboud Universiteit.

Referenties
1. Zipfel, S., Giel, K. E., Bulik, C. M., Hay, P., & Schmidt, U. (2015). Anorexia nervosa: aetiology, assessment, and treatment. The Lancet Psychiatry, 2, 1099-1111.
2. Hoek, H. W. & Vandereycken, W. (2008). Een kwarteeuw onderzoek en behandeling van eetstoornissen, Tijdschrift voor Psychiatrie, 50, 85-89.
3. Dahlenburg, S. C., Gleaves, D. H., & Hutchinson, A. D. (2019). Anorexia nervosa and perfectionism: A meta-analysis. International Journal of Eating Disorders, 52, 219–229.
4. Oenema, N. (2020, 29 mei). Waarom een eetstoornis niet altijd zichtbaar is. Women’s Health. Verkregen via https://www.womenshealthmag.com/nl/psyche/a32707011/eetstoornis-onzichtbaar-gewicht-gevoelens/
5. Jenkins, P. E., Hoste, R. R., Meyer, C., & Blissett, J. M. (2011). Eating disorders and quality of life: A review of the literature. Clinical Psychology Review, 31, 113–121. 

Sci-Fly: Over #bodypositivity op Instagram: wat is het effect op jonge vrouwen?

Iemand naar beneden halen omdat diegene een onderkin, hangbuik of cellulitis heeft, is niet bepaald #bodypositive. ‘Body positivity’ (of ‘BoPo’) is al enkele jaren een belangrijke beweging op social media. Lange tijd hebben plaatjes van geïdealiseerde, slanke vrouwenlichamen (‘thin-ideal’) het social media platform Instagram gedomineerd. Het is bekend dat blootstelling aan dergelijke, geïdealiseerde beelden leidt tot een verhoogde negatieve stemming, ontevredenheid over het lichaam en zelfobjectivering bij vrouwen. De BoPo-beweging daagt schoonheidsidealen uit door acceptatie en waardering van álle lichaamstypes aan te moedigen. Nu #thin-ideal het Instagram-veld heeft moeten ruimen voor #BoPo, hebben Cohen en collega’s (2019) het effect van ‘body-positive’-beelden op de stemming en het lichaamsbeeld van jonge vrouwen onderzocht. Ze onderzochten onder meer of dit effect anders is dan bij ‘thin-ideal’-beelden.

Foto door Heather Hazzan en Lily Cummings (All Woman Project)

KERN
Deze studie onderzocht of het effect van blootstelling aan BoPo-beelden op de stemming, lichaamstevredenheid en –waardering, en zelfobjectivering van jonge vrouwen anders is dan ‘thin-ideal’-beelden en beelden die niets met uiterlijk te maken hebben (‘appearance-neutral’). Uit de resultaten bleek dat het geval te zijn. De onderzoekers concludeerden dat blootstelling aan BoPo-beelden een positieve invloed heeft op de stemming en het lichaamsbeeld van vrouwen, in tegenstelling tot ‘thin-ideal’-beelden. Jonge vrouwen die vaak ‘thin-ideal’-beelden zien op social media wordt daarom aanbevolen om BoPo-accounts te volgen, zodat hun stemming verbetert en ze een positief lichaamsbeeld ontwikkelen.

ONDERZOEKSMETHODE
WAT? 
Wat is het effect van BoPo-Instagrambeelden op de stemming, lichaamstevredenheid en –waardering, en zelfobjectivering van jonge vrouwen, ten opzichte van ‘thin-ideal’- en ‘appearance-neutral’-beelden?

WIE? 
195 Australische vrouwen met een gemiddelde leeftijd van 21.7 jaar.

HOE?
– De vrouwen werden willekeurig verdeeld over drie groepen: één groep werd blootgesteld aan ‘body positive’-beelden, één groep aan ‘thin-ideal’-beelden en één groep aan ‘appearance-neutral’-beelden.
– Stemming en lichaamstevredenheid werden zowel voor als na blootstelling aan de beelden gemeten aan de hand van een visuele schaal, waarop de deelnemer haar gevoel kon uitdrukken.
– Zelfobjectivering werd na de blootstelling aan de beelden gemeten aan de hand van een zinaanvullijst die ging over de beschrijving van de zelf.
– Lichaamswaardering werd na blootstelling aan de beelden gemeten aan de hand van een test over lichaamswaardering.

VONDSTEN
Allereerst werd blootstelling aan BoPo-beelden op Instagram geassocieerd met een verbetering van de positieve stemming en lichaamstevredenheid van jonge vrouwen, terwijl blootstelling aan ‘thin-ideal’-beelden leidde tot een vermindering van de positieve stemming en lichaamstevredenheid. Blootstelling aan ‘appearance-neutral’-beelden had geen invloed op het lichaamsbeeld, maar werd wel geassocieerd met een verbetering van de positieve stemming. 

Grafiek: Visuele representatie van de belangrijkste conclusie uit het onderzoek.

Ten tweede rapporteerden vrouwen die BoPo-beelden te zien hadden gekregen een grotere lichaamswaardering dan vrouwen die ‘thin-ideal’-beelden hadden gezien. Tot slot werd blootstelling aan BoPo- en ‘thin-ideal’-beelden geassocieerd met een verhoogde mate van zelfobjectivering dan blootstelling aan ‘appearance-neutral’-beelden.

DETAILS
Cohen, R., Fardouly, J., Newton-John, T., & Slater, A. (2019). #BoPo on Instagram: An experimental investigation of the effects of viewing body positive content on young women’s mood and body image. New Media & Society21, 1546–1564.

Deze sci-fly, geschreven door Francien de Wolf, is onderdeel van een serie gastblogs die geschreven zijn door studenten van de Master Pedagogische Wetenschappen voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag van de Radboud Universiteit.

Coronakilo’s? Zo kom je er vanaf!

