Sci-Fly

sci fly icon

 

Op deze pagina vind je korte, hapklare samenvattingen van interessant recent onderzoek naar Roken, Alcohol, Drugs en/ of Dieet. Mooie manier om up-to-date te blijven van wat er gebeurt in de literatuur!

Onderzoek in de school

Een aanzienlijk deel van het onderzoek naar middelengebruik en eetgedrag richt zich op jongeren. En dat is niet geheel toevallig. Uit onderzoek blijkt immers dat jongeren meer risicogedrag vertonen dan jongere kinderen en volwassenen. Zo wordt bijvoorbeeld het eerste glas alcohol in de meeste gevallen tijdens de adolescentie gedronken, en ook de eerste sigaret wordt vaak opgestoken in deze fase van het leven. Daarnaast gaan jongeren in deze ontwikkelingsfase steeds meer experimenteren met het eten van suiker- en/of vetrijke voeding, zoals de welbekende energiedrankjes en frikandelbroodjes.

Een groot aantal wetenschappelijke studies heeft al verschillende factoren geïdentificeerd die van invloed kunnen zijn op het middelengebruik en het eetgedrag van jongeren. Zo blijkt bijvoorbeeld de mate waarin jongeren hun impulsen kunnen onderdrukken en de mate waarin zij op zoek zijn naar spanning en sensatie in hun omgeving gerelateerd te zijn aan de mate waarin zij dergelijk risicovol gedrag laten zien. In de laatste jaren richt onderzoek zich echter steeds vaker niet enkel op deze individuele factoren van jongeren zelf, maar ook op de invloed van de omgeving waarin jongeren zich bevinden.

Eén van de belangrijkste omgevingen van jongeren is de schoolomgeving, een omgeving waar jongeren zich 5 dagen per week bevinden. Tijdens de lessen en de pauzes, maar ook buiten schooltijd om, brengen jongeren hier een steeds groter deel van hun tijd door met klasgenoten. Aangezien het voor jongeren erg belangrijk is om vriendschappen te sluiten, en om “erbij” te horen en geaccepteerd te worden door leeftijdgenoten, richt steeds meer onderzoek zich op de invloed van klasgenoten op het gedrag van jongeren. Bij dit type onderzoek ligt de focus zeker niet altijd enkel op de academische prestaties van jongeren, maar ook steeds vaker op middelengebruik van jongeren. Zo lijkt bijvoorbeeld het alcoholgebruik en het rookgedrag van jongeren samen te hangen met dat van hun van hun vrienden op school.

foto_scholen_netwerk.jpg

Om te onderzoeken of schoolvrienden ook het eetgedrag van jongeren beïnvloeden, hebben onderzoekers van het Behavioural Science Institute (BSI) van de Radboud Universiteit het “G(V)OED voor elkaar!” onderzoek opgezet. Middels vragenlijsten wordt bij jongeren op school nagevraagd hoe frequent ze bepaalde gezonde en ongezonde producten consumeren. Ook wordt nagegaan wie hun (beste) vrienden zijn in de klas. Zo kan onderzocht worden of het eetgedrag van jongeren en dat van hun (beste) vrienden gerelateerd zijn aan elkaar. Daarnaast wordt onderzocht of bepaalde typen jongeren meer ontvankelijk zijn voor de invloed van vrienden. Zo kan gedacht worden aan jongeren die een lager welbevinden ervaren of jongeren met ouders die minder regels hebben over het eetgedrag van hun kinderen. Voor dit onderzoek volgen we ongeveer 700 jongeren en hun ouders over de eerste jaren van de middelbare school, om ook eventuele veranderingen over de tijd in kaart te kunnen brengen. In het voorjaar van 2020 staat de vierde en laatste meetronde van dit onderzoek op de planning.

Naast dit type onderzoek naar middelengebruik en eetgedrag, wordt er binnen het BSI nog veel meer onderzoek gedaan naar gedrag binnen de schoolcontext. Zo wordt er onderzoek gedaan naar onder andere pestgedrag, de ontwikkeling van taalvaardigheden, de inclusie van leerlingen met beperkingen, en sombere en angstige gevoelens die jongeren kunnen ervaren. Aangezien dit onderzoek van grote relevantie kan zijn voor de praktijk en we graag onze samenwerking met scholen verduurzamen, presenteren we als BSI zijnde graag de “BSI Scholen Netwerk Middag” op 31 januari 2020. Een netwerkdag voor, door en samen met scholen rondom gedragsonderzoek bij kinderen en jongeren tot en met 18 jaar, waarop praktijkpartners worden uitgenodigd om een kijkje te nemen in de keuken van ons onderzoek. In verschillende interactieve informatiesessies komen diverse onderzoeksonderwerpen aan bod. Wilt u graag meer informatie over deze middag of wilt u zich graag aanmelden? Dan kunt u terecht op deze website. Wellicht tot dan!

Deze blog werd geschreven door Nina van den Broek (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Alcoholvrije alternatieven opstapje naar ‘het echte werk’?

De opkomst van alcoholvrij bier en andere dranken die lijken op alcohol  is een grote trend in Nederland. Dit blijkt uit de komst van verschillende alcoholvrije bieren, radlers, ciders, wijnen en zelfs gin (vanaf hier: alcoholvrije alternatieven). De toename in consumptie van alcoholvrije alternatieven is eenvoudig te verklaren door de voordelen die hieraan hangen: na consumptie mag iemand nog steeds een auto besturen, alcoholvrije alternatieven kunnen gedronken worden door zwangere vrouwen en zijn over het algemeen gezonder, ondanks dat ze in toenemende mate lijken op (en smaken als) de alcoholische tegenhangers.

Naast de voordelen van de groeiende alcoholvrije markt, is het voor jongeren echter nog onbekend in hoeverre alcoholvrije alternatieven invloed hebben op alcoholgebruik. Een mogelijk gevolg van het drinken van alcoholvrije alternatieven is namelijk dat de opstap naar alcoholhoudende dranken kleiner wordt. Hier is nog weinig onderzoek naar gedaan, maar een studie vindt zijn oorsprong in Japan. Net als in Nederland zijn er in Japan geen regulaties van de consumptie van alcoholvrije alternatieven onder jongeren.

KERN
In deze studie werd onderzocht of jongeren meer alcohol gaan drinken als ze al ervaring hebben met alcoholvrije alternatieven. Ondanks dat dit paper enkele jaren oud is (2016) en de gegevens uit Japan komen, is dit één van de weinige onderzoeken die zich richt op de gevolgen van de opkomst van alcoholvrije alternatieven.

bike beer

 
METHODE
Voor deze studie vulden in totaal 100,050 jongeren tussen 12 en 18 jaar uit Japan (waarvan 51,587 jongens) eenmalig een vragenlijst in. Hierin werd gevraagd naar de consumptie van zowel alcoholhoudende dranken als alcoholvrije alternatieven. Als jongeren aangaven dat ze beide ‘soorten’ dranken al eens geconsumeerd hadden, werd er gevraagd naar de volgorde van consumptie (eerst alcoholvrij en dan alcoholhoudend of andersom).

VONDSTEN

  • De consumptie van alcoholvrije alternatieven bereikte een piek rond 15 jaar oud. Daarbij werd gevonden dat meisjes gemiddeld meer alcoholvrije alternatieven dronken dan jongens. Dit heeft mogelijk te maken met de Japanse cultuur (vaker intolerant ten opzichte van alcoholgebruik onder vrouwen) en marketing (advertenties zijn vaker gericht op uiterlijk en gezondheid).
  • Er werd gevonden dat de consumptie van alcoholvrije alternatieven geassocieerd was met de consumptie van alcoholhoudende dranken.
  • De volgorde van alcoholvrije alternatieven en alcoholische dranken werd vastgesteld. Het bleek dat voor alcoholgebruik vaker voorafging aan het consumeren van alcoholvrije alternatieven. Dit suggereert dat alcoholvrije alternatieven geen trigger zijn voor het drinken van alcoholische drankjes. Daarnaast bleek dat dit niet verschilde voor jongens en meisjes.
  • De proportie jongeren die alcoholvrije alternatieven eerder dronk was groter onder jongere studenten. De onderzoekers merken op dat het mogelijk is dat alcoholvrije alternatieven een ‘gateway’ zijn naar alcoholhoudende dranken.

De studie heeft verschillende beperkingen. Een belangrijk punt is dat deze studie specifiek is voor de Japanse cultuur: een land waar alcoholvrije alternatieven veel geconsumeerd worden en makkelijk te verkrijgen zijn.

Het stijgend aandeel van alcoholvrije alternatieven is ook in Nederland zichtbaar en maakt een studie als deze een belangrijk startpunt voor onderzoek in onze cultuur. Gebaseerd op deze studie zou het interessant zijn om bepalen of jongeren in Nederland een verhoogd risico lopen om eerder te beginnen met alcohol of om meer te gaan drinken, wanneer ze al op jongere leeftijd in aanraking zijn gekomen met alcoholvrije alternatieven.

DETAILS
Kinjo, A., Imamoto, A., Ikeda, M., Itani, O., Ohida, T., Kaneita, Y., … & Osaki, Y. (2016). The Association Between Alcohol-Flavoured Non-Alcoholic Beverages and Alcohol Use in Japanese Adolescents. Alcohol and Alcoholism52(3), 351-357.

