Sci-Fly

sci fly icon

 

Op deze pagina vind je korte, hapklare samenvattingen van interessant recent onderzoek naar Roken, Alcohol, Drugs en/ of Dieet. Mooie manier om up-to-date te blijven van wat er gebeurt in de literatuur!

Sci-fly: Cannabisgebruik verminderen, maar niet stoppen – behulpzaam of niet?

Onderzoek naar de behandeling van verslavingen focust zich normaliter op onthouding van middelen – volledig stoppen met iets gebruiken, om vervolgens te kunnen herstellen. Tot voor kort werd er niet of nauwelijks gekeken naar de vermindering van middelengebruik, en hoe dit in verhouding staat met onthouding. Als een verslaafd persoon simpelweg minder gaat gebruiken, kan hij/zij daar dan de vruchten van plukken? Of houdt diegene zichzelf hiermee voor de gek? De verminderingsstrategie wordt vaak afgeraden in de behandeling (ten voordele van de onthoudingsstrategie). Desondanks kunnen er positieve effecten verbonden zijn aan de verminderingsstrategie, bijvoorbeeld voor de fysieke en mentale gezondheid. Als iemand deze voordelen ervaart, zou het misschien zelfs motiverend kunnen werken bij het afbouwen van middelengebruik, of om de vervolgstap te zetten naar volledige onthouding.

plaatje_vermindering.png

KERN
– In dit onderzoek werden (ex-)cannabisverslaafden verdeeld in drie groepen op basis van hun recente middelengebruik: 1) onthouding, 2) licht gebruik, en 3) zwaar gebruik.
– Deze groepen werden vervolgens vergeleken op verschillende maten van fysieke en mentale gezondheid.
– De onthoudingsgroep en de lichtgebruikers rapporteerden betere uitkomsten op fysieke en mentale gezondheid dan de zwaargebruikers. Dit gold bijvoorbeeld voor de algemene gezondheid, eetlust, en symptomen van depressie- of angststoornissen.

ONDERZOEKSMETHODE
Deze studie onderzocht of een verminderde mate van cannabisgebruik gerelateerd zou zijn aan positieve gezondheidsuitkomsten, in vergelijking met zwaar gebruik of onthouding. Zulke uitkomsten zouden een positieve bijdrage kunnen leveren aan het behandelingsproces – bijvoorbeeld om mensen te motiveren, of als volledige onthouding (nog) onmogelijk is. Een groep Amerikaanse onderzoekers heeft hiervoor vragenlijstonderzoek gedaan bij 111 mensen met een geschiedenis van problematisch cannabisgebruik (denk hierbij bijvoorbeeld aan deelnemers van Marijuana Anonymous bijeenkomsten in de VS). Op basis van hun gebruiksgeschiedenis van de afgelopen 30 dagen werden zij verdeeld in drie groepen: 1) de onthoudingsgroep, 2) lichtgebruikers (3 of minder dagen per week) en 3) zwaargebruikers (>4 dagen per week). Deze drie groepen werden vergeleken op verschillende maten van fysieke en mentale gezondheid.

VONDSTEN
– Over het algemeen scoorden zwaargebruikers van cannabis het slechtst van alle groepen.
– De verschillen tussen de onthoudingsgroep en de lichtgebruikers waren klein en statistisch niet-significant.
– In verhouding tot de zwaargebruikers, hadden de onthoudingsgroep en de lichtgebruikers betere scores op algemene gezondheid, eetlust en depressie.
– Volledige onthouding was daarnaast nog gerelateerd aan een hogere slaapkwaliteit en minder angstsymptomen.
– Verminderd cannabisgebruik wordt dus geassocieerd met een aantal positieve gezondheidsuitkomsten, in verhouding tot zwaar gebruik (>4 dagen per week)

Verminderd cannabisgebruik lijkt dus enkele voordelen met zich mee te brengen, maar onderzoeken over langere periodes zijn nodig om deze stelling verder te kunnen bevestigen. Daarnaast is het nog onbekend in hoeverre dit motiverend zou kunnen werken bij het stopproces.

DETAILS
Mooney, L. J., Zhu, Y., Yoo, C., Valdez, J., Moino, K., Liao, J. Y., & Hser, Y. I. (2018). Reduction in Cannabis Use and Functional status in physical health, mental health, and Cognition. Journal of Neuroimmune Pharmacology13(4), 479-487

Deze sci-fly werd geschreven door Dennis Trommelen, masterstudent Behavioral Science Institute, Radboud Universiteit Nijmegen.

Drieling dol op Chinees eten – is voedselvoorkeur erfelijk bepaald?

Vorige week heb ik de indrukwekkende documentaire ‘Three Identical Strangers’ gezien. Deze documentaire gaat over 3 jongens die vlak na de geboorte geadopteerd zijn door drie verschillende gezinnen. Ze weten niets van elkaars bestaan. Totdat één van de jongens op 19-jarige leeftijd naar een nieuwe school gaat en daar door iedereen ‘herkend’ wordt. Zijn dubbelganger bleek het jaar daarvoor op die school gezeten te hebben. Ze ontdekken dat ze tweelingbroers zijn. Dit wordt groot nieuws en staat in alle kranten. Een leeftijdsgenoot ziet in de krant een foto staan van twee jongens die als twee druppels water op hemzelf lijken. Hij blijkt broer nummer drie te zijn… ze zijn een identieke drieling (zie foto1)! Het wordt een enorm mediacircus. Ze zijn te gast in talkshows, geven interviews en iedereen vindt het een geweldig verhaal. De gelijkenissen worden benadrukt, hun uiterlijk is identiek, hun gebaren zijn hetzelfde, ze roken hetzelfde merk sigaretten en ze houden alle drie van Chinees eten… Later blijken er ook wel verschillen te zijn, en de rest van de documentaire laat een droeviger verhaal zien2.

foto-three-identical-strangers.jpg

Een belangrijk onderdeel van de documentaire is de vraag waarom deze drie jongens in drie verschillende gezinnen werden geplaatst. Waarom konden ze niet bij elkaar blijven en samen opgroeien? En waarom wisten de jongens (en hun adoptie ouders) niet van het bestaan van de broers? In de documentaire is te zien dat het adoptiebureau de ontwikkeling van de jongens nauwgezet volgde. Tegen de adoptieouders werd gezegd dat ze wilden kijken of adoptiekinderen zich hetzelfde ontwikkelen als niet-geadopteerde kinderen. Echter, uit de documentaire blijkt dat de scheiding van de drieling onderdeel was van een psychologisch experiment van psycholoog Peter Neubauer3, die met dit experiment antwoord hoopte te vinden op de nature (aangeboren) versus nurture (aangeleerd) kwestie. Door genetisch identieke personen te plaatsen in verschillende omgevingen zou je kunnen zien wat belangrijker is voor hun ontwikkeling: hun erfelijke aanleg of de opvoeding. Een bizar en onethisch experiment wat in deze tijd ondenkbaar is.

Gelukkig zijn er andere manieren om de nature – nurture vraag te beantwoorden, bijvoorbeeld door het vergelijken van eeneiige en twee-eiige tweelingparen die samen in hetzelfde gezin opgegroeid zijn en op vrijwillige basis deelnemen aan wetenschappelijk onderzoek. Als eeneiige (genetisch identieke) tweelingparen meer op elkaar lijken dan twee-eiige tweelingparen (die de helft van hun genen delen) speelt erfelijke aanleg (ook) een rol. Op deze manier zijn al vele vragen beantwoord over de rol van erfelijke aanleg en opvoeding bij persoonlijkheid en gedrag (zie bijvoorbeeld een eerdere blog over rookgedrag4).

Momenteel buigen we ons over de vraag in hoeverre erfelijke aanleg een rol speelt bij de voorkeur voor bepaald voedsel. Lust je graag spruitjes? Of is sushi je lievelingseten? Engels onderzoek laat zien dat er voedingsclusters zijn (bijvoorbeeld fruit, vlees, sterke kruiden of zoete snacks) waar sommige mensen hoog in scoren en andere mensen lager, en dat erfelijke aanleg een rol speelt bij deze voorkeuren5. De drie jongens in de documentaire waren alle drie dol op Chinees eten. Is dat toeval? Op de avond dat ik de film ‘Three Identical Strangers’ bekeek at ik van te voren een hapje met Dorret Boomsma (oprichter van het NTR: Nederlands Tweelingen Register6), haar dochter en twee eeneiige tweelingparen: Kirsten (de student die het voedselvoorkeur onderzoek uitvoert) en haar tweelingzus Carmen, en Erik en Peter (net als de drieling in de film zijn Erik en Peter opgegroeid in verschillende gezinnen en hebben ze elkaar pas later leren kennen). Beide tweelingparen bestelden hetzelfde drankje, maar ze namen wel iets anders te eten… Kunnen we hier conclusies uit trekken? Om valide conclusies te trekken over de vraag of erfelijke aanleg een rol speelt bij voedselvoorkeur zijn zeer grote samples en betrouwbare vragenlijsten nodig. In samenwerking met het NTR analyseren we momenteel de rol van erfelijke aanleg bij voedselvoorkeur in bijna 8000 volwassen tweelingen. Laten we de resultaten van deze grote en valide studie maar afwachten voordat we conclusies trekken!

Deze blog is geschreven door Prof. dr. Jacqueline Vink (Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs & dieet.