Ons sociale leven is in het afgelopen jaar behoorlijk stil komen te liggen. Je werkt thuis, je studeert thuis, je vergadert thuis en daarnaast verveel je je kapot. Je kijkt om je heen en ziet die koektrommel en gevulde voorraadkast verleidelijk naar je lachen. Je denkt bij jezelf: Oké dan, één koekje kan er nog wel bij, ik heb het immers al zwaar genoeg. Voordat je het weet vliegen de befaamde coronakilo’s eraan. Herkenbaar? Voor mij wel, en ik zal hierin heus niet de enige zijn …

De term coronakilo’s zou zo maar eens in het rijtje van populairste woorden van dit jaar kunnen komen. Met coronakilo’s wordt het toenemen in lichaamsgewicht bedoeld dat veroorzaakt wordt door een sedentaire (ofwel niet-actieve) levensstijl, verveling en stress tijdens de coronacrisis1. Hoewel er in de wetenschap nog weinig bekend is over de directe relatie tussen de toename in gewicht en de lockdown als gevolg van de coronacrisis, biedt het bestaande onderzoek wel mogelijke verklaringen.

Zo blijkt uit eerder onderzoek onder studenten dat factoren als ‘alleen zijn’ en ‘sociale isolatie’ ervoor kunnen zorgen er meer en ongezonder gegeten wordt2. Deze toename van voedselconsumptie tijdens een lockdown lijkt verschillende oorzaken te hebben. Ten eerste speelt stress een belangrijke rol. Het eten van veel voedsel en ongezond voedsel is voor veel mensen een manier om spanning, die de maatregelen van de coronacrisis met zich mee kunnen brengen, te verminderen3,5. Een andere oorzaak is dat mensen uit verveling meer gaan eten aangezien sociale activiteiten beperkt zijn4. Tenslotte kunnen mensen eten gaan zien als een beloning voor het volhouden van de maatregelen5. De toename in gewicht kan ook verklaard worden door het feit dat mensen tijdens een lockdown minder bewegen, doordat de sportscholen bijvoorbeeld gesloten waren6.

De vraag is nu: Hoe kun je dan voorkomen dat je tijdens deze tweede (gedeeltelijke) lockdown de kilo’s er niet weer aanvliegen? De Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO)7 en het Voedingscentrum8 geven hier adviezen voor. Het is ten eerste belangrijk dat je je gebruikelijke eetpatroon aanhoudt en structuur in je leven aanbrengt. Dus plan vaste eetmomenten en snack niet te veel tussendoor. Eet daarnaast niet meer dan nodig is. Een andere bruikbare tip is om gezonde dingen in huis te halen en de ongezonde dingen buiten het zicht neer te zetten. Tenslotte is bewegen belangrijk, dit zorgt voor verbranding van de calorieën en is tevens stress-verlagend3,9. Ga eens een rondje in de buurt wandelen, sta regelmatig op van je studeerplek voor wat rek- en strekoefeningen en zeg gedag tegen die overtollige coronakilo’s!

Deze blog, geschreven door Tess Hendrikx, is onderdeel van een serie gastblogs die geschreven zijn door studenten van de Master Pedagogische Wetenschappen voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag van de Radboud Universiteit.

Referenties
1. Balnat, V. (2020). Unter beobachtung: Corona-wortschatz im Deutchen und Französischen. Noveaux Cahiers d’Allemand: Revue de linguistique et de didactique. Verkregen van https://hal.archives-ouvertes.fr/hal-02931171/document . 
2. Mason, T.B., Heron, K.E., Braitman, A.L., & Lewis, R.J. (2016). A daily diary study of perceived social isolation, dietary restraint, and negative affect in binge eating. Appetite, 97, 94 – 100. https://doi.org/10.1016/j.appet.2015.11.027  
3. Mouchacca, J., Abbott, G.R., & Ball, K. (2013). Associations between psychological stress, eating, physical activity, sedentary behaviours and body weight among women: a longitudinal study. BMC Public Health, 13, 1 – 11. https://doi.org/10.1186/1471-2458-13-828
4. Brooks, S.K., Webster, R.K., Smith, L.E., Woodland, L., Wessely, S., Greenberg. N., et al. (2020). The psychological impact of quarantine and how to reduce it: rapid review of the evidence. Lancet, 395, 912 – 920. https://doi.org/10.1016/S0140-6736(20)30460-8 
5. Ahmed, H.O. (2020). The impact of social distancing and self-isolation in the last corona COVID-19 outbreak on the body weight in Sulaimani governorate – Kurdistan/Iraq, a prospective case series study. Annals of medicine and surgery, 59, 110 – 117. https://doi.org/10.1016/j.amsu.2020.09.024
6. Lim, M.A. & Pranata, R. (2020). Sport activities during any pandemic lockdown. Irish Journal of Medicine Science. https://doi.org/10.1007/s11845-020-02300-9  
7. Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) (2020). Werken tijdens de corona-crisis. Geraadpleegd van: https://www.monitorarbeid.tno.nl/coronacrisis/blog
8. Voedingscentrum (2020). Hoe blijf je gezond eten en bewegen als je thuiswerkt vanwege corona?. Geraadpleegd van: https://www.voedingscentrum.nl/nl/thema/coronavirus-voeding/hoe-blijf-je-gezond-eten-en-bewegen-als-je-thuiswerkt-vanwege-corona-.aspx
9. Mattioli, A., Sciomer, S., Cocchi, C., Maffei, S., & Gallina, S. (2020). Quarantine during COVID-19 outbreak: Changes in diet and physical activity increase the risk of cardiovascular disease. Nutrition metabolism & cardiovascular diseases, 30, 1409 – 1417.  https://doi.org/10.1016/j.numecd.2020.05.020   

Sci-Fly: Is er een associatie tussen meeroken en veranderingen in het functioneren van het brein bij jongeren die zelf niet roken?

Uit onderzoek weten we dat rokers steeds gevoeliger worden voor rook-gerelateerde stimuli. Een roker krijgt bijvoorbeeld trek in een sigaret alléén al bij het zien van een pakje sigaretten. Dit automatische proces zien we terug in de hersenen van rokers als een verhoogde activiteit in het motivationele netwerk voor rook-stimuli in vergelijking tot neutrale-stimuli. Daarnaast zien we dat rokers steeds méér moeite hebben met het uitstellen, afremmen of stoppen van hun gedrag, ofwel een verminderde inhibitie controle. Deze verminderde inhibitie controle zien we ook terug in de hersenen van rokers als verminderde activiteit in het controle netwerk. Nederlandse wetenschappers (waaronder RAD-bloggers Joyce Dieleman en Maartje Luijten) wilden onderzoeken welke rol meeroken speelt bij het ontwikkelen van een nicotine afhankelijkheid. Daarom vroegen ze zich af of er al veranderingen zichtbaar zijn in de hersenen van jongeren die zelf niet roken, maar die wel veel blootgesteld worden aan rook in de omgeving op dit moment in hun leven, ofwel meeroken. Benieuwd naar de bevindingen, lees snel verder!

