Sci-Fly

sci fly icon

 

Op deze pagina vind je korte, hapklare samenvattingen van interessant recent onderzoek naar Roken, Alcohol, Drugs en/ of Dieet. Mooie manier om up-to-date te blijven van wat er gebeurt in de literatuur!

Sci-fly: Door dik en dun? Zijn er overeenkomsten in het eetgedrag van beste vrienden tijdens de adolescentie?

*English follows Dutch*

Jongeren eten over het algemeen niet erg gezond. Zo blijkt bijvoorbeeld dat maar weinig Nederlandse middelbare scholieren de aanbevolen hoeveelheid groente en fruit consumeren. Aangezien een ongezond eetpatroon op termijn tot ernstige gezondheidsklachten kan leiden (denk bijvoorbeeld aan het ontwikkelen van overgewicht), buigen veel onderzoekers zich over de vraag welke factoren van invloed zijn op het eetgedrag van jongeren. De sociale omgeving blijkt zo’n belangrijke factor te zijn. Zo laat onderzoek zien dat het eetgedrag van jongeren overeenkomt met het eetgedrag van belangrijke personen in hun omgeving. Maar geldt dat ook voor hun beste vrienden uit hun klas? Nederlandse wetenschappers (waaronder RAD-bloggers Nina van den Broek, Junilla Larsen en Jacqueline Vink) zochten het uit!

KERN
In dit onderzoek werd onderzocht of beste vrienden tijdens de adolescentie overeenkomsten in ongezond en gezond eetgedrag laten zien. In dit onderzoek werden weinig tot geen overeenkomsten gevonden. Ook was er weinig bewijs voor de processen die tot mogelijke overeenkomsten in eetgedrag bij beste vrienden kunnen leiden. Zo leek het niet het geval dat jongeren zich aanpassen aan het eetgedrag van hun beste vriend (“socialisatie”) of dat jongeren vriendschappen aangaan met leeftijdgenoten die al overeenkomstig eetgedrag vertonen (“selectie”). Ten slotte was er weinig bewijs dat jongeren met een relatief hogere “Body Mass Index” score (BMI-score) meer vatbaar zijn voor de invloed van hun beste vriend dan jongeren met een relatief lagere BMI-score. Samenvattend geven deze resultaten aan dat het voor interventies die gericht zijn op het bevorderen van eetgedrag van jongeren mogelijk niet waardevol is om alleen te focussen op beste vrienden in de klas.

ONDERZOEKSMETHODE
WAT?
In deze studie werd onderzocht of beste vrienden overeenkomsten in eetgedrag laten zien. Er werd bovendien getoetst of deze mogelijke overeenkomsten een gevolg zijn van “socialisatie” en/of “selectie” processen. Ten slotte werd getoetst of socialisatie effecten sterker waren voor jongeren met een relatief hogere BMI-score. 

WIE?
Aan dit onderzoek deden 145 Nederlandse duo’s van beste vrienden mee (N = 290 jongeren) die in het eerste of tweede jaar van de middelbare school zaten. Ieder duo bestond uit ofwel twee meisjes ofwel twee jongens.

HOE?
Door middel van vragenlijsten aan het begin en aan het einde van het schooljaar gaven jongeren aan wie hun beste vriend uit de klas was. Duo’s van beste vrienden die elkaar op beide meetmomenten als hun beste vriend benoemden, werden “langdurige” vriendschappen genoemd. Duo’s die enkel op het tweede meetmoment vrienden waren, werden gecategoriseerd als “nieuwe” vriendschappen. Beide jongeren uit een duo vulden daarnaast op de twee meetmomenten vragenlijsten in over de frequentie van inname van gezonde (fruit en groenten) en ongezonde (gesuikerde dranken, vetrijke snacks, en suikerrijke snacks) producten. Ook werd de lengte en gewicht van de jongeren door de onderzoekers gemeten om hun BMI-score te bepalen. Deze score geeft aan of het gewicht van jongeren gezond is in verhouding tot hun lengte.

RESULTATEN

  • Jongeren binnen beste vrienden duo’s lieten weinig tot geen overeenkomsten in gezond en ongezond eetgedrag zien.
  • Beste vrienden duo’s die enkel op het tweede meetmoment vrienden waren (“nieuwe” vriendschappen) vertoonden geen overeenkomsten op eetgedrag op het eerste meetmoment. Er werd dus geen indicatie van “selectie”-processen gevonden.
  • Binnen beste vrienden duo’s die op beide meetmomenten vrienden waren (“langdurige” vriendschappen) was er weinig bewijs dat het eetgedrag van de beste vrienden het eetgedrag van jongeren voorspelde van het eerste naar het tweede meetmoment. Er werd dus geen indicatie van “socialisatie”-processen gevonden.
  • Bovendien bleek dat de invloed van beste vrienden op het eetgedrag van jongeren niet verschilde tussen jongeren met een relatief hogere versus relatief lagere BMI-score. Er werd dus geen indicatie gevonden dat jongeren met een hogere BMI-score vatbaarder zijn voor de invloed van hun beste vriend dan jongeren met een relatief lagere BMI-score.

DETAILS

van den Broek, N., de la Haye, K., Veldhuis, L., Verhagen, M., Larsen, J. K., Vink, J. M., & Burk, W. J. (2022). Examining food intake similarities in adolescent best friend dyads using longitudinal Actor-Partner Interdependence Models. Appetite, in press. https://doi.org/10.1016/j.appet.2022.106072

Deze sci-fly werd geschreven door Nina van den Broek (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.


Sci-fly: Through thick and thin? Are there food intake similarities in adolescent best friends?

*Disclaimer: Please note that parts of this English sci-fly were automatically translated.*

Generally, adolescents do not eat very healthy. For example, it appears that few Dutch secondary school students consume the recommended amount of fruit and vegetables. Given that an unhealthy diet can eventually lead to serious health problems (such as the development of overweight), many scholars are looking into the question of which factors influence the food intake of adolescents. The social environment appears to be one such important factor. For instance, there are indications that the food intake of adolescents corresponds to the food intake of important people in their environment. But does this also apply to their best friends? Dutch scientists (including RAD-bloggers Nina van den Broek, Junilla Larsen, and Jacqueline Vink) aimed to figure this out!

CORE
This study examined whether adolescent best friends show similarities in unhealthy and healthy food intake. Little to no similarities in food intake were found in this study. There was also limited evidence of processes that could lead to possible food intake similarities among best friends. No indications were found that adolescents adapt to their best friend’s food intake (“socialization”) or that adolescents initiate friendships with peers who already show similar food intake behaviors (“selection”). Finally, there was little evidence that adolescents with relatively higher Body Mass Index (BMI) scores are more susceptible to their best friend’s influence than adolescents with relatively lower BMI-scores. In summary, these results indicate that for interventions aimed at promoting adolescent food intake, focusing only on classroom best friends may not be valuable.

RESEARCH METHOD
WHAT?
This study examined whether best friends show similarities in food intake. Additionally, it was tested whether these possible similarities were a result of “socialization” and/or “selection” processes. Finally, it was examined whether socialization effects were more pronounced for adolescents with relatively higher BMI-scores.

WHO?
This study involved 145 Dutch best friend dyads (N = 290 adolescents) who were in the first or second year of secondary school. Every dyad consisted of either two girls or two boys.

HOW?
Through questionnaires at the beginning and end of the school year, adolescents indicated who their best friend from their classroom was. Best friend dyads that considered each other as their best friend at both measurement points were called “enduring” friendships. Dyads that were friends only at the second measurement point were considered “new” friendships. Both adolescents in a dyad also completed questionnaires on the frequency of intake of healthy (fruits and vegetables) and unhealthy (sugar-sweetened beverages, savory snacks, sweet snacks) products at the two measurement points. Adolescents’ height and weight were also measured by the researchers to determine their BMI-score. This score indicates whether adolescents’ weight is healthy relative to their height.

RESULTS

  • Adolescents within best friend dyads showed little to no similarities in healthy and unhealthy food intake.
  • Best friend dyads that were friends only at the second measurement point (“new” friendships) showed no similarities in food intake at the first measurement point. Thus, no indication of “selection” processes was found.
  • Within best friend dyads that were friends at both measurement points (“enduring” friendships), there was little evidence of the influence of best friends on adolescents’ food intake from the first to the second measurement point. Thus, no indication of “socialization” processes was found.
  • Furthermore, it was found that the influence of best friends on adolescents’ food intake did not differ between adolescents with relatively higher versus relatively lower BMI-scores. Thus, no indication was found that adolescents with higher BMI-scores were more susceptible to their best friend’s influence than adolescents with relatively lower BMI-scores.

DETAILS

van den Broek, N., de la Haye, K., Veldhuis, L., Verhagen, M., Larsen, J. K., Vink, J. M., & Burk, W. J. (2022). Examining food intake similarities in adolescent best friend dyads using longitudinal Actor-Partner Interdependence Models. Appetite, in press. https://doi.org/10.1016/j.appet.2022.106072

This sci-fly was written by Nina van den Broek (Radboud University) for RAD-blog, the blog about smoking, alcohol, drugs, and diet.

Sci-fly: Weed or Without You: Cannabis use is linked to a smaller, less diverse social network and feeling less supported

*Dutch follows English*

Cannabis use and disorders associated with it can impact negatively one’s relationships and social functioning. In previous research, cannabis use was linked to difficulties to adapt to new social roles and engaging in (romantic) relationships. Even if social functioning seems a relevant target in cannabis use or substance use in general, some aspects of social relations are incredibly understudied. RAD-Blogger Mili Rubio summarizes a recent study that digs deeper into the thought-provoking link between cannabis use, social support, and how such a relationship might depend on one’s social networks.

CORE
Gliksberg et. al (2021) investigated the topic by means of a large survey that was part of the 2012-2013 National Epidemiologic Survey on Alcohol and Related Conditions-III (NESARC-III). They concluded that those using more cannabis tended to have fewer social connections and social groups, and this explained in turn why they felt less supported. The reported research highlights the important role of social connections in cannabis use and cannabis use disorders – providing relevant targets for interventions and treatment. It should be considered that this is a cross-sectional study (only one measure was used), so we cannot conclude whether social support is affected by cannabis use (either directly or through social networks) or whether feeling less supported might actually impact cannabis use. This blogger wants to stress the need for longitudinal research before drawing any definite conclusions!

RESEARCH METHODS

WHAT?

  1. The researchers explored the connection between cannabis use, cannabis use disorder (CUD), and feeling supported by others.
  2. They looked as well into whether this relationship can be better explained through one’s social network size (number of social connections) and diversity (groups an individual belongs to).

WHO?

  • Adults from the United States aged 18 years old or above of which 2,729 were cannabis users, 972 were cannabis users who were classified as CUD and the remaining 32,523 participants were non-cannabis users.

HOW?
By means of a questionnaire that included the following questions/questionnaires:

  • Cannabis use and CUD: participants were asked about cannabis use in the past 12 months. For past-year CUD diagnoses, the researchers used a clinical interview for epidemiological studies.
  • Perceived Social Support: a questionnaire that measured different aspects of social support: (1) Practical help, (2) sharing one’s problems, (3) having a group of people one “belongs” to.
  • Social network size: defined as the number of people participants’ interacted with in the last two weeks;
  • Social diversity: is defined as the number of social groups the participant interacted with.