Referenties
1. Bron foto: http://moveablefest.com/tim-wardle-three-identical-strangers/
2. Zie o.a. https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/three-identical-strangers-is-onrustbarende-en-droeve-film-over-menselijke-fascinatie-voor-het-meerlingschap~bd6734a7/
3. Wikipedia pagina over Peter Nuebauer: https://en.wikipedia.org/wiki/Peter_B._Neubauer
4. Blog: https://rad-blog.com/2016/06/13/roken-op-world-no-tobacco-day/
5. Sharafi M, Lachance G, Pirastu N, Mohney RP, MacGregor A, Feskens EJ, Duffy V, Spector TD, Menni C. Food Preference Patterns in a UK Twin Cohort. Twin Res Hum Genet. 2015 Dec;18(6):793-805.
6. Website Nederlands Tweelingen Register: https://tweelingenregister.vu.nl/

 

Sci-fly: Rookgedrag bij zwangere vrouwen

Roken en meeroken zijn schadelijk voor je gezondheid. Maar wat zijn de gevolgen van roken rond de zwangerschap? Voorafgaand aan de zwangerschap is de kans om zwanger te worden kleiner als een vrouw/haar partner regelmatig een sigaret opsteekt. Roken tijdens de zwangerschap verhoogt de kans op ernstige gevolgen voor het ongeboren kind, zoals een miskraam, vroeggeboorte of een laag geboortegewicht. Na de zwangerschap kan de baby nicotine binnenkrijgen via borstvoeding of worden blootgesteld aan rokers in de omgeving (meeroken).

In de afgelopen tijd zijn er veel stoppen met roken methodes opgezet en getest, sommigen bleken effectief, anderen waren minder succesvol. Om deze stoppen met roken methodes beter te kunnen laten aansluiten bij de doelgroep, is het belangrijk dat we meer zicht hebben op zowel de risicofactoren (wat maakt dat vrouwen blijven roken rond de zwangerschap?) als de beschermende factoren (wat maakt dat vrouwen stoppen met roken rond de zwangerschap?). Deze studie zocht dit uit!

KERN
Het is essentieel dat de partner stopt met roken voorafgaand aan de zwangerschap en dat hij/zij niet rookt tijdens de zwangerschap. Rookt de partner wel tijdens de zwangerschap, dan dient deze na de bevalling te stoppen met roken.

Gezondheidsbevorderaars en preventiewerkers dienen het rookgedrag van zowel de zwangere vrouw als haar partner bespreekbaar te maken en deze hulpverleners kunnen stellen waar nodig verwijzen naar een effectieve stoppen met roken methode.

ONDERZOEKSMETHODE
Het doel van deze studie was om meer inzicht te krijgen in risico- en beschermende factoren voor vrouwen die:

  • Roken voor de zwangerschap
  • Roken tijdens de zwangerschap
  • Succesvol stoppen tijdens de zwangerschap
  • Terugvallen in rookgedrag na de bevalling

In totaal vulden 1858 Nederlandse vrouwen vragenlijsten in over hun middelengebruik (roken, alcohol- en drugsgebruik) voor, tijdens en na de zwangerschap. De onderzoekspopulatie werd geworven bij consultatiebureaus en bestond uit moeders (gemiddeld 32 jaar) van jonge kinderen (jongste kind jonger dan 5 jaar). De Monitor werd uitgevoerd bij 46 consultatiebureaus, verspreid over 35 Nederlandse steden. In de analyses werd het rookgedrag van vrouwen rond de zwangerschap uitgezet tegen sociaal demografische factoren, middelengebruik, rookgedrag van de partner en hulp bij stoppen met roken.

VONDSTEN

Foto_roken_zwangerschap-2042210636-1557847660388.png

  • Roken voor de zwangerschap hangt samen met:
    • laag of gemiddeld opleidingsniveau
    • alleen wonen
    • alcoholgebruik voor de zwangerschap
    • cannabisgebruik voor de zwangerschap
    • rokende partner
  • Roken tijdens de zwangerschap hangt samen met:
    • laag of gemiddeld opleidingsniveau
    • alleen wonen
    • geen alcoholgebruik voor de zwangerschap
    • rokende partner
  • Succesvol stoppen tijdens de zwangerschap hangt samen met:
    • hoog opleidingsniveau
    • alcoholgebruik voor de zwangerschap
    • weinig contact met hulpverleners over stoppen met roken
    • minder gebruik van stoppen met roken methode
  • Terugval in rookgedrag na de bevalling hangt samen met:
    • rokende partner

DETAILS
Scheffers-van Schayck, T., Tuithof, M., Otten, R., Engels, R., & Kleinjan, M. (2019). Smoking Behavior of Women Before, During, and after Pregnancy: Indicators of Smoking, Quitting, and Relapse. European Addiction Research, 25, 132-144.

Deze sci-fly werd geschreven door Pauline Geuijen (Radboudumc) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

De (on)mogelijkheden van genetisch onderzoek naar verslaving

Er wordt enorm veel onderzoek gedaan naar de genetische oorzaken van middelengebruik en verslaving. Regelmatig verschijnt in de media bericht dat er genen zijn gevonden ‘voor’ bijvoorbeeld rookverslaving of cannabisgebruik. Maar wat kunnen we nou eigenlijk met deze informatie?

addiction genetics

Onmogelijk: genmodificatie
Een voor de hand liggende gedachte zou zijn om met de kennis die we nu hebben uiteindelijk methodes te ontwikkelen om ons genetisch materiaal aan te passen zodat we minder kans hebben om verslaafd te raken. Maar helaas: alle ethische en praktische kwesties nog daar gelaten is dit onmogelijk. Complex gedrag wordt door enorm veel genetische varianten beïnvloed, die allemaal maar een hele kleine invloed hebben. Deze varianten zijn niet alleen maar betrokken bij verslavingsgedrag, ze kunnen ook geassocieerd zijn met heel andere dingen. Dit heet ‘pleiotropie’ en zorgt ervoor dat verschillende kenmerken op genetisch niveau overlappen. Zo hebben we genetische varianten gevonden voor cannabisgebruik die ook invloed hebben op iemands persoonlijkheid en bijdragen aan een hoog opleidingsniveau1. Daar wil je liever niet aan knutselen!

Mogelijk: risicovoorspelling op groepsniveau
We kunnen ons genetisch materiaal dus niet veranderen, maar het zou ook al heel nuttig zijn als we konden bepalen hoe groot iemands genetische risico was om middelen te gebruiken of verslaafd te raken. Dit kunnen we doen aan de hand van de resultaten van genoomwijde associatie studies (GWAS). Dit zijn studies waarbij in het hele genoom wordt gekeken welke varianten een verband tonen met een kenmerk. Als we weten welke genetische varianten geassocieerd zijn met verslaving, kunnen we kunnen we per persoon een optelsom maken van het aantal risicovarianten (een zogenaamde ‘polygenetische risicoscore’) en daarmee voorspellen hoe groot de kans op verslaving is. Heel goed zijn deze voorspellingen helaas niet, vaak verklaren risicoscores slechts een paar procent van het verslavingsgedrag2. Daarom wordt dit alleen nog gedaan op groepsniveau in de onderzoekscontext.

Binnenkort mogelijk: risicovoorspelling in de praktijk
Als dit soort risicovoorspellingen preciezer wordt, zijn er veelbelovende mogelijkheden om deze toe te passen. Nu al bestaan er tests om te kijken of iemand een genetische variant heeft die geassocieerd is met de effectiviteit van een behandeling, zoals een test voor een OPRM1 variant die de effectiviteit van een medicijn tegen alcoholisme beïnvloedt3. Dit soort tests is nu nog beperkt zinvol, maar naarmate genetische testen goedkoper worden, de onderzoekspopulaties van genetisch onderzoek groter, en onze kennis van (zeldzame) genetische varianten rijker, is de kans groot dat we meer en meer precieze voorspellingen kunnen doen op basis van iemands DNA. Stel je voor dat we bijvoorbeeld met een krachtige polygenetische risicoscore konden bepalen of iemand gebaat zou zijn bij een behandeling om te stoppen met roken (iets wat in de onderzoekscontext al in beperkte mate lijkt te werken4), of dat we bij adolescenten al konden voorspellen wie er risico lopen op alcoholverslaving om onze preventies op hen te richten… Genetisch onderzoek zal in de toekomst enorm kunnen gaan bijdragen aan het bestrijden van middelengebruik en verslaving!

Deze blog werd geschreven door Joëlle Pasman (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Pasman, J. A., Verweij, K. J. H., Gerring, Z., Stringer, S., Sanchez-Roige, S., Treur, J. L., . . . Vink, J. M. (2018). GWAS of lifetime cannabis use reveals new risk loci, genetic overlap with psychiatric traits, and a causal influence of schizophrenia. Nature Neuroscience, 21(9), 1161-1170.
2. Vink, J. M., Hottenga, J. J., de Geus, E. J., Willemsen, G., Neale, M. C., Furberg, H., & Boomsma, D. I. (2014). Polygenic risk scores for smoking: predictors for alcohol and cannabis use? Addiction109(7), 1141-1151.
3. Sluiter, R. L., Kievit, W., van der Wilt, G. J., Schene, A. H., Teichert, M., Coenen, M. J., & Schellekens, A. (2018). Cost-effectiveness analysis of genotype-guided treatment allocation in patients with alcohol use disorders using naltrexone or acamprosate, using a modeling approach. European Addiction Research24(5), 245-254.
4. Musci, R. J., Masyn, K. E., Uhl, G., Maher, B., Kellam, S. G., & Ialongo, N. S. (2015). Polygenic score × intervention moderation: An application of discrete-time survival analysis to modeling the timing of first tobacco use among urban youth. Development and Psychopathology, 27(1), 111-122.