KERN
In deze studie werd er gekeken naar de relatie tussen meeroken en het functioneren van de hersenen gerelateerd aan het reageren op rook-gerelateerde stimuli (cue-reactiviteit) en inhibitie controle bij jongeren die zelf niet-roken. De onderzoekers hebben geen significante relaties gevonden tussen meeroken en functioneren van de hersenen gerelateerd aan het reageren op rook-gerelateerde stimuli en inhibitie controle. Deze bevindingen suggereren dat lage tot matige niveaus van blootstelling aan rook uit de omgeving niet geassocieerd zijn met 1) een verhoogde gevoeligheid voor rook-gerelateerde stimuli in het motivationele netwerk in het brein en 2) verminderde inhibitie controle in het controle netwerk in het brein. Verder onderzoek moet uitwijzen of hoge niveaus van blootstelling aan rook uit de omgeving wel resulteren in veranderingen in het functioneren van de hersenen gerelateerd aan cue-reactiviteit en inhibitie controle.  

ONDERZOEKSMETHODEN
In deze studie namen 51 niet-rokende jongeren tussen 14 en 18 jaar deel aan een fMRI studie. In de scanner voerden de jongeren 2 taken uit. Met de eerste taak (cue-reactiviteit taak) werd brein activiteit gemeten voor rook-gerelateerde vs. neutrale stimuli. Met de tweede taak (Go/NoGo taak) werd brein activiteit vastgesteld voor Go vs. NoGo stimuli om inhibitie controle te meten. Blootstelling aan rook uit de omgeving (vader/moeder/broers/zussen/beste vriend(in)/vrienden/anderen) werd gemeten met behulp van een vragenlijst.

VONDSTEN
De onderzoekers vinden geen bewijs voor een dosis-response relatie tussen meeroken en hersenactiviteit gerelateerd aan cue-reactiviteit en inhibitie controle. 

  • Dat wil zeggen dat het niet zo is dat jongeren met méér blootstelling in hun omgeving verhoogde activiteit lieten zien in het motivationele netwerk in het brein voor rook-gerelateerde stimuli
  • Dit zelfde geld voor activiteit in het controle netwerk in het brein, dus méér blootstelling hangt niet samen met een verminderde inhibitie controle. 

Een limitatie die door de onderzoekers wordt genoemd is het relatief lage aantal deelnemers met hoge blootstellingsniveaus. Dit zou kunnen verklaren waarom er geen associatie is gevonden tussen meeroken en het functioneren van de hersenen gerelateerd aan cue-reactiviteit en inhibitie controle. 

DETAILS
Boormans, A*., Dieleman, J*., Kleinjan, M., Otten, R., Luijten, M. (2020). Environmental Tobacco Smoke Exposure and Brain Functioning Associated with Smoking Cue-Reactivity and Inhibitory Control in Non-smoking Adolescents. European Addiction Research. *shared first authors

Deze sci-fly werd geschreven door Joyce Dieleman (Trimbos Instituut/Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Doe mee met het alRISCO lifestyle project!

De overgang van studeren naar werken is een belangrijke periode die gepaard gaat met vele mogelijkheden en uitdagingen voor persoonlijke ontwikkeling.1 Studenten en net afgestudeerden maken veranderingen mee die vaak samenhangen met het kiezen van een carrière pad, solliciteren naar een baan, verhuizen, (afscheid nemen van) het studentenleven en het aangaan van nieuwe relaties. Wat betreft rijping en cognitieve functies verandert het brein tot een leeftijd rond 25 jaar.2,3 Dit maakt deze overgangsperiode zeer relevant voor het bestuderen van cognitieve, sociale en emotionele factoren en hoe deze zich verhouden tot veranderingen in leefstijl. 

Een onderzoek naar cognitieve functies, leefstijlfactoren en levensgebeurtenissen

In het alRISCO lifestyle project gaan we er vanuit dat het focussen op veerkracht of positieve aanpassing de sleutel kan zijn om meer inzicht te krijgen in de overgangsperiode van studeren naar werken. In onze grote online longitudinale studie gaan we onderzoeken hoe jongvolwassenen omgaan met de veranderingen in hun leven en hoe dit hun leefstijl en welzijn beïnvloedt als ze het studentenleven achter zich laten.

Wat inspireerde dit onderzoek?
Er is behoefte aan meer kennis over factoren die samenhangen met positieve aanpassingen en veerkracht in de jongvolwassenheid. Dit in tegenstelling tot veel eerdere onderzoeken die focussen op de risico’s of negatieve uitkomsten. Het begrijpen hoe studenten en net afgestudeerden omgaan met levensveranderingen en tegenslagen kan waardevolle inzichten opleveren in preventie strategieën voor mentale gezondheid en welzijn van jongvolwassenen4.

Hoe onderzoeken we dit?
Met een aantal vragenlijsten en twee korte computertaken. De vragenlijsten omvatten verschillende onderwerpen gerelateerd aan emotionele, cognitieve en sociale factoren, evenals leefstijl en levensgebeurtenissen. De computertaken meten cognitief functioneren. Het gehele onderzoek zal online plaatsvinden. Je kunt dus vanuit huis meedoen op je laptop of pc. 

Kan ik meedoen? 
Ben je een Nederlandse student in het laatste jaar van je bachelor of bezig met een master? Dan kun je meedoen aan de screeningsvragenlijst die 5 minuten duurt. Uit de screeningsvragenlijst zullen we deelnemers selecteren voor de 2-jarige studie. De 2-jarige studie bestaat uit 5 metingen. Elke meting bestaat uit vragenlijsten (ongeveer 40 minuten) en computertaken (ongeveer 15 minuten). Je kunt tussendoor pauze nemen. In totaal zal het minder dan een uur duren per meting. In minder dan 5 uur van jouw tijd kan je dus een substantiële bijdrage leveren aan ons project! Meer details over deze studie staan beschreven aan het begin van de screeningsvragenlijst (zie link onderaan). 