FINDINGS

  1. More cannabis use was related to having fewer social contacts and a number of social groups one belonged to, which in turn was linked to feeling less socially supported in general and concerning practical help specifically.
  2. The previous relation between cannabis use and practical social support worked (partially) through having fewer social contacts and the number of social groups one belonged to.

This sci-fly was written by Milagros Rubio (Radboud University) for RAD-blog, the blog about smoking, alcohol, drugs and diet.

DETAILS

Gliksberg, O., Livne, O., Lev-Ran, S., Rehm, J., Hasson-Ohayon, I., & Feingold, D. (2021). The association between cannabis use and perceived social support: The mediating role of decreased social network. International Journal of Mental Health and Addiction, 1-14.


Sci-fly: Weed or Without You: Cannabisgebruik gaat samen met een kleiner, minder divers sociaal netwerk, en een minder gesteund gevoel

Cannabisgebruik en daarmee samenhangende aandoeningen kunnen een negatieve invloed hebben op iemands relaties en sociaal functioneren. In eerder onderzoek werd cannabisgebruik in verband gebracht met moeilijkheden om zich aan te passen aan nieuwe sociale rollen en om (romantische) relaties aan te gaan. Zelfs als sociaal functioneren een relevant doelwit lijkt bij cannabisgebruik of middelengebruik in het algemeen, zijn sommige aspecten van sociale relaties ongelooflijk weinig bestudeerd. RAD-Blogger Mili Rubio vat een recent onderzoek samen dat dieper ingaat op het tot nadenken stemmende verband tussen cannabisgebruik, sociale steun en hoe een dergelijke relatie kan afhangen van iemands sociale netwerken.

KERN
Gliksberg et. al. (2021) onderzochten het onderwerp aan de hand van een groot onderzoek dat deel uitmaakte van de National Epidemiologic Survey on Alcohol and Related Conditions-III (NESARC-III) van 2012-2013. Zij concludeerden dat degenen die meer cannabis gebruikten, de neiging hadden om minder sociale connecties en sociale groepen te hebben, en dit verklaarde op zijn beurt waarom zij zich minder gesteund voelden. Het gerapporteerde onderzoek benadrukt de belangrijke rol van sociale connecties bij cannabisgebruik en verwante stoornissen – en biedt belangrijke doelen voor interventies en behandeling. Er moet rekening mee worden gehouden dat dit een cross-sectioneel onderzoek is (er werd slechts één maatstaf gebruikt), zodat we niet kunnen concluderen of sociale steun wordt beïnvloed door cannabisgebruik (hetzij direct, hetzij via sociale netwerken) of dat het zich minder gesteund voelen daadwerkelijk van invloed zou kunnen zijn op cannabisgebruik. Deze blogger wil benadrukken dat longitudinaal onderzoek nodig is voordat definitieve conclusies kunnen worden getrokken.

ONDERZOEKSMETHODE

WAT?

  1. De onderzoekers onderzochten het verband tussen cannabisgebruik, cannabisgebruiksstoornis (CUD) en zich gesteund voelen door anderen.
  2. Ze hebben ook gekeken of deze relatie beter kan worden verklaard door iemands sociale netwerkomvang (aantal sociale connecties) en diversiteit (groepen waartoe een individu behoort).

WIE?

Volwassenen uit de Verenigde Staten van 18 jaar of ouder, waarvan 2,729 cannabisgebruikers, 972 cannabisgebruikers die geclassificeerd waren voor CUD en de overige 32,523 deelnemers waren niet-cannabisgebruikers.

HOE?
Door middel van een vragenlijst die de volgende vragen/vragenlijsten bevatte:

  • Cannabisgebruik en CUD: deelnemers werd gevraagd naar cannabisgebruik in de afgelopen 12 maanden. Voor CUD-diagnoses van het afgelopen jaar gebruikten de onderzoekers een klinisch interview voor epidemiologische studies.
  • Ervaren sociale steun: vragenlijst die verschillende aspecten van sociale steun meet: (1) praktische hulp, (2) problemen delen, (3) een groep mensen hebben waartoe u ‘behoort’.
  • Grootte van het sociale netwerk: gedefinieerd als het aantal mensen waarmee deelnemers in de afgelopen twee weken interactie hebben gehad;
  • Sociale diversiteit: gedefinieerd als het aantal sociale groepen waarmee de deelnemer omging

RESULTATEN

  1. Meer cannabisgebruik hing samen met het hebben van minder sociale contacten en het aantal sociale groepen waartoe men behoorde, wat op zijn beurt weer verband hield met het gevoel minder sociaal gesteund te worden in het algemeen en met betrekking tot praktische hulp in het bijzonder.
  2. De eerdere relatie tussen cannabisgebruik en praktische sociale steun werkte (gedeeltelijk) doordat er minder sociale contacten waren en er minder sociale groepen waren waartoe men behoorde.

Deze sci-fly werd geschreven door Mili Rubio (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

DETAILS

Gliksberg, O., Livne, O., Lev-Ran, S., Rehm, J., Hasson-Ohayon, I., & Feingold, D. (2021). The association between cannabis use and perceived social support: The mediating role of decreased social network. International Journal of Mental Health and Addiction, 1-14.

*Disclaimer: Houd er rekening mee dat delen van deze sci-fly automatisch zijn vertaald.*

Envision your future – an approach to quitting smoking

*Dutch follows English*

Individuals with substance use problems, such as excessive smoking, tend to prefer instant gratification rather than delayed gratification (1). They are aware of the ill effects but find it challenging to quit. For example, Rick is a heavy smoker who wants to quit for his respiratory health. Yet, in a moment of craving, the immediate reward of smoking seems more appealing in comparison to the long-term reward of healthier lungs, with the latter requiring more self-control. I will now explain this more technically, bear with me.

Delay discounting is the process by which the perceived value of a reward reduces as a function of time to its receipt; that is the later we are to receive a reward, the less we tend to value it (2). To illustrate, if I offer you EUR 10 today or EUR 100 in 3 months, which would you choose? Probably the second. Next, if I offer you EUR 10 today or EUR 20 in 3 months, you might wonder if it’s worth the wait. In both cases, the delayed reward was greater than the immediate reward and offered against the same immediate reward. Yet, how much greater the reward is (to us) makes a difference.

Typically, we each attach a subjective value to the immediate and delayed reward, and this value determines our choice. The option evaluated more highly in that moment and context is the one we choose. Naturally, everyone is different in their evaluation of these rewards. Therefore, we each have our own tipping point – the point when the immediate and delayed rewards are evaluated equally and the choice shifts in favour of the immediate reward, like in the second option above. In people with addiction, this tipping point is reached sooner. Logically, one approach to helping people wanting to quit substance use is reducing their tendency to discount delays and exert more self-control to work toward delayed rewards.

Researchers have been developing and testing methods to reduce delay discounting in people with substance use problems and poor eating behaviours with the intention to prime them to think about their future. For example, people are encouraged to visualize their future in terms of events they are looking forward to, like a summer holiday to Paris or running a marathon in 6 months (episodic future prime; EFP) (3, 4, 5). It helps people pre-experience something they are working toward and in turn, reduce delay discounting and exert more self-control when contemplating smoking in a weak moment. This way they can save money for Paris tickets or improve lung capacity for the marathon.

Similarly, in another intervention, people are asked to spend more time thinking about their future through a writing task (future thinking prime; FTP) (6). Participants are given specific words using which they write a paragraph about themselves. The word list is designed such that they write about their ideas for their future self and thus, spend time thinking about their ideal future. In summary, re-orienting to stay reminded of the better version of ourselves we are working toward can do us some good.

Both EFP and FTP reduce delay discounting, and more so in people with substance use problems (7). There are also some indications that improvements in delay discounting can help reduce smoking (3, 4) through indirect measurements of smoking in hypothetical situations. Unfortunately, evidence for the direct link to successfully quitting is still missing. In the future, delay discounting interventions should measure the effect on smoking through abstinence rates or weekly smoking post-intervention. Such evidence can back the intervention strongly and guide the use of future-oriented thinking for smoking cessation in therapeutic settings as well.

This blog was written by Suhaavi Kochhar (PhD candidate Radboud University) for RAD-blog, the blog about smoking, alcohol, drugs and diet.

References

  1. Barlow, P., McKee, M., Reeves, A., Galea, G., & Stuckler, D. (2016). Time-discounting and tobacco smoking: a systematic review and network analysis. International Journal of Epidemiology, 46(3), dyw233. https://doi.org/10.1093/ije/dyw233
  2. Da Matta, A., Gonçalves, F. L., & Bizarro, L. (2012). Delay discounting: Concepts and measures. Psychology & Neuroscience, 5(2), 135–146. https://doi.org/10.3922/j.psns.2012.2.03
  3. Chiou, W. B., & Wu, W. H. (2017). Episodic Future Thinking Involving the Nonsmoking Self Can Induce Lower Discounting and Cigarette Consumption. Journal of Studies on Alcohol and Drugs, 78(1), 106–112. https://doi.org/10.15288/jsad.2017.78.106
  4. Stein, J. S., Wilson, A. G., Koffarnus, M. N., Daniel, T. O., Epstein, L. H., & Bickel, W. K. (2016). Unstuck in time: episodic future thinking reduces delay discounting and cigarette smoking. Psychopharmacology, 233(21–22), 3771–3778. https://doi.org/10.1007/s00213-016-4410-y
  5. Stein, J. S., Tegge, A. N., Turner, J. K., & Bickel, W. K. (2017). Episodic future thinking reduces delay discounting and cigarette demand: an investigation of the good-subject effect. Journal of Behavioral Medicine, 41(2), 269–276. https://doi.org/10.1007/s10865-017-9908-1
  6. Shevorykin, A., Pittman, J. C., Bickel, W. K., O’connor, R. J., Malhotra, R., Prashad, N., & Sheffer, C. E. (2019). Primed for Health: Future Thinking Priming Decreases Delay Discounting. Health Behavior and Policy Review, 6(4), 363–377. https://doi.org/10.14485/hbpr.6.4.5
  7. Shevorykin, A., Bickel, W. K., Carl, E., & Sheffer, C. E. (2021). Future Thinking Priming Especially Effective at Modifying Delay Discounting Rates among Cigarette Smokers. International Journal of Environmental Research and Public Health, 18(16), 8717. https://doi.org/10.3390/ijerph18168717

Stel je toekomst voor – een aanpak om te stoppen met roken

*Disclaimer: Houd er rekening mee dat delen van deze blog automatisch zijn vertaald.*

Mensen met problematisch middelengebruik, zoals overmatig roken, geven de voorkeur aan onmiddellijke beloning/voldoening in plaats van uitgestelde beloning/voldoening (1). Zij zijn zich bewust van de nadelige gevolgen, maar vinden het een uitdaging om te stoppen. Rick is bijvoorbeeld een zware roker die wil stoppen voor zijn luchtwegen. Toch lijkt in een moment van hunkering de onmiddellijke beloning van het roken aantrekkelijker in vergelijking met de beloning op lange termijn van gezondere longen (wat meer zelfbeheersing vereist). In dit blog leg ik dit mechanisme in meer detail uit.

