Sci-Fly

sci fly icon

 

Op deze pagina vind je korte, hapklare samenvattingen van interessant recent onderzoek naar Roken, Alcohol, Drugs en/ of Dieet. Mooie manier om up-to-date te blijven van wat er gebeurt in de literatuur!

Sci-Fly: Drinking away your loneliness: are lonely people more at risk for alcohol problems and dependence?

*Dutch follows English*

Maybe our RAD-blog readers are familiar with the popular opening scene from the movie “Bridget Jones’s Diary”. It starts with the charismatic protagonist emptying a glass of red wine while dramatically singing along to the lyrics: “all by myself don’t wanna be anymore…”. She rarely stands up from the couch but only to check out her answering machine that, in case the picture was not clear, coldly confirms that there are no messages. This scene might have made us spectators laugh and cry with Bridget but, besides the comedic effect, it might reveal something more concerning about the protagonist’s behaviour.

In general, as reflected in the movie, there seems to be a common idea in society that feeling lonely could lead to abusing alcohol. Yet, is this idea actually based on facts? Or are we just watching too many romantic comedies? According to a large epidemiological study conducted by Wakabayashi et al. (2022) in Japan, there might be some truth to this. Scroll below Bridget’s picture for a summary of the key findings of the study.

CORE
Wakabayashi et al. (2022) investigated the relationship between loneliness and increased problem drinking, or developing alcohol dependence, during the COVID-19 pandemic. For this aim, the researchers used a large one-year online survey. Participants were asked to report how lonely they felt at the beginning of the survey, as well as their (problem) drinking behaviour in the following year. The results suggest that greater loneliness in early 2021 was an independent risk factor for changing into a problem or dependent drinker one year later. Additionally, the authors observed a larger share of lonely people among non-drinkers than in low or medium-risk drinkers, but a smaller proportion than in high-risk drinkers. The findings suggest that extremes in drinking habits (i.e., either being abstinent or abusing alcohol) are more closely associated to higher feelings of loneliness than being a moderate drinker, i.e. people who might drink in social contexts. Wakabayashi’s (2022) study highlights how important is to provide (social) support against loneliness as a preventive measure for alcohol dependence.

RESEARCH METHOD

WHAT?
The purpose of this study was to examine the associations between loneliness and developing problem drinking or alcohol dependence during the COVID-19 pandemic in adults over 20 years old (legal drinking age in Japan).

WHO?
15,854 participants (ages 20-80 years old).

HOW?
A large internet-based cohort study was conducted in Japan as part of the Japan Society and New Tobacco Internet Survey (JASTIS). Two measurements were included in this investigation, the start was in February 2021 and the second and final measurement in February 2022. The study included self-report questionnaires which examined demographic factors, loneliness, and (harmful) alcohol use, besides other health behaviours.

RESULTS

  1. Among non-drinkers, 22% of participants reported high loneliness, which was greater than in low-risk (18%) and medium-risk drinkers (17%). In contrast, 32% of high-risk drinkers and 43% with probable alcohol dependence reported elevated feelings of loneliness.
  2. Elevated loneliness at the beginning of the study was associated with changing from being first classified as not at risk to at-risk for problem drinking or dependence. This was observed even after considering participants‘ gender and marriage status, living arrangements or experiences of distress.

DETAILS
Wakabayashi, M., Sugiyama, Y., Takada, M., Kinjo, A., Iso, H., & Tabuchi, T. (2022). Loneliness and Increased Hazardous Alcohol Use: Data from a Nationwide Internet Survey with 1-Year Follow-Up. International Journal of Environmental Research and Public Health, 19(19). https://doi.org/10.3390/ijerph191912086

This sci-fly was written by Mili Rubio (Radboud University) for RAD-blog, the blog about smoking, alcohol, drugs, and diet.


Sci-Fly: Drinking away your loneliness: lopen eenzame mensen meer risico op alcoholproblemen en -afhankelijkheid?

Misschien kennen onze RAD-blog lezers de populaire openingsscène uit de film “Bridget Jones’s Diary”. Het begint met de charismatische hoofdpersoon die een glas rode wijn leegdrinkt terwijl ze dramatisch meezingt met de tekst: “all by myself don’t wanna be anymore…”. Ze staat zelden op van de bank, alleen om op haar antwoordapparaat te kijken dat, voor het geval het beeld niet duidelijk was, emotieloos bevestigt dat er geen berichten zijn. Deze scène laat ons toeschouwers misschien lachen en huilen met Bridget, maar naast het komische effect onthult het misschien iets meer over het gedrag van de hoofdpersoon.

In het algemeen, zoals in de film tot uiting komt, lijkt er in de samenleving het idee te bestaan dat eenzaamheid kan leiden tot alcoholmisbruik. Maar is dit idee wel gebaseerd op feiten? Of kijken we gewoon te veel romantische komedies? Volgens een grote epidemiologische studie van Wakabayashi et al. (2022) in Japan zou hier wel eens enige waarheid in kunnen zitten. Scroll onder de foto van Bridget voor een samenvatting van de belangrijkste bevindingen van de studie.

KERN
Wakabayashi et al. (2022) onderzochten het verband tussen eenzaamheid en toegenomen probleemdrinken, of het ontwikkelen van alcoholafhankelijkheid, tijdens de COVID-19 pandemie. Voor dit doel gebruikten de onderzoekers een grote online enquête met een tussenpauze van een jaar. Deelnemers werd gevraagd te rapporteren hoe eenzaam ze zich voelden aan het begin van het onderzoek, en in het daaropvolgende jaar rapporteerden ze over hun (probleem)drinkgedrag. De resultaten suggereren dat grotere eenzaamheid in het begin van 2021 een onafhankelijke risicofactor was om een jaar later te veranderen in een probleem- of afhankelijke drinker. Bovendien stelden de auteurs een groter aandeel eenzamheid vast bij niet-drinkers dan bij drinkers met een laag of gemiddeld risico, maar een kleiner aandeel dan bij drinkers met een hoog risico. De bevindingen suggereren dat extreme drinkgewoonten (d.w.z. onthouding of misbruik van alcohol) nauwer verbonden zijn met hogere gevoelens van eenzaamheid dan matige drinkers, oftewel mensen die af en toe drinken in sociale contexten. De studie van Wakabayashi (2022) benadrukt hoe belangrijk het is om (sociale) steun te bieden tegen eenzaamheid als preventieve maatregel voor alcoholafhankelijkheid.

ONDERZOEKSMETHODE

WAT?
Het doel van deze studie was de associaties te onderzoeken tussen eenzaamheid en het ontwikkelen van probleemdrinken of alcoholafhankelijkheid tijdens de COVID-19 pandemie.

WIE?
15.854 deelnemers (leeftijd 20-80 jaar).

HOE?
In Japan werd een groot cohortonderzoek via internet uitgevoerd als onderdeel van de Japan Society and New Tobacco Internet Survey (JASTIS). Dit onderzoek omvatte twee metingen, de nulmeting in februari 2021 en de follow-up in februari 2022. Het onderzoek omvatte zelfrapportagevragenlijsten waarin naast ander gezondheidsgedrag ook demografische factoren, eenzaamheid en (schadelijk) alcoholgebruik werden onderzocht.

RESULTATEN

  1. Onder niet-drinkers meldde 22% van de deelnemers grote eenzaamheid, wat groter was dan bij drinkers met een laag risico (18%) en een gemiddeld risico (17%). Daarentegen meldde 32% van de risicodrinkers en 43% van de mensen met waarschijnlijke alcoholafhankelijkheid verhoogde gevoelens van eenzaamheid.
  2. Verhoogde eenzaamheid in het begin van de studie hing samen met het veranderen van de eerste classificatie als niet-risicodrinker naar risicodrinker of verslaafde. Dit werd zelfs waargenomen nadat rekening was gehouden met het geslacht en de huwelijksstatus van de deelnemers, of de deelnemers samen of alleen woonden, of ervaringen van stress of leed.

DETAILS
Wakabayashi, M., Sugiyama, Y., Takada, M., Kinjo, A., Iso, H., & Tabuchi, T. (2022). Loneliness and Increased Hazardous Alcohol Use: Data from a Nationwide Internet Survey with 1-Year Follow-Up. International Journal of Environmental Research and Public Health, 19(19). https://doi.org/10.3390/ijerph191912086

Deze sci-fly werd geschreven door Mili Rubio (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Wordt snus het nieuwe roken onder de Nederlandse jeugd?  

*Do you want to read this blog in English? Now it is possible and very easy! On the top right of the website, you will see a small sign that says “Dutch”. Just click on it and switch from Dutch to English. Disclaimer: Please note that this blog is automatically translated.*

Vind je roken ook zo ouderwets? Vind je het vies? Ben je bang voor je gezondheid? Probeer een keer snus! Op steeds meer plekken in Nederland wordt het gebruik van snus duidelijk zichtbaar en problematisch. Gedacht wordt namelijk dat snus niet ongezond is omdat er geen verbranding plaatsvindt. Snus wordt ook wel zuigtabak genoemd omdat het onder de bovenlip tegen het tandvlees wordt gedrukt. Je krijgt zo nicotine binnen zonder te roken. Het zit vaak in een hip doosje. En snus smaakt ‘lekker’ omdat er door de fijngemalen tabak geur- en smaakstoffen zijn verwerkt. In Zweden wordt snus op grote schaal gebruikt en Zweden is ook het enige land binnen de Europese Unie waar snus niet verboden is. Het gebruik van snus verspreidt zich echter ook steeds meer naar landen binnen en buiten Europa en zo ook naar Nederland. In recent Fins onderzoek onder mannen tussen 18 en 29 jaar is gekeken naar voorspellende factoren die het snusgebruik beïnvloeden (1).

Bron: https://news.ki.se/snus-users-run-greater-risk-of-type-2-diabetes

Uit dat onderzoek blijkt dat er significante verschillen zijn tussen dagelijkse snus gebruikers en incidentele gebruikers, met name wat betreft de leeftijd waarop er voor het eerst snus wordt gebruikt (mediaan is respectievelijk 16 jaar versus 17 jaar). Dit geldt ook voor de hoeveelheid snus die wordt gebruikt (gemiddeld 10 porties per dag versus 3), de dagelijkse duur van het gebruik (gemiddeld 372 minuten per dag versus 139)en de totale periode van het snusgebruik (gemiddeld 3 jaar versus 2 jaar) . Hoe jonger de persoon is bij het eerste gebruik van snus, des te groter de kans dat hij dagelijks gaat gebruiken, in flinke hoeveelheden (porties per dag), dat de duur van het gebruik van een portie aanzienlijk toeneemt en dat het ook veel langer in de tijd wordt gebruikt. Resultaten die we kennen uit onnoemelijk veel onderzoek dat is gedaan naar het gebruik van sigaretten. Herhaalt de geschiedenis zich?

We weten nog niet in hoeverre de onderzoeksresultaten generaliseerbaar zijn naar de Nederlandse praktijk. Toch lijkt het niet onverstandig om alvast voor te sorteren op een campagne onder jongeren die wijst op de gevaren van snus. Dat het gebruik van snus een verhoogd risico geeft op het starten met roken, heeft onderzoek al aangetoond (2,3). Ook is uit onderzoek bekend dat het gebruik van snus gezondheidsproblemen oplevert (4, 5,6). Nu uit onderzoek ook bekend is dat met name de leeftijd waarop er voor het eerst gebruikt wordt een belangrijke voorspellende factor voor later dagelijks gebruik is, weten we dus ook dat we zo’n campagne vooral moeten richten op jongeren in de middelbare schoolleeftijd. Omdat in het Finse onderzoek ook enige aanwijzing werd gevonden dat een lager opleidingsniveau van invloed is, lijkt het verstandig om in eerste instantie in te zetten op een campagne op scholen, startende in de brugklas op praktijkscholen, kaderonderwijs en binnen de theoretische leerweg. Laten we de geschiedenis de kans ontnemen om zich te herhalen!  

Deze blog werd geschreven door Patrick Spee voor de cursus Recente Ontwikkelingen in
Risicogedrag, master PWO, 2022.