Deze sci-fly werd geschreven door Koen Smit (Trimbos Instituut/ Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Ouderlijk welzijn in de opvoeding van jonge kinderen: A “two-way street” met implicaties voor gezondheidsinterventies

Vraag een ouder wat hem of haar het meest gelukkig maakt en het antwoord luidt: “Mijn kind(eren)!”. Er zijn inderdaad studies die aantonen dat ouders hogere welzijnscijfers rapporteren tijdens activiteiten met hun kind dan zonder hun kind.Echter, wanneer je de geluksniveaus van ouders met kinderen vergelijkt met die van hun kinderloze leeftijdgenoten, wordt een schril contrast zichtbaar. Ouders van kinderen, met name die van jonge kinderen, zijn over het algemeen minder gelukkig en ervaren vaker gevoelens van depressie en angst.Het krijgen en opvoeden van kinderen lijkt dus het welzijn van ouders te bepalen.

RADblog_Levie_Sept2019_foto

Omgekeerd bepaalt ouderlijk welzijn ook de opvoedingen dit heeft weer gevolgen voor de ontwikkeling en het welzijn van kinderen.Eerder onderzoek op het gebied van eetgedrag heeft aangetoond dat ouders met verminderd welzijn vaker specifieke opvoedtechnieken gebruiken die gerelateerd zijn aan overgewicht bij kinderen. Zo dwongen ouders met depressieve gevoelens hun kinderen vaker om hun eten op te eten, stond de tv in deze gezinnen tijdens het eten vaker aan, en aten kinderen van depressieve ouders minder vaak met het gezin aan tafel.Daarnaast gaven moeders met symptomen van depressie, angst of stress hun kind vaker eten als troost (emotioneel voeden) of beloning (instrumenteel voeden)en hadden gestreste moeders vaker kinderen die minder bewogen en meer stilzaten.7

Waarom passen ouders met verminderd welzijn vaker ongewenste opvoedtechnieken toe? Een mogelijke verklaring ligt in de beperkte psychologische beschikbaarheid en weerbaarheid van de ouders. Ouders met depressieve klachten bleken bijvoorbeeld voornamelijk bezig te zijn met hun eigen problemen.Somberheid, stress en angst maken het lastiger om aan te voelen wat een kind nodig heeft en om de opvoeding op deze behoeften af te stemmen. Sensitief ouderschap komt daardoor in het geding en automatische reactiepatronen liggen op de loer. Depressieve of gestreste ouders hebben misschien wel de intentie om niet toe te geven als het kind om snoep zeurt, maar staan niet in hun kracht om deze grens ook daadwerkelijk te verdedigen. Daarnaast is het denkbaar dat ouders die niet lekker in hun vel zitten zelf meer ongezond- en/of risicogedrag vertonen, zoals ongezond eten, weinig bewegen en roken, en hiermee een ongewenste voorbeeldfunctie voor hun kind vertonen.

Gegeven de relatie tussen ouderlijk welzijn en de ontwikkeling van het kind, kan het bevorderen van positief psychosociaal welzijn onder ouders mogelijk bijdragen aan het voorkomen van ongezonde en/of risicogedragingen en daaraan gerelateerde gezondheidsuitkomsten. Gezondheidsinterventies doen er daarom goed aan om te verkennen wat de mogelijkheden zijn tot het integreren van ouderlijk welzijn in hun programma. Enkele programma’s experimenteerden al met een geïntegreerde oudercomponent, zoals de Group Triple P obesitasinterventie. Deze module, gericht op stress en negatieve emoties in de opvoeding, werd door zowel ouders als professionals positief beoordeeld.9

Daarnaast loopt op de Radboud Universiteit het overgewichtpreventieprogramma Samen Happie!, waarin ook aandacht wordt besteed aan het welzijn van ouders. Een van de doelen van dit project is om te onderzoeken welke rol het welzijn van ouders speelt in de opvoeding die zij hun kind geven. Tegelijkertijd proberen we het welbevinden van ouders een boost te geven via oefeningen op het gebied van mindful ouderschap, positieve emoties en stressreductie. Deze krijgen ouders aangeboden via de Samen Happie! app en ouderbijeenkomsten. Op 28 november 2019 vindt bij de Radboud Universiteit het mini symposium “Gezond opvoeden: Hoe help je ouders op weg?” plaats, waarin het Samen Happie! project uitgebreid aan bod zal komen. Het volledige programma voor die middag vind je hier. Wil je op de hoogte blijven van het project of meer informatie ontvangen? Stuur dan een mailtje naar samenhappie@ru.nlof meld je aan voor het symposium.

Deze blog werd geschreven door Levie Karssen (junior onderzoeker bij het Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

1. Musick, K., Meier, A., & Flood, S. (2016). How parents fare: Mothers’ and fathers’ subjective wellbeing in time with children. American Sociological Review, 81, 1069-1095.
2. Herbst, C. M., & Ifcher, J. (2016). The increasing happiness of US parents. Review of Economics of the Household14, 529-551.
3. Wilson, S., & Durbin, C. E. (2010). Effects of paternal depression on fathers’ parenting behaviors: A meta-analytic review. Clinical Psychology Review30, 167-180.
4. Kuckertz, J. M., Mitchell, C., & Wiggins, J. L. (2018). Parenting mediates the impact of maternal depression on child internalizing symptoms. Depression and Anxiety35, 89-97.
5. Goulding, A. N., Rosenblum, K. L., Miller, A. L., Peterson, K. E., Chen, Y. P., Kaciroti, N., & Lumeng, J. C. (2014). Associations between maternal depressive symptoms and child feeding practices in a cross-sectional study of low-income mothers and their young children. International Journal of Behavioral Nutrition and Physical Activity11, 75.
6. Rodgers, R. F., Paxton, S. J., McLean, S. A., Campbell, K. J., Wertheim, E. H., Skouteris, H., & Gibbons, K. (2014). Maternal negative affect is associated with emotional feeding practices and emotional eating in young children. Appetite80, 242-247.
7. O’Connor, S. G., Maher, J. P., Belcher, B. R., Leventhal, A. M., Margolin, G., Shonkoff, E. T., & Dunton, G. F. (2017). Associations of maternal stress with children’s weight‐related behaviours: A systematic literature review. Obesity Reviews18, 514-525.
8. Murray, L., Kempton, C., Woolgar, M., & Hooper, R. (1993).  Depressed mothers’ speech to their infants and its relation to infant gender and cognitive development. Journal of Child Psychology and Psychiatry34, 1083– 1101.
9. Van Mourik, K., Crone, M. R., & Reis, R. (2018). Relevance of the intervention module “Coping with stress and unhelpful emotions” for parents living in multi-ethnic deprived neighborhoods. Children and Youth Services Review, 88, 426-433.

Sci-fly: Nicotineverslaving – onderzoek naar de neurobiologische risicofactoren

De meest voorkomende verslaving onder jongeren is die aan sigaretten, ofwel nicotine. Sigaretten zijn, in vergelijking tot andere drugs, eenvoudig te verkrijgen en daardoor komt experimenteren met roken onder jongeren veel voor. Terwijl sommige jongeren gemakkelijk van de sigaretten af kunnen blijven nadat ze een aantal keer gerookt hebben, lijkt dit voor anderen veel moeilijker. Waarom zijn sommige jongeren gevoeliger voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving in vergelijking tot anderen? Onderzoek naar de onderliggende neurobiologische risicofactoren kan inzicht geven.

Uit eerder onderzoek weten we dat drugs gerelateerde beloningen (bijvoorbeeld een sigaret of een pakje sigaretten) zorgen voor een verhoogde activiteit in het beloningsgebied in de hersenen van verslaafde volwassenen. Niet-drugs gerelateerde beloningen, zoals geld, zijn juist minder interessant en resulteren in verminderde activiteit. Eerder onderzoek was met name gefocust op volwassenen, maar deze studie was een van de eerste studies die dit fenomeen testte in adolescenten.

KERN
De onderzoekers vonden dat het beloningsgebied in de hersenen van jongeren die roken minder actief is bij het zien van alledaagse beloningen, zoals geld, in vergelijking met jongeren die niet roken. Deze verminderde activatie van het beloningsgebied voor alledaagse beloningen werd zelfs waargenomen in jongeren die in hun leven slechts 10x gerookt hebben. Verminderde activiteit in het beloningsgebied van het brein voor alledaagse beloningen is dus mogelijk een risico factor voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving.

rokers brein beloning geld

ONDERZOEKSMETHODE
Het doel van deze studie was om meer inzicht te krijgen in de neurobiologische risicofactoren verantwoordelijk voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving. Om dit te onderzoeken werden 43 jongeren die roken vergeleken met 43 jongeren die niet roken. Met behulp van fMRI werd gekeken hoe het brein reageert op alledaagse beloningen (geld) en of er verschillen zijn tussen de 2 groepen in de activatie van het beloningsgebied in het brein. Er werd ook gekeken of de activatie in het beloningsgebied van het brein gerelateerd is aan het aantal sigaretten dat iemand gemiddeld genomen rookte in de maand voorafgaand aan het onderzoek. Daarnaast werd een kleine groep van milde rokers (14 jongeren, die minder dan 10x gerookt hebben in hun leven) vergeleken met de groep rokers.