“Delay discounting” is het proces waarbij de waargenomen waarde van een beloning afneemt naarmate de tijd tot de ontvangst ervan verstrijkt; met andere woorden, hoe later we een beloning ontvangen, hoe minder we geneigd zijn er waarde aan te hechten (2). Ter illustratie: als ik jou vandaag 10 euro geef of 100 euro over 3 maanden, wat zou u dan kiezen? Waarschijnlijk het tweede. Als ik jou vervolgens vandaag 10 euro of over 3 maanden 20 euro geef, kun je je afvragen of het wachten de moeite waard is. In beide gevallen is de uitgestelde beloning groter dan de onmiddellijke beloning en wordt deze tegenover dezelfde onmiddellijke beloning aangeboden. Toch maakt de waarde die we hechten aan de uitgestelde beloning voor ons het verschil.

Kenmerkend is dat we elk een subjectieve waarde hechten aan de onmiddellijke en de uitgestelde beloning, en deze waarde bepaalt onze keuze. De optie die op dat moment en in die context het hoogst wordt gewaardeerd, is degene die we kiezen. Natuurlijk is iedereen verschillend in zijn evaluatie van deze beloningen. Daarom hebben we allemaal ons eigen omslagpunt – het punt waarop de onmiddellijke en uitgestelde beloningen gelijkwaardig worden geëvalueerd en de keuze verschuift ten gunste van de onmiddellijke beloning, zoals in de tweede optie hierboven. Bij mensen met een verslaving wordt dit omslagpunt eerder bereikt. Logischerwijs is een van de manieren om mensen die willen stoppen met middelengebruik te helpen, het verminderen van hun neiging om vertragingen te negeren en meer zelfcontrole uit te oefenen om te werken aan uitgestelde beloningen.

Onderzoekers hebben methoden ontwikkeld en getest om uitstelgedrag te verminderen bij mensen met problematisch middelengebruik en ongezond eetgedrag, met de bedoeling hen aan te zetten tot nadenken over hun toekomst. Mensen worden bijvoorbeeld aangemoedigd om hun toekomst te visualiseren in termen van gebeurtenissen waar ze naar uitkijken, zoals een zomervakantie naar Parijs of het lopen van een marathon over 6 maanden (episodic future prime; EFP) (3, 4, 5). Het helpt mensen iets voor te beleven waar ze naar toe werken en op hun beurt delay discounting te verminderen en meer zelfcontrole uit te oefenen wanneer ze op een zwak moment overwegen te gaan roken. Op die manier kunnen ze geld sparen voor tickets naar Parijs of hun longcapaciteit voor de marathon verbeteren.

Bij een andere interventie wordt mensen gevraagd om meer tijd te besteden aan het nadenken over hun toekomst door middel van een schrijftaak (future thinking prime; FTP) (6). Deelnemers krijgen specifieke woorden waarmee ze een alinea over zichzelf schrijven. De woordenlijst is zo opgesteld dat ze schrijven over hun ideeën voor hun toekomstige zelf en zo tijd besteden aan het nadenken over hun ideale toekomst. Samenvattend kan het ons goed doen ons te heroriënteren op de betere versie van onszelf waar we naar toe werken.

Zowel EFP als FTP verminderen delay discounting, en nog meer bij mensen met middelengebruiksproblemen (7). Er zijn ook aanwijzingen dat verbeteringen in het negeren van de wachttijd kunnen helpen het roken te verminderen (3, 4) door indirecte metingen van het roken in hypothetische situaties. Helaas ontbreekt nog bewijs voor het directe verband met succesvol stoppen met roken. In de toekomst zouden interventies voor vertraagde negering het effect op roken moeten meten aan de hand van abstinentiepercentages van wekelijks roken na de interventie. Dergelijk bewijs kan de interventie sterk ondersteunen en richting geven aan het gebruik van toekomstgericht denken voor stoppen met roken ook binnen de therapeutische context.

Deze blog is geschreven door Suhaavi Kochhar (PhD kandidaat Radboud Universiteit) voor RAD-blog, de blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Sci-fly: Overweight among Indonesian Adolescents – Which group is more likely to be overweight?

*Dutch follows English*

The prevalence of overweight among young people has continued to increase over the past years in developing countries, such as Indonesia. In Indonesia, people with a higher SEP (Status-Economic Position) have easier access to junk food or calorie-dense foods, which may explain the higher overweight rates, particularly in these groups. While prior studies have predominantly focussed on children or adults, this research explores the eating habits of early adolescents. Which groups of adolescents are more prone to develop overweight: Males or females? Populations of urban or suburban areas? Adolescents with original Indonesian or Indonesian-Chinese ethnicity? Adolescents with more or less pocket money? Adolescents with or without prior diet experiences? You can read more about the results in this sci-fly.

chubby junge sieht am junk food-platte - boys junkfood
        stock-fotos und bilder

Core
This study was part of a longitudinal study on adolescents’ weight-related behaviour in Indonesia conducted by Sarintohe, Larsen, and Vink. Our findings showed that the general prevalence rate of overweight in this adolescent sample at private schools was relatively high. The high prevalence in our sample could give insight for further research of demographic factors correlate with overweight. This study examining (sex-specific) demographic correlates of overweight status among early adolescents from private schools in Indonesia filled an important gap in the current literature. We suggest that this early adolescent phase is a promising period for timely preventive interventions, given that adolescent overweight and obesity in Indonesia is more rapidly increasing in older compared to younger adolescents. Our findings showed (sex-specific) demographic correlates of overweight status in this higher SEP group of adolescents that may have important implications for future research and later preventive interventions.

Research Methods

What?
This study examined (sex-specific) correlates of overweight status in a large sample of early adolescents from private schools.

Who?
The participants of this study were 411 grade 7th students (Age: 11-14 years old) from five private schools in Indonesia.

How?

  • Anthropometric measurement of weight and height.
  • Demographic measurement (i.e., sex, school area, pocket money, ethnicity) and previous diet

Findings

  • Boys were three times more likely to be overweight compared to girls.
  • Adolescents from urban school areas were two times more likely to be overweight compared to those from suburban school areas.
  • Adolescents reporting dieting were four times more likely to be overweight compared to their non-dieting counterparts.
  • Ethnicity and pocket money were not statistically significant.

Details

Sarintohe E, Larsen JK, Burk WJ, Vink JM. The Prevalence of Overweight Status among Early Adolescents from Private Schools in Indonesia: Sex-Specific Patterns Determined by School Urbanization Level. Nutrients, 2022; 14: 1-9. https://doi.org/10.3390/nu14051001

This sci-fly has been written by Eveline Sarintohe (Radboud University) for RAD-Blog, the blog about smoking, alcohol, drugs, and diet.


Sci-fly: Overgewicht bij Indonesische adolescenten – Welke groep heeft meer kans op overgewicht?

De prevalentie van overgewicht onder jongeren is de afgelopen jaren in ontwikkelingslanden, zoals Indonesië, blijven toenemen. In Indonesië hebben mensen met een hogere SEP gemakkelijker toegang tot junkfood of calorierijk voedsel, wat de hogere percentages overgewicht bij met name deze groepen kan verklaren. Terwijl eerdere studies zich voornamelijk hebben gericht op kinderen of volwassenen, kijkt dit onderzoek naar de eetgewoonten van adolescenten. Welke groepen adolescenten hebben meer kans op overgewicht: Jongens of meisjes? Jongeren afkomstig van stedelijke of voorstedelijke gebieden? Adolescenten met een van oorsprong Indonesische of Indonesisch-Chinese etniciteit? Jongeren met meer of minder zakgeld? Jongeren die ooit of nooit eerder dieet-ervaringen hebben gehad? Je kunt meer lezen over de resultaten in deze sci-fly.

Kern
Deze studie maakte deel uit van een longitudinaal onderzoek naar het gewichts-gerelateerde gedrag van adolescenten in Indonesië. Onze bevindingen toonden aan dat de algemene prevalentie van overgewicht in deze steekproef van vroege adolescenten op privéscholen relatief hoog was. De relatief hoge overgewichtprevalentie in onze steekproef maakt verdere inzichten in de relatie met (sekse-specifieke) demografische kenmerken nog interessanter, omdat de power om effecten te detecteren toeneemt. Deze studie naar de samenhang van (sekse-specifieke) demografische kenmerken met overgewicht onder adolescenten van privéscholen in Indonesië richt zich op een belangrijke beperking in de bestaande literatuur. Wij nemen aan dat deze vroege adolescentiefase een veelbelovende periode is voor vroegtijdige preventieve interventies, aangezien overgewicht en obesitas bij adolescenten in Indonesië sneller toeneemt bij oudere dan bij jongere adolescenten. Onze bevindingen toonden (sekse-specifieke) demografische kenmerken die samenhangen met overgewichtstatus in deze hogere SEP-groep van adolescenten die belangrijke implicaties kunnen hebben voor toekomstig onderzoek en latere preventieve interventies.

Onderzoeksmethoden

Wat?
Deze studie onderzocht (sekse-specifieke) correlaten van overgewichtstatus in een grote steekproef van vroege adolescenten van privéscholen.

Wie?
De deelnemers aan deze studie waren 411 leerlingen uit groep 7 (leeftijd: 11-14 jaar) van vijf privéscholen in Indonesië.

Hoe?

  • Anthropometrische meting van gewicht en lengte.
  • Demografische meting (d.w.z., geslacht, schoolgebied, zakgeld, etniciteit) en eerdere voeding

Bevindingen

  • Jongens hadden drie keer meer kans op overgewicht dan meisjes.
  • Adolescenten uit stedelijke schoolgebieden hadden twee keer meer kans op overgewicht dan adolescenten uit schoolgebieden in de voorsteden.
  • Adolescenten die een dieet hadden gevolgd hadden vier keer meer kans op overgewicht in vergelijking met jongeren die geen dieet hadden gevolgd.
  • Etniciteit en zakgeld waren statistisch niet significant.

Details

Sarintohe E, Larsen JK, Burk WJ, Vink JM. The Prevalence of Overweight Status among Early Adolescents from Private Schools in Indonesia: Sex-Specific Patterns Determined by School Urbanization Level. Nutrients, 2022; 14: 1-9. https://doi.org/10.3390/nu14051001

Deze sci-fly is geschreven door Eveline Sarintohe (Radboud Universiteit) voor RAD-Blog, de blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Heeft duurzaamheid een plaats in hedendaagse opvoedinterventies?