Referenties

  1. Danielsson M, Tanner T, Patinen P, et al. (2021). Prevalence, duration of exposure and predicting factors for snus use among young Finnish men: a cross-sectional study BMJ Open.
  2. Grøtvedt, L., Forsén, L., Ariansen, I. et al. (2019). Impact of snus use in teenage boys on tobacco use in young adulthood; a cohort from the HUNT Study Norway. BMC Public Health 19, 1265.
  3. Danielsson, M., Lammi, A., Siitonen, S. et al. (2019). Alarming development of dual snus and cigarette usage among young Finnish males. BMC Public Health 19, 1249.
  4. Yuan, S., Titova, O.E., Damrauer, S.M. et al. (2022). Swedish snuff (snus) dipping, cigarette smoking, and risk of peripheral artery disease: a prospective cohort study. Sci Rep 12, 12139.
  5. Antoniewicz L, Kabele M, Nilsson U, Pourazar J, Rankin G, Bosson JA, et al. (2022) Chronic snus use in healthy males alters endothelial function and increases arterial stiffness. PLoS ONE 17(6): e0268746.
  6. Alizadehgharib, S, Lehrkinder, A, Alshabeeb, A, Östberg, A-K, Lingström, P. (2022). The effect of a non-tobacco-based nicotine pouch on mucosal lesions caused by Swedish smokeless tobacco (snus). Eur J Oral Sci. 2022; 130:e12885.

Sci-Fly: NIX18, wel of niet voor niks? 

*Do you want to read this blog in English? Now it is possible and very easy! On the top right of the website, you will see a small sign that says “Dutch”. Just click on it and switch from Dutch to English. Disclaimer: Please note that this blog is automatically translated.*

NIX18, een campagne ingezet door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in samenwerking met een aantal grote partners om de bewustwording bij jongeren (10-24 jaar) en hun omgeving te vergroten voor de schadelijkheid van het drinken van alcohol. Deze campagne blijkt nodig, want bijna de helft van de 14-jarigen en meer dan driekwart van de 16-jarigen blijkt alcohol te hebben genuttigd. Nu heerst de vraag: wat doet dit met de ontwikkelingen van de hersenen?

KERN 

Alcoholgebruik bij jongeren wordt geassocieerd met een versnelde afname van ‘grijze stof’ (de stof in je hersenen die bestaat uit zenuwcellen en zorgt voor het verwerken van informatie) en een vertraagde toename van ‘witte stof” (de stof in je hersenen die bestaat uit verbindingen tussen zenuwcellen en zorgt dat informatie wordt doorgegeven). Deze bevindingen suggereren (met enige voorzichtigheid) dat alcoholgebruik kan leiden tot een versnelde rijping van de hersenen bij oudere jongeren. De resultaten worden hieronder samengevat.  

ONDERZOEKSMETHODE 

Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van drie onafhankelijke onderzoeken, waarbij personen voor een langere periode zijn gevolgd en herhaalde metingen zijn verricht: ook wel een cohortonderzoek genoemd. Alle drie de cohorten verzamelden informatie over het alcoholgebruik door middel van vragenlijsten. Respectievelijk deden er 200, 293 en 318 Nederlandse deelnemers mee, waarbij de leeftijd van de eerste meting varieerde tussen de 8 en 18 jaar. Tevens werd bij alle drie de cohorten data verzameld middels een hersenscan. Door middel van bovenstaande gegevens werd er onderzocht of alcoholgebruik door jongeren geassocieerd wordt met reeds bestaande verschillen in hersenvolumes en in de ontwikkeling van de ‘grijze en witte stof’ in de hersenen.   

RESULTATEN 

Er is aangetoond dat alcoholgebruik onder jongeren geassocieerd werd met een versnelde afname van het totale hersenvolume, waaronder een afname van de ‘grijze stof’ en een vertraagde toename van de ‘witte stof’. Met name de zogenaamde ‘prefrontale cortex’ (betrokken bij cognitieve processen) en het ‘limbisch systeem’ (verantwoordelijk voor het omgaan met emoties en voor motivatie) veranderen aanzienlijk, welke samen grote invloed hebben op zelfbeheersing, besluitvorming, emoties en risicogedrag. 

DISCUSSIE EN AANBEVELINGEN 

Het onderzoek toont de eerste aanwijzingen dat alcoholgebruik in elke mate verband houdt met veranderde neurologische ontwikkelingstaken. Elk alcoholgebruik werd geassocieerd met versnelde vermindering van de ‘grijze stof’ of minder toename van ‘witte stof’. Dit werd niet gezien bij een grote groep jongere jongeren die net begonnen zijn met drinken. Vervolgonderzoek moet uitwijzen of incidenteel drinken op jonge leeftijd (nog) geen effect heeft op het hersenvolume op lange termijn. Daarnaast blijft het lastig bepalen of waargenomen associaties direct worden veroorzaakt door alcoholgebruik of dat er andere verklaringen voor mogelijk zijn.  

DETAILS 

Marroun, H. El, Klapwijk, T., Koevoets, M., Brouwer, R., Peters, S., Ent, D., van’t … Franken, I. (2021). Alcohol use and brain morphology in adolescence: A longitudinal study in three different cohorts. European Journal of Neuroscience, 6012-6026. https://doi.org/10.1111/ejn.15411

Deze sci-fly werd geschreven door Dion Mekenkamp voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag, master PWO, 2022.  

Een vape, dat is géén gezonde versie van een sigaret!

*Do you want to read this blog in English? Now it is possible and very easy! On the top right of the website, you will see a small sign that says “Dutch”. Just click on it and switch from Dutch to English. Disclaimer: Please note that this blog is automatically translated.*

Vapen, een andere benaming voor het gebruik van een e-sigaret met smaakje, wordt steeds populairder onder zowel rokende als niet-rokende kinderen en jongeren 1,2, 3. NOS stories heeft dit jaar onderzoek gedaan naar het gebruik van vapes. Van de 6874 ondervraagde kinderen en jongeren geeft 46% aan wel eens gevapet te hebben, waarvan 8% onder de 12 jaar is 12. Er zou op 1 juli 2022 een verbod komen op smaakjes voor vapes, alleen is dit uitgesteld naar 1 oktober 2023 11, 12. De vrolijke kleurtjes en verschillende zoete smaakje zorgen ervoor dat een vape er onschuldiger uitziet dan een sigaret 7, 10. Maar is het wel zo onschuldig als het lijkt?

De vape bestaat uit drie onderdelen, namelijk de batterij, het verwarmingselement en de vloeistof 12. In de vloeistof zit de smaakstof, wat de vape aantrekkelijk maakt voor kinderen en jongeren 1, 12. Maar in deze vloeistof zitten ook chemische stoffen, zoals propyleenglycol, glycerol en metalen 3, 4, 9, 12. Daarnaast zit in de meeste vapes ook nicotine, wat ervoor kan zorgen dat kinderen en jongeren op jonge leeftijd een nicotineverslaving ontwikkelen 5. Een vape is namelijk net zo nicotineverslavend als een sigaret 1, 3, 5. Tevens kan nicotine onder andere zorgen voor een hoge bloeddruk, verhoogde kans op kanker en negatief effect op de hersenontwikkeling 1, 3, 4, 7, 8.  

Foto van The Guardian13

Kinderen en jongeren beginnen eerder met vapen dan met het roken van een sigaret 1, 12, 13. Dit komt allereerst omdat ze nieuwsgierig zijn naar de zoete smaakjes 12. Deze smaakjes zorgen voor belonende ervaringen 6. Daarnaast zien ze niet in dat een vape schadelijk kan zijn voor hun gezondheid 3, 4. Dit komt doordat op die leeftijd het beloningssysteem in de hersenen meer ontwikkeld is dan het hersendeel dat verstandige keuzes maakt 7. Bovendien is een vape eenvoudig en goedkoop te verkrijgen via het internet 4, 5, 12, kan je het probleemloos meenemen in je broekzak of tas en is het gemakkelijk in gebruik 4,5.

Het gebruik van een vape kan een opstap zijn voor het gebruik van sigaretten 2, 4, 5. Dit kan er vervolgens weer voor zorgen dat kinderen en jongeren zowel vapes als sigaretten roken, ook wel dual users genoemd 4. Dat is nog schadelijker voor de gezondheid 4. De vape leek in eerste instantie op de markt gebracht om mensen te helpen om van het roken af te komen 8, maar het lijkt nu het tegenovergestelde teweeg te brengen. Vanaf 1 oktober 2023 mogen er alleen nog vapes verkocht worden met een tabak smaak, 11, 12,14. Andere smaken, zoals aardbeien, mango of mojito zijn dan verboden. De nieuwe regels gaan op 1 januari in, maar de verkoop zelf wordt pas vanaf 1 oktober echt verboden. Deze maatregelen zijn bedoeld om de vape minder populair te maken onder (niet-rokende) jongeren. Vapen lijkt in eerste instantie onschuldig en niet schadelijk, maar schijn bedriegt.

Deze blog werd geschreven door Mayke Verschueren voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag, master PWO, 2022.

Referenties

  1. Newcombe, K.V., Dobbs, P.D., Oehlers, J. S., Dunlap, C. M., & Cheney, M.K. (2021). College students’ reasons for using JUULs. American Journal of Health Promotion, 35(6), 835-840. https://doi.org/10.1177/0890117121992292 
  2. Treur, J.L., Rozema, A.D., Mathijssen, J.J.P., Van Oers, H., & Vink, J. M. (2018). E-cigarette and waterpipe use in two adolescent cohorts: cross-sectional and longitudinal associations with conventional cigarette smoking. European Journal of Epidemiol, 33, 323–334. https://doi.org/10.1007/s10654-017-0345-9
  3. Al-Balas, H., Al-Balas, M., Al-Balas, H.I., Khamees, A., Talafha, M., & Nuseir, A. (2021). Electronic smoking behavior among adult males in Jordan. Journal of Community Health 46, 803–807. https://link.springer.com/article/10.1007/s10900-020-00953-2
  4. Croes, E., Bommelé, J., Willemsen, M., & Troelstra, S. (2020). Factsheet elektronische sigaretten (e-sigaretten). Trimbos Instituut. Geraadpleegd op 30 september 2022, van https://www.trimbos.nl/wp-content/uploads/sites/31/2021/09/af1765-factsheet-elektronische-sigaretten.pdf
  5. Russell, C., Katsampouris, E., & Mckeganey, N. (2020). Harm and addiction perceptions of the JUUL E-cigarette among adolescents. Nicotine Tobacco Research, 22(5), 713-721. https://doi.org/10.1093/ntr/ntz183
  6. Peasley-Miklus, C., Klemperer, E. M., Hughes, J. R., Villanti, A. C., Krishnan-Sarin, S., DeSarno, M. J., Mosca, L. A., Su, A., Cassidy, R. N., & Feinstein, M. J. P. (2022). The interactive effects of JUUL flavor and nicotine concentration on addiction potential. Experimental and Clinical Psychopharmacology. http://doi.org/10.1037/pha0000591 
  7. Hooglugt, Y. (2022, 21 september). ‘Ik betrapte mijn dochter (13) met een vape’. De Telegraaf. Geraadpleegd op 26 september 2022 van https://www.telegraaf.nl/vrouw/1172259880/ik-betrapte-mijn-dochter-13-met-een-vape   
  8. Croes, E. (2022, 26 juli). Vapen: de snoepwinkel van de tabaksindustrie. Trimbos Instituut. Geraadpleegd op 19 september 2022 van https://www.trimbos.nl/actueel/blogs/vapen-de-snoepwinkel-van-de-tabaksindustrie/
  9. Van Spankeren, K. (2022, 28 juli). Whoeps, dit is hoe schadelijk vapen écht is voor je gezondheid. NSMBL. Geraadpleegd op 19 september 2022 van https://www.nsmbl.nl/dit-is-hoe-schadelijk-vapen-is/
  10. Van Roekel, I. (2022, 7 juli). Vapen steeds populairder: dit is waarom het zo verslavend is. Magriet. Geraadpleegd op 26 september 2022 van https://www.margriet.nl/gezondheid/vapen-steeds-populairder-dit-is-waarom-het-zo-verslavend-is~bc63166e/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F
  11. RTL nieuws (2022, 19 juni). Verbod op smaakjes e-sigaret uitgesteld, longartsen maken zich zorgen. RTL nieuws. Geraadpleegd op 19 september van https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/politiek/artikel/5315779/roken-verbod-smaakjes-e-sigaret-longartsen-ministerie
  12. NOS Stories (2022, 6 juli). ‘Vape ontploft in mijn keel’. De waarheid over wegwerpvapes [Video].YouTube. Geraadpleegd op 19 september 20222 van https://www.youtube.com/watch?v=pkoUUB4n-aM
  13. Lu, D. (2021, 8 september). International research shows ‘strong evidence’ linking vaping to cigarette smoking. The Guardian. Geraadpleegd op 11 oktober 2022 van https://www.theguardian.com/australia-news/2021/sep/09/international-research-shows-strong-evidence-linking-vaping-to-cigarette-smoking
  14. RTL nieuws (2022, 1 december) E-sgiaretten met smaakje per 1 oktober 2023 definitief verboden. RTL nieuws. Geraadpleegd op 19 december van https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/nederland/artikel/5350436/e-sigaret-smaakjes-roken-verbod-rivm-tabak-verslaving-jongeren

Waarom je het gevecht tegen overgewicht niet wint met vechten tegen overgewicht

*Do you want to read this blog in English? Now it is possible and very easy! On the top right of the website, you will see a small sign that says “Dutch”. Just click on it and switch from Dutch to English. Disclaimer: Please note that this blog is automatically translated.*

Noot. Voorkant RIVM magazine 2012, 12(1)

Laatst hoorde ik weer van een nieuwe, verwoede poging om overgewicht terug te dringen; in het Verenigd Koninkrijk moeten tegenwoordig op alle menu’s van grote fastfoodketens de calorieën van gerechten vermeld staan (1). De poging van het Verenigd Koninkrijk is slechts één van de vele pogingen die er wereldwijd afgelopen jaren gedaan zijn. Toch blijken de campagnes weinig effectief, want in de afgelopen 45 jaar is het aantal mensen met ernstig overgewicht bijna verdriedubbeld (2).