VONDSTEN
Het beloningsgebied in de hersenen van de rokers in vergelijking tot de niet-rokers was minder actief voor alledaagse beloningen.

  • De activatie in dit gebied hing samen met het aantal sigaretten dat iemand gemiddeld genomen had gerookt in de maand voorafgaand aan het onderzoek. Dat wil zeggen dat hoe vaker iemand gemiddeld genomen rookte in de afgelopen maand, hoe lager de activiteit in het beloningsgebied.
  • De verminderde activiteit in het beloningsysteem werd ook waargenomen in de groep jongeren die minder dan 10 keer in hun leven gerookt hadden. Op basis van dit resultaat suggereren de onderzoekers dat jongeren die minder gevoelig zijn voor geld beloningen (minder activiteit in het beloningsgebied in de hersenen bij het zien van geld beloningen) mogelijk vatbaarder zijn voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving. Omdat de jongeren slechts 10x of minder gerookt hebben in hun leven, zijn de veranderingen in de activiteit van het brein niet het gevolg van chronisch nicotine gebruik. Deze data wijst erop dat verminderde activiteit in het beloningsgebied juist resulteert in roken. Echter, meer longitudinaal onderzoek is nodig om dit verder te onderzoeken.
  • De huidige studie suggereert dat verminderde activiteit in het beloningsgebied voor alledaagse beloningen mogelijk een risico factor is voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving.

DETAILS
Peters, J., Bromberg, U., …, Büchel, C. (2011). Lower  ventral striatal activation during reward anticipation in adolescent smokers. Am J Psychiatry,  168(5):540-9.

Deze sci-fly werd geschreven door Joyce Dieleman (Trimbos Instituut/ Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

‘Een wijntje drinken tijdens de zwangerschap, ik doe het soms…’

‘Geen alcohol drinken vóór, tijdens en ná de zwangerschap als je borstvoeding geeft’, het lijkt een vanzelfsprekend advies van de Gezondheidsraad1 gezien de negatieve gezondheidsgevolgen voor het ongeboren kind. Echter, uit de cijfers over alcoholgebruik vóór en tijdens de zwangerschap van de Monitor Middelengebruik en Zwangerschap – uitgevoerd door het Trimbos-instituut in 2016 en 20182 – blijkt dit advies voor sommigen moeilijker uitvoerbaar dan je zou denken, zeker onder hoogopgeleide Westerse vrouwen.

Alcohol vóór de zwangerschap
Hoewel de meerderheid van de vrouwen geen alcohol drinkt vanaf het moment dat ze weten dat ze zwanger zijn, heeft 44% van de vrouwen in de vier weken vóór de zwangerschap alcohol gedronken. Van de vrouwen die vóór de zwangerschap alcohol hebben gedronken, dronk 1,7% (bijna) dagelijks, 37% wekelijks, 42% enkele keren en 19% enkele slokjes. Het gaat dan om gemiddeld minder dan twee glazen per keer.2 Vooral 30-34 jarige vrouwen drinken alcohol vóór de zwangerschap en lopen daarmee een verhoog risico op een miskraam en foetale sterfte.3

Alcohol tijdens de zwangerschap
Vanaf het moment dat vrouwen weten dat ze zwanger zijn, vind er een daling plaats van het alcoholgebruik tot 4,2%. Het gaat dan in de meeste gevallen om het drinken van een slokjes alcohol. Vrouwen die alcohol drinken tijdens de zwangerschap lopen een verhoogd risico op miskramen, foetale sterfte en vroeggeboorte van het ongeboren kind. Daarnaast kan het geboren kind een laag geboortegewicht hebben en een achterstand in de motorische ontwikkeling oplopen. Bovendien wordt de kans op het Foetaal Alcohol Syndroom (FAS) groter als vrouwen overmatig drinken (i.e., > 14 glazen per week) of binge drinken (i.e., het drinken van ≥ 5 glazen per gelegenheid).2 Kinderen met FAS kunnen blijvende mentale en fysieke problemen hebben.4

Alcohol ná de zwangerschap
Nederlandse prevalentiecijfers omtrent het alcoholgebruik bij vrouwen die borstvoeding geven ontbreken. Er wordt geschat dat ongeveer de helft van de Westerse vrouwen die borstvoeding geven alcohol drinkt.5 Het geboren kind die via borstvoeding alcohol binnen heeft gekregen, drinkt niet alleen minder moedermelk, maar krijgt ook een ander slaap- waakritme. Er wordt aanbevolen om direct na het drinken van één standaardglas alcohol (i.e., bevat 10 gram ethanol in Nederland) gedurende drie uur geen borstvoeding te geven en geen moedermelk af te kolven voor latere voedingen. Bij het drinken van meer glazen alcohol wordt de duur van die periode langer (i.e., het aantal standaardglazen * drie uur = tijd geen borstvoeding/kolven).3

Alcoholvrij Zwanger
Heb je het warm gekregen met je groeiende buik of lacterende borsten na het lezen van bovenstaande, check dan de gratis cursus ‘Alcoholvrij Zwanger’: www.alcoholvrijzwanger.nl. Deze cursus richt zich op zwangere vrouwen die meer willen weten over alcohol tijdens de zwangerschap en biedt informatie, filmpjes, vragen en persoonlijke adviezen. Hoewel jouw geheugen je nu wellicht soms in de steek laat, onthoud dat geen alcohol drinken vóór, tijdens en ná de zwangerschap het beste is voor de gezondheid van jouw (ongeboren) kind.

Foto_zwanger_alcohol.jpg

Meer weten over Alcohol en Zwangerschap? Check de website van het Expertisecentrum Alcohol waar betrouwbare en toegankelijke wetenschappelijke kennis omtrent alcohol en alcoholpreventie voor professionals wordt gegeven: https://expertisecentrumalcohol.trimbos.nl/

Deze blog werd geschreven door Carmen Voogt (Trimbos-instituut en Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

  1. Gezondheidsraad (2015). Richtlijnen goede voeding 2015. Den Haag: Gezondheidsraad.
  2. Tuithof, M., Siauw, R., van Dorsselaer, S., & Monshouwer, K. (2017). Factsheet Monitor Zwangerschap en Middelengebruik. Utrecht: Trimbos-instituut.
  3. Gezondheidsraad (2005). Risico’s van alcoholgebruik bij conceptie, zwangerschap en borstvoeding. Den Haag: Gezondheidsraad
  4. Popova, S., Lange, S., Shield, K., Mihic, A., Chudley, A. E., Mukherjee, R. A., … & Rehm, J. (2016). Comorbidity of fetal alcohol spectrum disorder: a systematic review and meta-analysis. The Lancet, 387(10022), 978-987.
  5. Haastrup, M. B., Pottegård, A., & Damkier, P. (2014). Alcohol and breastfeeding. Basic & clinical pharmacology & toxicology, 114(2), 168-173.

Boek: Eetgedrag in balans

We worden overspoeld door een enorm aanbod van ongezonde en goedkope voedselverleidingen. Er zijn cafetaria’s op iedere hoek van de straat en in supermarkten ligt een overdaad aan snoepgoed. Om met deze ongezonde omgeving met voedselverleidingen om te gaan, heb je extra kennis en handvatten nodig om kinderen gezond op te voeden. Wetenschappelijke kennis over een gezonde eetopvoeding vindt haar weg niet altijd naar de praktijk. En dat is erg jammer, want er is al veel over bekend. Deze blog gaat over het boek “Eetgedrag in balans”, waarin een brug tussen wetenschap en praktijk wordt gemaakt. In het boek wordt aandacht besteed aan het vinden van de juiste balans als opvoeder in de mate van controle die je uitoefent op het eetgedrag van kinderen. Kinderen te veel dwingen om bijvoorbeeld groente te proeven of kinderen verbieden om bepaalde producten te eten werkt namelijk niet.

In het boek vind je tips die je kunt toepassen om ervoor te zorgen dat het makkelijker wordt voor kinderen om een gezond eetpatroon aan te leren. Zo wordt bijvoorbeeld besproken hoe je groente herhaaldelijk aanbiedt. Hierbij kun je bijvoorbeeld denken aan de variatie in momenten, de hoeveelheid en de combinatie met andere educatieve informatie (zoals groente en fruit boekjes en speelgoed) die je aanbiedt. Ook wordt besproken hoe je kinderen kunt aanmoedigen om groente en fruit te eten en hoe je kinderen vervolgens ook kunt belonen als ze daadwerkelijk een hapje proberen te proeven. De rol van de opvoeder wordt hierbij centraal gesteld. Je eigen gedrag, emoties en uitleg die je geeft als opvoeder kunnen bijvoorbeeld actief worden ingezet om kinderen te stimuleren. Als je bijvoorbeeld blij kijkt als je een hapje proeft, zullen kinderen ook sneller geneigd zijn om een hapje te proeven. Op identieke wijze zullen kinderen ook geneigd zijn om je ongezonde gedragingen als opvoeder over te nemen.