*Do you want to read this blog in English? Now it is possible and very easy! On the top right of the website, you will see a small sign that says “Dutch”. Just click on it and switch from Dutch to English. Disclaimer: Please note that this blog is automatically translated.*

Klimaatverandering wordt steeds vaker gezien als de grootste bedreiging van de 21e eeuw1. Niet alleen de gezondheid van de planeet staat op het spel, maar ook die van haar bewoners. De opwarming van de aarde heeft desastreuse gevolgen voor onze basisbehoeften (zoals een verminderde kwaliteit van lucht, water en eten)2 en ons mentaal welzijn (waaronder een toename van angst, verdriet en woede rondom het klimaat)3. Aanpassingen om verdere klimaatopwarming tegen te gaan zijn onvermijdelijk, welke met name impact zullen gaan hebben op volgende generaties. Voor ouders ligt er daarom een steeds belangrijkere rol in zowel het stimuleren van duurzame gedragingen om de ernst van klimaatverandering te beperken, als het voorbereiden van hun kinderen op de gevolgen die klimaatverandering met zich mee zal brengen.4 Er zijn echter nog weinig interventieprogramma’s voorhanden die ouders in deze nieuwe opvoedtaak kunnen ondersteunen4, waardoor ouders deze grotendeels op eigen kracht moeten invullen.

Een type interventie die zou kunnen inhaken op (de gevolgen van) klimaatverandering en ouders handvatten kan bieden voor het stimuleren van duurzaam gedrag, zijn interventies die inzetten op een gezonde eetopvoeding. Hoeveel en wat we eten en hoe dit voedsel wordt geproduceerd heeft een grote impact op het milieu5,6, waardoor individuele voedselkeuzes een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het behalen van de klimaatdoelen.7 Recente onderzoeken identificeerden het geven van borstvoeding en het eten van minder onbewerkte en meer plantaardige voeding als belangrijke eetgewoonten voor zowel de gezondheid van het kind als dat van de planeet.8,9 Een win-win situatie dus. Hoewel er naar dit onderwerp nog weinig onderzoek is gedaan, zijn er aanwijzingen dat ouders bereid zijn om hun eigen eetgedrag en -opvoeding uit duurzaamheidsoverwegingen te veranderen. Zo zeggen (aanstaande) Nederlandse moeders meer groenten en minder suiker te consumeren10, wat het voedselaanbod voor hun kinderen ook gunstig kan beïnvloeden. Wellicht speelt de huidige COVID-19 pandemie ook een rol in de motivatie van ouders om hun eetopvoeding aan te passen. Franse ouders rapporteerden namelijk een stijging in het aantal gezonde en duurzame producten dat zij kochten tijdens de lockdown in vergelijking met de periode daarvoor.11 Kinderen lijken daarnaast al vanaf jonge leeftijd geïnteresseerd in het welzijn van de planeet12 en ouders kunnen hier op inhaken door milieubewuste en gezonde eetgewoonten te stimuleren, zoals kweken van groenten.4

Concluderend lijken er kansen te liggen voor het integreren van duurzaamheid in interventies gericht op de eetopvoeding om zowel de gezondheid van kinderen als die van de planeet te bevorderen. Meer onderzoek naar de visie van ouders op (de gevolgen van) klimaatverandering en de manier waarop zij hun opvoeding hierop (willen) aanpassen is cruciaal om zulke interventies vorm te geven en kansrijk te maken.4 Daarnaast is er nog weinig onderzoek gedaan naar de mentale en emotionele gevolgen van klimaatverandering op ouders zelf, hoewel hun toenemende zorgen mogelijk worden gereflecteerd in de stijging van het aantal oudersupportgroepen zoals Climate Mama. 4 De mate waarin ouders responsief kunnen inspelen op de behoeften van hun kinderen (als gevolg van de klimaatproblematiek) is grotendeels afhankelijk van hun eigen vermogen om met de situatie om te gaan.13 Interventies die willen gaan inzetten op klimaatopvoeding doen er daarom goed aan om ook aandacht te besteden aan het welzijn van ouders zelf (zie ook de eerdere RAD-blog die ik schreef over dit thema).

Deze blog werd geschreven door Levie Karssen (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

  1. Costello, A., Abbas, M., Bail, S., Ball, S., Belamy, R., Fitel, S., & Patterson, C. (2009). Managing the health effects of climate change. The Lancet, 373, 1693–1708. doi: 10.1016/S0140-6736(09)60935-1
  2. Watts, N., Adger, W. N., Agnolucci, P., Blackstock, J., Byass, P., Cai,W., … Costello, A. (2015). Health and climate change: Policy responses to protect public health. Lancet, 386, 1861–1914. doi: 10.1016/S0140-6736(15)60854-6
  3. Strife, S. J. (2012). Children’s environmental concerns: Expressing ecophobia. Journal of Environmental Education, 43, 37–54. doi:10.1080/00958964.2011.602131
  4. Sanson, A. V., Burke, S. E., & Van Hoorn, J. (2018). Climate change: Implications for parents and parenting. Parenting, 18(3), 200-217. doi: 10.1080/15295192.2018.1465307
  5. Aleksandrowicz, L., Green, R., Joy, E. J., Smith, P., & Haines, A. (2016). The impacts of dietary change on greenhouse gas emissions, land use, water use, and health: A systematic review. PloS One11(11), e0165797. doi: 10.1371/journal.pone.0165797
  6. Springmann, M., Godfray, H. C. J., Rayner, M., & Scarborough, P. (2016). Analysis and valuation of the health and climate change cobenefits of dietary change. Proceedings of the National Academy of Sciences113(15), 4146-4151. doi: 10.1073/pnas.1523119113
  7. Lindgren, E., Harris, F., Dangour, A. D., Gasparatos, A., Hiramatsu, M., Javadi, F., … & Haines, A. (2018). Sustainable food systems: A health perspective. Sustainability Science13(6), 1505-1517. doi: 10.1007/s11625-018-0586-x
  8. Laws, R., Adam, M., Esdaile, E., Love, P., & Campbell, K. J. (2022). What works to improve nutrition and food sustainability across the first 2000 days of life: A rapid review. Nutrients, 14(4), 731. doi: 10.3390/nu14040731
  9. Willett, W., Rockström, J., Loken, B., Springmann, M., Lang, T., Vermeulen, S., … & Murray, C. J. (2019). Food in the Anthropocene: The EAT–Lancet Commission on healthy diets from sustainable food systems. The Lancet, 393(10170), 447-492. doi: 10.1016/S0140-6736(18)31788-4
  10. Sanoma (2019). Duurzaamheid: First Time Mums onderzoek. Verkregen van https://bin.snmmd.nl/m/i3cyl0zuu5yv.pdf/infographic_duurzaamheidftm.pdf
  11. Philippe, K., Chabanet, C., Issanchou, S., & Monnery-Patris, S. (2021). Child eating behaviors, parental feeding practices and food shopping motivations during the COVID-19 lockdown in France: (How) did they change? Appetite, 161, 105132. doi: 10.1016/j.appet.2021.105132
  12. Engdahl, I. (2015). Early childhood education for sustainability: The OMEP world project. International Journal of Early Childhood, 47, 347–366. doi: 10.1007/s13158-015-0149-6
  13. Ronan, K., & Johnson, D. M. (2005). Promoting community resilience in disasters. The role for schools, youth and families. New York, NY: Springer.


Sci-fly: Studenten dronken tijdens de eerste coronalockdown aanzienlijk minder alcohol, maar gebruikten wél vaker cannabis

*English follows Dutch*

Voor de corona pandemie was het gebruik van middelen zoals tabak, alcohol en cannabis heel normaal binnen het altijd bruisende studentenleven. De COVID-19 pandemie en gerelateerde maatregelen hebben het studenten leven echter flink veranderd. Binnen de Radboud Universiteit waren we daarom benieuwd: Is het gebruik van middelen onder studenten veranderd tijdens de corona pandemie en zijn de factoren die een rol spelen bij risicovol middelengebruik anders voor dan tijdens de corona pandemie? Dat zochten we uit in een recent onderzoek naar het middelengebruik van Nederlandse hbo en universitaire studenten tijdens de eerste COVID-19 lockdown. In deze sci-fly lees jij meer over de uitkomsten.

KERN
Het uitgevoerde onderzoek maakt deel uit van een overkoepelende studie genaamd COVID-19 International Student Well-being Study (C19 ISWS), een internationaal onderzoek naar studentenwelzijn opgezet door collega’s van de Universiteit Antwerpen. Hogeronderwijsinstellingen over de hele wereld hebben zich aangesloten bij deze studie en hebben tijdens de eerste COVID-19 lockdown een online vragenlijst verspreid onder hun studenten. Ook de Radboud Universiteit en verschillende andere Nederlandse hogeronderwijsinstellingen deden hieraan mee. Deze data – van ±10.000 Nederlandse studenten – is gebruikt voor het huidige onderzoek waaruit blijkt dat wekelijks roken stabiel is gebleven, wekelijks binge drinken (meer dan 6 glazen alcohol per gelegenheid) is afgenomen en wekelijks cannabis gebruik is toegenomen. Factoren die een rol spelen bij wekelijks gebruik blijken daarnaast stabiel te zijn, zowel voor als tijdens de eerste COVID-19 lockdown blijken factoren zoals mannelijke gender, uitwonend zijn, het zijn van een bachelor student en het hebben van minder financiële middelen het risico op wekelijks roken, binge drinken of cannabis gebruik te verhogen. Dit zijn waardevolle inzichten voor de praktijk want hieruit blijkt dat factoren die een rol spelen bij risicovol middelengebruik niet zo zeer beïnvloed worden door onverwachte stressvolle gebeurtenissen zoals een COVID-19 lockdown.

ONDERZOEKSMETHODE

WAT?
In dit onderzoek is er gekeken naar de impact van de eerste COVID-19 lockdown op de prevalenties van middelengebruik (tabak roken, binge drinken en cannabis gebruik) onder Nederlandse studenten in het hoger onderwijs. Daarnaast is er gekeken welke factoren een rol spelen bij (trends in) wekelijks middelengebruik voor en tijdens de eerste COVID-19 lockdown.

WIE?
Aan dit onderzoek deden ±10.000 Nederlandse hbo en universitaire studenten mee.

HOE?
Middels een online vragenlijst is er o.a. data verzameld over welzijn, gezondheidsgedrag en studie/student/COVID-19 gerelateerde factoren.

RESULTATEN

  • Studenten zijn tijdens de eerste COVID-19 lockdown ten opzichte van de periode daarvoor minder gaan binge drinken (27,8% voor; 13,9% tijdens), meer cannabis gaan gebruiken (6,7% voor; 8,6% tijdens) en evenveel blijven roken (±11,5%).
  • Factoren zoals mannelijk gender, uitwonend zijn, het zijn van een bachelor student en het hebben van minder financiële middelen dragen bij aan het verhoogt risico op wekelijks middelen gebruik zowel voor als tijdens de COVID-19 lockdown.

DETAILS
van Hooijdonk KJM, Rubio M, Simons SSH, van Noorden THJ, Luijten M, Geurts SAE, Vink JM. Student-, Study- and COVID-19-Related Predictors of Students’ Smoking, Binge Drinking and Cannabis Use before and during the Initial COVID-19 Lockdown in The Netherlands. Int J Environ Res Public Health. 2022 Jan 12;19(2):812. doi: 10.3390/ijerph19020812. PMID: 35055634.