Sci-fly: Kinderen gezond verleiden in de schoolkantine

Slechts vier op de tien kinderen in Nederland eet voldoende groente en fruit, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau van de Statistiek. Omdat het eten van groente en fruit cruciaal is voor het gezond opgroeien van kinderen, is het van groot belang om de consumptie van deze gezonde producten bij kinderen te stimuleren. Een goede plek om hiermee te beginnen is op school; hier brengen kinderen immers een groot deel van hun tijd door. Maar (hoe) kun je er als (basis)school voor zorgen dat kinderen op school verleid worden om gezonde producten te eten? Wetenschappers uit het Verenigd Koninkrijk zochten het uit.

KERN
– Op twee basisscholen (interventie-scholen) werd het aanbod, de positionering, en de uitstraling van groente en fruit in de schoolkantine aangepast om deze aantrekkelijker te maken. Op twee andere basisscholen (controle-scholen) werden deze aanpassingen niet gedaan.
– Kinderen op de interventie-scholen aten na drie weken meer fruit, vitamine C en vezels. Op de controle-scholen werd dit verschil niet waargenomen.
– Er werden geen verschillen gevonden voor de consumptie van groente op zowel de interventie-scholen als de controle-scholen.
– Op school kunnen kinderen worden verleid om meer fruit te eten door het aanbod, de positionering, en de uitstraling hiervan aantrekkelijker te maken in de schoolkantine.

ONDERZOEKSMETHODE
In deze studie werd onderzocht of aanpassingen in het aanbod, de positionering, en de uitstraling van groente en fruit ervoor zorgen dat kinderen op scholen meer groente en fruit gaan eten. Leerlingen van vier basisscholen uit het Verenigd Konikrijk deden mee aan het onderzoek. Leerlingen van twee van deze basisscholen werden toegewezen aan de interventie-conditie en leerlingen van de andere twee bassischolen werden toegewezen aan de controle-conditie.

In de controle-conditie werd er niets veranderd aan de schoolkantine. In de interventie-conditie werden de volgende aanpassingen gedaan aan het aanbod, de positionering, en de uitstraling van groente en fruit:

– Advertenties en reclames: Er werden felgekleurde posters opgehangen in de eetzaal, met hierop kinderen en stripfiguren die aan het genieten zijn van groenten en fruit. Daarnaast stond er aan het begin van de rij van de kantine een bord met hierop de “groente van de dag”.
– Aantrekkelijke namen: Voor elke soort groente en fruit werden nieuwe, aantrekkelijke namen bedacht. Een voorbeeld hiervan was “Dinosaur Tree Broccoli”.
– Aantrekkelijke labels: Er werd een label geplaatst bij elke soort groente en fruit, die aandacht trok met een aantrekkelijke naam, een leuk plaatje, en een stripfiguur.
– Aantrekkelijke porties: Hele stukken fruit werden vervangen door fruit dat al gesneden was. Deze gesneden stukjes fruit werden in kleurrijke plastic bakjes gedaan, die aan het einde van de rij van de kantine op een taartplateau werden geplaatst.
– Fruit en groente als eerste: Waar mogelijk werd de volgorde van serveren veranderd, zodat groente en fruit werden aangeboden vóórdat andere bijgerechten werden aangeboden. Ook werd het personeel geïnstrueerd om kinderen aan te moedigen om een portie groente en fruit te nemen.

Dinosaur Tree Broccoli

VONDSTEN
– Kinderen op de interventie-scholen aten na drie weken meer fruit, vitamine C en vezels dan vóór de interventie. Op de controle-scholen werd dit verschil niet waargenomen.
– Er werden geen verschillen gevonden voor de consumptie van groente op zowel de interventie-scholen als de controle-scholen.

DETAILS
Marcano-Olivier, M., Pearson, R., Ruparell, A., Horne, P. J., Viktor, S., & Erjavec, M. (2019). A low-cost Behavioural Nudge and choice architecture intervention targeting school lunches increases children’s consumption of fruit: A cluster randomised trial. International Journal of Behavioral Nutrition and Physical Activity, 16, 20.

Deze sci-fly werd geschreven door Nina van den Broek, PhD student bij het Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit.

 

Liever te dik in de kist, dan een feestje gemist?

Iedereen kent het dilemma wel: je hebt een verjaardag en de gastheer vraagt of je een stukje taart wil. Je directe reactie is ‘ja lekker!’, maar een goede tweede reactie is ‘moet ik dat wel doen, want eigenlijk wil ik wat gezonder eten’. Dit soort keuzes maken we niet alleen tijdens verjaardagsvisites, maar gedurende de hele dag. Ga ik nu studeren voor goede studieresultaten of spreek ik gezellig met vrienden af? Rook ik nu een sigaret, ook al weet ik dat het slecht is voor mijn gezondheid? Welke kant het muntje op valt bij deze keuzes is individueel bepaald en hangt samen met de mate waarin we gevoelig zijn voor directe beloningen ten opzichte van beloningen in de toekomst1. Hoe vaak we kiezen voor deze directe of uitgestelde beloningen heeft natuurlijk een effect op ons gedrag en onze gezondheid2.

De onlangs overleden Walter Mischel was één van de eerste onderzoekers die het maken van dit soort keuzes onderzocht onder jonge kinderen. Hij deed dit door middel van het bekende Marshmallow Experiment3, waarbij hij kinderen in een ruimte zette en ze één marshmallow gaf die ze op mochten eten als ze dat wilden. Voordat hij de ruimte uitging vertelde hij de kinderen echter dat als ze het volhielden om vijftien minuten te wachten en de marshmallow niet zouden opeten, ze dan twee marshmallows zouden krijgen. Een ogenschijnlijk simpel experiment, maar met enorm grote implicaties. Hij toonde namelijk gedurende jarenlang onderzoek aan dat de kinderen die in dit experiment zwichtten voor de verleiding, minder goede resultaten lieten zien op andere gebieden. Het opeten van die ene marshmallow op jonge leeftijd is namelijk gelinkt aan slechtere studie resultaten, meer gezondheidsklachten, meer kans op ADHD, verslaving of overeten, en meer kans op psychische klachten op latere leeftijd4. Echter, het omgekeerde is ook waar: de kinderen die in staat waren om te wachten tot de 15 minuten om waren, laten juist betere uitkomsten zien op de lange termijn4.

foto radblog hanneke

Bij volwassenen onderzoeken we dit soort keuzes vaak met computertaken waarbij we proefpersonen vragen om een keuze te maken uit twee opties5. Als proefpersoon wordt je dan gevraagd te kiezen tussen een geldbedrag, bijvoorbeeld €10,-, dat je direct kan krijgen of een hoger geldbedrag, bijvoorbeeld €50,-, dat je ontvangt na een bepaalde wachtperiode, bijvoorbeeld twee weken. We leggen proefpersonen een heel aantal van dit soort keuzes voor waar we de bedragen en wachtperiode variëren, zodat we per individu kunnen berekenen wanneer zij voor de directe beloning gaan en wanneer voor de uitgestelde beloning5. Ook onder volwassenen is zeer betrouwbaar vastgesteld dat de mate waarin proefpersonen kiezen voor de directe beloning gelinkt is aan slechtere uitkomsten op cognitief, fysiek, psychologisch en emotioneel gebied6.

Hoe beter we dus in staat zijn om de directe verleiding te weerstaan en te kiezen voor een beloning in de toekomst, hoe meer kans op een succesvoller en gezonder leven. Sommige mensen zijn van nature beter in het weerstaan van verleiding, maar uit recent onderzoek blijkt dat het misschien ook mogelijk is om mensen te trainen hier beter in te worden7. Er zijn veel verschillende manieren om dit te trainen, maar het grootste gedeelte van deze trainingen is erop gericht om individuen te helpen focussen op de toekomst of hun toekomstige zelf8. Voordat we proefpersonen alle keuzes tussen directe en uitgestelde beloningen voorleggen, laten we ze eerst een verouderde versie van zichzelf zien. Hoewel je toekomstige zelf normaal best ver weg staat, komt die door zo’n soort manipulatie veel dichterbij. Het blijkt dan ook dat proefpersonen na het zien van hun verouderde zelf, vaker kiezen voor de uitgestelde beloning. Het concreter maken van de persoon die je later wordt, zorgt er dus voor dat mensen zich realiseren dat het ook wel fijn is als die persoon gezond is en daardoor wordt het gemakkelijker om de directe verleiding te weerstaan.

Hoewel dit heel veelbelovend onderzoek is, staat het nog maar in de kinderschoenen. Want: de effecten op zo’n computertaak staan natuurlijk niet garant voor effecten in het dagelijkse leven. Kiezen deze individuen ook daadwerkelijk vaker voor minder impulsieve en gezondere opties en heeft dat ook een direct effect op hun gedrag en gezondheid? Uiteindelijk kunnen dit soort trainingen mensen hopelijk de tools geven om een goede balans te vinden tussen soms een ja en soms een nee tegen dat verjaardagstaartje, omdat het leven ook vaak een feestje mag zijn!