Onderzoek laat zien waarom de goedbedoelde campagnes om overgewicht tegen te gaan vaak ineffectief en soms zelfs schadelijk zijn. Veel campagnes zijn gebaseerd op het idee dat gewicht een belangrijke voorspeller is voor iemands gezondheid (3). Voor veel mensen is gezondheid een belangrijke waarde en zij beschouwen overgewicht soms ten onrechte als immoreel (3). Ook wordt in campagnes tegen overgewicht de controle die iemand zelf over zijn gewicht heeft, onevenredig groot gepresenteerd. In werkelijkheid is overgewicht een complex samenspel van biologische, sociale en economische factoren. Deze nadruk op eigen verantwoordelijkheid leidt er toe dat mensen met overgewicht als lui, dom en gulzig kunnen worden gezien (3). Veel campagnes stigmatiseren dus mensen met een groter lichaam.

Uit onderzoek is gebleken dat stigmatisering van mensen met een groter lichaam kan leiden tot verminderd vertrouwen van mensen in hun eigen vermogen om gezond te kunnen leven (3,4). Dit leidt op zijn beurt tot een verminderde motivatie om te sporten en een gezond, gebalanceerd eetpatroon vol te kunnen houden (3,4). Onderzoek heeft aangetoond dat stigmatisering juist leidt tot het eten van meer voedsel omdat men voedsel gebruikt om emoties te reguleren die ontstaan zijn als gevolg van de stigmatisering (4). Campagnes die focussen op (over)gewicht kunnen dus juist ernstig overgewicht in de hand werken. Stigmatisering van mensen met grotere lichamen kan daarnaast ook serieuze gevolgen hebben voor de fysieke en psychische gezondheid van deze mensen. Zo kan er een toename zijn van stress, angst en depressieve gevoelens, eetstoornissen, en een verlaagd zelfbeeld en een negatieve lichaamsbeleving komen ook vaker voor (3,4).

Wat zou men dan wel kunnen doen om de gezondheid te bevorderen? Onderzoek laat zien dat gewichtsinclusieve campagnes leiden tot een verhoogde motivatie en een toename in gezond gedrag bij mensen die zichzelf dik vinden (4). In gewichtsinclusieve campagnes wordt benadrukt dat mensen hun gezondheid kunnen verbeteren, ongeacht hun huidige gewicht (4). Deze campagnes zijn gefocust op haalbare, concrete gedragsveranderingen, zoals meer groente en fruit eten. Veel te vaak wordt gewicht nog als indicator voor gezondheid gebruikt, maar om gezondheid echt te verbeteren, kan men beter focussen op gezondheid bevorderende gewoontes. 

Deze blog werd geschreven door Vienna Korndewal voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag, master PWO, 2022.

Referenties

  1. Department of Health and Social Care. (2021, 12 mei). Calorie labelling on menus to be introduced in cafes, restaurants and takeaways. GOV.UK. Geraadpleegd op 18 oktober 2022, van https://www.gov.uk/government/news/calorie-labelling-on-menus-to-be-introduced-in-cafes-restaurants-and-takeaways
  2. Obesity and overweight. (2021, 9 juni). Geraadpleegd op 19 oktober 2022, van https://www.who.int/en/news-room/fact-sheets/detail/obesity-and-overweight
  3. Rathbone, J. A., Cruwys, T. & Jetten, J. (2022). Non-stigmatising alternatives to anti-obesity public health messages: Consequences for health behaviour and well-being. Journal of Health Psychology, 27(7), 1601–1614. https://doi.org/10.1177/1359105321999705
  4. Simpson, C. C., Griffin, B. J. & Mazzeo, S. E. (2019). Psychological and behavioral effects of obesity prevention campaigns. Journal of Health Psychology, 24(9). https://doi.org/10.1177/1359105317693913

Sci-Fly: What’s in a number? The relationship between the size of a cigarette pack and cigarette consumption

Dutch follows English.

The Dutch government is continually working on policies around tobacco consumption in the Netherlands to reduce smoking. For instance, cigarette packs must have plain packaging and cannot be displayed in stores (other than specialist tobacco stores). Instead, they must be discretely stored in drawers or cupboards. More recently, new initiatives were announced including further increases in cigarette prices and the excise duty on tobacco, and cigarette sale at supermarkets will gradually cease to exist. However, one attribute not yet directly addressed is the size of cigarette packs being sold in the country. A recent study conducted in Canada sheds light on the importance of cigarette pack size for smoking behaviour. We will unpack their research findings in this sci-fly.

CORE
Lee and colleagues (2022) conducted an experiment in Canada to test whether the size of cigarette packs influences subsequent cigarette consumption. They found that smaller cigarette packs are linked to reduced smoking at least in the short term. Their research provides important insight for smoking reduction policy in the public health sector, and for practitioners working with smoking populations motivated to quit smoking.

In the EU, cigarette packs have a minimum size of 20 cigarettes to make them expensive and out of reach for younger populations. At the same time, other countries have capped the maximum number of cigarettes per pack at 20. The study by Lee and colleagues indicates that regulations on cigarette pack sizes should be further deliberated to determine the ideal standard to reduce smoking globally.

RESEARCH METHODS
WHAT?: The goal of the research was to test if the size of a cigarette pack, that is how many cigarettes a pack contained, had an effect on how much participants smoked.

WHO?: The target population was Canadian adults who smoked heavily, that is at least 10 cigarettes daily. Additionally, they typically purchased factory-made cigarettes in packs of 25 of a brand available in packs of 20 (size a) and 25 (size b). Ultimately, 252 individuals participated in this 5-week-long study.

HOW?: The researchers used a randomized cross-over design, where participants took part in both conditions (packs of 20 cigarettes and 25 cigarettes) so the researchers could compare data of the same individuals. Importantly, whether participants smoked packs of size a or size b first was randomly determined at the start of the study.

Phase 1: In the first two weeks participants smoked cigarettes from their preferred brand in any one size, a or b.

Phase 2: In the third week, participants had a “usual” smoking week where they could smoke any brand in any size.

Phase 3: In the last two weeks, participants were again asked to smoke cigarettes from their preferred brand. However, this time they only smoked from packs of the other size, b or a. Thus, if participants smoked from packs of 20 in phase 1, they smoked from packs of 25 in phase 3, and vice versa.

At the end of each of the 5 weeks, participants sent labelled pictures of the cigarette packs that they (partially) finished in the last week. These photographs were used to calculate how many cigarettes they smoked daily on average in each phase of the study.

FINDINGS
When participants smoked only from packs of 20 cigarettes, they smoked 1.3 fewer cigarettes daily and 9 fewer cigarettes per week than when they smoked only from packs of 25. This outcome implies that smaller cigarette packs can reduce cigarette consumption and is an important insight for policymakers in public health.

DETAILS
Lee, I., Blackwell, A. K. M., Hobson, A., Wiggers, D., Hammond, D., De‐loyde, K., Pilling, M. A., Hollands, G. J., Munafò, M. R., & Marteau, T. M. (2022). Cigarette pack size and consumption: a randomized cross‐over trial. Addiction. https://doi.org/10.1111/add.16062

Netherlands Enterprise Agency, RVO. (2022, September 27). Sales of tobacco. business.gov.nl. https://business.gov.nl/regulation/sales-tobacco/

van Schalkwyk, M. C. I., McKee, M., Been, J. V., Millett, C., & Filippidis, F. T. (2020). Size matters: An analysis of cigarette pack sizes across 23 European Union countries using Euromonitor data, 2006 to 2017. PLOS ONE, 15(8), e0237513. https://doi.org/10.1371/journal.pone.0237513

This sci-fly was written by Suhaavi Kochhar (Radboud University) for RAD-blog, the blog about smoking, alcohol, drugs and diet.


Sci-Fly: What’s in a number? Het verband tussen het aantal sigaretten in een pakje en het sigarettenverbruik

*Disclaimer: Houd er rekening mee dat delen van deze sci-fly automatisch zijn vertaald.*

 De Nederlandse regering werkt voortdurend aan beleid rond tabaksgebruik in Nederland om het roken terug te dringen. Sigarettenpakjes moeten een duidelijke verpakking hebben en mogen niet worden uitgestald in winkels (met uitzondering van gespecialiseerde tabakszaken), maar moeten discreet worden bewaard in lades of kasten. Nieuwe veranderingen die onlangs werden aangekondigd, zijn dat de prijzen van sigaretten verder zullen stijgen, dat de accijns op tabak vanaf volgend jaar ook zal stijgen en dat supermarkten binnenkort geen sigaretten meer mogen verkopen. Een aspect dat echter nog niet rechtstreeks is aangepakt, is de grootte van sigarettenpakjes. Een recent onderzoek in Canada werpt licht op het belang van de grootte van sigarettenpakjes voor het rookgedrag. In deze sci-fly pakken we hun onderzoek uit.

KERN
Lee en collega’s (2022) hebben in Canada een experiment uitgevoerd om na te gaan of de grootte van sigarettenpakjes van invloed is op het latere sigarettengebruik. Zij vonden dat kleinere sigarettenpakjes verband houden met minder roken, althans op korte termijn. Hun onderzoek biedt belangrijke inzichten voor het beleid ter vermindering van het roken in de volksgezondheidssector en voor mensen die werken met rokende bevolkingsgroepen die gemotiveerd zijn om te stoppen met roken.

In de EU hebben sigarettenpakjes een minimumgrootte van 20 sigaretten om ze duur te maken en buiten bereik van jongere bevolkingsgroepen. Tegelijkertijd hebben andere landen het maximum aantal sigaretten per pakje beperkt tot 20. De studie van Lee en collega’s is een belangrijk bewijs dat de regelgeving inzake de grootte van sigarettenpakjes verder moet worden besproken om een ideale norm vast te stellen om het roken wereldwijd terug te dringen.

ONDERZOEKSMETHODEN
WAT: Het doel was te testen of de grootte van een sigarettenpakje, dat wil zeggen hoeveel sigaretten een pakje bevatte, een effect had op hoeveel deelnemers rookten.

WIE? De doelgroep bestond uit Canadese volwassenen die dagelijks meer dan 10 sigaretten rookten. Bovendien kochten zij gewoonlijk fabriekssigaretten in pakjes van 25 van een merk dat verkrijgbaar is in pakjes van 20 (maat a) en 25 (maat b). Uiteindelijk namen 252 personen deel aan dit 5 weken durende onderzoek.

HOE? De onderzoekers gebruikten een gerandomiseerd cross-over ontwerp, waarbij deelnemers aan beide condities (pakjes 20 sigaretten en 25 sigaretten) deelnemen om gegevens van dezelfde personen te vergelijken. Belangrijk is dat aan het begin van de studie willekeurig werd bepaald of de deelnemers eerst pakjes maat a of maat b rookten.