MEDIA
Wist je dat de resultaten van dit onderzoek ook verschenen zijn in de Nederlandse media? Klik hier om het artikel in Voxweb te lezen en klik hier om het artikel in de Gelderlander te lezen.

Deze sci-fly werd geschreven door Kirsten van Hooijdonk (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.


Sci-fly: Students drank significantly less alcohol during the first COVID-19 lockdown, but used cannabis more often

*Disclaimer: Please note that parts of this sci-fly were automatically translated.*  

Before the corona pandemic, the use of substances such as tobacco, alcohol and cannabis was quite normal in the always vibrant student life. However, the COVID-19 pandemic and related measures have changed student life considerably. Within Radboud University we were therefore curious: has substance use among students changed during the COVID-19 pandemic and are the factors that play a role in hazardous substance use different before than during the COVID-19 pandemic? That is what we investigated in a recent study on substance use among Dutch (applied) university students during the first COVID-19 lockdown. In this sci-fly, you can read more about the results.

CORE
The research is part of an overarching study called COVID-19 International Student Well-being Study (C19 ISWS), an international study on student well-being initiated by colleagues at the University of Antwerp. Higher education institutions around the world have joined this study and distributed an online questionnaire to their students during the first COVID-19 lockdown. Radboud University and several other Dutch higher education institutions also participated. This data – from ±10,000 Dutch students – was used for the current study, which shows that weekly smoking remained stable, weekly binge drinking (more than 6 glasses of alcohol per occasion) decreased and weekly cannabis use increased. Factors that play a role in weekly use also appear to be stable; both before and during the first COVID-19 lockdown, factors such as male gender, not living with parents, being a bachelor student and having less financial resources appear to increase the risk of weekly smoking, binge drinking or cannabis use. These are valuable insights for practice because this shows that factors involved in hazardous substance use are not as much affected by unexpected stressful events such as a COVID-19 lockdown.

RESEARCH METHOD

WHAT?
This study examined the impact of the first COVID-19 lockdown on the prevalence rates of substance use (tobacco smoking, binge drinking and cannabis use) among Dutch students in higher education. In addition, we examined which factors play a role in (trends in) weekly substance use before and during the first COVID-19 lockdown.

WHO?
The study involved ±10,000 Dutch (applied) university students.

HOW?
By means of an online questionnaire, data were collected on well-being, health behavior and study/student/COVID-19-related factors.

FINDINGS

  • Binge drinking decreased during the first COVID-19 lockdown compared to the period before (27.8%  before; 13.9% during), cannabis use increased (6.7% before; 8.6% during), and smoking remained the same (±11.5%).
  • Factors such as male gender, not living with parents, being a bachelor student and having fewer financial resources contribute to the increased risk of weekly substance use both before and during the COVID-19 lockdown.

DETAILS
van Hooijdonk KJM, Rubio M, Simons SSH, van Noorden THJ, Luijten M, Geurts SAE, Vink JM. Student-, Study- and COVID-19-Related Predictors of Students’ Smoking, Binge Drinking and Cannabis Use before and during the Initial COVID-19 Lockdown in The Netherlands. Int J Environ Res Public Health. 2022 Jan 12;19(2):812. doi: 10.3390/ijerph19020812. PMID: 35055634.

MEDIA
Did you know the findings of this study also appeared in the Dutch media? Click here to read the article published in Voxweb and here to read the article published in the Gelderlander.

This sci-fly has been written by Kirsten van Hooijdonk (Radboud University) for RAD-blog, the blog on smoking, alcohol, drugs, and diet.

Ballonnetje doen? Blog over de houding van Utrechtse studenten tegenover het recreatief gebruik van lachgas

De laatste jaren wint de drug lachgas steeds meer aan populariteit onder uitgaande jongeren1. De drug is legaal verkrijgbaar en geeft een hallucinerend en trippend effect, dat kan leiden tot euforische gevoelens en lachbuien2,3. Maar veelvuldig gebruik brengt ook verschillende gezondheidsrisico’s met zich mee, zoals hoofdpijn, verwarring, neurologische stoornissen en verlamming2-7. Er zijn in de media alarmerende berichten verschenen over jongeren die meer dan 100 ballonnen per dag gebruiken. Tientallen van hen hebben daar dwarslaesies aan overgehouden8. De drugsbeoordelingscommissie beoordeelde het risico van lachgas voor de volksgezondheid ‘matig tot groot’9. Deze beoordeling was voor staatssecretaris Blokhuis aanleiding om een oproep te doen om lachgas toe te voegen aan de opiumlijst. Vanaf 2022 wordt bezit van en handel in lachgas illegaal10

Vorig jaar heb ik voor mijn scriptie onderzoek gedaan naar de houding en mening van Utrechtse studenten tegenover lachgasgebruik, met als doel het maken van een inschatting over de effectiviteit van een verbod op recreatief lachgasgebruik. Voor dit onderzoek heb ik een selecte steekproef uitgevoerd waarbij 82 studenten een vragenlijst hebben ingevuld. Vervolgens zijn 17 van hen, door middel van een quotasteekproef, benaderd voor een interview.  

Uit de antwoorden van de studenten bleek dat de meerderheid (59%) van de Utrechtse studenten geen lachgas gebruikt. Als zij dit wel doen, is dit altijd in het bijzijn van vrienden en op feestjes. Veelal wordt dit gebruik dan met alcohol gecombineerd. De voornaamste redenen die voor gebruik genoemd werden zijn de verwachte (korte termijn) positieve effecten. Uit andere bronnen blijkt dat na één inademing uit een ballon binnen 10 seconden een euforisch, aangenaam en vreugdevol gevoel wordt opgewerkt wat binnen enkele minuten weer verdwijnt2,3. Sociale media speelde in de resultaten van het scriptieonderzoek een veel minder grote rol bij het initiëren van lachgasgebruik dan op basis van eerder onderzoek10 verwacht werd. 

Studenten die geen lachgas gebruiken, gaven aan dat zij er geen behoefte aan hebben, tegen het gebruik van drugs zijn en het niet nodig hadden om een leuk feestje te hebben. Bovendien schatten zij vaker in dat het gebruik van lachgas schadelijke effecten heeft, terwijl veel lachgasgebruikers de risico’s van hun eigen gebruik lijken te bagatelliseren. Vrijwel allemaal gaven zij aan dat zij lachgas niet als noemenswaardige drug beschouwen, vanwege de laagdrempeligheid ervan. 

Lachgas is makkelijk verkrijgbaar en de effecten duren relatief kort11,12. Het lijkt aannemelijk dat de eenvoudige beschikbaarheid het gebruik stimuleert. Studenten gaven aan dat een verbod op lachgas hen niet zou weerhouden om te gebruiken, maar dat een gebrek aan beschikbaarheid als gevolg van het verbod hun gebruik wel zou laten afnemen. Bovendien kan een verbod aandacht vestigen op de schadelijke gevolgen van lachgas, waardoor de risicoperceptie wordt vergroot en gebruik verminderd kan worden13. Aan de andere kant kan een verbod er ook voor zorgen dat er juist meer nieuwsgierigheid gewekt wordt, omdat het verboden is en daardoor spannender om te gebruiken. Er wordt daarom verwacht dat een verbod op lachgas het gebruik enigszins zal doen afnemen, maar dat het effect beperkt zal blijven. 

Deze blog werd geschreven door Thirza Ham voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag, master PWO (Radboud Universiteit), 2021. 

Referenties
1. Van Laar, M.W., Cruts, A. A. N., van Miltenburg, C. J. A., Strada, L., Ketelaars, A. P. M., Croes, E. A., … Meijer, R. F. (2019). Nationale Drug Monitor: Jaarbericht 2019. Utrecht/Den Haag: Trimbos-instituut/WODC.
2. Van Amsterdam, J., Nabben, T., & van den Brink, W. (2015). Recreational nitrous oxide use: Prevalence and risks. Regulatory Toxicology and Pharmacology73(3), 790–796. doi:10.1016/j.yrtph.2015.10.017
3. Voogt, L., & van Pelt, H. (2019). Wat weet u van lachgas?. Tandartspraktijk40(7), 8–12. doi:10.1007/s12496-019-0091-0
4. Garakani, A., Jaffe, R. J., Savla, D., Welch, A. K., Protin, C. A., Bryson, E. O., & McDowell,          D. M. (2016). Neurologic, psychiatric, and other medical manifestations of nitrous oxide abuse: A systematic review of the case literature. The American Journal on Addictions25(5), 358-369. doi:10.1111/ajad.12372
5. Glijn, N. H. P., van der Linde, D., Ertekin, E., Van Burg, P. L. M., Grimbergen, Y. A., &    Libourel, E. J. (2017). Is nitrous oxide really that joyful. The Netherlands Journal of Medicine75(7), 304-306.
6. Keddie, S., Adams, A., Kelso, A. R., Turner, B., Schmierer, K., Gnanapavan, S., … Noyce, A. J. (2018). No laughing matter: subacute degeneration of the spinal cord due to nitrous oxide inhalation. Journal of Neurology265(5), 1089-1095. doi:10.1007/s00415-018-8801-3
7. Monshouwer, K., Van der Pol, P., Drost, Y. C., & Van Laar, M. W. (2016). Het Grote Uitgaansonderzoek 2016: Uitgaanspatronen, middelengebruik en preventieve maatregelen onder uitgaande jongeren en jongvolwassenen. Utrecht: Trimbos-instituut.
8. Thijssen, W. (2020, June 25). Tientallen dwarslaesies als gevolg van lachgasgebruik. Retrieved October 17, 2021, from https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/tientallen-dwarslaesies-als-gevolg-van-lachgasgebruik~b939eba5/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F
9. Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs [CAM], Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. (2019). Risicobeoordeling lachgas. Geraadpleegd op 6 juni 2020 van https://www.rivm.nl/documenten/cam-rapport-risicobeoordeling-lachgas
10. Rijksoverheid. (2019, 9 december). Blokhuis verbiedt lachgas door plaatsing onder Opiumwet. Geraadpleegd op 6 juni 2020 van https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2019/12/09/blokhuis-verbiedt lachgas-door-plaatsing-onder-opiumwet
11. Nabben, T., van der Pol, P., & Korf, D. J. (2017). Roes met een luchtje: Gebruik, gebruikers en markt van lachgas. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
12. Luijk, S. J., & Nijkamp, L. M. (2019). Recreatief lachgasgebruik en gezondheidsrisico’s. JGZ Tijdschrift Voor Jeugdgezondheidszorg51(1), 2–7. doi:10.1007/s12452-018-00166-z
13. Blocker, J. S. (2006). Did Prohibition Really Work? Alcohol Prohibition as a Public Health Innovation. American Journal of Public Health96(2), 233–243. doi:10.2105/ajph.2005.065409

Netflix vs De Rookvrije Generatie

Zoals bekend speelt de omgeving een belangrijke rol bij het beginnen met roken1. Maar, wat valt er nou eigenlijk allemaal onder ‘de omgeving’? Vaak wordt gedacht aan vrienden, school en sportclubs. Maar, óók het beeldscherm kan geschaald worden onder ‘de omgeving’. Hoewel reclame maken voor tabaksproducten al sinds 2002 verboden is in Nederland, wordt in films en series nog volop gerookt. Is dat dan geen ‘reclame’ voor het roken en welke invloed heeft dit op het beginnen met roken bij jongvolwassenen?