Wat krijg ik als ik deelneem? 
Na het voltooien van de screeningsvragenlijst kan je meedoen aan een loterij voor BOL.com bonnen van 50 euro. Als je verder gaat met het longitudinale onderzoek, zal je 10 euro BOL.com bonnen ontvangen voor iedere meting waar je aan mee doet. Als je alle vijf de metingen voltooit, kan je deelnemen aan een loterij voor vouchers voor een verblijf in vakantieparken. Daarnaast houden we deelnemers op de hoogte van de voortgang van het project door middel van nieuwsbrieven zodat je meer kunt leren over ons onderzoek. Bovendien zullen we deelnemers die tot het einde van het onderzoek meedoen feedback geven over hun leefstijl (indien gewenst).

Doe mee aan het alRISCO lifestyle project en draag bij aan meer kennis over hoe studenten op een positieve manier om kunnen gaan met deze uitdagende maar enerverende fase in het leven :)!

Je kunt je aanmelden voor de screeningsvragenlijst via deze link: https://bit.ly/3iSXnMT

Volg ons op social media voor meer informatie:

Deze blog werd geschreven door Milagros Rubio (Radboud Universiteit, promovenda en projectleider van het alRISCO project; m.rubio@bsi.ru.nl) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Arnett JJ. Emerging adulthood: A theory of development from the late teens through the twenties. Am Psychol. 2000;55(5):469-480. doi:10.1037/0003-066X.55.5.469
2. Casey BJ, Galván A, Somerville LH. Beyond simple models of adolescence to an integrated circuit-based account: A commentary. Dev Cogn Neurosci. 2016;17:128-130. doi:10.1016/j.dcn.2015.12.006
3. Steinberg L. A Dual Systems Model of Adolescent Risk-Taking. 2008. doi:10.1002/dev.20445
4.  Kalisch R, Müller MB, Tüscher O. A conceptual framework for the neurobiological study of resilience. Behav Brain Sci. 2015;38(2015):e92. doi:10.1017/S0140525X1400082X

Sci-fly: De invloed van vaders op het eetgedrag van hun eigen kinderen

De laatste decennia nemen vaders binnen het gezin een steeds meer verzorgende rol aan, mede doordat beide ouders meer buitenshuis zijn gaan werken. Veel onderzoek is gedaan naar de rol en invloed van moeders op (de ontwikkeling van) eetgedrag van kinderen, terwijl er minder bekend is over de rol van vaders en hun eventuele invloed hierop. Het is bekend dat individuele eigenschappen van moeders geassocieerd zijn met bepaalde voedingspraktijken, bijvoorbeeld moeders opvattingen over eten hangt samen met restrictie van voedselinname van kinderen. Voedingspraktijken zijn gedragingen van ouders die als doel hebben wat het kind eet te beïnvloeden. Met voedingspraktijken wordt dus de specifieke eetopvoeding bedoeld. In hoeverre verschillen vaders van moeders in dit opzicht? En wat is de specifieke rol van vaders bij het ontwikkelen van eetgedrag en hun invloed op de voedselinname van hun kinderen? 

KERN
Deze review studie onderzocht de invloed van vaders op de eetgedragingen van hun eigen kinderen. Specifiek is gekeken naar uitkomsten met betrekking tot gezondheid van kinderen, relaties tussen gewicht van vaders en gewicht van kinderen en eetgedrag van vaders en eetgedrag van kinderen. Er zijn veel consistente bevindingen gevonden. BMI van vaders en BMI van kinderen waren positief gecorreleerd. Voedselinname van vaders, alsook de aanwezigheid van voedsel in de thuisomgeving, waren voorspellers voor voedselinname van kinderen. De voedingspraktijken van vaders waren voorspellend voor eetgedrag van hun kinderen en overeenstemming tussen deze voedingspraktijken met die van moeders, zorgden voor de gezondste voedselkeuzes bij hun kinderen. Een steeds groter aantal onderzoeken laat zien dat vaders een essentiële rol hebben in de invloed die zij hebben op eetgedrag van hun kinderen. De onderzoekers adviseren verder onderzoek, inclusief randomized control trials, om verdere conclusies te kunnen trekken en versterken. Ook concluderen zij dat verder onderzoek nodig is om educatiemogelijkheden en interventies gericht op vaders te kunnen neerzetten. 

ONDERZOEKSMETHODEN
Een systematische review waarin 851 artikelen gescreend werden. 23 studies voldeden aan de inclusiecriteria; 2 papers met een randomized control trial design, 3 longitudinale studies en 18 cross-sectionele studies werden geïncludeerd. Papers werden alleen geïncludeerd als vaderlijke invloed op kind gedragingen en/of voedselinname onderzocht werden. Vaders van verschillende leeftijden werden geïncludeerd, de onderzochte kinderen waren tussen de 0-18 jaar oud. 

VONDSTEN

  • BMI van vaders was positief gecorreleerd met BMI van hun kinderen.
  • Voedselinname van vaders was een voorspeller voor voedselinname van hun kinderen.
  • Aanwezigheid van voedsel in de thuisomgeving, was van invloed op de hoeveelheid voedselinname van kinderen.
  • Voedingspraktijken van vaders waren een voorspeller voor eetgedrag van hun kinderen.
  • Overeenstemming tussen de voedingspraktijken van vaders en moeders resulteerde in de gezondste voedingskeuzes bij kinderen. 

DETAILS
Litchford, A., Savoie Roskos, M. R., & Wengreen, H. (2020). Influence of fathers on the feeding practices and behaviors of children: A systematic review. Appetite, 147, 104558.