In “Eetgedrag in balans” wordt ook besproken hoe je er juist voor kunt zorgen dat kinderen niet te veel eten. Zo kun je als rolmodel bijvoorbeeld letten op wat, wanneer, hoeveel en hoe snel je eet. Naast je eigen gedrag, emoties en uitleg die je geeft, zijn regels ook belangrijk om te voorkomen dat kinderen te veel eten. Dit geldt zeker naarmate kinderen ouder worden. In het boek worden praktische tips gegeven waar je op kunt letten bij het invoeren van regels. Zo is het bijvoorbeeld belangrijk om regels positief te formuleren. Dus in plaats van: ‘Je mag niet twee biscuitjes’, zeg je: ‘Je mag 1 biscuitje’. Ook is het belangrijk om uit te leggen waarom je een regel hanteert, de regel consequent toe te passen en kinderen te belonen als ze zich aan de regel houden. In het boek worden ook praktische tips gegeven om de voedselomgeving vorm te geven. Zo kun je bijvoorbeeld kleinere borden gebruiken en kinderen daarbij zelf hun eigen eten laten opscheppen. Ook kun je de variatie van ongezond voedsel beperkt houden, buiten het zicht van kinderen opbergen en suikerhoudende drankjes standaard vervangen door water (met een smaakje). Dit klinkt misschien betuttelend, maar het vervangen van suikerhoudende drankjes door water is één van de meest simpele en consistente ‘dieet’-veranderingen die effect hebben op het terugdringen van overgewicht bij kinderen in de huidige ongezonde maatschappij.

Tot slot wordt in “Eetgedrag in balans” ingegaan op hoe je jouw kennis kunt delen met (andere) ouders door bijvoorbeeld op zoek te gaan naar een gedeelde motivatie en gedrag dat wel veranderd kan worden. Hier ligt naar mijn mening een belangrijke rol voor pedagogisch medewerkers en leerkrachten weggelegd.

Schermafbeelding 2019-07-01 om 18.20.23

Meer weten? Lees verder in het boek “Eetgedrag in balans”, dat onder andere verkrijgbaar is via bol.com.

Deze blog is geschreven door Dr. Junilla Larsen (Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs & dieet.

Sci-fly: Cannabisgebruik verminderen, maar niet stoppen – behulpzaam of niet?

Onderzoek naar de behandeling van verslavingen focust zich normaliter op onthouding van middelen – volledig stoppen met iets gebruiken, om vervolgens te kunnen herstellen. Tot voor kort werd er niet of nauwelijks gekeken naar de vermindering van middelengebruik, en hoe dit in verhouding staat met onthouding. Als een verslaafd persoon simpelweg minder gaat gebruiken, kan hij/zij daar dan de vruchten van plukken? Of houdt diegene zichzelf hiermee voor de gek? De verminderingsstrategie wordt vaak afgeraden in de behandeling (ten voordele van de onthoudingsstrategie). Desondanks kunnen er positieve effecten verbonden zijn aan de verminderingsstrategie, bijvoorbeeld voor de fysieke en mentale gezondheid. Als iemand deze voordelen ervaart, zou het misschien zelfs motiverend kunnen werken bij het afbouwen van middelengebruik, of om de vervolgstap te zetten naar volledige onthouding.

plaatje_vermindering.png

KERN
– In dit onderzoek werden (ex-)cannabisverslaafden verdeeld in drie groepen op basis van hun recente middelengebruik: 1) onthouding, 2) licht gebruik, en 3) zwaar gebruik.
– Deze groepen werden vervolgens vergeleken op verschillende maten van fysieke en mentale gezondheid.
– De onthoudingsgroep en de lichtgebruikers rapporteerden betere uitkomsten op fysieke en mentale gezondheid dan de zwaargebruikers. Dit gold bijvoorbeeld voor de algemene gezondheid, eetlust, en symptomen van depressie- of angststoornissen.

ONDERZOEKSMETHODE
Deze studie onderzocht of een verminderde mate van cannabisgebruik gerelateerd zou zijn aan positieve gezondheidsuitkomsten, in vergelijking met zwaar gebruik of onthouding. Zulke uitkomsten zouden een positieve bijdrage kunnen leveren aan het behandelingsproces – bijvoorbeeld om mensen te motiveren, of als volledige onthouding (nog) onmogelijk is. Een groep Amerikaanse onderzoekers heeft hiervoor vragenlijstonderzoek gedaan bij 111 mensen met een geschiedenis van problematisch cannabisgebruik (denk hierbij bijvoorbeeld aan deelnemers van Marijuana Anonymous bijeenkomsten in de VS). Op basis van hun gebruiksgeschiedenis van de afgelopen 30 dagen werden zij verdeeld in drie groepen: 1) de onthoudingsgroep, 2) lichtgebruikers (3 of minder dagen per week) en 3) zwaargebruikers (>4 dagen per week). Deze drie groepen werden vergeleken op verschillende maten van fysieke en mentale gezondheid.

VONDSTEN
– Over het algemeen scoorden zwaargebruikers van cannabis het slechtst van alle groepen.
– De verschillen tussen de onthoudingsgroep en de lichtgebruikers waren klein en statistisch niet-significant.
– In verhouding tot de zwaargebruikers, hadden de onthoudingsgroep en de lichtgebruikers betere scores op algemene gezondheid, eetlust en depressie.
– Volledige onthouding was daarnaast nog gerelateerd aan een hogere slaapkwaliteit en minder angstsymptomen.
– Verminderd cannabisgebruik wordt dus geassocieerd met een aantal positieve gezondheidsuitkomsten, in verhouding tot zwaar gebruik (>4 dagen per week)

Verminderd cannabisgebruik lijkt dus enkele voordelen met zich mee te brengen, maar onderzoeken over langere periodes zijn nodig om deze stelling verder te kunnen bevestigen. Daarnaast is het nog onbekend in hoeverre dit motiverend zou kunnen werken bij het stopproces.

DETAILS
Mooney, L. J., Zhu, Y., Yoo, C., Valdez, J., Moino, K., Liao, J. Y., & Hser, Y. I. (2018). Reduction in Cannabis Use and Functional status in physical health, mental health, and Cognition. Journal of Neuroimmune Pharmacology13(4), 479-487

Deze sci-fly werd geschreven door Dennis Trommelen, masterstudent Behavioral Science Institute, Radboud Universiteit Nijmegen.

Drieling dol op Chinees eten – is voedselvoorkeur erfelijk bepaald?

Vorige week heb ik de indrukwekkende documentaire ‘Three Identical Strangers’ gezien. Deze documentaire gaat over 3 jongens die vlak na de geboorte geadopteerd zijn door drie verschillende gezinnen. Ze weten niets van elkaars bestaan. Totdat één van de jongens op 19-jarige leeftijd naar een nieuwe school gaat en daar door iedereen ‘herkend’ wordt. Zijn dubbelganger bleek het jaar daarvoor op die school gezeten te hebben. Ze ontdekken dat ze tweelingbroers zijn. Dit wordt groot nieuws en staat in alle kranten. Een leeftijdsgenoot ziet in de krant een foto staan van twee jongens die als twee druppels water op hemzelf lijken. Hij blijkt broer nummer drie te zijn… ze zijn een identieke drieling (zie foto1)! Het wordt een enorm mediacircus. Ze zijn te gast in talkshows, geven interviews en iedereen vindt het een geweldig verhaal. De gelijkenissen worden benadrukt, hun uiterlijk is identiek, hun gebaren zijn hetzelfde, ze roken hetzelfde merk sigaretten en ze houden alle drie van Chinees eten… Later blijken er ook wel verschillen te zijn, en de rest van de documentaire laat een droeviger verhaal zien2.

foto-three-identical-strangers.jpg

Een belangrijk onderdeel van de documentaire is de vraag waarom deze drie jongens in drie verschillende gezinnen werden geplaatst. Waarom konden ze niet bij elkaar blijven en samen opgroeien? En waarom wisten de jongens (en hun adoptie ouders) niet van het bestaan van de broers? In de documentaire is te zien dat het adoptiebureau de ontwikkeling van de jongens nauwgezet volgde. Tegen de adoptieouders werd gezegd dat ze wilden kijken of adoptiekinderen zich hetzelfde ontwikkelen als niet-geadopteerde kinderen. Echter, uit de documentaire blijkt dat de scheiding van de drieling onderdeel was van een psychologisch experiment van psycholoog Peter Neubauer3, die met dit experiment antwoord hoopte te vinden op de nature (aangeboren) versus nurture (aangeleerd) kwestie. Door genetisch identieke personen te plaatsen in verschillende omgevingen zou je kunnen zien wat belangrijker is voor hun ontwikkeling: hun erfelijke aanleg of de opvoeding. Een bizar en onethisch experiment wat in deze tijd ondenkbaar is.

Gelukkig zijn er andere manieren om de nature – nurture vraag te beantwoorden, bijvoorbeeld door het vergelijken van eeneiige en twee-eiige tweelingparen die samen in hetzelfde gezin opgegroeid zijn en op vrijwillige basis deelnemen aan wetenschappelijk onderzoek. Als eeneiige (genetisch identieke) tweelingparen meer op elkaar lijken dan twee-eiige tweelingparen (die de helft van hun genen delen) speelt erfelijke aanleg (ook) een rol. Op deze manier zijn al vele vragen beantwoord over de rol van erfelijke aanleg en opvoeding bij persoonlijkheid en gedrag (zie bijvoorbeeld een eerdere blog over rookgedrag4).