Fase 1: In de eerste twee weken rookten de deelnemers sigaretten van het merk van hun voorkeur in een willekeurige maat, a of b.

Fase 2: In de derde week hadden de deelnemers een “gewone” rookweek waarin zij elk merk in elke maat mochten roken.

Fase 3: In de laatste twee weken werd de deelnemers opnieuw gevraagd sigaretten te roken van het merk van hun voorkeur. Deze keer rookten zij echter alleen uit pakjes van de andere grootte, b of a. Dus als deelnemers in fase 1 uit pakjes van 20 rookten, rookten zij in fase 3 uit pakjes van 25, en omgekeerd.

Aan het eind van elk van de vijf weken stuurden de deelnemers gelabelde foto’s van de pakjes sigaretten die zij in de afgelopen week (gedeeltelijk) op hadden. Deze foto’s werden gebruikt om te berekenen hoeveel sigaretten zij gemiddeld per dag rookten in elke fase van de studie.

RESULTATEN
Wanneer deelnemers alleen uit pakjes van 20 sigaretten rookten, rookten zij dagelijks 1,3 sigaretten minder en 9 sigaretten minder per week dan wanneer zij alleen uit pakjes van 25 sigaretten rookten. Dit resultaat impliceert dat kleinere pakjes sigaretten het sigarettenverbruik kunnen verminderen en is een belangrijk inzicht voor beleidsmakers op het gebied van de volksgezondheid.

DETAILS
Lee, I., Blackwell, A. K. M., Hobson, A., Wiggers, D., Hammond, D., De‐loyde, K., Pilling, M. A., Hollands, G. J., Munafò, M. R., & Marteau, T. M. (2022). Cigarette pack size and consumption: a randomized cross‐over trial. Addiction. https://doi.org/10.1111/add.16062

Netherlands Enterprise Agency, RVO. (2022, September 27). Sales of tobacco. business.gov.nl. https://business.gov.nl/regulation/sales-tobacco/

van Schalkwyk, M. C. I., McKee, M., Been, J. V., Millett, C., & Filippidis, F. T. (2020). Size matters: An analysis of cigarette pack sizes across 23 European Union countries using Euromonitor data, 2006 to 2017. PLOS ONE, 15(8), e0237513. https://doi.org/10.1371/journal.pone.0237513

Deze sci-fly werd geschreven door Suhaavi Kochhar (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

In the mood for food? What our appetitive traits can tell us about our weight

*Dutch follows English*.

After seeing the pictures below, do you feel hungry and want to eat? Do you often feel an increased appetite when you smell food during cooking? Do you eat less or more when you are angry? And if you see a new kind of food, do you want to try it, or do you prefer the food you usually eat?

Appetitive traits are defined as a set of persistent predispositions toward food that interact with environmental factors, and often influence food intake and their consequences (i.e., being obese or being underweight)1,2. Importantly, in contrast to other traits that one might have (i.e., extraversion versus introversion, flexibility versus inflexibility), appetitive traits are related to the environment.

Our environment is full of processed, storable (artificially preserved), and palatable food. Energy-dense food is becoming cheaper and more accessible. Such an “obesogenic environment” does not force us to overeat, but the opportunities and the incentive from these kinds of food make it easier to gain weight3. However, some individuals maintain a healthy weight whilst others become obese4,5. Professor Jane Wardle´s behavioural susceptibility theory (BST) might provide an explanation for this, by theorizing that gaining weight results from an interaction between genetic risk (i.e., some people inherit higher responsiveness to the smell or sight of food) and environmental exposure (such as easy access of fast food)1. Genes set the potential for becoming obese, but the environment determines the outcome. In addition, Stanley Schachter´s externality theory explains that individuals who are genetically predisposed to be highly responsive to food cues are more likely to overeat in an environment in which food cues pervade every aspect of daily living6,7. For example, during the COVID-19 lockdown (perceived as a stressful environment), people with higher emotional overeating traits ate more to suppress negative emotions8,9.

Furthermore, Wardle distinguishes two types of appetitive traits: approach and avoidance traits1,10. Whereas approach traits (i.e., food responsiveness, emotional overeating, enjoyment of food) are associated with eating onset behaviours and often lead to overweight or obesity, avoidance traits (i.e., satiety responsiveness, slowness of eating, emotional undereating) are related to eating offset behaviours and tend to lead to eating disorders (i.e., anorexia).

Back to the questions in the first paragraph. If you often feel happy when you see food and often enjoy food, and you also eat more when you have negative emotions, then you have food approach traits. If you, on the other hand, often eat slowly, your stomach feels full after a certain amount of food, and eating is your formal habit to fill your stomach, or you usually don’t have an appetite when you have negative emotions, then you most probably have food avoidance traits. If you have higher food approach traits, are you at risk to be overweight or obese? Don´t worry, as the aetiology of obesity is complex3. Environments play a role to determine the consequences. If we try to make our environment to be healthy (i.e., put more healthy food at home, only go to the healthy section in the supermarket), then our risk to be overweight is low.

This blog was written by Eveline Sarintohe (Radboud University) for RAD-blog, the blog about smoking, alcohol, drugs and diet.

References

  1. Wardle, J., Carnell, S. (2009). Appetite is a heritable phenotype associated with adiposity. Behav. Med, 38, 25–30.
  2. Hunot, C., Fildes, A., Croker, H., Llewellyn, C.H., Wardle, J., Beeken, R.J. (2016). Appetitive traits and relationships with BMI in adults: Development of the adult Eating Behaviour Questionnaire. Appetite, 105, 356–363
  3. Llewellyn, C.H. & Fildes, A. (2017). Behavioural Susceptibility Theory: Professor Jane Wardle and the Role of Appetite in Genetic Risk of Obesity. Curr Obes Rep, 6:38–45.
  4. Fildes, A., Mallan, K.M., Cooke, L., van Jaarsveld C.H.M., Llewellyn, C.H., Fisher, A., Daniels, L. (2015). The relationship between appetite and food preferences in British and Australian children. International Journal of Behavioral Nutrition and Physical Activity, 12:116.
  5. Mallan, K.M., Fildes, A., Garcia, X. DLP., Drzezdzon, J., Sampson, M., Llewellyn, C. (2017). Appetitive traits associated with higher and lower body mass index: evaluating the validity of the adult eating behaviour questionnaire in an Australian sample. International Journal of Behavioral Nutrition and Physical Activity, 14:130.
  6. Boswell, R.G. & Kober, H. (2016). Food cue reactivity and craving predict eating and weight gain: A meta-analytic review. Obesity Reviews, 17(2), 159–177. doi:10.1111/obr.12354.
  7. Schneider-Worthington, C.R., Smith, K.E., Roemmich, J.N., Salvy, S-J. (2022). External food cue responsiveness and emotional eating in adolescents: A multimethod study. Appetite, 168: 105789. doi.org/10.1016/j.appet.2021.105789
  8. Sadler, J.R., Thapaliya, G., Jansen, E., Aghababian, A.H., Smith, K.R., Carnell, S. (2021). COVID-19 Stress and Food Intake: Protective and Risk Factors for Stress-Related Palatable Food Intake in U.S. Nutrients, 13, 901.
  9. Coakley, K.E., Le, H., Silva, S.R., Wilks, A. (2021). Anxiety is associated with appetitive traits in university students during the COVID-19 pandemic. Nutrition Journal, 20:45.
  10. Coakley, K.E., Le, H., Silva, S.R., Wilks, A. (2021). Anxiety is associated with appetitive traits in university students during the COVID-19 pandemic. Nutrition Journal, 20:45.

Zin in eten? Wat onze eetlust eigenschappen ons kunnen vertellen over ons gewicht

*Disclaimer: Houd er rekening mee dat delen van deze blog automatisch zijn vertaald.*

Hebt u na het zien van de onderstaande foto honger en zin om te eten? Heeft u vaak meer trek als u eten ruikt tijdens het koken? Eet u minder of meer als u boos bent? En als u een nieuw soort voedsel ziet, wilt u dat dan proberen, of geeft u de voorkeur aan voedsel dat u gewoonlijk eet?

Eetlustkenmerken (Appetitive trait) worden gedefinieerd als een reeks hardnekkige predisposities ten aanzien van voedsel die in wisselwerking staan met omgevingsfactoren, en vaak van invloed zijn op de voedselinname en de gevolgen daarvan (d.w.z. obesitas of ondergewicht)1,2. Belangrijk is dat, in tegenstelling tot andere eigenschappen die iemand kan hebben (bijvoorbeeld extraversie versus introversie, flexibel versus inflexibel), eetlustige eigenschappen gerelateerd zijn aan de omgeving.

Onze omgeving zit vol met bewerkt, houdbaar (kunstmatig geconserveerd) en smakelijk voedsel. Energierijk voedsel wordt steeds goedkoper en toegankelijker. Zo’n ‘obesogene omgeving’ dwingt ons niet tot overeten, maar de mogelijkheden en de stimulans van dit soort voedsel maken het gemakkelijker om aan te komen3. Sommige mensen behouden echter een gezond gewicht, terwijl anderen zwaarlijvig worden4,5. De behavioural susceptibility theory (BST) van professor Jane Wardle zou hiervoor een verklaring kunnen bieden, door te stellen dat aankomen het gevolg is van een interactie tussen genetisch risico (d.w.z. sommige mensen erven een grotere gevoeligheid voor de geur of aanblik van voedsel) en blootstelling aan de omgeving (zoals gemakkelijke toegang tot fast-food)1. Genen bepalen het potentieel om zwaarlijvig te worden, maar de omgeving bepaalt het resultaat. Bovendien verklaart de externaliteitstheorie van Stanley Schachter dat personen die genetisch voorbestemd zijn om zeer gevoelig te zijn voor voedingssignalen, meer kans hebben om zich te overeten in een omgeving waarin voedingssignalen elk aspect van het dagelijks leven doordringen6,7. Bijvoorbeeld, tijdens de COVID-19 lockdown (ervaren als stressvolle omgeving) aten mensen met hogere emotionele overeetkenmerken meer om negatieve emoties te onderdrukken8,9.

Verder onderscheidt Wardle twee soorten appetitieve trekken: benaderingskenmerken en vermijdingskenmerken1,10. Terwijl benaderingskenmerken (d.w.z. voedselgevoeligheid, emotioneel overeten, genieten van voedsel) geassocieerd zijn met eetgedrag en vaak leiden tot overgewicht of obesitas, zijn vermijdingskenmerken (d.w.z. verzadigingsgevoeligheid, traagheid van eten, emotioneel te weinig eten) gerelateerd aan eetgedrag en leiden vaak tot eetstoornissen (d.w.z. anorexia).

Terug naar de vragen in de eerste paragraaf. Als je je vaak gelukkig voelt als je eten ziet en vaak geniet van eten, en je eet ook meer als je negatieve emoties hebt, dan heb je eetbenaderingskenmerken. Als je daarentegen vaak langzaam eet, je maag vol voelt na een bepaalde hoeveelheid eten, en eten je formele gewoonte is om je maag te vullen, of je hebt vaak geen trek als je negatieve emoties hebt, dan heb je hoogstwaarschijnlijk voedselvermijdingstrekken. Als u meer voedselbenaderingskenmerken hebt, loopt u dan risico op overgewicht of obesitas? Maak je geen zorgen, want de etiologie van obesitas is complex3. De omgeving speelt een rol bij het bepalen van de gevolgen. Als we proberen onze omgeving gezond te maken (d.w.z. meer gezond voedsel in huis halen, alleen naar de gezonde afdeling in de supermarkt gaan), dan lopen we weinig risico op overgewicht.

Deze blog is geschreven door Eveline Sarintohe (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, de blog over roken, alcohol, drugs en voeding.

“EEN KOE IS NIET OM OP TE ETEN”: WETEN JONGE KINDEREN WAAR HUN ETEN VANDAAN KOMT?

*Do you want to read this blog in English? Now it is possible and very easy! On the top right of the website, you will see a small sign that says “Dutch”. Just click on it and switch from Dutch to English. Disclaimer: Please note that this blog is automatically translated.*

Een appel hangt in de boom en een wortel komt uit de grond. Maar waar wordt kaas van gemaakt? En een hotdog? Veel van het eten dat we in de supermarkt kopen is veelvuldig verwerkt en grondig verpakt, waardoor het in de verste verte niet meer lijkt op de oorspronkelijke voedingsbron. Weten kinderen eigenlijk wel waar het eten dat op hun bordje ligt vandaan komt? Dat is de vraag die in deze Amerikaanse studie werd onderzocht.