Deze blog werd geschreven door Hanneke Scholten (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Ainslie, G. (1975). Specious reward: A behavioral theory of impulsiveness and impulse control. Psychological Bulletin, 82, 463-496. doi: 10.1037/h0076860
2. MacKillop, J., Amlung, M. T., Few, L. R., Ray, L. A., Sweet, L. H., & Munafò, M. R. (2011). Delayed reward discounting and addictive behavior: A meta-analysis. Psychopharmacology, 216, 305-321. doi: 10.1007/s00213-011-2229-0
3. Mischel, W., Ebbesen, E.B., & Zeiss, A.R. (1972). Cognitive and attentional mechanisms in delay of gratification. Journal of Personality and Social Psychology, 21, 204–18. doi: 10.1037/h0032198
4. 
Mischel, W., Ayduk, O., Berman, M. G., Casey, B. J., Gotlib, I. H., Jonides, J., … & Shoda, Y. (2010). ‘Willpower’over the life span: Decomposing self-regulation. Social Cognitive and Affective Neuroscience, 6, 252-256. doi: 10.1093/scan/nsq08
5. 
Green, L., & Myerson, J. (2004). A discounting framework for choice with delayed and probabilistic rewards. Psychological Bulletin, 130, 769–792. doi: 10.1037/0033-2909.130.5.769
6. Bickel, W. K. (2015). Discounting of delayed rewards as an endophenotype. Biological Psychiatry, 77, 846-847.
7. Koffarnus, M. N., Jarmolowicz, D. P., Mueller, E. T., & Bickel, W. K. (2013). Changing delay discounting in the light of the competing neurobehavioral decision systems theory: A review. Journal of Experimental Analysis of Behavior, 99, 32-57. doi: 10.1002/jeab.2.
8. Kuo, H. C., Lee, C. C., & Chiou, W. B. (2016). The power of the virtual ideal self in weight control: Weight-reduced avatars can enhance the tendency to delay gratification and regulate dietary practices. Cyberpsychology, Behavior, and Social Networking, 19, 80-85. doi: 10.1089/cyber.2015.0203.

Sci-fly: Is voedselverslaving de oorzaak van overgewicht?

In onze samenleving stijgt het aantal mensen met overgewicht. Voedselverslaving wordt genoemd als mogelijke oorzaak hiervan, maar is dit wel terecht? Om deze vraag te beantwoorden moeten we eerst weten wat verstaan wordt onder een verslaving. In de DSM (handboek voor diagnostiek) wordt bepaald aan de hand van een aantal criteria of iemand een verslaving heeft. We spreken over een verslaving wanneer iemand aan minimaal 3 van de volgende criteria voldoet: gebruik is moeilijk te controleren, trek in het middel (craving), opbouw van tolerantie, ontwenningsverschijnselen, absentie van andere interesses, onsuccesvolle pogingen om te stoppen en blijvend gebruik ondanks de wetenschap dat het slecht voor je is.

overgewicht_scifly

KERN
Vaak wordt gedacht dat een voedselverslaving zich uit in, of gelijk is aan, overmatig eten. Er is sprake van overmatig eten bij meer voedsel inname dan nodig is om een gezond lichaamsgewicht te behouden. Daarom wordt voedselverslaving vaak gezien als oorzaak van overgewicht en obesitas. Als er daadwerkelijk sprake is van een verslaving, heeft dit gevolgen voor de behandeling van overgewicht en obesitas.

ONDERZOEKSMETHODE
In deze review werd onderzocht of voedselverslaving een verklaring voor overgewicht kan zijn. Daarvoor is op basis van vele andere onderzoeken een vergelijking gemaakt tussen voedselverslaving en middelenverslaving.

VONDSTEN
Een overeenkomst tussen middelengebruik en voedsel is het ‘craving’ effect. Craving wil zeggen dat je trek krijgt in het middel of in bepaald voedsel, bijvoorbeeld chocolade. Uit onderzoek blijkt dat dezelfde hersenstructuren hierbij een rol spelen. Een andere overeenkomst is de tolerantie. Tolerantie in het geval van voeding wordt vooral opgebouwd doordat de maag groter wordt. Doordat de maag in capaciteit toeneemt, is er meer voeding nodig om een vol gevoel te krijgen. Dit is in feite hetzelfde bij middelengebruik, daarbij bouwen mensen ook tolerantie op, waardoor steeds meer van het middel nodig is om hetzelfde effect te krijgen, denk bijvoorbeeld aan alcohol.

Een belangrijk verschil is dat voeding makkelijker in meer of mindere mate genomen kan worden zonder dat er grote effecten ontstaan. Wanneer je het gevoel hebt dat je vol zit is er vaak nog wel ruimte in je maag voor meer. Wanneer je teveel van een middel gebruikt dan is er sprake van een overdosis, wat grote gevolgen kan hebben. Daarnaast is het ook zo dat wanneer mensen van hun verslaving af willen ze zich geheel kunnen onthouden van het middel. In het geval van voeding is dat niet mogelijk, dit hebben we nodig om te overleven. Echter kunnen we in onze voeding wel gezondere keuzes maken en zeer energierijk voedsel (met veel suikers en vetten) vaker laten staan.

De belangrijkste bevinding in dit onderzoek is dat voedselverslaving niet altijd de oorzaak is van overgewicht. Veel mensen met obesitas voldoen niet aan de criteria van een voedselverslaving. Overmatige inname van energierijk voedsel is op zichzelf staand de belangrijkste verklaring voor overgewicht en dit is dus niet hetzelfde als een voedselverslaving.

DETAILS
Rogers, P. J. (2017). Food and drug addictions: Similarities and differences. Pharmacology Biochemistry and Behavior, 153, 182-190.

Deze sci-fly werd geschreven door Loes Huijbers, master student Pedagogische Wetenschappen en Onderwijskunde, Radboud Universiteit.

Op weg naar een gezonder Nederland…

‘Een gezonder Nederland… Dat is wat we willen bereiken’. Een duidelijke boodschap, met visie voor de toekomst. Deze boodschap komt rechtstreeks uit de inleiding van het onlangs uitgebrachte Nationaal Preventieakkoord (VWS, 2018). Het akkoord richt zich op een pakket aan maatregelen en interventies om problematisch alcoholgebruik, roken en overgewicht terug te dringen. Een voorbeeld van gedegen preventie vond men in IJsland. Het afgelegen eiland heeft een preventie aanpak die ook beschreven wordt in het Nationaal Preventieakkoord. Dit is niet verrassend, want in IJsland is een spectaculaire afname van middelengebruik onder jongeren waargenomen.

Twintig jaar geleden stond IJsland bekend als het land waar jongeren veel alcohol dronken en veel rookten. Er is vanuit de IJslandse overheid gekozen voor een rigoureuze aanpak om het middelengebruik onder jongeren aan te pakken.De gedachte die hieraan ten grondslag lag was dat preventie zich moest richten op een aantal (wetenschappelijk bewezen) beschermende factoren van middelengebruik. Denk hierbij aan communicatie met ouders2, sociale betrokkenheid en participatie in sport.3

Jongeren in IJsland vullen jaarlijks een vragenlijst in met onderwerpen als middelengebruik, de relatie met ouders en vrijetijdsbesteding. De informatie uit deze vragenlijst wordt vertaald naar een aanpak die gedragen wordt door zowel wetenschap, beleidsvoerders en de praktijk. Bij de IJslandse aanpak wordt ingezet op 1) het snel verspreiden van de bevindingen uit de vragenlijsten, 2) gepast advies op gemeenschapsniveau (bijvoorbeeld aan scholen en buurten) en 3) het creëren van betrokkenheid op gemeenschapsniveau. Deze aanpak faciliteert een vlotte vertaling naar de praktijk waarbij men zich richt op het verminderen van risico’s en het versterken van beschermende factoren.

Succesvolle voorbeelden hiervan zijn het instellen van buurtbewaking na 8 uur en ervoor zorgen dat jongeren een betere vrijetijdsbesteding hebben. Zo trekt men jaarlijks 300 euro per kind uit om uit te geven aan sport en recreatie. En dat dit succesvol is, blijkt weer uit later onderzoek wat heeft aangetoond dat het IJslandse preventiemodel geassocieerd is met een afname in middelengebruik.3 Nu wordt er door IJslandse jongeren vergeleken met andere Europese langen juist het minst gedronken en gerookt. Dronkenschap in de afgelopen maand is bij 15 en 16-jarigen gedaald van 43% naar 5% in en dagelijks roken is gedaald van 23% naar 3%.

ijsland figuur

Uiteraard verschilt Nederland in een aantal opzichten met IJsland (naast een andere cultuur heeft IJsland bijvoorbeeld maar 300.000 inwoners). Momenteel wordt onderzocht wat de werkzame elementen zijn van de IJslandse aanpak voor Nederland en hoe zij geïmplementeerd kunnen worden. Zo voert bijvoorbeeld het Trimbos-instituut in samenwerking met het Nederlands Jeugd Instituut (NJI) een pilot onderzoek uit (een test) waarbij dergelijke vragenlijsten ingezet worden in zes gemeenten in Nederland.Het doel hiervan is om een overzicht te krijgen wat voor risicogebieden voor jongeren aangepakt kunnen worden en evalueren op wat voor manier een dergelijke aanpak in Nederland ingezet kan worden.

Preventie is een cruciaal element in het verminderen van risicogedrag zoals problematisch alcoholgebruik.Het Nationaal Preventieakkoord vormt daardoor een belangrijke stap voor het voorkomen van gezondheidsschade ten gevolge van alcoholgebruik, roken en obesitas in Nederland.

Deze blog werd geschreven door Koen Smit (Trimbos Instituut / Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Sigfusdottir ID, Kristjansson AL, Thorlindsson T, Allegrante JP (2008). Trends in prevalence of substance use among Icelandic adolescents, 1995–2006. Subst Abuse Treat Prev Policy 3:12.
2. Ryan SM, Jorm AF, Lubman DI, Ryan M, Jorm F, Lubman I (2010). Parenting factors associated with reduced adolescent alcohol use: a systematic review of longitudinal studies. Aust N Z J Psychiatry 44:774–783.
3. Kristjansson AL, Sigfusdottir ID, Thorlindsson T, Mann MJ, Sigfusson J, Allegrante JP (2016). Population trends in smoking, alcohol use and primary prevention variables among adolescents in Iceland, 1997-2014. Addiction 111:645–652.
4. Catalano RF, Fagan AA, Gavin LE, Greenberg MT, Irwin CE, Ross DA, Shek DTL (2012). Worldwide application of prevention science in adolescent health. Lancet (London, England) 379:1653–64.
5. Website: https://www.trimbos.nl/actueel/nieuws/bericht/nederlandse-gemeenten-experimenteren-met-ijslandse-aanpak-middelengebruik

Sci-Fly: Opa en oma als oppas: Een gezonde voedselomgeving voor het kleinkind?