Deze sci-fly werd geschreven door Maaike Koning (Hogeschool Windesheim en Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Sci-fly: Middelengebruik, depressieve symptomen en de verbondenheid met de wijk onder jongvolwassen mannen

Beter een goede buur, dan een verre vriend? Jongeren bewegen zich iedere dag door de wijk waar ze wonen. Ze zijn er naar school gegaan en hebben wellicht vrienden gemaakt in de buurt. Of ze zijn inmiddels verhuisd en moeten hun plaats vinden in een nieuwe omgeving. Hoe belangrijk is het of je je sociaal verbonden voelt met de wijk waarin je woont? In de studie van Tsai en collega’s (2020) is de relatie tussen sociale verbondenheid en middelengebruik onderzocht. Hierbij is ook onderzocht of depressieve symptomen een rol spelen in de relatie tussen sociale verbondenheid en middelengebruik. 

Foto door: @thiszun

ONDERZOEKSMETHODE

WAT is onderzocht?

  • Is er een relatie tussen sociale verbondenheid met de omgeving en middelengebruik (alcohol, roken, cannabis) onder jongvolwassenen?
  • Loopt het mogelijke verband tussen sociale verbondenheid met de omgeving en middelengebruik via depressieve symptomen (sociale verbondenheid -> depressieve symptomen -> middelgebruik)? 

WIE zijn onderzocht? 

  • 5372 Zwitserse mannen met een gemiddelde leeftijd van 21.3 jaar bij aanvang van de studie. 

HOE is het onderzoek uitgevoerd?

  • Er zijn op 2 momenten vragenlijsten afgenomen met 4 jaar ertussen. 
  • Sociale verbondenheid is gemeten door vragen te stellen over vertrouwen in buurtgenoten, het gevoel onderdeel te zijn van de buurt, en onderlinge verdraagzaamheid. Hiervan is een gemiddelde score berekend.  
  • Depressieve symptomen zijn gemeten aan de hand van diagnostische criteria voor depressie.
  • Alcohol, roken en cannabis zijn gemeten met vragenlijsten die vragen stellen rondom de frequentie van gebruik en de aanwezigheid van signalen voor afhankelijkheid. Hier is per middel een somscore van gemaakt. 

RESULTATEN

  • Wat is de relatie tussen sociale verbondenheid en middelengebruik (alcohol, roken, cannabis) onder jongvolwassenen?
    • Hogere sociale verbondenheid hangt samen met minder roken en cannabisgebruik in het moment tijdens het afnemen van de 1e en 2e vragenlijst.  
    • Sociale verbondenheid voorspelt roken en cannabisgebruik 4 jaar later. 
  • Loopt het verband tussen sociale verbondenheid en middelengebruik via depressieve symptomen (sociale verbondenheid -> depressieve symptomen -> middelgebruik)? 
    • Er is bewijs gevonden dat het voorspellen van middelgebruik 4 jaar later via depressieve symptomen verloopt. Een lage mate van ervaren sociale verbondenheid voorspelt meer depressieve symptomen 4 jaar later en dit hangt samen met meer alcoholgebruik, roken en cannabisgebruik. 

OVERWEGINGEN

  • Dit is de eerste studie die de relatie tussen sociale verbondenheid, middelengebruik en depressieve symptomen onderzoekt onder jongvolwassenen. 
  • Dit is ook de eerste studie die het effect van sociale verbondenheid op middelengebruik op een later moment in tijd (4 jaar later) onderzoekt. Eerdere studies onderzochten dit verband op het zelfde moment in tijd. 
  • Voor het uitvoeren van de analyses was het beter geweest als er drie tijdsmomenten gemeten waren. 
  • De studie is alleen uitgevoerd onder Zwitserse jonge mannen. Het is onduidelijk of deze resultaten ook van toepassing zijn op jonge vrouwen, of in andere landen. 

CONCLUSIES

Een hogere mate van sociale verbondenheid met de omgeving bij jonge mannen lijkt samen te hangen met minder middelengebruik op dat moment. De relatie tussen sociale verbondenheid met de omgeving en middelengebruik in de toekomst lijkt te verlopen via depressieve symptomen. Lagere verbondenheid hangt samen met meer depressieve symptomen vier jaar later en dit hangt samen met meer middelengebruik. 

IMPLICATIES

Het stimuleren van een sterkere sociale verbondenheid met de directe leefomgeving kan een positief effect hebben op het welzijn van jonge mannen door minder problematisch middelengebruik en minder depressieve symptomen. 

DETAILS

Tsai, D-H., Foster, S., Gmel, G., Mohler-Kuo, M. (2020). Social cohesion, depression, and substance use severity among young men: Cross-sectional and longitudinal analyses from a Swiss cohort. Addictive Behaviors, 110, 106510. 

Deze Sci-Fly is geschreven door Maartje Luijten (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, de blog over Roken, Alcohol, Drugs en Dieet. 

Wijnen, wijnen, wijnen: wel of niet tijdens de coronacrisis?

Ondanks dat ik zelf geen druppel alcohol drink keek ik met veel plezier naar de afleveringen van Chateau Meiland waar de familie elke kleine tegenslag èn elk succesje als excuus gebruikte om te “wijnen”. Alcoholgebruik wordt in onze maatschappij geassocieerd met gezelligheid. Als je een Spa rood op een feestje neemt, dan word je al snel als saai bestempeld. Dat geldt in algemene zin in de samenleving, maar ook in specifieke zin voor studenten (zie ook 1). Cijfers van het Trimbos instituut laten zien dat 58,5% van de volwassen Nederlandse bevolking zich niet houdt aan de alcohol richtlijn. Die richtlijn is om helemaal geen alcohol te drinken of niet meer dan 1 glas per dag. Zo’n 8,5% van de bevolking drinkt overmatig, dat wil zeggen: meer dan 14 (vrouwen) of 21 (mannen) glazen alcohol per week 2. Voor universitair studenten ligt dit percentage hoger: zo’n 17% voldoet aan de criteria voor overmatig drinken 3.