KERN

  • De studie laat zien dat jonge kinderen niet goed kunnen identificeren waar vaak-gegeten voedingsproducten – zoals hamburgers en frietjes– vandaan komen. Zo dacht 40% van de kinderen dat spek afkomstig is van een plant.
  • Daarnaast dachten het merendeel van de kinderen (65%) dat koeien, varkens en kippen niet geschikt zijn om op te eten.
  • Deze resultaten zijn volgens de auteurs mogelijk te wijten aan de hoge bewerkingsgraad van ons voedsel: tegen de tijd dat kinderen een dierlijk product op hun bord krijgen, is het niet meer herkenbaar als dier.
  • Een aanvullende verklaring kan zijn dat Amerikaanse ouders niet graag met hun kinderen over de herkomst van vlees praten. Bijvoorbeeld omdat zij hun kinderen willen beschermen tegen de informatie over de onaangename omstandigheden waaronder dieren worden gehouden en geslacht.
  • Omdat veel kinderen dierlijke producten op jonge leeftijd identificeren als niet-eetbaar, zien de auteurs deze periode als een unieke kans om een (meer) plantaardig dieet te stimuleren. Dit is namelijk een van de meest effectieve manieren om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en verdere klimaatopwarming te voorkomen.

ONDERZOEKSMETHODE

WAT?
In deze studie werd onderzocht in hoeverre kinderen voedingsproducten kunnen herkennen als dierlijk of plantaardig en of ze kunnen identificeren of producten eetbaar zijn of niet.

WIE?
176 Amerikaanse kinderen in de leeftijd van 4 tot 7 jaar.

HOE?
Alle kinderen voerden twee sorteertaken uit. In de eerste taak sorteerden zij 13 producten op herkomst: dierlijk (zoals kaas en kip nuggets) of plantaardig (zoals frietjes en wortel). De producten werden afgebeeld op kaartjes die kinderen in een doos beplakt met blaadjes (plantaardig) of een vachtje (dierlijk) moesten doen. In de tweede taak sorteerden de kinderen 14 producten op eetbaarheid voor mensen: producten die normaalgesproken worden geconsumeerd in Amerika (kip en tomaat) en producten die dat niet worden (hond en zand). De producten die kinderen sorteerden als eetbaar deden zij in een plastic mond; de producten die ze sorteerden als niet-eetbaar deden ze in een prullenbak.

RESULTATEN
Resultaten van de sorteertaak over de herkomst van voedsel lieten zien dat bijna alle dierlijke producten (met uitzondering van melk) onjuist werden gesorteerd als niet-dierlijk door ten minste 30% van de kinderen. Meer dan een derde van de kinderen (36-41%) classificeerde verschillende soorten vlees (hamburger, hotdogs, bacon) incorrect als plantaardig. Hierbij maakte jongere kinderen (4-5 jaar) meer sorteerfouten dan oudere kinderen (6-7 jaar), specifiek wanneer het ging om vlees en andere dierlijke producten (zoals kaas en melk).

Resultaten van de sorteertaak over de eetbaarheid van voedsel lieten zien dat de vier meest gemaakte fouten gingen over de dieren die in Westerse landen frequent geconsumeerd worden. Meer dan 65% van de kinderen classificeerde koe, varken en kip als niet-eetbaar (voor vis was dit 33%). Dit percentage was hoger voor zoogdieren en voor jongere kinderen: meer dan 80% van de 4-tot-5-jarigen classificeerde koeien en varkens als niet OK om te eten. Ook in deze taak maakten jongere kinderen meer fouten dan oudere kinderen, specifiek op items die gingen over de eetbaarheid van dieren.

DETAILS
Hahn, E. R., Gillogly, M., & Bradford, B. E. (2021). Children are unsuspecting meat eaters: An opportunity to address climate change. Journal of Environmental Psychology, 78, 101705. https://doi.org/10.1016/j.jenvp.2021.101705

Deze sci-fly werd geschreven door Levie Karssen (Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

The feelings when you feel like drinking: emotion differentiation and alcohol use

*Dutch follows English*

Do you drink? And if so, do you notice anything about your emotions before and after drinking? Some people reported that they use alcohol to cope with unpleasant emotions, such as sadness and anxiety. Some said that they used it for enhancing pleasant emotions, such as excitement or relaxation (1). Do these examples of alcohol-related emotions ring a bell with you?

Psychologists have been interested to find out whether emotions can serve as predictors of alcohol (mis)use in order to unravel who is likely to use more alcohol and when people are prone to drinking. Unfortunately, psychologists arrived at mixed findings in testing if the presence of emotions and alcohol use are statistically related. Recent attempts in summarizing published data from the past decades only found trivial-to-small daily associations between emotions and alcohol use, for example, an effect of 0.04 to 0.07 additional drinks on a day high in pleasant emotions (2,3).

These somewhat underwhelming findings could be due to the possibility that drinking is not associated by the mere presence or absence of emotions, but with emotion differentiation. You might think, “What is emotion differentiation?” Conceptually, emotion differentiation is an integrated skill of using emotion vocabulary to describe emotions experienced (4). Sometimes emotions are highly differentiated so that they are well distinguished and labelled (“I am more like disappointed, but not angry”; “I feel proud and triumphant!”). But sometimes we just feel good/bad without knowing precisely what’s going on. In that case, low emotion differentiation might happen, and you aren’t aware of the qualitative differences between the emotions you experience, or when you experience different emotions, but you have difficulty naming them.

So, how is alcohol use related to emotion differentiation? In a study where young adults reported their emotions multiple times daily over 21 days, it was found that less differentiation of unpleasant emotions was associated with more alcohol consumption in combination with intense emotions prior to drinking activities (5). In other words, if one feels miserable without being able to put the feelings into words before going for a drink, one is likely to drink more.

Alcohol problem is also related to the differentiation of pleasant emotions. A study with young adults who used alcohol moderately to heavily found that, the more drinking problems they acknowledged, the less likely they gave differentiated responses on pleasant emotions they experienced over 28 days of data collection (6). Please note that emotion differentiation and drinking were measured at about the same time, so it cannot be inferred that one causes the other. But this finding does make use reflect on the role of pleasant emotions in alcohol use: Are these young drinkers less skilled in labelling “feeling good” into distinct emotions of joy, excitement, enthusiasm etc.? Is it possible that drinkers mix up the “feeling good” from drinking with some specific positive emotions that they truly yearn for, say, feeling accomplished and content, and that’s why they keep using alcohol heavily?

We are not yet sure if these findings are generalizable to a broader population (especially in terms of age). But having read all these, did you reflect a bit more on how emotions are related to your drinking behaviour? For you, what are the pleasant emotions that are associated with drinking? Who knows, maybe by better differentiating our emotions we can better decide whether we should get a drink – or two.

This blog was written by Edmund Lo (PhD candidate at Radboud University) for RAD-blog, the blog about smoking, alcohol, drugs and diet.

References

  1. Leigh, B. C. (1989). In search of the Seven Dwarves: Issues of measurement and meaning in alcohol expectancy research. Psychological Bulletin, 105(3), 361.
  2. Dora, J., Piccirillo, M., Foster, K. T., Arbeau, K., Armeli, S., Auriacombe, M., Bartholow, B. D., Beltz, A., Blumenstock, S., Bold, K., & others. (2022). The daily association between affect and alcohol use: A meta-analysis of individual participant data.
  3. Tovmasyan, A., Monk, R. L., & Heim, D. (2022). Towards an affect intensity regulation hypothesis: Systematic review and meta-analyses of the relationship between affective states and alcohol consumption. PloS One, 17(1), e0262670.
  4. Kashdan, T. B., Barrett, L. F., & McKnight, P. E. (2015). Unpacking emotion differentiation: Transforming unpleasant experience by perceiving distinctions in negativity. Current Directions in Psychological Science24(1), 10-16.
  5. Kashdan, T. B., Ferssizidis, P., Collins, R. L., & Muraven, M. (2010). Emotion Differentiation as Resilience Against Excessive Alcohol Use: An Ecological Momentary Assessment in Underage Social Drinkers. Psychological Science, 21(9), 1341–1347. https://doi.org/10.1177/0956797610379863
  6. Emery, N. N., Simons, J. S., Clarke, C. J., & Gaher, R. M. (2014). Emotion differentiation and alcohol-related problems: The mediating role of urgency. Addictive Behaviors, 39(10), 1459–1463. https://doi.org/10.1016/j.addbeh.2014.05.004

De gevoelens als je zin hebt om te drinken: emotiedifferentiatie en alcoholgebruik

*Disclaimer: Houd er rekening mee dat delen van deze blog automatisch zijn vertaald.*

Drink je? En zo ja, merkt u iets aan uw emoties voor en na het drinken? Sommige mensen meldden dat zij alcohol gebruiken om zich te beschermen tegen onaangename emoties, zoals verdriet en angst. Sommigen zeiden dat ze het gebruikten om aangename emoties te versterken, zoals opwinding of ontspanning (1). Doen deze voorbeelden van aan alcohol gerelateerde emoties bij u een belletje rinkelen?

Psychologen hebben onderzocht of emoties kunnen dienen als voorspellers van alcohol(mis)gebruik, om te ontrafelen wie meer alcohol gebruikt en wanneer mensen geneigd zijn te drinken. Helaas kwamen psychologen tot gemengde bevindingen bij het testen of de aanwezigheid van emoties en alcoholgebruik statistisch met elkaar samenhangen. Recente pogingen om gepubliceerde gegevens van de laatste decennia samen te vatten vonden slechts triviale tot kleine dagelijkse associaties tussen emoties en alcoholgebruik, bijvoorbeeld een effect van 0,04 tot 0,07 extra drankjes op een dag met veel aangename emoties (2, 3).

Deze enigszins ondermaatse bevindingen zouden te wijten kunnen zijn aan de mogelijkheid dat drinken niet geassocieerd wordt door de loutere aan- of afwezigheid van emoties, maar door de differentiatie van emoties. Je zou kunnen denken: “Wat is emotiedifferentiatie?” Conceptueel gezien is emotiedifferentiatie een geïntegreerde vaardigheid van het gebruik van emotievocabulaire om ervaren emoties te beschrijven (4). Soms zijn emoties sterk gedifferentieerd, zodat ze goed te onderscheiden en te labelen zijn (“Ik ben eerder teleurgesteld, maar niet boos”; “Ik voel me trots en triomfantelijk!”). Maar soms voelen we ons gewoon goed/slecht zonder precies te weten wat er aan de hand is. In dat geval kan er sprake zijn van lage emotiedifferentiatie, en ben je je niet bewust van de kwalitatieve verschillen tussen de emoties die je ervaart, of wanneer je verschillende emoties ervaart, maar moeite hebt ze te benoemen.

Dus, hoe is alcoholgebruik gerelateerd aan emotiedifferentiatie? In een studie waarbij jonge volwassenen gedurende 21 dagen meerdere malen per dag hun emoties rapporteerden, bleek dat minder differentiatie van onaangename emoties samenhing met meer alcoholgebruik in combinatie met intense emoties voorafgaand aan drinkactiviteiten (5). Met andere woorden, als men zich ellendig voelt zonder de gevoelens onder woorden te kunnen brengen voordat men gaat drinken, zal men waarschijnlijk meer drinken.

Alcoholproblemen houden ook verband met de differentiatie van aangename emoties. Uit een studie met jongvolwassenen die matig tot zwaar alcohol gebruikten, bleek dat hoe meer drankproblemen zij erkenden, hoe minder waarschijnlijk het was dat zij gedifferentieerde antwoorden gaven op aangename emoties die zij ervoeren gedurende 28 dagen dataverzameling (6). Merk op dat zowel emotiedifferentiatie als drinken op ongeveer hetzelfde tijdstip werden gemeten, zodat niet kan worden afgeleid dat het ene het andere veroorzaakt. Maar deze bevinding doet wel nadenken over de rol van aangename emoties bij alcoholgebruik: Zijn deze jonge drinkers minder bedreven in het labelen van “zich goed voelen” in aparte emoties van vreugdevol, opgewonden, enthousiast enz. Is het mogelijk dat de drinkers het “zich goed voelen” van het drinken verwarren met bepaalde specifieke positieve emoties waarnaar zij echt verlangen, bijvoorbeeld een gevoel van voldoening en tevredenheid, en dat zij daarom zwaar blijven drinken?