Al in 2003 stelden Dalton en collega’s2, dat het kijken naar roken in films sterk voorspelt of jongvolwassenen al dan niet beginnen met roken. Ook werd gevonden dat het effect significant toeneemt bij grotere blootstelling. Jongvolwassenen die het vaakst zien dat er wordt gerookt in films, hadden bijna drie keer meer kans om te beginnen met roken dan degenen met de minste blootstelling aan roken. Deze bevindingen werden vervolgens in 2005 ondersteund door reviewonderzoek van Charlesworth en Glantz3. Identificatie met een rokend karakter lijkt de overtuigingen en attitudes richting tabaksgebruik en de intentie om te roken te bevorderen bij jongvolwassenen. Ook interessant was dat bij rokers de blootstelling aan roken in films hun verlangen om te roken verhoogde, de kans dat zij in de toekomst zouden roken verhoogde en zij daarnaast ook een positief beeld van roken ervaarden.

Als gevolg van eerdergenoemd onderzoek was het logisch geweest als, na het verbod op tabaksreclame in 2002, ook een verbod zou komen op roken in films en series. Toch zijn deze regels er (nog) niet, terwijl ondertussen ook onderzoek uit 2012 van Cin, Stoolmiller en Sargent4, met bewijs kwam dat blootstelling aan roken in films geassocieerd werd met een verhoogde mate van het beginnen met roken. Dit werd nog eens benadrukt door onderzoek van Arora en collega’s5 naar het verband tussen tabaksgebruik in Bollywoodfilms en tabaksgebruik onder Indiase jongvolwassenen. Zij stelden dat, zelfs na correctie voor demografische kenmerken, sociale invloeden en kind- en opvoedingskenmerken, de kans om ooit tabak te gebruiken meer dan het dubbele was voor mensen die veel werden blootgesteld aan roken in films, vergeleken met mensen die weinig werden blootgesteld aan roken in films.

Gezien de vele negatieve effecten die roken kan hebben op iemands gezondheid6, het al bestaande verbod op tabaksreclame en de promotie die roken in films met zich meebrengt, lijkt het vanzelfsprekend dat ook voor dat laatste duidelijke regels en afspraken worden opgesteld. Zeker met de campagne van de Rookvrije Generatie in het achterhoofd, is roken in films en series misschien zelfs wel niet meer iets van deze tijd.

Deze blog werd geschreven door Ilse Klijnsma voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag, master PWO (Radboud Universiteit), 2021. 

Referenties
1. Wellman, R. J., Dugas, E. N., Dutczak, H., O’Loughlin, E. K., Datta, G. D., Lauzon, B., & O’Loughlin, J. (2016). Predictors of the Onset of Cigarette Smoking. American Journal of Prevetive Medicine, 51(5), 767-778.
2. Dalton, M. A., Sargent, J. D., Beach, M. L., Titus-Ernstoff, L., Gibson, J. J., Bridget Ahrens, M., Tickle, J. J., & Heatherton, T. F. (2003). Effect of viewing smoking in movies on adolescent smoking initiation: a cohort study. The Lancet, 362, 281-285.
3. Charlesworth, A., & Glantz, S. A. (2005). Smoking in the Movies Increases Adolescent Smoking: A Review. Pediatrics, 116(6), 1516-1528. doi: 10.1542/peds.2005-0141.
4. Cin, S. D., Stoolmiller, M., & Sargent, J. D. (2012). When Movies Matter: Exposure to Smoking in Movies and Changes in Smoking Behavior. Journal of Health Communication, 17(1), 76-89. doi: 10.1080/10810730.2011.585697.
5. Arora, M., Methur, N., Gupta, V. K., Nazar, G. P., Srinath Reddy, K., & Sargent, J. D. (2012). Tobacco use in Bollywood movies, tobacco promotional activities and their association with tobacco use among Indian adolescents. Tobacco Control, 21, 482-487. doi: 10.1136/tc.2011.043539.
6. Mackenbach, J. P., Damhuis, R. A., & Been, J. V. (2017). The effects of smoking on health: Growth of knowledge reveals even grimmer picture. Nederlands tijdschrift voor geneeskunde, 160, 869-869.

Sci-fly: De invloed van de moeder-dochter relatie op het ontwikkelen van verstoord eetgedrag bij jongvolwassen vrouwen

Verondersteld wordt dat de ontwikkeling van verstoord eetgedrag bij jonge vrouwen tot op zekere hoogte verband houdt met de wijze waarop er binnen de families belang wordt gehecht aan voeding, gewicht en uiterlijk vertoon. De opvattingen van moeders over deze onderwerpen lijken daarin belangrijker dan die van andere familieleden. Er bestaat namelijk een unieke relatie tussen moeders en dochters die ertoe leidt dat dochters de neiging hebben om dezelfde overtuigingen en gedragingen te vertonen als hun moeders, in het bijzonder met betrekking tot gewicht. De moeder fungeert dus ten aanzien van dit onderwerp als belangrijk voorbeeldfiguur voor de dochter. Amerikaanse wetenschappers waren benieuwd of de kwaliteit van deze unieke moeder-dochter relatie verband houdt met de ontwikkeling van verstoord eetgedrag bij jongvolwassen vrouwen. In deze sci-fly lees je daar het antwoord op. 

KERN
Binnen dit onderzoek is onderscheid gemaakt tussen een gezonde en een ongezonde moeder-dochter relatie. De gezonde relatie is beschreven als een relatie waarbij er sprake is van wederzijdse liefde, interesse, aandacht en respect. De ongezonde relatie is beschreven als een relatie waarbij er sprake is van parentificatie en de dochter het gevoel heeft dat zij verantwoordelijk is voor het algehele welbevinden van haar moeder. Uit het Amerikaanse onderzoek is gebleken dat een dergelijke ongezonde moeder-dochter relatie mogelijk kan worden gezien als risicofactor in het ontwikkelen van een eetstoornis bij jongvolwassen vrouwen. De vrouwen met een ongezonde moeder-dochter relatie vertonen namelijk vaker verstoord eetgedrag dan vrouwen met een gezonde moeder-dochter relatie. Hierbij valt te denken aan een restrictief eetpatroon, overmatig eten of eetbuien afgewisseld met (streng) lijnen. De wetenschappers benadrukken dan ook dat wanneer deze resultaten worden ondersteund door longitudinale studies, de preventie- en interventieprogramma’s met betrekking tot eetstoornissen ook gericht zouden moeten worden op het verbeteren van de moeder-dochter relatie.

ONDERZOEKSMETHODE
In deze cross-sectionele studie is gekeken naar de wijze waarop de kwaliteit van de moeder-dochter relatie verband houdt met de ontwikkeling van verstoord eetgedrag bij jongvolwassen vrouwen. In totaal hebben 528 Noord-Amerikaanse vrouwen in de leeftijd van 18 tot en met 24 jaar deelgenomen aan een online vragenlijst. Deze vragenlijst bestond uit een combinatie van verschillende betrouwbare en valide instrumenten waarmee zowel het eetgedrag als de perceptie op de kwaliteit van de moeder-dochter relatie zijn uitgevraagd.

VONDSTEN

  • Jongvolwassen vrouwen met een ongezonde moeder-dochter relatie hebben vaker te maken met verstoord eetgedrag dan jongvolwassen vrouwen met een gezonde moeder-dochter relatie. 
  • Een ongezonde moeder-dochter relatie zou mogelijk kunnen worden gezien als risicofactor voor het ontwikkelen van een eetstoornis bij jongvolwassen vrouwen. Andersom zou een gezonde moeder-dochter relatie mogelijk kunnen worden gezien als beschermende factor. Longitudinale studies zullen moeten uitwijzen of dit ook daadwerkelijk het geval is. 

DETIALS
Posluszny, H., Quick, V., & Worobey, J. (2021). Disordered eating in college women: Associations with the mother-daughter relationship. Eating and Weight Disorders – Studies on Anorexia, Bulimia and Obesity. https://doi.org/10.1007/s40519-021-01175-8

Deze sci-fly werd geschreven door Lisanne Koers voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag, master PWO (Radboud Universiteit), 2021

‘Ontsnappen aan de werkelijkheid’: Aantal gameverslavingen onder jongeren toegenomen tijdens COVID-19 pandemie

De COVID-19 pandemie houdt ons al ruim anderhalf jaar in haar greep. Lockdown, quarantaine, thuisonderwijs en avondklok zijn begrippen die de afgelopen tijd ineens werkelijkheid zijn geworden. Door het zogeheten social distancing werden sociale situaties massaal vermeden. Winkels, scholen, sportclubs en horecagelegenheden werden gesloten en ook thuis werd er amper bezoek ontvangen. Deze maatregelen leidden tot sociale isolatie en dat heeft veel invloed gehad op de mentale gezondheid van jongeren1

Door de sociale isolatie vond een groot deel van de leefwereld van Nederlandse jongeren online plaats. Er werd immers van jongeren gevraagd om het onderwijs digitaal te volgen, maar ook sociale contacten moesten met name online onderhouden worden. Hierdoor werd de drempel om voor een scherm te gaan zitten steeds lager2. Er werden dan ook meer videogames gespeeld door jongeren tijdens de pandemie dan voorheen3,4.

Daarnaast kan de COVID-19 pandemie beschouwd worden als een stressvolle situatie, waardoor jongeren een uitweg zoeken in bijvoorbeeld gamen1. De gevolgen van de pandemie op de mentale gezondheid zijn namelijk vrij ernstig. Volgens het Trimbos Instituut is er sinds COVID-19 meer sprake van eenzaamheid, gedragsproblematiek, angst, depressie en eetproblematiek5. Door een game controller te pakken kan iemand tijdelijk ontsnappen aan de werkelijkheid. Even vluchten voor de gevolgen van de pandemie. Weg uit de ‘echte’ wereld en een kijkje nemen in de veilige, virtuele wereld. Ik geef ze geen ongelijk.

Het lijkt misschien onschuldig, maar het aantal gameverslavingen onder de jongeren is fors toegenomen tijdens de COVID-19 pandemie4,6,7. Een gameverslaving wordt vaak onterecht als minder problematisch beschouwd in vergelijking met een alcohol- of drugsverslaving8. Bovendien wordt de kans op mentale problemen onder jongeren alleen maar groter door een gameverslaving1. Zo kan frequent gamegedrag leiden tot isolering, verstoring van het levensritme, slapeloosheid en school- of werkuitval9. Het sociale leven van een jongere met een gameverslaving wordt dan nog meer op de proef gesteld en de stap naar de ‘echte’ wereld wordt steeds groter. Er kan dan sprake zijn van eenzaamheid en een negatief zelfbeeld, waardoor de verleiding om te gamen alleen maar toeneemt. Er valt dan te spreken over een neerwaartse spiraal. 