Afbeelding blog jacqueline

Afbeelding van: dekarikaturist.nl

Uit eerder onderzoek weten we dat individuele verschillen in problematisch alcoholgebruik ongeveer voor de helft verklaard worden door erfelijke aanleg en voor de helft door omgevingsfactoren 4. Die omgevingsfactoren bestaan voor veel mensen uit sociale bijeenkomsten, zoals borrels, etentjes of feestjes. In maart van dit jaar, toen ons land in een ‘intelligente lockdown’ ging om de verdere verspreiding van het coronavirus in te dammen, werd onze omgeving opeens drastisch veranderd. De horeca moest dicht, evenementen werden afgelast, grote bijeenkomsten werden verboden, scholen en universiteiten schakelden over op online onderwijs en mensen werden opgeroepen om (zoveel mogelijk) thuis te werken. Sociale situaties waarin normaal gesproken veel alcohol gedronken wordt kwamen dus (bijna) niet meer voor. Wat is het effect van dit natuurlijke experiment op het alcoholgebruik van Nederlanders?

Het Trimbos instituut schrijft dat het nog lastig is om vast te stellen wat de coronacrisis precies voor invloed heeft op het alcoholgebruik in Nederland. De beperkte cijfers die er zijn geven nog weinig helderheid. Zo blijkt bijvoorbeeld dat er tijdens de coronacrisis meer alcohol werd verkocht dan vóór de coronacrisis. Maar halen mensen nu een hele doos met wijn in plaats van één fles omdat ze de supermarkt willen mijden, of omdat ze meer drinken? 5 De verwachting is dat veel mensen minder zijn gaan drinken tijdens de coronacrisis. Dit zijn waarschijnlijk de mensen die met name tijdens sociale bijeenkomsten dronken. Maar er zijn ook aanwijzingen dat een kleine groep Nederlanders juist méér is gaan drinken tijdens de coronacrisis. Dit kan komen door onzekerheid, stress, eenzaamheid of verveling in deze onzekere periode. Wat de korte en langere termijn gevolgen zijn van de coronacrisis op het alcoholgebruik is nog onbekend 5.

En wat zullen de effecten zijn binnen een studentenpopulatie waar relatief veel overmatige gebruikers zijn, maar waar alcoholgebruik zich over het algemeen in sociale situaties afspeelt? Deze vraag kan binnenkort beantwoord worden dankzij een groot Europees onderzoek wat geïnitieerd is door de Universiteit Antwerpen. Tijdens de lockdown in mei 2020 zijn er vragenlijsten verstuurd naar studenten van verschillende Europese universiteiten en hogescholen. Studenten van de Radboud universiteit deden ook mee. Ik kan niet wachten om samen met collega’s in die data te duiken en antwoord te krijgen op deze vraag wat de coronacrisis doet met alcoholgebruik onder studenten. En gelukkig komt er binnenkort weer een nieuw seizoen van Chateau Meiland, zodat ik ook (op een niet-wetenschappelijke manier) antwoord krijg op de vraag of de coronacrisis invloed heeft op de mate van wijnen bij de familie Meiland!

Deze blog werd geschreven door Jacqueline Vink (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Alcohol drinken als student, is dat de norm? T. van der Snee. 20 juni 2020. https://tianvandersnee.fhj.nl/2020/06/22/alcohol-drinken-als-student-is-dat-de-norm/
2. Factsheet riskant alcohol gebruik in Nederland. K. Monshouwer, M. Tuithof en S. van Dorsselaer. Trimbos Instituut 2018 https://www.trimbos.nl/docs/bd1d5260-16d8-4d3f-a151-09f983d61d4c.pdf
3. Alcohol, tabak en drugs gebruik door studenten. Inventarisatie van (onderzoeken naar) prevalentieschattingen onder MBO-, HBO- en WO-studenten in Nederland. S. van Dorsselaer en F.X. Goossens. Trimbos instituut 2015. https://www.trimbos.nl/docs/f5a4716f-a658-4a45-81ff-ac1682139a4e.pdf
4. Zit middelengebruik en verslavingsgedrag in de familie? Over erfelijkheid en de zoektocht naar genen. Jacqueline Vink. Tijdschrift Verslaving (2016) 12:243-255.
5. Alcoholgebruik in tijden van corona. N. van Hasselt. Trimbos Instituut 20 juni 2020. https://www.trimbos.nl/actueel/blogs/blog/alcoholgebruik-in-tijden-van-corona

Sci-fly: Een kind dat niet wil eten en een moeder die dwingt te eten: Wie beïnvloedt wie?

Kieskeurig eetgedrag komt veel voor bij jonge kinderen. Ze lusten maar een beperkt aantal producten, en iets nieuws proberen? Ho maar! Dit eetgedrag kan bij ouders voor frustratie zorgen, maar ook voor ongerustheid over de gezondheid van hun kind. Het is echter nog niet bekend waarom deze twee gedragingen aan elkaar gerelateerd zijn. Lokt het kieskeurige eetgedrag deze ouderlijke controle uit? Of worden kinderen kieskeuriger naarmate ouders meer druk uitoefenen om te eten?

Child Eats Vegetables. Summer Photo. Selective Focus

KERN
Deze studie onderzocht of kieskeurig eetgedrag van kinderen gerelateerd was aan meer ouderlijke druk om te eten bij moeders, en of ouderlijke druk bij moeders op zijn beurt meer kieskeurig eetgedrag bij kinderen voorspelde. Uit de resultaten bleek beide het geval te zijn. De onderzoekers concludeerden dat moeder en kind elkaars gedrag rondom kieskeurig eten wederzijds beïnvloedden, en daarmee versterken. Hoewel ouders waarschijnlijk met goede bedoelingen hun kind dwingen om te eten, lijkt dit op langere termijn een averechts effect te hebben. Daarom zouden ouders gestimuleerd moeten worden om op een andere manier met het kieskeurige eetgedrag van kun kind om te gaan. De onderzoekers adviseerden om hier specifieke adviezen voor te ontwikkelen.

ONDERZOEKSMETHODEN
In dit Nederlandse onderzoek deden 4845 moeder-kind duo’s mee. Moeders vulden op vier momenten vragenlijsten in. Toen kinderen 1.5, 3, 4 en 6 jaar oud waren, vulden moeders vragen in over het eetgedrag van hun kind. Op 4-jarige leeftijd, vulden moeders ook een vragenlijst in naar ouderlijke druk om te eten.