We weten nog niet zeker of deze bevindingen generaliseerbaar zijn naar een bredere populatie (vooral wat betreft leeftijd). Maar nu u dit alles gelezen heeft, hebt u nog wat nagedacht over hoe emoties verband houden met uw drinkgedrag? Wat zijn voor u de aangename emoties die samengaan met drinken? Wie weet, misschien kunnen we door onze emoties beter te onderscheiden beter beslissen of we een drankje – of twee – moeten nemen.

Deze blog is geschreven door Edmund Lo (PhD kandidaat Radboud Universiteit) voor RAD-blog, de blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Sci-Fly: Wat bepaalt het eet & drink gedrag van studenten? Uitkomsten van focusgroep onderzoek.

Do you want to read this blog in English? Now it is possible and very easy! On the top right of the website, you will see a small sign that says “Dutch”. Just click on it and switch from Dutch to English. Disclaimer: Please note that this blog is automatically translated.

De overstap van de middelbare school naar universiteit heeft enorme impact op het leven van jong volwassenen, zo ook op de keuzes die jongvolwassenen maken met betrekking tot hun voeding. Zo weten we bijvoorbeeld dat de groenten consumptie van eerstejaars studenten daalt terwijl de vetinname en alcohol consumptie juist stijgen (1). Wat bepaalt het eet & drink gedrag van studenten? Welke barrières en stimulansen beïnvloeden het maken van gezonde keuzes? Deze vragen komen aan bod in het onderzoek van onderzoekers aan de Vrije Universiteit Brussel en Universiteit Gent. Hieronder licht ik de resultaten toe.

KERN
Deliens et al. (2014) onderzochten welke factoren een rol spelen in het eet & drink gedrag van universitaire studenten. Dit deden de onderzoekers middels focusgroepen. Dit is een methode – ook wel “groepsinterview” genoemd – waarbij je participanten in één ruimte (of online) laat discussiëren over een onderwerp (2). Ten opzichten van interviews is het voordeel dat je door het interactieve element van focusgroepen participanten de kans geeft om op elkaars ideeën/meningen/ervaringen te reageren/te reflecteren waardoor je een rijkere bron aan informatie kunt verzamelen. Uit de studie van Deliens et al. (2014) bleek dat het eet & drink gedrag van studenten beïnvloed wordt door: 1) individuele factoren (bv. smaakvoorkeuren, zelfdiscipline, tijd en gemak), 2) hun sociale netwerk (bv. (gebrek aan) ouderlijk toezicht, vrienden en leeftijdsnoten), 3) de fysieke omgeving (bv. beschikbaarheid en toegankelijkheid, aantrekkelijkheid en prijzen van producten), en 4) de macro-omgeving (bv. media en reclame). Daarnaast suggereren de onderzoekers dat karakteristieken van de participanten waaronder woonplaats, studentenverenigingen, universitaire leefstijl en examens, de sterkte/richting van de verbanden tussen de factoren en het eet & drink gedrag van studenten mogelijk beïnvloedden (ook wel moderatie genoemd). De auteurs benadrukken dat de bevindingen een eerste stap zijn in de richting van de ontwikkeling van op maat gemaakte en efficiënte interventieprogramma’s met als doel om het eet & drink gedrag van universiteitsstudenten te verbeteren.

ONDERZOEKSMETHODE

WAT?

  1. Het doel van dit onderzoek was om na te gaan welke factoren het eet & drink gedrag van universitaire studenten beïnvloeden.
  2. Daarnaast wilden de onderzoekers ideeën en aanbevelingen verzamelen over de ontwikkeling van interventies programma’s ter verbetering van het eet & drink gedrag van universitaire studenten.

WIE?
Belgische universitaire studenten (21 vrouwen, 14 mannen).

HOE?
Focusgroepen (5 in totaal)

RESULTATEN

  1. Het eet & drink gedrag van studenten wordt beïnvloed door: 1) individuele factoren (bv. smaakvoorkeuren, zelfdiscipline, tijd en gemak), 2) hun sociale netwerk (bv. (gebrek aan) ouderlijk toezicht, vrienden en leeftijdsnoten), 3) de fysieke omgeving (bv. beschikbaarheid en toegankelijkheid, aantrekkelijkheid en prijzen van producten), en 4) de macro-omgeving (bv. media en reclame).
  2. Moderatoren zoals woonplaats, studentenverenigingen, universitaire leefstijl en examens hebben mogelijk een invloed op de verbanden tussen de factoren en het eet & drink gedrag van studenten.

DETAILS
Deliens, T., Clarys, P., De Bourdeaudhuij, I. et al. Determinants of eating behaviour in university students: a qualitative study using focus group discussions. BMC Public Health 14, 53 (2014). https://doi.org/10.1186/1471-2458-14-53

Deze sci-fly werd geschreven door Kirsten van Hooijdonk (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

REFERENTIES/BRONNEN

  1. Butler SM, Black DR, Blue CL, Gretebeck RJ: Change in diet, physical activity, and body weight in female college freshman. Am J Health Behav2004, 28(1):24–32.
  2. Kitzinger, J. (1995). Qualitative research: introducing focus groups. Bmj, 311(7000), 299-302.

RAD-bloggers winnen Radboud Team Science Award!

*Do you want to read this blog in English? Now it is possible and very easy! On the top right of the website, you will see a small sign that says “Dutch”. Just click on it and switch from Dutch to English. Disclaimer: Please note that this blog is automatically translated.*

In de wetenschap gaat de aandacht vaak uit naar de prestaties van individuele wetenschappers, zoals het publiceren van artikelen of het ontvangen van persoonlijke onderzoeksbeurzen. Prestaties in de wetenschap zijn echter vaak het resultaat van een samenwerking tussen collega’s met diverse talenten. Het college van bestuur van de Radboud Universiteit wil samenwerking in de wetenschap daarom meer gaan erkennen en waarderen. Een van de manieren om dat dit jaar te doen is via de uitreiking van de zogenaamde “Radboud Team Science Awards“.

Wij zijn enorm vereerd om te kunnen delen met jullie dat wij als RAD-bloggers binnen de onderzoeksgroep Substance use Addiction & Food (SAF) van het Behavioural Science Institute aan de Radboud Universiteit één van de twee winnaars zijn van de Radboud Team Science Awards! Ons team werd onder andere geprezen voor onze diversiteit (in zowel discipline als nationaliteit), het vanuit verschillende invalshoeken gezamenlijk toewerken naar een gemeenschappelijk doel (binnen onze onderzoeksprojecten en het schrijven voor RAD-blog), en het hebben van aandacht voor elkaars professionele en persoonlijke ontwikkeling (binnen onze overleggen). 

We mochten de Team Science Award op 5 september ontvangen tijdens de Opening van het Academisch Jaar in de concertzaal de Vereeniging in Nijmegen (zie foto links). Bovendien kwam de rector magnificus in de middag van 7 september langs op onze afdeling om het heuglijke nieuws met ons te vieren (zie foto midden) en om ons officieel de Team Science Award te overhandigen (zie foto rechts).

Naast de eer hebben we een mooie geldprijs van 10.000 euro mogen ontvangen om de “team spirit” verder te stimuleren binnen onze groep. We hebben plannen om onder andere gezamenlijk aan een artikel te werken en om de RAD-blog verder te verbeteren zodat we recent onderzoek naar middelengebruik en eetgedrag nog toegankelijker en begrijpelijker kunnen maken voor iedereen. Bovendien is er een prachtig filmpje van ons team gemaakt waarin onze team spirit wordt uitgedragen. Het filmpje is hieronder te bekijken.

Ten slotte: ook als team werken we natuurlijk niet alleen in onze eigen “bubbel”. Zo hebben we bijvoorbeeld een groep enthousiaste onderzoekers om ons heen die regelmatig aansluiten bij de maandelijkse SAF-bijeenkomsten. Ook maakt onze groep onderdeel uit van een grotere onderzoeksgroep met gepassioneerde collega’s binnen het veld van de ontwikkelingspychopathologie. Dus ook als team zijn we ingebed in een breder veld van collega’s, wat het verder uitwisselen van informatie en uitwerken van ideeën verder stimuleert en inspireert. 

Deze blog werd geschreven door Nina van den Broek (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Benieuwd naar hoe Nina van den Broek het vond om deze prachtige award te ontvangen? Lees dan een interview met haar via deze link!

Sci-Fly: ‘Don’t stop believing’: De rol van verwachtingen bij cognitieve bias modificatie trainingen

Do you want to read this blog in English? Now it is possible and very easy! On the top right of the website, you will see a small sign that says “Dutch”. Just click on it and switch from Dutch to English. Disclaimer: Please note that this blog is automatically translated.

Cognitieve bias modificatie (CBM) trainingen zijn welbekend in het (additioneel) behandelen van verslavend gedrag. Hierbij leren participanten consistent om niet te reageren op aantrekkelijke stimuli (zoals bijvoorbeeld plaatjes van aantrekkelijk voedsel of alcohol). Deze trainingen werken onder andere doordat mensen stimuli minder aantrekkelijk gaan vinden (‘cue-devaluatie). Echter, CBM trainingen lijken sterk beïnvloed te worden door contextuele omstandigheden. Zo zijn specifieke CBM trainingen bijvoorbeeld met name effectief indien toegepast in de klinische context. Ook worden meer effecten geboekt indien participanten zich bewust zijn van de ‘stimulus-response’ associaties die getraind worden. Hoe komt dit en hoe kunnen we ervoor zorgen dat CBM trainingen tot meer resultaten leiden?

In dit recente artikel naar voedingskeuzes hebben Masterton en collega’s in een serie van twee aparte CBM experimenten de verwachtingen van participanten gemanipuleerd. De resultaten worden hieronder samengevat.

ONDERZOEKSMETHODE
WAT? Voor deze sci-fly ligt de focus op 1 van de onderzoeksvragen, namelijk: Hoe beïnvloeden verwachtingen de evaluatie en keuze voor ongezond voedsel na een CBM taak?

WIE? Volwassenen uit een niet-klinische populatie (129 en 139 participanten in studie 1 en 2 respectievelijk). Groepsgrootte was gebaseerd op vooraf bepaalde power analyses.

HOE? Twee aparte experimenten met verschillende CBM taken (go/no-go taak versus evaluatieve conditionering) maar met verder identieke opzet: 4 condities (CBM voedsel training en positieve CBM boodschap; CBM voedsel training en controle boodschap; CBM controle training en positieve CBM boodschap en CBM controle training en controle boodschap) met voor en nametingen.

RESULTATEN & KERN
CBM trainingen bleken enkel te leiden tot cue-devaluatie en verminderde ongezonde voedingskeuzes indien participanten tevens een positieve boodschap over de training kregen (en bij go/no-go taak hadden verwachtingen zelfs effect bij de controle training). Deze bevindingen roepen vragen op met betrekking tot de rol van bewustzijn en verwachtingen binnen CBM trainingen. Toekomstig onderzoek dient te bekijken of en hoe bewustzijn en verwachtingen optimaal kunnen worden gestimuleerd binnen klinische contexten om effecten van CBM trainingen mogelijk te vergroten. Hierbij denk ik dat inspiratie geput kan worden uit het veld van mindfulness en placebo interventies.

DETAILS
Masterton, S., Hardman, C. A., & Jones, A. (2022). ‘Don’t stop believing: The role of training beliefs in cognitive bias modification paradigms. Appetite174, 106041.

Deze sci-fly is geschreven door Dr. Junilla Larsen (Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs & dieet.

Sci-Fly: Zit het eten van vlees in je genen?