Er zijn dus genoeg redenen om de toename van gameverslaving en de bijbehorende gevolgen meer onder de aandacht te brengen. 

Deze blog werd geschreven door Laura Janssen voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag, master PWO (Radboud Universiteit), 2021. 

Referenties

  1. Xu, S., Park, M., Kang, U. G., Choi, J. S., & Koo, J. W. (2021). Problematic use of alcohol and online gaming as coping strategies during the COVID-19 pandemic: A mini review. Frontiers in Psychiatry, 12.
  2. Wiederhold, B. K. (2020). Children’s screen time during the COVID-19 pandemic: boundaries and etiquette. Cyberpsychology, Behavior, and Social Networking23(6), 359-360. doi: 10.1089/cyber.2020.29185.bkw. 
  3. Donati, M. A., Guido, C. A., De Meo, G., Spalice, A., Sanson, F., Beccari, C., & Primi, C. (2021). Gaming among children and adolescents during the COVID-19 lockdown: The role of parents in time spent on video games and gaming disorder symptoms. International Journal of Environmental Research and Public Health18(12), 6642.
  4. King, D. L., Delfabbro, P. H., Billieux, J., & Potenza, M. N. (2020). Problematic online gaming and the COVID-19 pandemic. Journal of Behavioral Addictions9(2), 184-186.
  5. Trimbos (2020). Mentaal gezond de coronacrisis door: zeven adviezen. Verkregen via: https://www.trimbos.nl/kennis/corona/mentaal-gezond-door-de-crisis
  6. Fernandes, B., Biswas, U. N., Mansukhani, R. T., Casarín, A. V., & Essau, C. A. (2020). The impact of COVID-19 lockdown on internet use and escapism in adolescents. Revista de psicología clínica con niños y adolescentes7(3), 59-65.
  7. Rogier, G., Zobel, S. B., & Velotti, P. (2021). COVID-19, loneliness and technological addiction: Longitudinal data. Journal of Gambling Issues, (47).
  8. Van Rooij, A. J., & Boonen, H. (2017). Gameverslaving en diagnostiek. Handboek diagnostiek kinderen, jongeren, en gezinnen, 323-342.
  9. Schoenmakers, T., & Meerkerk, G.-J. (2010). Nieuwe vormen van verslaving in de zorg: ghb- en gameverslaving. Verslaving6(4), 36–49.

Sci-fly: Stronger together: How online peer support can help quit smoking.

Contrary to popular belief many smokers, young and old, want to quit smoking. Yet, while taking the big step is challenging, staying abstinent is a greater struggle. Over the last decade, researchers have been designing and testing non-medical treatments to help smokers quit successfully. Some examples include mindfulness, counselling, and self-help interventions. Interestingly, many people start smoking in social settings with their family members, classmates, or colleagues. Then, what if we used social settings to help them quit smoking instead? 

You’ve probably heard of support groups such as Alcoholics/Nicotine/Narcotics Anonymous, where people with substance use problems who want to quit come together to create a space for sharing and support. More recently, internet interventions have also been designed on this principle. They encourage peer support, i.e. connecting with other smokers trying to quit. Such resources are even more relevant with the pandemic forcing most in-person events to be done virtually. Moreover, they are low-cost, ensure anonymity, and are easily accessible on anyone’s phone. One such online peer-support intervention for smokers with promising effects is Tweet2Quit. 

CORE
In Tweet2Quit, each participant was assigned to a 20-people cohort. They were given a Twitter account where they could interact with the 19 other heavy smokers who were also motivated to quit smoking. Over 100 days, they received automated tweets with discussion points related to the quit attempt over which they could engage with their cohort. Moreover, they could use the closed group space to interact with each other limitlessly. Finally, they received daily feedback on their (lack of) participation on Twitter. Researchers found that participants who experienced Tweet2Quit were twice as likely to be smoke-free 2 months after the quit date than those who didn’t experience the intervention. Moreover, participants who tweeted more were more likely to successfully quit as well. 

The success of Tweet2Quit tells us that there is promise in implementing small-scale online self-help groups as an add-on element during a quit attempt. Engaging with others who are in the same position can provide social and emotional support during this challenging period. Naturally, social media use has changed since 2017 when this study was conducted. Yet, features such as “tweeting” are still widely used, and more up-to-date, user-friendly, and accessible versions of the intervention are worth testing. 

RESEARCH METHODS
What?
The researchers tested whether participating in Tweet2Quit led to increased abstinence measured at 7 days, 1 month and 2 months after the quit date, as compared to the control group. At each of these points, participants were asked if they had been abstinent in the last 7 days to determine successful abstinence. 

Who? 
160 adults, mostly female (74%), White (89%), and aged 36 years on average (SD = 9.9). They were heavy smokers (smoked 18 cigarettes daily on averages who had been smoking for an average of 16.8 years) who were motivated to quit smoking. 

How?
Each time 40 new participants enrolled in a cohort, they were randomly divided into the Tweet2Quit or control group. Participants in both groups received nicotine patches to help with cravings, and frequent emails with links to the US government’s website for smoking cessation (smokefree.gov). In addition, only participants in the Tweet2Quit group got the Twitter peer support intervention as an add-on to see if it had benefits over and above typical cessation aid. 

FINDINGS

  • In the Tweet2Quit group, 40% of participants abstained from smoking 2 months after they quit. However, in the control group 20% of participants were still abstinent. This suggests that Tweet2Quit had significant positive effects on their quit attempt. 
  • Participants who tweeted more often and tweeted actively for a longer period were more successful with quitting. For example, for every 10 new tweets, the likelihood of abstinence increased by 20%. 

DETAILS
Pechmann, C., Delucchi, K., Lakon, C. M., & Prochaska, J. J. (2017). Randomised controlled trial evaluation of Tweet2Quit: a social network quit-smoking intervention. Tobacco Control26(2), 188-194.

This sci-fly was written by Suhaavi Kochhar (Radboud University) for RAD-blog, the blog about smoking, alcohol, drugs and diet.

Trippen of Skippen? De mening van jongeren in Oost-Brabant over drugsgebruik

Al jarenlang staat Brabant bekend om de drugscriminaliteit in de provincie. Ook in de eerste helft van 2021 telt Brabant de meeste drugslabs in vergelijking met andere provincies in Nederland.1 Regelmatig verschijnen er nieuwsberichten dat de politie invallen heeft gedaan in drugslabs of dat er ergens drugsafval gedumpt is.2 Maar hoe denken jongeren in Oost-Brabant eigenlijk over drugs?

Laatst vertelde ik tijdens een etentje wat over mijn werk en onderzoeksinteresse en daardoor kwam het gesprek op drugsgebruik onder jongeren. Er was ook een studente aanwezig (toevallig afkomstig uit Brabant) die er spontaan uitflapte dat een vriendin van haar handelt in Ritalin, met name in de tentamenperiode. Dit werd even tussen neus en lippen door genoemd. En dat roept de vraag op of drugsgebruik onder jongeren steeds normaler is geworden.

Uit de gezondheidsmonitor van de GGD blijkt dat 30% van de Brabantse jongeren het gebruiken van harddrugs gewoon vindt, en 70% geeft aan het gebruik van softdrugs normaal te vinden.3 Betekent het normaal vinden van drugs gebruik dat jongeren zelf ook meer drugs gebruiken of dat de drempel om te experimenten minder groot is? Welke drugs gebruiken ze dan? Waarom gaan jongeren experimenteren met drugs? En op welke plek doen ze dat (bijvoorbeeld festival of thuis)? En (hoe) hangt het gebruik van drugs samen met de norm over drugsgebruik?

Deze (en meer) vragen zullen beantwoord worden in een onderzoeksproject ‘Drugs, wat doet het met jou?’. Dit is een samenwerkingsverband van 37 gemeenten in Oost-Brabant, de beide GGD-en en Novadic-Kentron.4 Met dit onderzoek wordt de mening en de norm van jongeren over drugsgebruik onderzocht.5 Drie van mijn Master PWO studenten mogen voor hun scriptietraject aansluiten bij dit project. Ze gaan mee op pad door Oost-Brabant om jongeren te attenderen op de vragenlijst. Dit om een zo groot en representatief mogelijke steekproef te krijgen. Als de data verzameld zijn dan gaan ze aan de slag met de dataset om, naast de rapportage die door het regioproject wordt gemaakt, nog een aantal verdiepende vragen te beantwoorden. Een super relevant en interessant project, dus ik kijk er naar uit om de studenten de rest van dit academische jaar hierbij te begeleiden.

Ben jij zelf tussen de 16 en 27 jaar en woon je in Oost-Brabant? Dan kun jij ook meedoen! Of je nou wel (eens) drugs gebruikt of dit nog nooit gedaan hebt, jouw mening telt! Vul de vragenlijst in via: www.trippenofskippen.nl De vragenlijst staat tot eind november open. Het invullen kost ongeveer 10 minuten van je tijd en zoals de organisatoren zelf zeggen: “je maakt kans op een ‘vette trip’ naar keuze!”. 

Deze blog werd geschreven door Jacqueline Vink (hoogleraar bij het Behavioural Science Institute, RU) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet. 

Referenties
1. https://www.bndestem.nl/brabant/zeeland-west-brabant-koploper-ontdekte-drugslabs-in-eerste-halfjaar-2021~a0ad9243/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F
2. https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/nederland/artikel/5232046/drugsafval-brabant-vvd-fractie-zorgen-gevaarlijk-kinderen
3. https://www.omroepbrabant.nl/nieuws/3967739/zeven-op-de-tien-jongeren-vinden-softdrugs-normaal-ggd-wil-meer-onderzoek
4. https://www.regioprojectdrugs.nl/  
5. https://www.skipdrugs.nl/het-onderzoek/

Sci-fly: De impact van COVID-19 op leefstijl van studenten: minder alcohol, meer zitten en minder beweging

De COVID-19 pandemie heeft het leven van studenten flink veranderd. Om de verspreiding van het virus te beperken werden er verschillende maatregelingen ingevoerd zoals het sluiten van horeca en openbare gebouwen (waaronder universiteiten en bibliotheken), reisrestricties, het thuiswerk advies en de implementatie van verschillende lockdowns. Velen studenten hadden het zwaar en zaten geïsoleerd op kleine studentenkamers of verhuisden noodgedwongen terug naar hun ouderlijkhuis. Deze ingrijpende veranderingen hebben onvermijdelijk geleidt tot drastische veranderingen in de leefstijl van studenten. Welke impact had de COVID-19 pandemie op de leefstijl van studenten? In deze sci-fly lees je meer over een Frans onderzoek naar veranderingen in leefstijl tijdens de COVID-19 pandemie. 