VONDSTEN

  • Kieskeurig eetgedrag bij kinderen op 1.5-jarige leeftijd voorspelde meer ouderlijke druk om te eten bij moeders tweeënhalf jaar later.
  • Kieskeurig eetgedrag bij kinderen op 3-jarige leeftijd voorspelde ook meer ouderlijke druk om te eten bij moeders één jaar later.
  • Het gebruik van ouderlijke druk om te eten bij moeders op 4-jarige leeftijd (van het kind), voorspelde meer kieskeurig eetgedrag bij het kind twee jaar later.

DETAILS
Jansen, P. W., de Barse, L. M., Jaddoe, V. W. V., Verhulst, F. C., Franco, O. H., & Tiemeier, H. (2017). Bi-directional associations between child fussy eating and parents’ pressure to eat: Who influences whom? Physiology & Behavior, 176, 101-106.

Deze Sci-Fly werd geschreven door Desi Beckers (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Growing in the face of challenge: What the COVID-19 pandemic can teach us about reducing substance use?

The COVID-19 pandemic has affected everyone in one way or another. These global events can flood us with uncertainty and can challenge our world-views. Naturally, the pandemic has forced us to re-organize our life priorities – health being the number one. Most research about disaster events has focused on the relationship with negative consequences, such as negative emotions, mental health disorders (post-traumatic stress disorder (PTSD), anxiety and depression), and increases in substance use1–3. It can’t be denied that negative consequences are important and should not be overlooked. But is it all there is to it? For example, highly stressful life experiences can also bring a new sense of meaning to life. Could a life-crisis result in a new lifestyle that discourages maladaptive behaviours such as substance use?

nathan-dumlao-mNLymMqX7iE-unsplash3

Posttraumatic growth (PTG) describes the phenomenon in which critical life experiences result in (positive) transformation4,5. This concept does not contradict the hardships of stressful life events; it highlights the potential for positive change that can co-exist in a critical situation. To experience this growth, an individual would have to perceive a threat, an “inflection point”, in which his or her established set of schemas do not longer suffice. It goes beyond returning to a pre-crisis state, but it is about experiencing meaningful development. This idea of growth after stress is very attractive, but you may wonder whether this remains a philosophical suggestion or whether empirical studies can support the growth of vulnerable individuals amid challenging life events.

PTG is a relatively new concept in psychological research. Overall, it can be measured by five domains of growth5: a) gratitude and alteration of life priorities; b) greater relationship quality; c) increases in perception of personal strength; d) acknowledgement of new opportunities; and e) engagement in existential questions. Post-traumatic growth has been explored mainly in connection with general psychological well-being and adjustment after highly stressful life events. Not many studies have looked into the association between the mentioned domains of growth and substance use. However, there are some indications of a relationship between stressful life events, PTG, and a decrease in problematic substance use.

Some research has explored the positive impact of stressful events in substance use in at-risk populations6. For example, qualitative interviews of ex-smokers smoking have described to be “at a critical” point in their lives when they quitted 7. Furthermore, a very large study of 4569 young adults found that experiencing stressful events was associated with decreases in alcohol use mainly for dependent drinkers8. These stressful life events could have acted as a “critical transition point” for them. However, as they did not measure PTG per se, the interpretation remains speculative. Interestingly, a two-year study in adolescents at risk for maladaptive behaviours applied a PTG scale to quantify the relationship between amount of stressful-life events, PTG and substance use6. They did find that higher stressful events were associated with increased substance use in adolescence; however, those who could find positive change in life altering events were more protected against problematic alcohol and cannabis use.

Finally, some preliminary results about general COVID-19 mental health and positive appraisal supports this idea for mental health9. A positive evaluation of these events appears to protect against psychological distress amid the COVID-19 pandemic. Particularly, those who reported that they could learn and change for the better, both personally and as a society, preserved a good mental health during the first weeks of the European Corona lockdown. We still need to determine whether this same mechanism can apply to substance use behaviour specifically for the COVID-19 pandemic, although the described literature does provide some indications.

To summarize, our ability to learn from a specific, life-altering, event may influence how we modify unhealthy patterns (such as decreasing substance use). Yet, this stressful experience may have to provide a critical transition point, and “eye-opening” experiences for those engaged in substance use. It might not be about the accumulation of stressful life events in itself, but about how that particular event has shaken your life views and has presently impacted you. Now it may be your job to find personal meaning in this corona situation and ask yourself some tough questions!

This blog was written by Milagros Rubio (Radboud University) for RAD-blog, the blog about smoking, alcohol, drugs and diet.

References
1. Wu P, Liu X, Fang Y, et al. Alcohol abuse/dependence symptoms among hospital employees exposed to a SARS outbreak. Alcohol Alcohol. 2008;43(6):706-712. doi:10.1093/alcalc/agn073
2. Lau JTF, Yang X, Pang E, Tsui HY, Wong E, Yun KW. SARS-related perceptions in Hong Kong. Emerg Infect Dis. 2005;11(3):417-424. doi:10.3201/eid1103.040675
3. Brooks SK, Webster RK, Smith LE, et al. The psychological impact of quarantine and how to reduce it: rapid review of the evidence. Lancet. 2020;395(10227):912-920. doi:10.1016/S0140-6736(20)30460-8
4. Tedeschi RG, Calhoun LG. The posttraumatic growth inventory: Measuring the positive legacy of trauma. J Trauma Stress. 1996;9(3):455-471. doi:10.1002/jts.2490090305
5. Tedeschi RG, Calhoun LG. Posttraumatic Growth : Conceptual Foundations and Empirical Evidence ” Posttraumatic Growth : A Developmental Perspective. Psychol Inq. 2004;15(1):1-18. doi:10.1207/s15327965pli1501
6. Arpawong TE, Sussman S, Milam JE, et al. Posttraumatic growth, stressful life events, and relationship with substance use behaviors among alternative high school students: a prospective study. Psychol Heal. 2015;30(4):475-494. doi:10.1080/08870446.2014.979171
7. Tsourtos G, Ward PR, Muller R, et al. The importance of resilience and stress to maintaining smoking abstinence and cessation: A qualitative study in Australia with people diagnosed with depression. Heal Soc Care Community. 2011;19(3):299-306. doi:10.1111/j.1365-2524.2010.00973.x
8. Hoyland MA, Latendresse SJ. Stressful life events influence transitions among latent classes of alcohol use. Psychol Addict Behav. 2018;32(7):727-737. doi:10.1037/adb0000412
9. Veer IM, Riepenhausen A, Zerban M, Wackerhagen C, Hajduk M. Mental resilience in the Corona lockdown : First empirical insights from Europe. :1-15.