*English follows Dutch*

Een hamburger of een bietenburger, wat zou jij kiezen? En als je een eeneiige tweeling bent of zou zijn: zou je genetisch identieke co-twin dan dezelfde keuze maken? In een eerdere RAD-blog kondigde ik een project aan over voedselvoorkeur, en de vraag of erfelijke aanleg hier een rol bij speelt, zie 1. Inmiddels zijn de resultaten van dit project gepubliceerd 2. We vroegen eeneiige tweelingen (genetisch identiek) èn twee-eiige tweelingen (delen de helft van hun genen) naar hun voorkeur (op een schaal van 0 sterke afkeer tot 10 sterke voorkeur) voor tientallen voedingsmiddelen, zoals broccoli, garnalen, blauwe schimmelkaas of worstjes. We ontdekten dat er clusters van voedingsmiddelen waren waar sommige mensen hoog in scoren en andere mensen lager, namelijk: vlees, vis, fruit, groente, hartige snacks, zoete snacks, specerijen en (alcoholische) drankjes. Voor de clusters vlees en vis blijkt dat de rol van erfelijke aanleg varieert tussen de 41% en 60%. Daarnaast spelen unieke omgevingsfactoren wel een rol (40-59%), maar de gedeelde gezinsomgeving niet. Ik zou verwachten dat voorkeur (of afkeer) van een bepaald type eten ook leidt tot een hogere (of lagere) consumptie van dat type eten. Er zijn steeds meer Nederlanders (8 op de 10) die niet dagelijks vlees eten, en 5% van de Nederlanders eet helemaal geen vlees3. Zou erfelijke aanleg hier ook een rol bij spelen, of wordt dit meer beïnvloed door de omgeving? Er zijn (nog) geen gegevens uit Nederland beschikbaar (maar houdt RAD-blog in de gaten…). De enige gepubliceerde studie wereldwijd is gebaseerd op gegevens van Finse tweelingen. De resultaten worden hieronder samengevat.

KERN
Erfelijke aanleg speelt een grote rol (76%) bij het niet eten van vlees (vegetarisme). De auteurs noemen dit zelf hun meest opvallende bevinding. Toekomstige studies zouden de specifieke genetische factoren in kaart moeten brengen (bijvoorbeeld genen voor smaakreceptoren of persoonlijkheid) om zo meer te leren over het onderliggende mechanisme.

ONDERZOEKSMETHODE
WAT? Voor deze sci-fly ligt de focus op 1 van de onderzoeksvragen, namelijk: Hoe groot is de rol van erfelijke aanleg, de gedeelde gezinsomgeving en de unieke omgeving bij vegetarisme?

WIE? 9564 Finse tweelingen en hun broers en zussen afkomstig uit 4887 families (leeftijd 18-58 jaar).

HOE? Een online vragenlijst in de periode november 2018-januari 2019. Naast andere voedsel gerelateerde vragen werd er gevraagd: “Ben je een vegetariër/veganist?” (antwoordopties: ja/nee). Door de eeneiige en twee-eiige tweelingparen met elkaar te vergelijken kan met wiskundige modellen geschat worden hoe groot de relatieve bijdrage is van: erfelijke aanleg, gedeelde gezinsomgeving en unieke omgeving (samen 100%).

RESULTATEN

In het linker plaatje is te zien dat de eeneiige (MZ, monozygote) tweelingparen veel meer op elkaar lijken wat betreft het wel of niet eten van vlees (gelijkenis 0,76) dan de twee-eiige (DZ, dizygote) tweelingparen gecombineerd met ‘gewone’ (eenling) broers/zussen (gelijkenis 0,36). Een gelijkenis van 0 betekent dat er helemaal geen overeenkomst is en een gelijkenis van 1 dat er volledige overeenkomst is. In het rechterplaatje staan de resultaten van de tweelinganalyse. Hieruit blijkt dat erfelijke aanleg een grote rol speelt (76%) bij het wel of niet eten van vlees. De gedeelde gezinsomgeving tijdens de jeugd speelt geen rol, en de overige omgevingsinvloeden (buiten het gezin) bepalen 24% van de verschillen in wel of geen vlees eten.

DETAILS
Ç. Çınar, L.W. Wesseldijk, A.K. Karinen, P. Jern, J.M. Tybur. Sex differences in the genetic and environmental underpinnings of meat and plant preferences. Food Quality and Preference 2022 98, 104421

Deze sci-fly is geschreven door Prof. dr. Jacqueline Vink (Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs & dieet.

Referenties/bronnen:

1 Drieling dol op Chinees eten – is voedselvoorkeur erfelijke bepaald? RAD-blog 23 mei 2019 door Jacqueline Vink. https://rad-blog.com/2019/05/23/drieling-dol-op-chinees-eten-is-voedselvoorkeur-erfelijk-bepaald/

2 Vink JM, van Hooijdonk KJM, Willemsen G, Feskens EJM, Boomsma DI. Causes of Variation in Food Preference in the Netherlands. Twin Res Hum Genet. 2020 Aug;23(4):195-203

3 Vlees geen dagelijkse kost voor 8 op de 10 Nederlanders. 09-06-2021. Centraal Bureau voor Statistiek. https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2021/23/vlees-geen-dagelijkse-kost-voor-8-op-de-10-nederlanders


Sci-Fly: Is eating meat in your genes?

A hamburger or a beet burger, which would you choose? And if you are or would be identical twins: would your genetically identical co-twin make the same choice? In an earlier RAD blog, I announced a project on food preference, and whether hereditary predisposition plays a role in this, see 1. The results of this project have since been published 2. We asked monozygotic twins (genetically identical) and dizigotic twins (sharing half of their genes) about their preference (on a scale of 0 strong dislike to 10 strong preference) for dozens of foods, such as broccoli, shrimps, blue cheese or sausages. We found that there were clusters of foods that some people scored high in and other people lower in, namely: meat, fish, fruits, vegetables, savory snacks, sweet snacks, spices, and (alcoholic) beverages. For the meat and fish clusters, it appears that the role of hereditary predisposition varies between 41% and 60%. In addition, while unique environmental factors play a role (40-59%), the shared family environment does not. I would expect that liking (or disliking) a certain type of food would also lead to higher (or lower) consumption of that type of food. There are increasing numbers of Dutch people (8 in 10) who do not eat meat on a daily basis, and 5% of Dutch people do not eat meat at all 3. Could hereditary predisposition also play a role in this, or is this influenced more by the environment? There are no data available (yet) from the Netherlands (but keep an eye on RAD blog…). The only published study worldwide is based on data from Finnish twins. The results are summarized below.

CORE

Hereditary predisposition plays a large role (76%) in not eating meat (vegetarianism). The authors themselves call this their most striking finding. Future studies should identify the specific genetic factors (e.g. genes for taste receptors or personality) in order to learn more about the underlying mechanism.

RESEARCH METHODS
WHAT? For this sci-fly, the focus is on 1 of the research questions, namely: How large is the role of genetics, shared family environment, and unique environment in vegetarianism?

WHO? 9564 Finnish twins and their siblings from 4887 families (age 18-58 years).

HOW? An online questionnaire during the period November 2018-January 2019. In addition to other food-related questions, the survey asked, “Are you a vegetarian/vegan?” (response options: yes/no). By comparing the monozygotic and dizygotic twin pairs, mathematical models can be used to estimate the relative contribution of: genetic factors, shared family environment and unique environment (combined 100%).

FINDINGS

The left image shows that the monozygotic (MZ) twin pairs are much more similar in terms of whether or not they eat meat (similarity 0.76) than the dizygotic (DZ) twin pairs combined with “normal” siblings (similarity 0.36). A similarity of 0 means there is no similarity at all and a similarity of 1 means there is complete similarity. The picture on the right shows the results of the twin analysis. It shows that genetic factors plays a large role (76%) in whether or not we eat meat. The shared family environment during childhood plays no role, and other environmental influences (outside the family) determine 24% of the differences in eating or not eating meat.

DETAILS
Ç. Çınar, L.W. Wesseldijk, A.K. Karinen, P. Jern, J.M. Tybur. Sex differences in the genetic and environmental underpinnings of meat and plant preferences. Food Quality and Preference 2022 98, 104421

This sci-fly was written by Prof. dr. Jacqueline Vink (Behavioural Science Institute, Radboud University) for RAD blog, the blog about smoking, alcohol, drugs & diet.

REFERENCES/SOURCES:

1 Drieling dol op Chinees eten – is voedselvoorkeur erfelijke bepaald? RAD-blog 23 mei 2019 door Jacqueline Vink. https://rad-blog.com/2019/05/23/drieling-dol-op-chinees-eten-is-voedselvoorkeur-erfelijk-bepaald/

2 Vink JM, van Hooijdonk KJM, Willemsen G, Feskens EJM, Boomsma DI. Causes of Variation in Food Preference in the Netherlands. Twin Res Hum Genet. 2020 Aug;23(4):195-203

3 Vlees geen dagelijkse kost voor 8 op de 10 Nederlanders. 09-06-2021. Centraal Bureau voor Statistiek. https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2021/23/vlees-geen-dagelijkse-kost-voor-8-op-de-10-nederlanders

Translated with http://www.DeepL.com/Translator (free version)

Sci-fly: Door dik en dun? Zijn er overeenkomsten in het eetgedrag van beste vrienden tijdens de adolescentie?

*English follows Dutch*

Jongeren eten over het algemeen niet erg gezond. Zo blijkt bijvoorbeeld dat maar weinig Nederlandse middelbare scholieren de aanbevolen hoeveelheid groente en fruit consumeren. Aangezien een ongezond eetpatroon op termijn tot ernstige gezondheidsklachten kan leiden (denk bijvoorbeeld aan het ontwikkelen van overgewicht), buigen veel onderzoekers zich over de vraag welke factoren van invloed zijn op het eetgedrag van jongeren. De sociale omgeving blijkt zo’n belangrijke factor te zijn. Zo laat onderzoek zien dat het eetgedrag van jongeren overeenkomt met het eetgedrag van belangrijke personen in hun omgeving. Maar geldt dat ook voor hun beste vrienden uit hun klas? Nederlandse wetenschappers (waaronder RAD-bloggers Nina van den Broek, Junilla Larsen en Jacqueline Vink) zochten het uit!

KERN
In dit onderzoek werd onderzocht of beste vrienden tijdens de adolescentie overeenkomsten in ongezond en gezond eetgedrag laten zien. In dit onderzoek werden weinig tot geen overeenkomsten gevonden. Ook was er weinig bewijs voor de processen die tot mogelijke overeenkomsten in eetgedrag bij beste vrienden kunnen leiden. Zo leek het niet het geval dat jongeren zich aanpassen aan het eetgedrag van hun beste vriend (“socialisatie”) of dat jongeren vriendschappen aangaan met leeftijdgenoten die al overeenkomstig eetgedrag vertonen (“selectie”). Ten slotte was er weinig bewijs dat jongeren met een relatief hogere “Body Mass Index” score (BMI-score) meer vatbaar zijn voor de invloed van hun beste vriend dan jongeren met een relatief lagere BMI-score. Samenvattend geven deze resultaten aan dat het voor interventies die gericht zijn op het bevorderen van eetgedrag van jongeren mogelijk niet waardevol is om alleen te focussen op beste vrienden in de klas.

ONDERZOEKSMETHODE
WAT?
In deze studie werd onderzocht of beste vrienden overeenkomsten in eetgedrag laten zien. Er werd bovendien getoetst of deze mogelijke overeenkomsten een gevolg zijn van “socialisatie” en/of “selectie” processen. Ten slotte werd getoetst of socialisatie effecten sterker waren voor jongeren met een relatief hogere BMI-score. 

WIE?
Aan dit onderzoek deden 145 Nederlandse duo’s van beste vrienden mee (N = 290 jongeren) die in het eerste of tweede jaar van de middelbare school zaten. Ieder duo bestond uit ofwel twee meisjes ofwel twee jongens.

HOE?
Door middel van vragenlijsten aan het begin en aan het einde van het schooljaar gaven jongeren aan wie hun beste vriend uit de klas was. Duo’s van beste vrienden die elkaar op beide meetmomenten als hun beste vriend benoemden, werden “langdurige” vriendschappen genoemd. Duo’s die enkel op het tweede meetmoment vrienden waren, werden gecategoriseerd als “nieuwe” vriendschappen. Beide jongeren uit een duo vulden daarnaast op de twee meetmomenten vragenlijsten in over de frequentie van inname van gezonde (fruit en groenten) en ongezonde (gesuikerde dranken, vetrijke snacks, en suikerrijke snacks) producten. Ook werd de lengte en gewicht van de jongeren door de onderzoekers gemeten om hun BMI-score te bepalen. Deze score geeft aan of het gewicht van jongeren gezond is in verhouding tot hun lengte.