Momenteel buigen we ons over de vraag in hoeverre erfelijke aanleg een rol speelt bij de voorkeur voor bepaald voedsel. Lust je graag spruitjes? Of is sushi je lievelingseten? Engels onderzoek laat zien dat er voedingsclusters zijn (bijvoorbeeld fruit, vlees, sterke kruiden of zoete snacks) waar sommige mensen hoog in scoren en andere mensen lager, en dat erfelijke aanleg een rol speelt bij deze voorkeuren5. De drie jongens in de documentaire waren alle drie dol op Chinees eten. Is dat toeval? Op de avond dat ik de film ‘Three Identical Strangers’ bekeek at ik van te voren een hapje met Dorret Boomsma (oprichter van het NTR: Nederlands Tweelingen Register6), haar dochter en twee eeneiige tweelingparen: Kirsten (de student die het voedselvoorkeur onderzoek uitvoert) en haar tweelingzus Carmen, en Erik en Peter (net als de drieling in de film zijn Erik en Peter opgegroeid in verschillende gezinnen en hebben ze elkaar pas later leren kennen). Beide tweelingparen bestelden hetzelfde drankje, maar ze namen wel iets anders te eten… Kunnen we hier conclusies uit trekken? Om valide conclusies te trekken over de vraag of erfelijke aanleg een rol speelt bij voedselvoorkeur zijn zeer grote samples en betrouwbare vragenlijsten nodig. In samenwerking met het NTR analyseren we momenteel de rol van erfelijke aanleg bij voedselvoorkeur in bijna 8000 volwassen tweelingen. Laten we de resultaten van deze grote en valide studie maar afwachten voordat we conclusies trekken!

Deze blog is geschreven door Prof. dr. Jacqueline Vink (Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs & dieet.

Referenties
1. Bron foto: http://moveablefest.com/tim-wardle-three-identical-strangers/
2. Zie o.a. https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/three-identical-strangers-is-onrustbarende-en-droeve-film-over-menselijke-fascinatie-voor-het-meerlingschap~bd6734a7/
3. Wikipedia pagina over Peter Nuebauer: https://en.wikipedia.org/wiki/Peter_B._Neubauer
4. Blog: https://rad-blog.com/2016/06/13/roken-op-world-no-tobacco-day/
5. Sharafi M, Lachance G, Pirastu N, Mohney RP, MacGregor A, Feskens EJ, Duffy V, Spector TD, Menni C. Food Preference Patterns in a UK Twin Cohort. Twin Res Hum Genet. 2015 Dec;18(6):793-805.
6. Website Nederlands Tweelingen Register: https://tweelingenregister.vu.nl/

 

Sci-fly: Rookgedrag bij zwangere vrouwen

Roken en meeroken zijn schadelijk voor je gezondheid. Maar wat zijn de gevolgen van roken rond de zwangerschap? Voorafgaand aan de zwangerschap is de kans om zwanger te worden kleiner als een vrouw/haar partner regelmatig een sigaret opsteekt. Roken tijdens de zwangerschap verhoogt de kans op ernstige gevolgen voor het ongeboren kind, zoals een miskraam, vroeggeboorte of een laag geboortegewicht. Na de zwangerschap kan de baby nicotine binnenkrijgen via borstvoeding of worden blootgesteld aan rokers in de omgeving (meeroken).

In de afgelopen tijd zijn er veel stoppen met roken methodes opgezet en getest, sommigen bleken effectief, anderen waren minder succesvol. Om deze stoppen met roken methodes beter te kunnen laten aansluiten bij de doelgroep, is het belangrijk dat we meer zicht hebben op zowel de risicofactoren (wat maakt dat vrouwen blijven roken rond de zwangerschap?) als de beschermende factoren (wat maakt dat vrouwen stoppen met roken rond de zwangerschap?). Deze studie zocht dit uit!

KERN
Het is essentieel dat de partner stopt met roken voorafgaand aan de zwangerschap en dat hij/zij niet rookt tijdens de zwangerschap. Rookt de partner wel tijdens de zwangerschap, dan dient deze na de bevalling te stoppen met roken.

Gezondheidsbevorderaars en preventiewerkers dienen het rookgedrag van zowel de zwangere vrouw als haar partner bespreekbaar te maken en deze hulpverleners kunnen stellen waar nodig verwijzen naar een effectieve stoppen met roken methode.

ONDERZOEKSMETHODE
Het doel van deze studie was om meer inzicht te krijgen in risico- en beschermende factoren voor vrouwen die:

  • Roken voor de zwangerschap
  • Roken tijdens de zwangerschap
  • Succesvol stoppen tijdens de zwangerschap
  • Terugvallen in rookgedrag na de bevalling

In totaal vulden 1858 Nederlandse vrouwen vragenlijsten in over hun middelengebruik (roken, alcohol- en drugsgebruik) voor, tijdens en na de zwangerschap. De onderzoekspopulatie werd geworven bij consultatiebureaus en bestond uit moeders (gemiddeld 32 jaar) van jonge kinderen (jongste kind jonger dan 5 jaar). De Monitor werd uitgevoerd bij 46 consultatiebureaus, verspreid over 35 Nederlandse steden. In de analyses werd het rookgedrag van vrouwen rond de zwangerschap uitgezet tegen sociaal demografische factoren, middelengebruik, rookgedrag van de partner en hulp bij stoppen met roken.

VONDSTEN

Foto_roken_zwangerschap-2042210636-1557847660388.png

  • Roken voor de zwangerschap hangt samen met:
    • laag of gemiddeld opleidingsniveau
    • alleen wonen
    • alcoholgebruik voor de zwangerschap
    • cannabisgebruik voor de zwangerschap
    • rokende partner
  • Roken tijdens de zwangerschap hangt samen met:
    • laag of gemiddeld opleidingsniveau
    • alleen wonen
    • geen alcoholgebruik voor de zwangerschap
    • rokende partner
  • Succesvol stoppen tijdens de zwangerschap hangt samen met:
    • hoog opleidingsniveau
    • alcoholgebruik voor de zwangerschap
    • weinig contact met hulpverleners over stoppen met roken
    • minder gebruik van stoppen met roken methode
  • Terugval in rookgedrag na de bevalling hangt samen met:
    • rokende partner

DETAILS
Scheffers-van Schayck, T., Tuithof, M., Otten, R., Engels, R., & Kleinjan, M. (2019). Smoking Behavior of Women Before, During, and after Pregnancy: Indicators of Smoking, Quitting, and Relapse. European Addiction Research, 25, 132-144.

Deze sci-fly werd geschreven door Pauline Geuijen (Radboudumc) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

De (on)mogelijkheden van genetisch onderzoek naar verslaving

Er wordt enorm veel onderzoek gedaan naar de genetische oorzaken van middelengebruik en verslaving. Regelmatig verschijnt in de media bericht dat er genen zijn gevonden ‘voor’ bijvoorbeeld rookverslaving of cannabisgebruik. Maar wat kunnen we nou eigenlijk met deze informatie?

addiction genetics

Onmogelijk: genmodificatie
Een voor de hand liggende gedachte zou zijn om met de kennis die we nu hebben uiteindelijk methodes te ontwikkelen om ons genetisch materiaal aan te passen zodat we minder kans hebben om verslaafd te raken. Maar helaas: alle ethische en praktische kwesties nog daar gelaten is dit onmogelijk. Complex gedrag wordt door enorm veel genetische varianten beïnvloed, die allemaal maar een hele kleine invloed hebben. Deze varianten zijn niet alleen maar betrokken bij verslavingsgedrag, ze kunnen ook geassocieerd zijn met heel andere dingen. Dit heet ‘pleiotropie’ en zorgt ervoor dat verschillende kenmerken op genetisch niveau overlappen. Zo hebben we genetische varianten gevonden voor cannabisgebruik die ook invloed hebben op iemands persoonlijkheid en bijdragen aan een hoog opleidingsniveau1. Daar wil je liever niet aan knutselen!

Mogelijk: risicovoorspelling op groepsniveau
We kunnen ons genetisch materiaal dus niet veranderen, maar het zou ook al heel nuttig zijn als we konden bepalen hoe groot iemands genetische risico was om middelen te gebruiken of verslaafd te raken. Dit kunnen we doen aan de hand van de resultaten van genoomwijde associatie studies (GWAS). Dit zijn studies waarbij in het hele genoom wordt gekeken welke varianten een verband tonen met een kenmerk. Als we weten welke genetische varianten geassocieerd zijn met verslaving, kunnen we kunnen we per persoon een optelsom maken van het aantal risicovarianten (een zogenaamde ‘polygenetische risicoscore’) en daarmee voorspellen hoe groot de kans op verslaving is. Heel goed zijn deze voorspellingen helaas niet, vaak verklaren risicoscores slechts een paar procent van het verslavingsgedrag2. Daarom wordt dit alleen nog gedaan op groepsniveau in de onderzoekscontext.