Sci-fly: Wat doen sociaal isolement en eenzaamheid met onze leefstijl?

De coronapandemie dwingt ons tot een beperking van sociale contacten en dit kan gepaard gaan met een eenzaam gevoel. Op termijn kunnen sociaal isolement en eenzaamheid leiden tot serieuze gezondheidsproblemen, zoals depressieve klachten, een verhoogde bloeddruk en slaapproblemen. Sociale relaties kunnen ons gezondheidsgedrag op twee manieren beïnvloeden. Enerzijds positief: door het delen van kennis over een gezonde leefstijl en sociale controle wordt het makkelijker om gezond gedrag vol te houden. Anderzijds negatief: sociale relaties die ongezond gedrag stimuleren, zoals vrienden die elkaar “aansteken” om te gaan roken. Met name in achterstandswijken kan het relevant zijn om de rol van sociaal isolement en eenzaamheid op leefstijl te onderzoeken, aangezien ongezond gedrag vaker voorkomt bij inwoners van achterstandswijken vergeleken met inwoners van andere wijken. Onderstaande Deense studie verdiepte zich hierin!

KERN
De huidige studie liet zien dat sociaal isolement en eenzaamheid in achterstandswijken geassocieerd waren met een hogere kans op ongezond gedrag (lage groente- en fruitconsumptie, dagelijks roken en fysieke inactiviteit). Sociaal isolement en eenzaamheid gingen in deze studie niet gepaard met een hoge alcoholconsumptie.

Het is belangrijk dat strategieën om sociaal isolement en eenzaamheid te verminderen worden geïntegreerd in bestaande gezondheidsinterventies voor inwoners van achterstandswijken. Uit een eerdere studie bleek dat groepsinterventies (educatieve en sociale activiteiten gericht op specifieke groepen) behulpzaam zijn bij het voorkomen van sociaal isolement en eenzaamheid.

ONDERZOEKSMETHODE
Het doel van deze Deense studie was om meer inzicht te krijgen in:
A. Sociaal isolement en eenzaamheid onder bewoners van achterstandswijken in vergelijking met de algemene bevolking
B. De samenhang tussen sociaal isolement, eenzaamheid en een ongezonde leefstijl

Om de onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden werd gebruik gemaakt van twee databases:
1. Achterstandswijken gezondheidsprofiel vragenlijst, deze vragenlijst werd ingevuld door 5.113 bewoners van achterstandswijken in 2011.
2. Deense gezondheid en ziekte vragenlijst, deze vragenlijst werd ingevuld door 14.686 volwassenen in 2010 (algemene bevolking).

De uitkomstmaat sociaal isolement was gebaseerd op een zogenoemde netwerkindex, een instrument waarmee het sociale netwerk van een respondent in kaart wordt gebracht. De scores van deze sociale netwerkindex varieerden tussen 0 en 4 en werden gecategoriseerd in “sociaal geïsoleerd” (score 0-2) en “niet-sociaal geïsoleerd” (score 3-4). Eenzaamheid werd bepaald door de vraag: “Ben je ooit alleen, terwijl je liever samen bent met andere mensen?”. Antwoordopties bij deze vraag waren “Ja, vaak”, “Ja, soms”, “Ja, zelden” en “Nee”, deze antwoorden werden gecategoriseerd in “eenzaam” (vaak) en “niet-eenzaam” (soms, zelden, nee). Ongezond gedrag werd gemeten aan de hand van vier indicatoren: beperkte groente- en fruitconsumptie, dagelijks roken, hoge alcoholconsumptie en lichamelijke inactiviteit. In de analyses werden sociaal isolement en eenzaamheid uitgezet tegen sociaal demografische factoren en de vier leefstijlindicatoren.

VONDSTEN

Afbeelding sci-fly Pauline

A. Achterstandswijken in vergelijking met de algemene bevolking

  • Sociaal isolement kwam significant vaker voor bij inwoners:
    • met een migratieachtergrond (22%) in vergelijking met inwoners zonder migratieachtergrond (17%)
    • zonder een baan (22%) in vergelijking met inwoners met een baan (11%)
    • met een lage sociaal economische status (SES) (25%) in vergelijking met inwoners met een gemiddelde of hoge SES (16%)
  • Eenzaamheid kwam significant vaker voor bij inwoners:
    • met een migratieachtergrond (10%) in vergelijking met inwoners zonder migratieachtergrond (8%)
    • zonder een baan (11%) in vergelijking met inwoners met een baan (5%)
    • met een lage SES (12%) in vergelijking met inwoners met een gemiddelde of hoge SES (5%)

B. De samenhang met een ongezonde leefstijl

  • Sociaal geïsoleerde inwoners:
    • aten significant minder groente en fruit (13%) dan niet-sociaal geïsoleerde inwoners (6%)
    • rookten significant vaker dagelijks (45%) dan niet-sociaal geïsoleerde inwoners (37%)
    • waren significant vaker fysiek inactief (30%) dan niet-sociaal geïsoleerde inwoners (17%)
  • Eenzame inwoners:
    • aten significant minder groente en fruit (16%) dan niet-eenzame inwoners (7%)
    • rookten significant vaker dagelijks (49%) dan niet-eenzame inwoners (37%)
    • waren significant vaker fysiek inactief (34%) dan niet-eenzame inwoners (18%)
  • Een hoge alcoholconsumptie (meer dan 14 glazen per week voor vrouwen en meer dan 21 glazen per week voor mannen) was niet geassocieerd met sociaal isolement en eenzaamheid.

DETAILS
Algren, M.H., Ekholm, O., Nielsen, L., Ersbøll, A.K., Bak, C.K., Andersen, P.T. (2020). Social isolation, loneliness, socioeconomic status, and health-risk behaviour in deprived neighbourhoods in Denmark: A cross-sectional study. SSM Population Health, 10, 100546.

Deze sci-fly werd geschreven door Pauline Geuijen (Radboudumc) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.