RESULTATEN

  • Jongeren binnen beste vrienden duo’s lieten weinig tot geen overeenkomsten in gezond en ongezond eetgedrag zien.
  • Beste vrienden duo’s die enkel op het tweede meetmoment vrienden waren (“nieuwe” vriendschappen) vertoonden geen overeenkomsten op eetgedrag op het eerste meetmoment. Er werd dus geen indicatie van “selectie”-processen gevonden.
  • Binnen beste vrienden duo’s die op beide meetmomenten vrienden waren (“langdurige” vriendschappen) was er weinig bewijs dat het eetgedrag van de beste vrienden het eetgedrag van jongeren voorspelde van het eerste naar het tweede meetmoment. Er werd dus geen indicatie van “socialisatie”-processen gevonden.
  • Bovendien bleek dat de invloed van beste vrienden op het eetgedrag van jongeren niet verschilde tussen jongeren met een relatief hogere versus relatief lagere BMI-score. Er werd dus geen indicatie gevonden dat jongeren met een hogere BMI-score vatbaarder zijn voor de invloed van hun beste vriend dan jongeren met een relatief lagere BMI-score.

DETAILS

van den Broek, N., de la Haye, K., Veldhuis, L., Verhagen, M., Larsen, J. K., Vink, J. M., & Burk, W. J. (2022). Examining food intake similarities in adolescent best friend dyads using longitudinal Actor-Partner Interdependence Models. Appetite, in press. https://doi.org/10.1016/j.appet.2022.106072

Deze sci-fly werd geschreven door Nina van den Broek (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.


Sci-fly: Through thick and thin? Are there food intake similarities in adolescent best friends?

*Disclaimer: Please note that parts of this English sci-fly were automatically translated.*

Generally, adolescents do not eat very healthy. For example, it appears that few Dutch secondary school students consume the recommended amount of fruit and vegetables. Given that an unhealthy diet can eventually lead to serious health problems (such as the development of overweight), many scholars are looking into the question of which factors influence the food intake of adolescents. The social environment appears to be one such important factor. For instance, there are indications that the food intake of adolescents corresponds to the food intake of important people in their environment. But does this also apply to their best friends? Dutch scientists (including RAD-bloggers Nina van den Broek, Junilla Larsen, and Jacqueline Vink) aimed to figure this out!

CORE
This study examined whether adolescent best friends show similarities in unhealthy and healthy food intake. Little to no similarities in food intake were found in this study. There was also limited evidence of processes that could lead to possible food intake similarities among best friends. No indications were found that adolescents adapt to their best friend’s food intake (“socialization”) or that adolescents initiate friendships with peers who already show similar food intake behaviors (“selection”). Finally, there was little evidence that adolescents with relatively higher Body Mass Index (BMI) scores are more susceptible to their best friend’s influence than adolescents with relatively lower BMI-scores. In summary, these results indicate that for interventions aimed at promoting adolescent food intake, focusing only on classroom best friends may not be valuable.

RESEARCH METHOD
WHAT?
This study examined whether best friends show similarities in food intake. Additionally, it was tested whether these possible similarities were a result of “socialization” and/or “selection” processes. Finally, it was examined whether socialization effects were more pronounced for adolescents with relatively higher BMI-scores.

WHO?
This study involved 145 Dutch best friend dyads (N = 290 adolescents) who were in the first or second year of secondary school. Every dyad consisted of either two girls or two boys.

HOW?
Through questionnaires at the beginning and end of the school year, adolescents indicated who their best friend from their classroom was. Best friend dyads that considered each other as their best friend at both measurement points were called “enduring” friendships. Dyads that were friends only at the second measurement point were considered “new” friendships. Both adolescents in a dyad also completed questionnaires on the frequency of intake of healthy (fruits and vegetables) and unhealthy (sugar-sweetened beverages, savory snacks, sweet snacks) products at the two measurement points. Adolescents’ height and weight were also measured by the researchers to determine their BMI-score. This score indicates whether adolescents’ weight is healthy relative to their height.

RESULTS

  • Adolescents within best friend dyads showed little to no similarities in healthy and unhealthy food intake.
  • Best friend dyads that were friends only at the second measurement point (“new” friendships) showed no similarities in food intake at the first measurement point. Thus, no indication of “selection” processes was found.
  • Within best friend dyads that were friends at both measurement points (“enduring” friendships), there was little evidence of the influence of best friends on adolescents’ food intake from the first to the second measurement point. Thus, no indication of “socialization” processes was found.
  • Furthermore, it was found that the influence of best friends on adolescents’ food intake did not differ between adolescents with relatively higher versus relatively lower BMI-scores. Thus, no indication was found that adolescents with higher BMI-scores were more susceptible to their best friend’s influence than adolescents with relatively lower BMI-scores.

DETAILS

van den Broek, N., de la Haye, K., Veldhuis, L., Verhagen, M., Larsen, J. K., Vink, J. M., & Burk, W. J. (2022). Examining food intake similarities in adolescent best friend dyads using longitudinal Actor-Partner Interdependence Models. Appetite, in press. https://doi.org/10.1016/j.appet.2022.106072

This sci-fly was written by Nina van den Broek (Radboud University) for RAD-blog, the blog about smoking, alcohol, drugs, and diet.

Sci-fly: Weed or Without You: Cannabis use is linked to a smaller, less diverse social network and feeling less supported

*Dutch follows English*

Cannabis use and disorders associated with it can impact negatively one’s relationships and social functioning. In previous research, cannabis use was linked to difficulties to adapt to new social roles and engaging in (romantic) relationships. Even if social functioning seems a relevant target in cannabis use or substance use in general, some aspects of social relations are incredibly understudied. RAD-Blogger Mili Rubio summarizes a recent study that digs deeper into the thought-provoking link between cannabis use, social support, and how such a relationship might depend on one’s social networks.

CORE
Gliksberg et. al (2021) investigated the topic by means of a large survey that was part of the 2012-2013 National Epidemiologic Survey on Alcohol and Related Conditions-III (NESARC-III). They concluded that those using more cannabis tended to have fewer social connections and social groups, and this explained in turn why they felt less supported. The reported research highlights the important role of social connections in cannabis use and cannabis use disorders – providing relevant targets for interventions and treatment. It should be considered that this is a cross-sectional study (only one measure was used), so we cannot conclude whether social support is affected by cannabis use (either directly or through social networks) or whether feeling less supported might actually impact cannabis use. This blogger wants to stress the need for longitudinal research before drawing any definite conclusions!

RESEARCH METHODS

WHAT?

  1. The researchers explored the connection between cannabis use, cannabis use disorder (CUD), and feeling supported by others.
  2. They looked as well into whether this relationship can be better explained through one’s social network size (number of social connections) and diversity (groups an individual belongs to).

WHO?

  • Adults from the United States aged 18 years old or above of which 2,729 were cannabis users, 972 were cannabis users who were classified as CUD and the remaining 32,523 participants were non-cannabis users.

HOW?
By means of a questionnaire that included the following questions/questionnaires:

  • Cannabis use and CUD: participants were asked about cannabis use in the past 12 months. For past-year CUD diagnoses, the researchers used a clinical interview for epidemiological studies.
  • Perceived Social Support: a questionnaire that measured different aspects of social support: (1) Practical help, (2) sharing one’s problems, (3) having a group of people one “belongs” to.
  • Social network size: defined as the number of people participants’ interacted with in the last two weeks;
  • Social diversity: is defined as the number of social groups the participant interacted with.

FINDINGS

  1. More cannabis use was related to having fewer social contacts and a number of social groups one belonged to, which in turn was linked to feeling less socially supported in general and concerning practical help specifically.
  2. The previous relation between cannabis use and practical social support worked (partially) through having fewer social contacts and the number of social groups one belonged to.

This sci-fly was written by Milagros Rubio (Radboud University) for RAD-blog, the blog about smoking, alcohol, drugs and diet.

DETAILS

Gliksberg, O., Livne, O., Lev-Ran, S., Rehm, J., Hasson-Ohayon, I., & Feingold, D. (2021). The association between cannabis use and perceived social support: The mediating role of decreased social network. International Journal of Mental Health and Addiction, 1-14.


Sci-fly: Weed or Without You: Cannabisgebruik gaat samen met een kleiner, minder divers sociaal netwerk, en een minder gesteund gevoel

Cannabisgebruik en daarmee samenhangende aandoeningen kunnen een negatieve invloed hebben op iemands relaties en sociaal functioneren. In eerder onderzoek werd cannabisgebruik in verband gebracht met moeilijkheden om zich aan te passen aan nieuwe sociale rollen en om (romantische) relaties aan te gaan. Zelfs als sociaal functioneren een relevant doelwit lijkt bij cannabisgebruik of middelengebruik in het algemeen, zijn sommige aspecten van sociale relaties ongelooflijk weinig bestudeerd. RAD-Blogger Mili Rubio vat een recent onderzoek samen dat dieper ingaat op het tot nadenken stemmende verband tussen cannabisgebruik, sociale steun en hoe een dergelijke relatie kan afhangen van iemands sociale netwerken.

KERN
Gliksberg et. al. (2021) onderzochten het onderwerp aan de hand van een groot onderzoek dat deel uitmaakte van de National Epidemiologic Survey on Alcohol and Related Conditions-III (NESARC-III) van 2012-2013. Zij concludeerden dat degenen die meer cannabis gebruikten, de neiging hadden om minder sociale connecties en sociale groepen te hebben, en dit verklaarde op zijn beurt waarom zij zich minder gesteund voelden. Het gerapporteerde onderzoek benadrukt de belangrijke rol van sociale connecties bij cannabisgebruik en verwante stoornissen – en biedt belangrijke doelen voor interventies en behandeling. Er moet rekening mee worden gehouden dat dit een cross-sectioneel onderzoek is (er werd slechts één maatstaf gebruikt), zodat we niet kunnen concluderen of sociale steun wordt beïnvloed door cannabisgebruik (hetzij direct, hetzij via sociale netwerken) of dat het zich minder gesteund voelen daadwerkelijk van invloed zou kunnen zijn op cannabisgebruik. Deze blogger wil benadrukken dat longitudinaal onderzoek nodig is voordat definitieve conclusies kunnen worden getrokken.

ONDERZOEKSMETHODE

WAT?

  1. De onderzoekers onderzochten het verband tussen cannabisgebruik, cannabisgebruiksstoornis (CUD) en zich gesteund voelen door anderen.
  2. Ze hebben ook gekeken of deze relatie beter kan worden verklaard door iemands sociale netwerkomvang (aantal sociale connecties) en diversiteit (groepen waartoe een individu behoort).

WIE?

Volwassenen uit de Verenigde Staten van 18 jaar of ouder, waarvan 2,729 cannabisgebruikers, 972 cannabisgebruikers die geclassificeerd waren voor CUD en de overige 32,523 deelnemers waren niet-cannabisgebruikers.

HOE?
Door middel van een vragenlijst die de volgende vragen/vragenlijsten bevatte:

  • Cannabisgebruik en CUD: deelnemers werd gevraagd naar cannabisgebruik in de afgelopen 12 maanden. Voor CUD-diagnoses van het afgelopen jaar gebruikten de onderzoekers een klinisch interview voor epidemiologische studies.
  • Ervaren sociale steun: vragenlijst die verschillende aspecten van sociale steun meet: (1) praktische hulp, (2) problemen delen, (3) een groep mensen hebben waartoe u ‘behoort’.
  • Grootte van het sociale netwerk: gedefinieerd als het aantal mensen waarmee deelnemers in de afgelopen twee weken interactie hebben gehad;
  • Sociale diversiteit: gedefinieerd als het aantal sociale groepen waarmee de deelnemer omging

RESULTATEN

  1. Meer cannabisgebruik hing samen met het hebben van minder sociale contacten en het aantal sociale groepen waartoe men behoorde, wat op zijn beurt weer verband hield met het gevoel minder sociaal gesteund te worden in het algemeen en met betrekking tot praktische hulp in het bijzonder.
  2. De eerdere relatie tussen cannabisgebruik en praktische sociale steun werkte (gedeeltelijk) doordat er minder sociale contacten waren en er minder sociale groepen waren waartoe men behoorde.

Deze sci-fly werd geschreven door Mili Rubio (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

DETAILS

Gliksberg, O., Livne, O., Lev-Ran, S., Rehm, J., Hasson-Ohayon, I., & Feingold, D. (2021). The association between cannabis use and perceived social support: The mediating role of decreased social network. International Journal of Mental Health and Addiction, 1-14.

*Disclaimer: Houd er rekening mee dat delen van deze sci-fly automatisch zijn vertaald.*