Opa en oma spelen een belangrijke rol in de opvoeding van hun kleinkind. Helemaal nu het aantal tweeverdieners binnen gezinnen stijgt, en daarmee de vraag naar betrouwbare en goedkope kinderopvang. Ongeveer een derde van de kinderen met werkende ouders gaat naar zijn of haar grootouders. Nu staan opa en oma vooral te boek als zorgzaam en liefdevol, maar niet als de meest gezonde opvoeders. Ze verwennen hun kleinkind immers dolgraag. In het licht van de groeiende obesitasepidemie rijst daarom de vraag: In hoeverre creëren grootouders een gezonde voedselomgeving voor hun kleinkind?

grandma-1038239_1280.png

KERN
Veel opa’s en oma’s passen niet alleen op, maar bereiden tijdens het oppassen ook maaltijden en snacks, vaak zelfs meerdere keren per week. Uit deze studie blijkt dat grootouders over het algemeen een gezonde voedselomgeving voor hun kleinkind creëren. Wel zijn er risicogroepen die mogelijk meer hulp nodig hebben bij het klaarmaken van gezonde maaltijden en snacks, waaronder oudere grootvaders en grootouders uit minder welvarende wijken. Ook blijkt dat kleindochters en jongere kleinkinderen vaker gezonde producten aangeboden krijgen. Het belang van gezonde voeding kan bij grootouders van kleinzoons en oudere kleinkinderen daarom nog extra worden benadrukt. Het promoten van gezonde voedselkeuzes kan worden gefaciliteerd door voedingsinformatie op productetiketten beter af te stemmen op de oudere doelgroep. Denk daarbij aan duidelijk leesbare lettertypes en kleuren en eenvoudig taalgebruik.

De huidige gezondheidsprogramma’s zijn vaak alleen gericht op ouders. Dat is een gemiste kans, aangezien andere opvoeders –waaronder opa en oma– een belangrijke rol spelen in de eetopvoeding. Gezondheidsinterventies gericht op (de preventie van) overgewicht en obesitas bij kinderen doen er daarom goed aan de rol van grootouders te erkennen en integreren.

ONDERZOEKSMETHODE
Het doel van deze studie was om meer inzicht te krijgen in de volgende drie vragen:

  1. In hoeverre geven grootouders snacks en maaltijden aan hun kleinkinderen?
  2. Welke soorten eten en drinken geven grootouders aan hun kleinkinderen?
  3. Welke factoren zijn gerelateerd aan de soorten eten en drinken die grootouders hun kleinkinderen geven?

Om deze vragen te beantwoorden werd een online vragenlijst uitgezet onder Australische opa’s en oma’s. Gevraagd werd hoe vaak zij oppassen, welke maaltijden zij bereiden, welk eten en drinken zij hun kleinkind geven en waarom zij voor bepaalde voedingsproducten kiezen. De vragenlijst werd ingevuld door 1076 grootouders (gemiddeld 65 jaar oud, 60% oma’s). Alleen grootouders die minstens 3 uur per week oppassen konden met de studie meedoen. De gemiddelde leeftijd van de kleinkinderen was 7.2 jaar.

VONDSTEN
De meeste grootouders passen 1 (43%) of 2 tot 3 (41%) keer per week op hun kleinkind, met een gemiddelde van 13.6 uur per week. Het overgrote deel van de grootouders (82%) geeft hun kleinkind tijdens het oppassen snacks. Daarnaast maakt 40% ontbijt, bereidt 57% lunch en kookt 48% van de grootouders avondeten voor hun kleinkind. Jongere kleinkinderen krijgen vaker ontbijt en lunch van hun grootouders; oudere kinderen krijgen vaker avondeten. Onderstaand figuur toont de gemiddelde frequentie van verschillende soorten eten en drinken die grootouders hun kleinkind geven.

Aanbodfrequentie fig

Hoe gezond een product is wordt door grootouders gezien als de belangrijkste factor in het bepalen de snacks en maaltijden die zij aanbieden. Ook de smaak van het product en de voorkeur van de ouders van het kleinkind voor een bepaald product vinden zij belangrijk. Prijs en eenvoud zijn de minst belangrijke factoren, wellicht omdat veel grootouders met pensioen zijn en genoeg tijd om handen hebben. Wel bleek dat grootouders uit meer welvarende wijken het belangrijker vinden dat het product dat ze aanbieden gezond is dan grootouders uit minder welvarende wijken.

Om te bepalen welke producten gezond zijn kijkt driekwart van de grootouders (74%) af en toe op het etiket van voorverpakte voedingsmiddelen. Slechts 15% van de grootouders leest deze etiketten altijd.Grootouders met een hoger opleidingsniveau en grootouders van een kleindochter lezen vaker etiketten dan grootouders met een lager opleidingsniveau en grootouders van een kleinzoon.

Wat bleek verder uit de resultaten?

  • Oma’s geven hun kleinkind vaker vers fruit en zuivelproducten dan opa’s, terwijl opa’s vaker zoute snacks geven dan oma’s.
  • Grootouders uit meer welvarende wijken geven hun kind vaker vers fruit en minder zoete of zoute snacks, in vergelijking met grootouders uit minder welvarende wijken.
  • Kleindochters krijgen vaker vers fruit, groente en gedroogd fruit of fruitsap van hun grootouders dan kleinzoons.
  • Jongere kleinkinderen krijgen vaker zuivelproducten, graanproducten en gedroogd fruit of fruitsap, en minder vaak zoute snacks en zoete drankjes dan oudere kleinkinderen.

DETAILS
Jongenelis, M. I., Talati, Z., Morley, B., & Pratt, I. S. (2019). The role of grandparents as providers of food to their grandchildren. Appetite, 134,78-85.

Deze sci-fly werd geschreven door Levie Karssen, junior onderzoeker bij het Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit.

Op weg naar een rookvrije generatie

De beweging ‘op weg naar een rookvrije generatie’ is het afgelopen jaar veel in het nieuws geweest. De rookvrije generatie is een initiatief van de Hartstichting, KWF kankerbestrijding en het Longfonds. Samen met organisaties, het publiek en de politiek willen zij inzetten op de bescherming van onze kinderen tegen rook uit de omgeving. Dit is van groot belang, omdat meerokende kinderen een grotere kans hebben om later zelf te gaan roken1,2. Uit onderzoek weten we dat een deel van de niet-rokende jongeren meer symptomen van nicotine afhankelijkheid rapporteren op het moment dat er meer gerookt wordt in hun sociale omgeving3,4,5. Bij nicotine afhankelijkheid symptomen kun je bijvoorbeeld denken aan ‘craving’. Craving betekent in dit geval dat je heel erg veel zin hebt in een sigaret. Meeroken kan dus leiden tot het ontwikkelen van symptomen van nicotineafhankelijkheid, zelfs wanneer jongeren zelf niet roken.

plaatje-rookvrije-generatie.jpg

Daarnaast zet de beweging in op het verminderen van de verleiding om te beginnen met roken door bijvoorbeeld het beperken van de promotie van de verkoop van tabaksproducten. Dit omdat eerder onderzoek heeft uitgewezen dat tabaksdisplays visuele prikkels vormen die bij rokers het verlangen naar een sigaret kunnen stimuleren6. Daarnaast hebben studies aangetoond dat met name jongeren gevoelig zijn voor tabaksreclame. Er zijn aanwijzingen dat de kans op beginnen met roken onder jongeren vergroot wordt door een verhoogde blootstelling aan tabaksdisplays7,8. Inzetten op het verminderen van de verleiding om te beginnen met roken is dus erg belangrijk.

In het onlangs gelanceerde preventie akkoord wordt gestreefd naar een rookvrije generatie in 2040, wat betekent dat over grofweg 20 jaar geen enkele jongere nog rookt. Om dit te realiseren is verandering nodig. Zo werd vorig jaar in de media bericht dat er in verschillende gemeenten initiatieven gaande zijn om zones in te stellen met een rookverbod. De gemeente Groningen is de eerste gemeente in Nederland met rookvrije zones. Het gaat hier om een rookverbod in tientallen straten, op stoepen en bij bushaltes in de buurt van ziekenhuizen, scholen, theaters, kinderdagverblijven en speeltuinen waar al een rookverbod geldt. Op de website van de beweging ‘op weg naar een rookvrije generatie’ https://rookvrijegeneratie.nl/zij-zijn-op-weg/ staan als inspiratie een aantal mooie voorbeelden van mensen, organisaties en gemeenten die zich inzetten voor een rookvrije generatie. Als werknemer van het Trimbos-instituut kan ik met trots zeggen dat deze organisatie sinds 2019 ook rookvrij is. Ook dit is weer een mooie verandering op weg naar een rookvrije generatie, waarbij elke bijdrage helpt. Wil jij nou ook een rookvrije organisatie, kijk dan voor tips over hoe jij jouw organisatie rookvrij kunt maken op https://www.trimbos.nl/themas/stoppen-met-roken1/rookbeleid-in-organisaties/