Binnenkort mogelijk: risicovoorspelling in de praktijk
Als dit soort risicovoorspellingen preciezer wordt, zijn er veelbelovende mogelijkheden om deze toe te passen. Nu al bestaan er tests om te kijken of iemand een genetische variant heeft die geassocieerd is met de effectiviteit van een behandeling, zoals een test voor een OPRM1 variant die de effectiviteit van een medicijn tegen alcoholisme beïnvloedt3. Dit soort tests is nu nog beperkt zinvol, maar naarmate genetische testen goedkoper worden, de onderzoekspopulaties van genetisch onderzoek groter, en onze kennis van (zeldzame) genetische varianten rijker, is de kans groot dat we meer en meer precieze voorspellingen kunnen doen op basis van iemands DNA. Stel je voor dat we bijvoorbeeld met een krachtige polygenetische risicoscore konden bepalen of iemand gebaat zou zijn bij een behandeling om te stoppen met roken (iets wat in de onderzoekscontext al in beperkte mate lijkt te werken4), of dat we bij adolescenten al konden voorspellen wie er risico lopen op alcoholverslaving om onze preventies op hen te richten… Genetisch onderzoek zal in de toekomst enorm kunnen gaan bijdragen aan het bestrijden van middelengebruik en verslaving!

Deze blog werd geschreven door Joëlle Pasman (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Pasman, J. A., Verweij, K. J. H., Gerring, Z., Stringer, S., Sanchez-Roige, S., Treur, J. L., . . . Vink, J. M. (2018). GWAS of lifetime cannabis use reveals new risk loci, genetic overlap with psychiatric traits, and a causal influence of schizophrenia. Nature Neuroscience, 21(9), 1161-1170.
2. Vink, J. M., Hottenga, J. J., de Geus, E. J., Willemsen, G., Neale, M. C., Furberg, H., & Boomsma, D. I. (2014). Polygenic risk scores for smoking: predictors for alcohol and cannabis use? Addiction109(7), 1141-1151.
3. Sluiter, R. L., Kievit, W., van der Wilt, G. J., Schene, A. H., Teichert, M., Coenen, M. J., & Schellekens, A. (2018). Cost-effectiveness analysis of genotype-guided treatment allocation in patients with alcohol use disorders using naltrexone or acamprosate, using a modeling approach. European Addiction Research24(5), 245-254.
4. Musci, R. J., Masyn, K. E., Uhl, G., Maher, B., Kellam, S. G., & Ialongo, N. S. (2015). Polygenic score × intervention moderation: An application of discrete-time survival analysis to modeling the timing of first tobacco use among urban youth. Development and Psychopathology, 27(1), 111-122.

Sci-fly: Kinderen gezond verleiden in de schoolkantine

Slechts vier op de tien kinderen in Nederland eet voldoende groente en fruit, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau van de Statistiek. Omdat het eten van groente en fruit cruciaal is voor het gezond opgroeien van kinderen, is het van groot belang om de consumptie van deze gezonde producten bij kinderen te stimuleren. Een goede plek om hiermee te beginnen is op school; hier brengen kinderen immers een groot deel van hun tijd door. Maar (hoe) kun je er als (basis)school voor zorgen dat kinderen op school verleid worden om gezonde producten te eten? Wetenschappers uit het Verenigd Koninkrijk zochten het uit.

KERN
– Op twee basisscholen (interventie-scholen) werd het aanbod, de positionering, en de uitstraling van groente en fruit in de schoolkantine aangepast om deze aantrekkelijker te maken. Op twee andere basisscholen (controle-scholen) werden deze aanpassingen niet gedaan.
– Kinderen op de interventie-scholen aten na drie weken meer fruit, vitamine C en vezels. Op de controle-scholen werd dit verschil niet waargenomen.
– Er werden geen verschillen gevonden voor de consumptie van groente op zowel de interventie-scholen als de controle-scholen.
– Op school kunnen kinderen worden verleid om meer fruit te eten door het aanbod, de positionering, en de uitstraling hiervan aantrekkelijker te maken in de schoolkantine.

ONDERZOEKSMETHODE
In deze studie werd onderzocht of aanpassingen in het aanbod, de positionering, en de uitstraling van groente en fruit ervoor zorgen dat kinderen op scholen meer groente en fruit gaan eten. Leerlingen van vier basisscholen uit het Verenigd Konikrijk deden mee aan het onderzoek. Leerlingen van twee van deze basisscholen werden toegewezen aan de interventie-conditie en leerlingen van de andere twee bassischolen werden toegewezen aan de controle-conditie.

In de controle-conditie werd er niets veranderd aan de schoolkantine. In de interventie-conditie werden de volgende aanpassingen gedaan aan het aanbod, de positionering, en de uitstraling van groente en fruit:

– Advertenties en reclames: Er werden felgekleurde posters opgehangen in de eetzaal, met hierop kinderen en stripfiguren die aan het genieten zijn van groenten en fruit. Daarnaast stond er aan het begin van de rij van de kantine een bord met hierop de “groente van de dag”.
– Aantrekkelijke namen: Voor elke soort groente en fruit werden nieuwe, aantrekkelijke namen bedacht. Een voorbeeld hiervan was “Dinosaur Tree Broccoli”.
– Aantrekkelijke labels: Er werd een label geplaatst bij elke soort groente en fruit, die aandacht trok met een aantrekkelijke naam, een leuk plaatje, en een stripfiguur.
– Aantrekkelijke porties: Hele stukken fruit werden vervangen door fruit dat al gesneden was. Deze gesneden stukjes fruit werden in kleurrijke plastic bakjes gedaan, die aan het einde van de rij van de kantine op een taartplateau werden geplaatst.
– Fruit en groente als eerste: Waar mogelijk werd de volgorde van serveren veranderd, zodat groente en fruit werden aangeboden vóórdat andere bijgerechten werden aangeboden. Ook werd het personeel geïnstrueerd om kinderen aan te moedigen om een portie groente en fruit te nemen.

Dinosaur Tree Broccoli

VONDSTEN
– Kinderen op de interventie-scholen aten na drie weken meer fruit, vitamine C en vezels dan vóór de interventie. Op de controle-scholen werd dit verschil niet waargenomen.
– Er werden geen verschillen gevonden voor de consumptie van groente op zowel de interventie-scholen als de controle-scholen.

DETAILS
Marcano-Olivier, M., Pearson, R., Ruparell, A., Horne, P. J., Viktor, S., & Erjavec, M. (2019). A low-cost Behavioural Nudge and choice architecture intervention targeting school lunches increases children’s consumption of fruit: A cluster randomised trial. International Journal of Behavioral Nutrition and Physical Activity, 16, 20.

Deze sci-fly werd geschreven door Nina van den Broek, PhD student bij het Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit.

 

Liever te dik in de kist, dan een feestje gemist?

Iedereen kent het dilemma wel: je hebt een verjaardag en de gastheer vraagt of je een stukje taart wil. Je directe reactie is ‘ja lekker!’, maar een goede tweede reactie is ‘moet ik dat wel doen, want eigenlijk wil ik wat gezonder eten’. Dit soort keuzes maken we niet alleen tijdens verjaardagsvisites, maar gedurende de hele dag. Ga ik nu studeren voor goede studieresultaten of spreek ik gezellig met vrienden af? Rook ik nu een sigaret, ook al weet ik dat het slecht is voor mijn gezondheid? Welke kant het muntje op valt bij deze keuzes is individueel bepaald en hangt samen met de mate waarin we gevoelig zijn voor directe beloningen ten opzichte van beloningen in de toekomst1. Hoe vaak we kiezen voor deze directe of uitgestelde beloningen heeft natuurlijk een effect op ons gedrag en onze gezondheid2.

De onlangs overleden Walter Mischel was één van de eerste onderzoekers die het maken van dit soort keuzes onderzocht onder jonge kinderen. Hij deed dit door middel van het bekende Marshmallow Experiment3, waarbij hij kinderen in een ruimte zette en ze één marshmallow gaf die ze op mochten eten als ze dat wilden. Voordat hij de ruimte uitging vertelde hij de kinderen echter dat als ze het volhielden om vijftien minuten te wachten en de marshmallow niet zouden opeten, ze dan twee marshmallows zouden krijgen. Een ogenschijnlijk simpel experiment, maar met enorm grote implicaties. Hij toonde namelijk gedurende jarenlang onderzoek aan dat de kinderen die in dit experiment zwichtten voor de verleiding, minder goede resultaten lieten zien op andere gebieden. Het opeten van die ene marshmallow op jonge leeftijd is namelijk gelinkt aan slechtere studie resultaten, meer gezondheidsklachten, meer kans op ADHD, verslaving of overeten, en meer kans op psychische klachten op latere leeftijd4. Echter, het omgekeerde is ook waar: de kinderen die in staat waren om te wachten tot de 15 minuten om waren, laten juist betere uitkomsten zien op de lange termijn4.

foto radblog hanneke

Bij volwassenen onderzoeken we dit soort keuzes vaak met computertaken waarbij we proefpersonen vragen om een keuze te maken uit twee opties5. Als proefpersoon wordt je dan gevraagd te kiezen tussen een geldbedrag, bijvoorbeeld €10,-, dat je direct kan krijgen of een hoger geldbedrag, bijvoorbeeld €50,-, dat je ontvangt na een bepaalde wachtperiode, bijvoorbeeld twee weken. We leggen proefpersonen een heel aantal van dit soort keuzes voor waar we de bedragen en wachtperiode variëren, zodat we per individu kunnen berekenen wanneer zij voor de directe beloning gaan en wanneer voor de uitgestelde beloning5. Ook onder volwassenen is zeer betrouwbaar vastgesteld dat de mate waarin proefpersonen kiezen voor de directe beloning gelinkt is aan slechtere uitkomsten op cognitief, fysiek, psychologisch en emotioneel gebied6.