KERN
In dit onderzoek werd de impact van de COVID-19 pandemie op de leefstijl (alcohol consumptie, fysieke activiteit en zitgedrag) van Franse universitaire studenten onderzocht. Hiervoor werd er vragenlijst data op vier verschillende tijdstippen voor en/of tijdens de COVID-19 pandemie vergeleken. De uitkomsten laten een positief effect zien op het gebruik van alcohol: studenten zijn minder alcohol gaan drinken. Daarentegen werd een negatief effect waargenomen voor fysieke activiteit en zitgedrag: studenten zijn minder gaan sporten en meer gaan zitten tijdens de COVID-19 pandemie. Opvallend was ook dat vooral lichte lichamelijke activiteit in vergelijking met matige en zware lichamelijke activiteit sterk afnam tijdens de lockdown periodes. De onderzoekers uiten hun zorgen over de lange termijneffecten van de COVID-19 pandemie op de leefstijl van studenten en benadrukken de essentiële rol van de universiteiten in het bevorderen van een actieve leefstijl onder studenten, bijvoorbeeld door het faciliteren van sport voorzieningen of het implementeren van actieve pauzes.

ONDERZOEKSMETHODE
WAT?
In deze studie werd er gekeken naar de verandering in leefstijl (alcohol gebruik, fysieke activiteit en zitgedrag) tijdens verschillende periodes tijdens de COVID-19 pandemie in Frankrijk.  

WIE?
De vier vergeleken cohorten bestaan uit universitaire studenten van verschillende Franse universiteiten.

  • Cohort 1: 1294 studenten (april/mei 2020; tijdens eerste COVID-19 lockdown in Frankrijk)
  • Cohort 2: 373 studenten (juni 2020; na de eerste COVID-19 lockdown)
  • Cohort 3: 284 studenten (oktober 2020; toen het virus onder controle was en de universiteit geopend waren)
  • Cohort 4: 160 studenten (november/december 2020; tijdens de tweede COVID-19 lockdown)

Opmerking: In totaal waren er 91 studenten die aan alle vier de metingen hebben deelgenomen.

HOE?
Voor dit onderzoek werd er gebruik gemaakt van een online vragenlijst, die op vier verschillende tijdstippen tijdens de COVID-19 pandemie verspreid werd via docenten en sociale media. 

VONDSTEN

  • De alcohol consumptie onder studenten nam af tijdens de COVID-19 pandemie.
  • Studenten zijn minder gaan sporten tijdens de COVID-19 pandemie. Met name lichte lichamelijke activiteit nam sterk af in vergelijking met zware en matige lichamelijke activiteit.
  • Studenten zaten meer tijdens de COVID-19 lockdowns, deze trend lijkt zich voort te zetten.

DETAILS
Jaffe AE, Kumar SA, Ramirez JJ, DiLillo D. Is the COVID-19 Pandemic a High-Risk Period for College Student Alcohol Use? A Comparison of Three Spring Semesters. Alcohol Clin Exp Res. 2021 Apr;45(4):854-863. doi: 10.1111/acer.14572. Epub 2021 Mar 23. PMID: 33755213; PMCID: PMC8250603.

Deze sci-fly werd geschreven door Kirsten van Hooijdonk (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Hard worker or addicted to work? Delineating the (work-life) boundaries

The question of how to attain a good work-life balance is not new, but the COVID-19 pandemic and associated restrictions rekindled the debate. Working from home became the norm for many professions and this brought new challenges. For example, without the daily commute to our offices or no colleagues instigating a coffee break, we need to decide for ourselves when it is time to take a break and close our laptops. This left me wondering about those who already had difficulties with setting up work-life boundaries, even before these changes in lifestyle. 

Work addiction, or popularly termed workaholism by Oates (1971)1, is associated to uncontrollable urges and constant thoughts about work, feeling badly when not working – or refrained from work – and extreme work engagement. Although workaholism and work addiction are used as synonyms, some differences can be found between them. While the terms share common traits, such as the urges or compulsion to work, work addiction has been more associated to clinical criteria; namely, significant impairment in own life and/or relationships, or intention to decrease work hours without success.2,3 Thus, being an enthusiastic employee that works long hours does not automatically make you a work addict. 

You might be wondering whether some people are more at risk for experiencing this or it could be the influence of a very demanding work environment. The answer is, as it often happens, that it could be a bit of both.

Morkevičiūtė, Endriulaitienė, & Poškus (2021)4 conducted a systematic review and meta-analyses to identify the risk factors for workaholism and found two main explanations:

  1. Personal variable: perfectionism, a tendency to experience negative emotions, and being driven by external regulations (e.g.., obtain praise or fear of punishment) and high standards – more than by an emotional to the job.
  2. The influence of the context: a demanding work environment (e.g., workload, stress and competitiveness) can specially trigger compulsive work behaviours and, possibly, what we learned at home.

At this point, some of the readers of this blog might be skeptical: can we really consider these hard-workers addicted? Or are these the inventions of lazy people who over pathologize as an excuse? The truth is that neither workaholism nor work addiction are officially classified within the addictive related disorders or recognized in the diagnostic manuals. 

One reason that makes work addiction so difficult to diagnose is that exceeding work demands can also bring benefits and is celebrated by our society. This can be observed more clearly when compared to other less popular non-substance related addictions, such as gambling or shopping. It is important to mention that, progressively, the negative consequences will outweigh the positives. That colleague that was once recognized as a great employee might experiment a decline in productivity. It is only then when we notice that something is wrong. Regardless whether work addiction is or isn’t an official diagnosis, studies have linked it both to mental disorders and physical problems associated with stress (for example burn-out, depression, and cardiovascular diseases).2 Moreover, as it happens with most addictions, families can be severely affected by these behaviours.5

Now that we are cautiously getting back to the office, I would like to ask myself, and the readers, whether the forced home office during the pandemic helped us to delimit our own work boundaries. If the answer is ‘’not really’’, then I hope we have nice colleagues that will take us out of our work bubble to enjoy some coffee breaks.

This blog was written by Milagros Rubio (Radboud University) for RAD-blog, the blog about smoking, alcohol, drugs and diet.

References
1. Oates, W. E. (1971). Confessions of a workaholic: The facts about work addiction. World Publishing Company.
2. Atroszko, P. A. (2019). Work addiction as a behavioural addiction: Towards a valid identification of problematic behaviour. Australian and New Zealand Journal of Psychiatry53(4), 284–285. 
3. Clark, M. A., Smith, R. W., & Haynes, N. J. (2020). The Multidimensional Workaholism Scale: Linking the conceptualization and measurement of workaholism. Journal of Applied Psychology105(11), 1281–1307. 
4. Morkevičiūtė, M., Endriulaitienė, A., & Poškus, M. S. (2021). Understanding the etiology of workaholism: The results of the systematic review and meta-analysis. Journal of Workplace Behavioral Health0(0), 1–22. 
5. Griffiths, M. D., Demetrovics, Z., & Atroszko, P. A. (2018). Ten myths about work addiction. Journal of Behavioral Addictions7(4), 845–857. 

Sci-fly: “De meeste studenten hier kiezen ervoor om groente te eten tijdens de lunch”. Kan dit bericht ervoor zorgen dat studenten meer groente eten?

In een eerdere sci-fly van RAD-blog schreef ik al over het belang van en de mogelijkheden om kinderen gezond te verleiden in de schoolkantine. Het eten van gezonde producten, zoals groente, is immers cruciaal voor een gezonde ontwikkeling. Wanneer jongeren ouder worden en de middelbare school verlaten, zullen ze steeds onafhankelijker worden en hun eigen keuzes maken – ook betreffende hun eigen eetgedrag. Zo zullen studenten die uit huis gaan om te studeren aan een hogeschool of universiteit zelf hun maaltijden moeten kopen en klaarmaken. Dit kan zorgen voor ongezondere eetpatronen. Gegeven de negatieve impact van de consumptie van ongezond voedsel op de gezondheid en academische prestaties van studenten, is het ook voor studenten belangrijk om een gezond eetpatroon te stimuleren. Een goede plek hiervoor is op kantine van de hogeschool of universiteit, waar studenten tijdens de pauze hun lunch kunnen halen. Maar (hoe) kun je er als onderwijsinstelling voor zorgen dat studenten in de kantine verleid worden om gezonde producten te eten? Wetenschappers uit Frankrijk zochten het uit.

Foto via Unsplash

KERN
– In dit onderzoek werd getest of studenten meer groente eten na het zien van een bericht waarin wordt beschreven welk gedrag vaak voorkomt onder medestudenten. In dit onderzoek is dat gedrag het eten van groente. Dit wordt een “sociale norm” genoemd.
– Het blootstellen van studenten aan een dergelijk bericht met een sociale norm kan invloed hebben op hun groenteconsumptie.
– Zo voorkomt het blootstellen aan een bericht met een sociale norm dat studenten minder frequent groente gaan consumeren.
– Ook zorgt de blootstelling aan het bericht met een sociale norm voor een (tijdelijke) toename in de hoeveelheid groente die studenten consumeren.

ONDERZOEKSMETHODE
In dit onderzoek namen studenten deel van een universiteit in Frankrijk. Het onderzoek vond plaats in twee grotere universiteitskantines. In het eerste deel van het onderzoek werd één kantine willekeurig geselecteerd om een bericht met een “sociale norm” te tonen die de groenteconsumptie stimuleert. In een dergelijk “sociale norm” bericht wordt beschreven welk gedrag vaak voorkomt onder medestudenten, in dit geval dus het eten van groente. Meer specifiek kregen studenten in de kantine van de interventie-conditie het volgende bericht te zien: “De meeste studenten hier kiezen ervoor om groente te eten tijdens de lunch”, terwijl in de andere kantine een neutraal bericht werd getoond (controle-conditie; “De meeste studenten maken hier hun dienblad schoon na de lunch”). Deze berichten stonden op posters die op verschillende plekken in de kantine werden opgehangen. Drie weken lang werd er voor drie dagen tijdens lunchtijd in de twee kantines geobserveerd wat er werd gekocht en hoeveel procent van het bord bestond uit groente. De observatie vond plaats in drie stadia: de week voorafgaand aan het bericht (pre-interventie); de week waarin het bericht werd getoond (interventie); en een week na het tonen van het bericht (post-interventie). Na deze drie weken werden de twee berichten omgewisseld tussen de twee kantines en ging een nieuwe observatieperiode van drie weken van start. In totaal werden er 12.994 geobserveerde maaltijden gecodeerd. Het onderzoek vond vóór de coronacrisis plaats. 

VONDSTEN
– De frequentie van de groenteconsumptie van studenten in de interventie-conditie bleef gelijk tijdens de interventie-week, terwijl dit voor studenten in de controle-conditie met 17% afnam.
– Wat betreft de hoeveelheid groente die studenten consumeerden, werd er een toename tijdens de interventie-week waargenomen voor studenten in de interventie-conditie. Meer specifiek was de hoeveelheid groente 1.56 keer groter tijdens de interventie-week dan in de pre-interventie week. Deze toename werd niet gevonden voor de studenten in de controle-conditie. 
– De toename van de hoeveelheid groente was niet meer zichtbaar in de post-interventie week voor studenten in de interventie-conditie.

DETAILS
Guichard, E., Autin, F., Croizet, J. C., & Jouffre, S. (2021). Increasing vegetables purchase with a descriptive-norm message: A cluster randomized controlled intervention in two university canteens. Appetite, 167, 105624. doi: https://doi.org/10.1016/j.appet.2021.105624

Deze sci-fly werd geschreven door Nina van den Broek (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.