Deze blog werd geschreven door Joyce Dieleman (Radboud Universiteit en Trimbos Instituut) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Leonardi-Bee, J. et al. (2011). Exposure to parental and sibling smoke and the risk of smoking uptake in childhood and adolescence: a systematic review and meta-analysis. Thorax, 66, 847-855.
2. Voorhees, C. C. et al. (2011). Peers, tobacco advertising, and secondhand smoke exposure influences smoking initiation in diverse adolescents. American Journal of Health Promotion, 25, 1-11.
3. Schuck, K. et al. (2010). Responses to environmental smoking in never-smoking children: can symptoms of nicotine addiction develop in response to environmental tobacco smoke exposure? Journal of Psychopharmacology, 27(6), 533-540
4. Bélanger, M. et al. (2008). Nicotine dependence symptoms among young never-smokers exposed to secondhand tobacco smoke. Addictive Behaviors, 33, 1557-1563.
5. McGrath, J.J. et al (2018). Airborne Nicotine, Secondhand Smoke, and Precursors to Adolescent Smoking. Pediatrics, 141, S63:S74.
6. Carter, B.L. and Tiffany, S.T. (1999). Meta-analysis of cue-reactivity in addiction research. Addiction 94, (3), 327- 340
7. Carter, O.B., Mills, B.W., and Donovan, R.J. (2009). The effect of retail cigarette pack displays on unplanned purchases: results from immediate postpurchase interviews. Tob Control 18, (3), 218-221
8. Clattenburg, E.J., Elf, J.L., and Apelberg, B.J. (2013). Unplanned cigarette purchases and tobacco point of sale advertising: a potential barrier to smoking cessation. Tob Control 22, (6), 376-381

Geen frisdrank met suiker meer verkrijgbaar op scholen: een goede stap in de strijd tegen suikerhoudende drankjes

De consumptie van suikerhoudende drankjes is ontzettend hoog onder jongeren1. Onder suikerhoudende drankjes vallen niet alleen energie- en frisdranken, maar ook vruchtendrankjes, sportdrankjes, zoete zuiveldrankjes en koffie en thee mét suiker2. Wij Nederlanders, consumeren dagelijks gemiddeld 35 gram suiker alleen al uit suikerhoudende drankjes2. Dit terwijl de totále aanbevolen hoeveelheid suiker per dag 25 gram is3. Dit betekent dus dat wij met het drinken van alleen suikerhoudende drankjes al ver boven de aanbevolen hoeveelheid suiker zitten. Uit een Amerikaans onderzoek bleek dat deze consumptie van suikerhoudende drankjes onder jongeren zelfs nog hoger was. Jongens consumeerde gemiddeld 68 gram suiker per dag aan suikerhoudende drankjes en meisjes 43 gram per dag4. Deze hoge consumptie van suikerhoudende drankjes is zorgwekkend, aangezien deze gepaard gaat met gezondheidsrisico’s zoals overgewicht en obesitas, maar daarnaast ook een vergroot risico geeft op hart- en vaatziekten, verhoogde tandcariës en een slechte geestelijke gezondheid5. Het is dus belangrijk dat er verandering komt in het drinkgedrag van suikerhoudende drankjes onder jongeren. De vraag is alleen, hoe doen we dat?

Plaatje_Emilie

Een jaar geleden was het een hot topic in meerdere kranten “Geen suikerhoudende frisdrank meer op school”6, “Verkoop suikerhoudende frisdrank op middelbare scholen stopt”7 en “Ongezonde frisdranken verdwijnen van scholen”8. In alle krantenartikel wordt gepleit dat frisdrankproducenten eind 2018 stoppen met het leveren van frisdrank aan scholen, light-frisdranken worden nog wel geleverd9. Dit betekent dat het bijna zo ver zou moeten zijn, het kopen van suikerhoudende frisdranken op scholen is over een paar maanden niet meer mogelijk.

Het Voedingscentrum geeft aan dat dit een goede stap is in de strijd tegen overgewicht10. Als we willen dat onze kinderen gezonder gaan eten en drinken is het belangrijk dat ze op school ook enkel gezond eten en drinken kunnen krijgen. Kinderen brengen immers een groot deel van hun tijd door op school. Wanneer gezond eten en drinken de norm wordt, wordt het voor de kinderen makkelijker een gezond eet- en drinkpatroon te ontwikkelen10. Echter, is het de vraag of de afschaffing van frisdranken op alleen school genoeg is om de consumptie te verminderen.

Niet alleen de aanwezigheid van frisdrank op scholen speelt een belangrijke rol, maar ook de invloed van ouders is belangrijk in de consumptie van suikerhoudende drankjes. Met name omdat zij het makkelijk maken om suikerhoudende dranken te drinken wanneer deze thuis aanwezig zijn12,13. Wanneer kinderen makkelijk toegang hebben tot suikerhoudende dranken, is de kans veel groter dat zij deze ook zullen gaan drinken. Daarnaast spelen ouders mogelijk ook een belangrijke rol door ‘modelling’. Bij het modelling mechanisme, doet het kind het gedrag van de ouder na. Wanneer het kind dus ziet dat de ouder veel frisdrank drinkt, is de kans groter dat het kind dit ook gaat doen14.

Kortom, er zijn verschillende factoren die van invloed lijken te zijn op de consumptie van suikerhoudende drankjes bij jongeren. Het afschaffen van frisdranken op scholen lijkt een goede stap te zijn in de strijd tegen overgewicht. Op dit moment wordt er bij de Radboud Universiteit onderzoek gedaan naar de invloed van vrienden en ouders op de consumptie van suikerhoudende drankjes bij jongeren. Hopelijk kan dit onderzoek nog meer inzichten geven in de (veranderende) rol van ouders en vrienden bij de consumptie van de suikerhoudende drankjes door jongeren, en daarmee leiden tot nieuwe interventies.

Deze blog werd geschreven door Emilie van Tetering, master student Pedagogische Wetenschappen en Onderwijskunde, Radboud Universiteit.

Referenties
1. Grimm, G. C., Harnack, L., & Story, M. (2004). Factors associated with soft drink consumption in school-aged children. Journal of the American Dietetic Association, 104, 1244-9. doi:10.1016/j.jada.2004.05.206
2. Sluik, D., Engelen, A., & Feskens, E. (2013). Suikerconsumptie in Nederland. Resultaten uit de Nederlandse voedselconsumptiepeiling 2007-2010. Wageningen University and Research Centre.
3. Kenniscentrum Suiker & Voeding. Hoeveel suikers eten we gemiddeld in Nederland. Retrieved from: http://www.kenniscentrumsuiker.nl/faq/131-faq/635-hoeveel-suikers-eten-we-gemiddeld-in-nederland
4. Park, S., Blanck, H. M., Sherry, B., Brener, N., & O’Toole, T. (2012). Factors associated with sugar-sweetened beverage intake among united states school. The Journal of Nutrition, 142(2), 306-312. doi:10.3945/jn.111.148536
5. Van der Horst, K., Kremers, S., Ferreira, I., Singh, A., Oenema, A., & Brug, J. (2007). Perceived parenting style and the consumption of sugar-sweetened beverages by adolescents. Health Education Research, 22, 295-304. doi:10.1093/her/cyl080
6. De Telegraaf. (2017, 6 september). Geen suikerhoudende frisdrank meer op school. Geraadpleegd van https://www.telegraaf.nl/nieuws/333968/geen-suikerhoudende-frisdrank-meer-op-school.
7. Rtl Nieuws. (2017, 6 september). Verkoop suikerhoudende frisdrank op scholen stopt. Geraadpleegd van https://www.rtlnieuws.nl/nederland/artikel/2602386/verkoop-suikerhoudende-frisdrank-op-middelbare-scholen-stopt
8. Bouwman, C. (2017, 6 september). Ongezonde frisdranken verdwijnen van scholen. Geraadpleegd van https://www.nrc.nl/nieuws/2017/09/06/ongezonde-frisdranken-verdwijnen-van-scholen-a1572408
9. Nederlandse Vereniging Frisdranken, Waters, Sappen. (2017, 5 september). Forse aanpassingen op frisdrank assortiment op middelbare scholen. Geraadpleegd van http://www.frisdrank.nl/nieuws/forse-aanpassing-frisdrankassortiment-op-middelbare-scholen
10. Het Voedingscentrum. (2017, 6 september). Minder suiker in frisdranken op school goede stap in strijd tegen overgewicht. Geraadgpleegd van https://www.voedingscentrum.nl/nl/nieuws/geen-suikerhoudende-dranken-meer-op-middelbare-scholen.aspx.
11. Treur, J. L., Boomsma, D. I., Ligthart, L., Willemsen, G., & Vink, J. M. (2016). Heritability of high sugar consumption through drinks and the genetic correlation with substance use. The American Journal of Clinical Nutrition, 104, 1144-50.
12. Patrick, H., & Nicklas, T. A. (2005). A review of family and social determinantns of children’s eating patterns and diet quality. Journal of the American College of          Nutrition, 24, 83-92. doi:10.1080/07315724.2005.10719448
13. Van Lippevelde, W., Te Velde, S. J., Verloigne, M., De Bourdeaudhuij, I., Manios, , Bere, E., . . . Maes, L. (2013). Associations between home- and family-related factors and fruit juice and soft drink intake among 10- to 12- year old children. The ENERGY project. Appetite, 61, 59-65.doi:10.1016/j.appet.2012.10.019
14. Tibbs, T., Haire-Joshu, D., Schechtman, K.B., Brownson, R.C., Nanney, M.S., Houston, C., & Auslander, W. (2001). The relationship between parental   modeling, eating patterns, and dietary intake among African-American parents. Journal of the Academy of Nutrition and Dietetics, 101, 535-541. doi:10.1016/S0002-8223(01)00134-1

 

 

Alcohol onder de 18 jaar is verboden, maar iedereen mag alcoholvrije dranken kopen. Welk effect heeft dat op jongeren?

Alcoholgebruik wordt geaccepteerd in de Nederlandse samenleving. De meeste Nederlanders drinken wel eens alcohol. Eigenlijk is het bij jongeren niet de vraag of ze gaan drinken, maar wanneer ze beginnen met het drinken van alcohol4,9. In Schiermonnikoog heeft de enige supermarkt op het eiland de keuze gemaakt om ook geen alcoholvrije dranken meer onder de 18 jaar te verkopen. Dit omdat de Waddeneilanden het alcoholmisbruik door jongeren willen terugdringen. Op een afstandje is geen verschil te zien tussen alcoholvrij of alcoholhoudend bier, wat het handhaven ervan moeilijk maakt. Daarbij vinden zij het geen gezicht om kinderen met alcoholvrije bierflesjes te zien rondlopen. Cijfers wijzen uit dat de jeugd te veel drinkt, maar ondertussen laten we de jongeren wel legaal wennen aan het drinken van en uit een alcoholvrij bierflesje7.

Plaatje_Laura

Eén van de maatregelen die de overheid heeft ingezet om het alcoholgebruik onder jongeren uit te stellen en de consumptie van alcohol te verminderen, is de legale leeftijd om alcohol te drinken van 16 jaar naar 18 jaar te verhogen. Sinds 2014 is het strafbaar om alcoholhoudende dranken te nuttigen in het openbaar voor jongeren onder de 18 jaar. Ondanks dat de alcoholleeftijd naar 18 jaar is gegaan, is alcoholvrij bier beschikbaar gebleven voor alle leeftijden.

Volgens GGD Noord- en Oost-Gelderland lijken steeds meer ouders zich bewust te zijn geworden van de schadelijke gevolgen van alcohol voor jongeren onder de 18 jaar. Toch koopt 8% van de ouders weleens alcoholvrijbier voor hun 10-12 jarige kind5. Er bestaat empirisch bewijs voor een sterke samenhang tussen het drinkgedrag van jongeren en de normen van ouders tegenover alcoholgebruik3,8. Dus wat zegt het kopen van alcoholvrij bier door ouders voor hun kinderen, wellicht onbewust, over hun normen wat betreft alcoholgebruik?

Deskundigen van het Trimbos raden het drinken van alcoholvrij bier sterk af voor jongeren. Jongeren leren met het drinken van alcoholvrij bier de smaak van bier kennen, het gevoel van een bierflesje in de hand hebben en ze leren dat bier drinken normaal is en erbij hoort. Mogelijk is de stap naar het drinken van alcohol daardoor sneller gezet. Dit past bij de ‘cue-reactivity-theory’. Deze theorie stelt dat hoe meer men blootgesteld wordt aan gerelateerde stimuli (prikkels), dit het daadwerkelijke gebruik van middelen uitlokt. In dit geval zal dus het drinken uit een alcoholvrij bierflesje een gerelateerde prikkel kunnen zijn. Deze ‘cue’ kan er voor zorgen dat jongeren op vrij jonge leeftijd al zin krijgen in het nuttigen van alcohol1. Meerdere studies laten zien dat de toegang tot alcohol op jonge leeftijd leidt tot een hoger risico om op latere leeftijd meer te drinken2,6. Onderzoek naar de gevolgen van alcoholvrije dranken zou gepast zijn. Wellicht heeft toegang tot alcoholvrij bier dezelfde gevolgen op latere leeftijd als de toegang tot alcoholhoudend bier.

Al met al is alcoholvrij bier in principe een goed alternatief, maar dit geldt voornamelijk voor (jong)volwassenen zegt Trimbos. Natuurlijk is het gebruik van alcoholvrij bier onder jongeren nog altijd beter dan alcoholgebruik zelf. Gezien de boodschap die jongeren meekrijgen door het drinken van alcoholvrije dranken en de mogelijke gevolgen hiervan zijn, is het wellicht een goed idee om voor alcoholvrije dranken ook een minimum leeftijd in te stellen.

Deze blog werd geschreven door Laura Visser, master student Pedagogische Wetenschappen en Onderwijskunde, Radboud Universiteit.

Referenties
1. Babor, T.F., Robaina, K., Noel, J.K., & Ritson, E.B. (2017). Vulnerability to alcohol-related problems: a policy brief with implications for the regulation of alcohol marketing. Addiction, 112(1), 94-101.
2. Casswell, S., Pledger, M., & Pratap, S. (2002). Trajectories of drinking from 18 to 26 years: Identification and prediction. Addiction, 97, 1427-1437.
3. Gilligan, C., Kypri, K., & Lubman, D. (2012). Changing parental behaviour to reduce risky drinking among adolescents: Current evidence and future directions. Alcohol and Alcoholism, 47(3), 349-354.
4. Hibell, B., Guttormsson, U., Ahlström, S., Balakireva, O., Bjarnasson, T., Kokkevi, A., & Kraus, L. (2009). The 2007 ESPAD Report. Substance use among students in 35 European countries. Stockholm: The Swedish council for information on alcohol and other drugs (CAN).
5. Kindermonitor. (2017). GGD Noord- en Oost-Gelderland – Leefstijl van kinderen verbeterd! Geraadpleegd op 19 oktober 2018, van https://www.ggdnog.nl/nieuws-2/item/publiek-nieuws/leefstijl-van-kinderen-verbeterd
6. Paschall, M. J., Grube, J. W., Black, C., Flewelling, R. L., Ringwalt, C. L., & Biglan, A. (2007). Alcohol outlet characteristics and alcohol sales to youth: Results of alcohol purchase surveys in 45 Oregon communities. Prevention Science, 8(2), 153-159.
7. RTLNieuws. (2018, 14 juli). Onder de 18 een alcoholvrij biertje? Niet op Schiermonnikoog. Geraadpleegd op 19 oktober 2018, van https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/nederland/artikel/4286616/onder-de-18-een-alcoholvrij-biertje-niet-op-schiermonnikoog
8. Spijkerman, R., Van Den Eijnden, R. J. J. M., Overbeek, G. J., & Engels, R. C. M. E (2007). The impact of peer and parental norms and behaviour on adolescent drinking: The mediating role of drinker prototypes. Psychology and Health, 22, 7-29.
9. Verdurmen, J., Monshouwer, K., van Dorsselaer, S., Lokman, S., Vermeulen-Smit, E., & Vollebergh, W. (2012). Jeugd en riskant gedrag 2011. Kerngegevens uit het peilstationsonderzoek scholieren. Utrecht: Trimbos Instituut.

Sci-Fly: Hoe M&M’s je eetgedrag onthullen

Gedurende een dag maken we vele beslismomenten over eten: pak ik dat lekkere koekje? Neem ik een appel of banaan? En wat ga ik klaarmaken voor het avondeten? Het eetgedrag van mensen wordt beïnvloed door verschillende factoren in je omgeving: van de grootte van de portie die je wilt nemen tot de aanwezigheid van mensen op een bepaald moment. Eten heeft ook een sociale functie, bijvoorbeeld: even lekker bijkletsen met een vriend onder het genot van een hapje en drankje. Er is gebleken dat mensen meer eten als ze samenzijn met anderen dan wanneer ze alleen zijn. Wanneer iemand die een voorbeeld is voor een persoon (rolmodel) meer eet, zijn mensen zelf ook geneigd om meer te eten (imitatie-effect). Overmatig veel eten doen mensen in gezelschap minder snel, omdat ze een goede indruk willen maken op de ander en veel eten vaak een negatieve ondertoon heeft.

Plaatje_Eva.jpg

KERN
Het doel van deze studie was om de imitatie van eetgedrag te onderzoeken bij jonge vrouwen met een normaal gewicht. De onderzoekers wilden een testomgeving creëren die zoveel mogelijk lijkt op de normale situatie bij mensen thuis. Daarom vonden de observaties plaats in een observatiehuiskamer met een lekkere bank, tv en op tafel een schaaltje M&M’s.

ONDERZOEKSMETHODE
Proefpersonen die zich aanmeldden voor dit onderzoek werden gevraagd samen met een ander (een rolmodel die de rol van een naïeve proefpersoon speelde) tv-reclames te beoordelen. In de pauze van 15 minuten mochten de twee proefpersonen de tijd naar wens invullen. Vooraf was het rolmodel geïnstrueerd hoeveel M&M’s zij moest eten: veel (25 M&M’s), weinig (4 M&M’s) of niets. Ook het figuur van het rolmodel varieerde: er waren slanke rolmodellen en normale rolmodellen (slanke rolmodellen die een siliconen band onder het shirt kregen, zodat ze er iets voller uitzien). Tijdens deze experimentele setting werd dan geobserveerd hoeveel M&M’s de proefpersoon zou eten en of er sprake zou zijn van een imitatie-effect. Na afloop vulden beide proefpersonen een uitgebreide vragenlijst in over hoeveel honger ze op dat moment hadden, hoe lekker ze M&M’s vinden, hun huidig lijngedrag en hun beoordeling van het figuur van de ander. Ook naar het verwachtte doel werd gevraagd, want het is de bedoeling dat de proefpersonen tijdens het experiment niet het eigenlijke doel van de studie weten. De gegevens van 102 vrouwelijke studentes met een gemiddelde leeftijd van 20,5 jaar en een gemiddeld BMI van 21,50 konden worden meegenomen in de analyse.

VONDSTEN
Na analyse van de observaties is gebleken dat proefpersonen meer M&M’s eten wanneer vergezeld door een normaal gewicht proefpersoon die veel M&M’s at, dan wanneer hetzelfde rolmodel geen/weinig M&M’s at. Het imitatie-effect bleek dus significant in de normale gewichtsconditie (met extra buikband), het slanke model werd niet geïmiteerd. Het BMI en dieetintenties van de proefpersonen had hier geen effect op. Het lijkt er dus op dat gevoelens van gelijkheid imitatie-effecten zouden kunnen versterken.

DETAILS
Hermans, R., Larsen, J., & Engels, R. (2008). Zien eten doet eten: een experimentele studie naar imitatie van eetgedrag bij jonge vrouwen. Psychologie & Gezondheid, 36/04.

Deze sci-fly werd geschreven door Eva Grotentraast, master student Pedagogische Wetenschappen en Onderwijskunde, Radboud Universiteit.

 

 

 

Afvallen in je slaap?

De cijfers liegen er niet om en we ontkomen er niet meer aan. Het gemiddelde gewicht van de bevolking stijgt steeds meer. Ook onder kinderen is dit een groot probleem. Volgens het Rijkinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is overgewicht bij kinderen de laatste decennia sterk toegenomen. Op dit moment heeft bijna 14% van de kinderen in Nederland van 4 t/m 17 jaar overgewicht. In Nederland wordt er al veel aandacht aan dit onderwerp besteed. Zo is de overheid bezig met het verbeteren van het voedings- en beweegpatroon van kinderen. Sporten en bewegen wordt toegankelijker gemaakt en een koekje op het schoolplein lijkt steeds meer verleden tijd te worden. In de wetenschap lijkt er echter steeds duidelijker bewijs te zijn dat ook slaap een grote rol kan spelen bij overgewicht onder kinderen. Wat als een goed slaapritme een gedeelte van het gewichtsprobleem bij kinderen kan oplossen?

Omdat een groot percentage van kinderen met obesitas hun verhoogde gewicht meeneemt naar de volwassenheid, is het belangrijk om hier vroeg op in te spelen. 40% van de kinderen met overgewicht behouden een verhoogd gewicht tijdens hun adolescentie en 75-80% van de adolescenten met obesitas behouden deze obesitas de rest van hun leven1. De wetenschap is het erover eens dat er meerdere factoren lijken mee te spelen in de ontwikkeling van overgewicht bij kinderen. Vaak wordt er tijdens deze onderzoeken gekeken naar omgevingsfactoren van het kind, maar de laatste jaren wordt er steeds meer onderzoek gedaan naar de invloed van slaap op het gewicht van kinderen.

Plaatje_Loes

Tijdens slaap gaat het lichaam door verschillende essentiële fysiologische processen die het lichaam nodig heeft voor verschillende condities. Zo speelt slaap een grote rol in de afgifte van hormonen, metabolische veranderingen en in de levensstijl van een persoon, wat kan resulteren in obesitas2. Ook kan minder slaap er direct voor zorgen dat je overdag meer trek en honger hebt3. Er is steeds meer bewijs dat zowel de lengte van slaap als de kwaliteit van slaap invloed hebben op het gewicht van kinderen4. Er zijn verschillende meta-analyses gedaan naar de relatie tussen slaap en obesitas bij kinderen. Deze laten zien dat kinderen en adolescenten die korter slapen tot wel twee keer zo veel kans hebben om overgewicht of obesitas te krijgen vergeleken met de kinderen en adolescenten die langer slapen2,5,6. Met name jonge kinderen lijken een groter risico te lopen.

Omdat verschillende studies duidelijk bewijs laten zien voor een relatie tussen gebrek aan slaap bij kinderen en een vergrote kans op obesitas, zou het goed zijn om de kennis over slaap te verwerken in de preventie en interventie van obesitas. De meeste interventies focussen zich op dit moment voornamelijk op diëten en fysieke activiteit, maar er zijn al aanwijzingen dat het verwerken van de kennis die we hebben over slaap in interventies kan zorgen voor een afname van obesitas bij kinderen7. Hoewel de onderzoeken over de effectiviteit hiervan nog in de kinderschoenen staan, kunnen we vanavond al een begin maken. Stop je kinderen vanavond dus lekker op tijd onder de wol zodat zij een goede nachtrust hebben.

Deze blog werd geschreven door Loes de Leijer, master student Pedagogische Wetenschappen en Onderwijskunde, Radboud Universiteit.

Referenties
1. Lifshitz, F. (2008). Obesity in Children. Journal of Clinical Research in Pediatric Endocrinology, 2, 53-60.
2. Li, L., Zhang, S., Huang, Y., & Chen, K. (2017). Sleep Duration and Obesity in Children: A Systematic Review and Meta-analysis of Prospective Cohort Studies. Journal of Paediatrics and Child Health, 53, 378-385.
3. Spiegel, K., Tasali, E., Penev, P., Van Cauter, E. (2004). Brief Communication: Sleep Curtailment in Healthy Young Men is Associated with Decreased Leptin Levels, Elevated Ghrelin Levels, and increased hunger and appetite. Annals of Internal Medicine, 141, 846-850.
4. Kumar, S. (2017). Review of Childhood Obesity: from Epidemiology, Etiology, and Comorbidities to Clinical Assessment and Treatment. Mayo Clinic Proceedings, 92, 251-265.
5. Douglas, S. (2016). Relationship between Sleep and Obesity among Children in the Guelpgh Family Health Study (Master of Science Thesis, University of Guelph).
6. Fatima, Y., Doi, S. A. R. (2014). Longitudinal Impact of Sleep on Overweight and Obesity in Children and Adolescents: a Systematic Review and Bias-adjusted Meta-analysis. Obesity Reviews, 16, 137-149.
7. Dawson-McClure, S., Brotman, L. M., Theise, R., Palamar, J. J., Kamboukos, D., Barajas, G., & Calzada, E. J. (2014). Early Childhood Obesity Prevention in Low-Income, Urban Communities. Journal of Prevention and Intervention in the Community, 42, 152-166.

Sci-Fly: Zijn ouderinterventies effectief in het voorkomen en reduceren van alcoholgebruik onder jongeren?

Een systematische meta-analyse includeerde 20 gerandomiseerde onderzoeken met controle groepen (RCTs) om de effectiviteit van ouderinterventies op het alcoholgebruik van jongeren (10-18 jaar) te onderzoeken. De onderzoeken zijn opgespoord met behulp van elf elektronische databases en via kruisreferenties tot maart 2017. Ouderinterventies blijken effectief in het voorkomen en reduceren van alcoholgebruik onder jongeren. Ouderinterventies die zich richten op zowel algemene als alcoholspecifieke opvoedstrategieën behaalden betere resultaten dan ouderinterventies die zich alleen richten op alcoholspecifieke opvoedstrategieën.

KERN
– Ouderinterventies blijken effectief in het voorkomen en reduceren van alcoholgebruik onder jongeren.
– Ouderinterventies gericht op algemene én alcoholspecifieke opvoedstrategieën zijn effectiever in het voorkomen en reduceren van alcoholgebruik bij jongeren dan ouderinterventies die enkel gericht zijn op alcoholspecifieke opvoedstrategieën.
– Toekomstige RCTs dienen moderatie- en mediatie-effecten van ouderlijk gedrag te onderzoeken om zicht te krijgen in de onderliggende mechanismen van Daarnaast dienen toekomstige meta-analyses bredere inclusiecriteria te hanteren (e.g., RCTs uit Westerse én niet-Westerse landen) om uitspraken te kunnen doen of de effectiviteit van ouderinterventies verschilt op basis van geografische en economische kenmerken van de participanten. Bovendien dienen toekomstige meta-analyses de verschillen in effectiviteit tussen ouderinterventies en ouder-kind interventies te evalueren om beter zicht te krijgen in de werkzame elementen van beide interventies.

ONDERZOEKSMETHODE
– WAT? Wat is de effectiviteit van ouderinterventies om het alcoholgebruik onder jongeren (10- 18 jaar) te reduceren en verschilt de effectiviteit op basis van demografische kenmerken van de participanten (i.e., leeftijd, geslacht, etniciteit), interventiekenmerken (i.e., inhoud, delivery methode) en alcohol uitkomstmaten (i.e., frequentie alcoholgebruik; intensiteit alcoholgebruik; binge drinken, dronkenschap; alcoholintentie)?
– WIE? Gerandomiseerde onderzoeken met controlegroepen (RCTs) die de effectiviteit van ouderinterventies op het alcoholgebruik van jongeren (10-18 jaar) evalueerden.
– HOE? Systematische meta-analyse.

VONDSTEN
De overall effectgrootte van de 20 geïncludeerde ouderinterventies was g=−0.23 (p < 0.05; 95% betrouwbaarheidsinterval). Dit betekent dat ouderinterventies effectief zijn in het voorkomen en reduceren van alcoholgebruik bij jongeren. De resultaten van de moderatie analyses lieten zien dat ouderinterventies die zich alleen richten op alcoholspecifieke opvoedstrategieën minder effectief zijn dan ouderinterventies die zich richten op zowel algemene als alcoholspecifieke opvoedstrategieën (b=0.26, p< .05). Daarnaast bleek dat de effectiviteit van de ouderinterventies groter was op drinkintentie dan op binge drinken (b=−0.20, p< .05). Er werden geen significante moderatie effecten gevonden op basis van de demografische kenmerken van de participanten.

tabel

DETAILS
Boa, A., Hang Haib, A, & Jaccard, J. (2018). Parent-based interventions on adolescent alcohol use outcomes: A systematic review and meta-analysis. Drug and Alcohol Dependence, 191, 98-109.

Deze sci-fly werd geschreven door Carmen Voogt (Radboud Universiteit / Trimbos Instituut) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.