Hoe beter we dus in staat zijn om de directe verleiding te weerstaan en te kiezen voor een beloning in de toekomst, hoe meer kans op een succesvoller en gezonder leven. Sommige mensen zijn van nature beter in het weerstaan van verleiding, maar uit recent onderzoek blijkt dat het misschien ook mogelijk is om mensen te trainen hier beter in te worden7. Er zijn veel verschillende manieren om dit te trainen, maar het grootste gedeelte van deze trainingen is erop gericht om individuen te helpen focussen op de toekomst of hun toekomstige zelf8. Voordat we proefpersonen alle keuzes tussen directe en uitgestelde beloningen voorleggen, laten we ze eerst een verouderde versie van zichzelf zien. Hoewel je toekomstige zelf normaal best ver weg staat, komt die door zo’n soort manipulatie veel dichterbij. Het blijkt dan ook dat proefpersonen na het zien van hun verouderde zelf, vaker kiezen voor de uitgestelde beloning. Het concreter maken van de persoon die je later wordt, zorgt er dus voor dat mensen zich realiseren dat het ook wel fijn is als die persoon gezond is en daardoor wordt het gemakkelijker om de directe verleiding te weerstaan.

Hoewel dit heel veelbelovend onderzoek is, staat het nog maar in de kinderschoenen. Want: de effecten op zo’n computertaak staan natuurlijk niet garant voor effecten in het dagelijkse leven. Kiezen deze individuen ook daadwerkelijk vaker voor minder impulsieve en gezondere opties en heeft dat ook een direct effect op hun gedrag en gezondheid? Uiteindelijk kunnen dit soort trainingen mensen hopelijk de tools geven om een goede balans te vinden tussen soms een ja en soms een nee tegen dat verjaardagstaartje, omdat het leven ook vaak een feestje mag zijn!

Deze blog werd geschreven door Hanneke Scholten (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Ainslie, G. (1975). Specious reward: A behavioral theory of impulsiveness and impulse control. Psychological Bulletin, 82, 463-496. doi: 10.1037/h0076860
2. MacKillop, J., Amlung, M. T., Few, L. R., Ray, L. A., Sweet, L. H., & Munafò, M. R. (2011). Delayed reward discounting and addictive behavior: A meta-analysis. Psychopharmacology, 216, 305-321. doi: 10.1007/s00213-011-2229-0
3. Mischel, W., Ebbesen, E.B., & Zeiss, A.R. (1972). Cognitive and attentional mechanisms in delay of gratification. Journal of Personality and Social Psychology, 21, 204–18. doi: 10.1037/h0032198
4. 
Mischel, W., Ayduk, O., Berman, M. G., Casey, B. J., Gotlib, I. H., Jonides, J., … & Shoda, Y. (2010). ‘Willpower’over the life span: Decomposing self-regulation. Social Cognitive and Affective Neuroscience, 6, 252-256. doi: 10.1093/scan/nsq08
5. 
Green, L., & Myerson, J. (2004). A discounting framework for choice with delayed and probabilistic rewards. Psychological Bulletin, 130, 769–792. doi: 10.1037/0033-2909.130.5.769
6. Bickel, W. K. (2015). Discounting of delayed rewards as an endophenotype. Biological Psychiatry, 77, 846-847.
7. Koffarnus, M. N., Jarmolowicz, D. P., Mueller, E. T., & Bickel, W. K. (2013). Changing delay discounting in the light of the competing neurobehavioral decision systems theory: A review. Journal of Experimental Analysis of Behavior, 99, 32-57. doi: 10.1002/jeab.2.
8. Kuo, H. C., Lee, C. C., & Chiou, W. B. (2016). The power of the virtual ideal self in weight control: Weight-reduced avatars can enhance the tendency to delay gratification and regulate dietary practices. Cyberpsychology, Behavior, and Social Networking, 19, 80-85. doi: 10.1089/cyber.2015.0203.

Sci-fly: Is voedselverslaving de oorzaak van overgewicht?

In onze samenleving stijgt het aantal mensen met overgewicht. Voedselverslaving wordt genoemd als mogelijke oorzaak hiervan, maar is dit wel terecht? Om deze vraag te beantwoorden moeten we eerst weten wat verstaan wordt onder een verslaving. In de DSM (handboek voor diagnostiek) wordt bepaald aan de hand van een aantal criteria of iemand een verslaving heeft. We spreken over een verslaving wanneer iemand aan minimaal 3 van de volgende criteria voldoet: gebruik is moeilijk te controleren, trek in het middel (craving), opbouw van tolerantie, ontwenningsverschijnselen, absentie van andere interesses, onsuccesvolle pogingen om te stoppen en blijvend gebruik ondanks de wetenschap dat het slecht voor je is.

overgewicht_scifly

KERN
Vaak wordt gedacht dat een voedselverslaving zich uit in, of gelijk is aan, overmatig eten. Er is sprake van overmatig eten bij meer voedsel inname dan nodig is om een gezond lichaamsgewicht te behouden. Daarom wordt voedselverslaving vaak gezien als oorzaak van overgewicht en obesitas. Als er daadwerkelijk sprake is van een verslaving, heeft dit gevolgen voor de behandeling van overgewicht en obesitas.

ONDERZOEKSMETHODE
In deze review werd onderzocht of voedselverslaving een verklaring voor overgewicht kan zijn. Daarvoor is op basis van vele andere onderzoeken een vergelijking gemaakt tussen voedselverslaving en middelenverslaving.

VONDSTEN
Een overeenkomst tussen middelengebruik en voedsel is het ‘craving’ effect. Craving wil zeggen dat je trek krijgt in het middel of in bepaald voedsel, bijvoorbeeld chocolade. Uit onderzoek blijkt dat dezelfde hersenstructuren hierbij een rol spelen. Een andere overeenkomst is de tolerantie. Tolerantie in het geval van voeding wordt vooral opgebouwd doordat de maag groter wordt. Doordat de maag in capaciteit toeneemt, is er meer voeding nodig om een vol gevoel te krijgen. Dit is in feite hetzelfde bij middelengebruik, daarbij bouwen mensen ook tolerantie op, waardoor steeds meer van het middel nodig is om hetzelfde effect te krijgen, denk bijvoorbeeld aan alcohol.

Een belangrijk verschil is dat voeding makkelijker in meer of mindere mate genomen kan worden zonder dat er grote effecten ontstaan. Wanneer je het gevoel hebt dat je vol zit is er vaak nog wel ruimte in je maag voor meer. Wanneer je teveel van een middel gebruikt dan is er sprake van een overdosis, wat grote gevolgen kan hebben. Daarnaast is het ook zo dat wanneer mensen van hun verslaving af willen ze zich geheel kunnen onthouden van het middel. In het geval van voeding is dat niet mogelijk, dit hebben we nodig om te overleven. Echter kunnen we in onze voeding wel gezondere keuzes maken en zeer energierijk voedsel (met veel suikers en vetten) vaker laten staan.

De belangrijkste bevinding in dit onderzoek is dat voedselverslaving niet altijd de oorzaak is van overgewicht. Veel mensen met obesitas voldoen niet aan de criteria van een voedselverslaving. Overmatige inname van energierijk voedsel is op zichzelf staand de belangrijkste verklaring voor overgewicht en dit is dus niet hetzelfde als een voedselverslaving.

DETAILS
Rogers, P. J. (2017). Food and drug addictions: Similarities and differences. Pharmacology Biochemistry and Behavior, 153, 182-190.

Deze sci-fly werd geschreven door Loes Huijbers, master student Pedagogische Wetenschappen en Onderwijskunde, Radboud Universiteit.

Op weg naar een gezonder Nederland…

‘Een gezonder Nederland… Dat is wat we willen bereiken’. Een duidelijke boodschap, met visie voor de toekomst. Deze boodschap komt rechtstreeks uit de inleiding van het onlangs uitgebrachte Nationaal Preventieakkoord (VWS, 2018). Het akkoord richt zich op een pakket aan maatregelen en interventies om problematisch alcoholgebruik, roken en overgewicht terug te dringen. Een voorbeeld van gedegen preventie vond men in IJsland. Het afgelegen eiland heeft een preventie aanpak die ook beschreven wordt in het Nationaal Preventieakkoord. Dit is niet verrassend, want in IJsland is een spectaculaire afname van middelengebruik onder jongeren waargenomen.

Twintig jaar geleden stond IJsland bekend als het land waar jongeren veel alcohol dronken en veel rookten. Er is vanuit de IJslandse overheid gekozen voor een rigoureuze aanpak om het middelengebruik onder jongeren aan te pakken.De gedachte die hieraan ten grondslag lag was dat preventie zich moest richten op een aantal (wetenschappelijk bewezen) beschermende factoren van middelengebruik. Denk hierbij aan communicatie met ouders2, sociale betrokkenheid en participatie in sport.3

Jongeren in IJsland vullen jaarlijks een vragenlijst in met onderwerpen als middelengebruik, de relatie met ouders en vrijetijdsbesteding. De informatie uit deze vragenlijst wordt vertaald naar een aanpak die gedragen wordt door zowel wetenschap, beleidsvoerders en de praktijk. Bij de IJslandse aanpak wordt ingezet op 1) het snel verspreiden van de bevindingen uit de vragenlijsten, 2) gepast advies op gemeenschapsniveau (bijvoorbeeld aan scholen en buurten) en 3) het creëren van betrokkenheid op gemeenschapsniveau. Deze aanpak faciliteert een vlotte vertaling naar de praktijk waarbij men zich richt op het verminderen van risico’s en het versterken van beschermende factoren.

Succesvolle voorbeelden hiervan zijn het instellen van buurtbewaking na 8 uur en ervoor zorgen dat jongeren een betere vrijetijdsbesteding hebben. Zo trekt men jaarlijks 300 euro per kind uit om uit te geven aan sport en recreatie. En dat dit succesvol is, blijkt weer uit later onderzoek wat heeft aangetoond dat het IJslandse preventiemodel geassocieerd is met een afname in middelengebruik.3 Nu wordt er door IJslandse jongeren vergeleken met andere Europese langen juist het minst gedronken en gerookt. Dronkenschap in de afgelopen maand is bij 15 en 16-jarigen gedaald van 43% naar 5% in en dagelijks roken is gedaald van 23% naar 3%.

ijsland figuur

Uiteraard verschilt Nederland in een aantal opzichten met IJsland (naast een andere cultuur heeft IJsland bijvoorbeeld maar 300.000 inwoners). Momenteel wordt onderzocht wat de werkzame elementen zijn van de IJslandse aanpak voor Nederland en hoe zij geïmplementeerd kunnen worden. Zo voert bijvoorbeeld het Trimbos-instituut in samenwerking met het Nederlands Jeugd Instituut (NJI) een pilot onderzoek uit (een test) waarbij dergelijke vragenlijsten ingezet worden in zes gemeenten in Nederland.Het doel hiervan is om een overzicht te krijgen wat voor risicogebieden voor jongeren aangepakt kunnen worden en evalueren op wat voor manier een dergelijke aanpak in Nederland ingezet kan worden.

Preventie is een cruciaal element in het verminderen van risicogedrag zoals problematisch alcoholgebruik.Het Nationaal Preventieakkoord vormt daardoor een belangrijke stap voor het voorkomen van gezondheidsschade ten gevolge van alcoholgebruik, roken en obesitas in Nederland.

Deze blog werd geschreven door Koen Smit (Trimbos Instituut / Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Sigfusdottir ID, Kristjansson AL, Thorlindsson T, Allegrante JP (2008). Trends in prevalence of substance use among Icelandic adolescents, 1995–2006. Subst Abuse Treat Prev Policy 3:12.
2. Ryan SM, Jorm AF, Lubman DI, Ryan M, Jorm F, Lubman I (2010). Parenting factors associated with reduced adolescent alcohol use: a systematic review of longitudinal studies. Aust N Z J Psychiatry 44:774–783.
3. Kristjansson AL, Sigfusdottir ID, Thorlindsson T, Mann MJ, Sigfusson J, Allegrante JP (2016). Population trends in smoking, alcohol use and primary prevention variables among adolescents in Iceland, 1997-2014. Addiction 111:645–652.
4. Catalano RF, Fagan AA, Gavin LE, Greenberg MT, Irwin CE, Ross DA, Shek DTL (2012). Worldwide application of prevention science in adolescent health. Lancet (London, England) 379:1653–64.
5. Website: https://www.trimbos.nl/actueel/nieuws/bericht/nederlandse-gemeenten-experimenteren-met-ijslandse-aanpak-middelengebruik

Sci-Fly: Opa en oma als oppas: Een gezonde voedselomgeving voor het kleinkind?

Opa en oma spelen een belangrijke rol in de opvoeding van hun kleinkind. Helemaal nu het aantal tweeverdieners binnen gezinnen stijgt, en daarmee de vraag naar betrouwbare en goedkope kinderopvang. Ongeveer een derde van de kinderen met werkende ouders gaat naar zijn of haar grootouders. Nu staan opa en oma vooral te boek als zorgzaam en liefdevol, maar niet als de meest gezonde opvoeders. Ze verwennen hun kleinkind immers dolgraag. In het licht van de groeiende obesitasepidemie rijst daarom de vraag: In hoeverre creëren grootouders een gezonde voedselomgeving voor hun kleinkind?

grandma-1038239_1280.png

KERN
Veel opa’s en oma’s passen niet alleen op, maar bereiden tijdens het oppassen ook maaltijden en snacks, vaak zelfs meerdere keren per week. Uit deze studie blijkt dat grootouders over het algemeen een gezonde voedselomgeving voor hun kleinkind creëren. Wel zijn er risicogroepen die mogelijk meer hulp nodig hebben bij het klaarmaken van gezonde maaltijden en snacks, waaronder oudere grootvaders en grootouders uit minder welvarende wijken. Ook blijkt dat kleindochters en jongere kleinkinderen vaker gezonde producten aangeboden krijgen. Het belang van gezonde voeding kan bij grootouders van kleinzoons en oudere kleinkinderen daarom nog extra worden benadrukt. Het promoten van gezonde voedselkeuzes kan worden gefaciliteerd door voedingsinformatie op productetiketten beter af te stemmen op de oudere doelgroep. Denk daarbij aan duidelijk leesbare lettertypes en kleuren en eenvoudig taalgebruik.

De huidige gezondheidsprogramma’s zijn vaak alleen gericht op ouders. Dat is een gemiste kans, aangezien andere opvoeders –waaronder opa en oma– een belangrijke rol spelen in de eetopvoeding. Gezondheidsinterventies gericht op (de preventie van) overgewicht en obesitas bij kinderen doen er daarom goed aan de rol van grootouders te erkennen en integreren.

ONDERZOEKSMETHODE
Het doel van deze studie was om meer inzicht te krijgen in de volgende drie vragen:

  1. In hoeverre geven grootouders snacks en maaltijden aan hun kleinkinderen?
  2. Welke soorten eten en drinken geven grootouders aan hun kleinkinderen?
  3. Welke factoren zijn gerelateerd aan de soorten eten en drinken die grootouders hun kleinkinderen geven?

Om deze vragen te beantwoorden werd een online vragenlijst uitgezet onder Australische opa’s en oma’s. Gevraagd werd hoe vaak zij oppassen, welke maaltijden zij bereiden, welk eten en drinken zij hun kleinkind geven en waarom zij voor bepaalde voedingsproducten kiezen. De vragenlijst werd ingevuld door 1076 grootouders (gemiddeld 65 jaar oud, 60% oma’s). Alleen grootouders die minstens 3 uur per week oppassen konden met de studie meedoen. De gemiddelde leeftijd van de kleinkinderen was 7.2 jaar.

VONDSTEN
De meeste grootouders passen 1 (43%) of 2 tot 3 (41%) keer per week op hun kleinkind, met een gemiddelde van 13.6 uur per week. Het overgrote deel van de grootouders (82%) geeft hun kleinkind tijdens het oppassen snacks. Daarnaast maakt 40% ontbijt, bereidt 57% lunch en kookt 48% van de grootouders avondeten voor hun kleinkind. Jongere kleinkinderen krijgen vaker ontbijt en lunch van hun grootouders; oudere kinderen krijgen vaker avondeten. Onderstaand figuur toont de gemiddelde frequentie van verschillende soorten eten en drinken die grootouders hun kleinkind geven.

Aanbodfrequentie fig

Hoe gezond een product is wordt door grootouders gezien als de belangrijkste factor in het bepalen de snacks en maaltijden die zij aanbieden. Ook de smaak van het product en de voorkeur van de ouders van het kleinkind voor een bepaald product vinden zij belangrijk. Prijs en eenvoud zijn de minst belangrijke factoren, wellicht omdat veel grootouders met pensioen zijn en genoeg tijd om handen hebben. Wel bleek dat grootouders uit meer welvarende wijken het belangrijker vinden dat het product dat ze aanbieden gezond is dan grootouders uit minder welvarende wijken.

Om te bepalen welke producten gezond zijn kijkt driekwart van de grootouders (74%) af en toe op het etiket van voorverpakte voedingsmiddelen. Slechts 15% van de grootouders leest deze etiketten altijd.Grootouders met een hoger opleidingsniveau en grootouders van een kleindochter lezen vaker etiketten dan grootouders met een lager opleidingsniveau en grootouders van een kleinzoon.

Wat bleek verder uit de resultaten?

  • Oma’s geven hun kleinkind vaker vers fruit en zuivelproducten dan opa’s, terwijl opa’s vaker zoute snacks geven dan oma’s.
  • Grootouders uit meer welvarende wijken geven hun kind vaker vers fruit en minder zoete of zoute snacks, in vergelijking met grootouders uit minder welvarende wijken.
  • Kleindochters krijgen vaker vers fruit, groente en gedroogd fruit of fruitsap van hun grootouders dan kleinzoons.
  • Jongere kleinkinderen krijgen vaker zuivelproducten, graanproducten en gedroogd fruit of fruitsap, en minder vaak zoute snacks en zoete drankjes dan oudere kleinkinderen.

DETAILS
Jongenelis, M. I., Talati, Z., Morley, B., & Pratt, I. S. (2019). The role of grandparents as providers of food to their grandchildren. Appetite, 134,78-85.

Deze sci-fly werd geschreven door Levie Karssen, junior onderzoeker bij het Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit.