Sci-Fly

sci fly icon

 

Op deze pagina vind je korte, hapklare samenvattingen van interessant recent onderzoek naar Roken, Alcohol, Drugs en/ of Dieet. Mooie manier om up-to-date te blijven van wat er gebeurt in de literatuur!

Thuisbezorgd op het schoolplein

Steeds vaker laten jongeren ongezonde maaltijden bezorgen op middelbare scholen. Dit gebeurt vooral op scholen met een gezonde schoolkantine. Naast het feit dat het ongewenst is om ongezonde voeding op school te nuttigen, zouden bezorgers met scooters op het schoolplein voor overlast zorgen volgens de scholen. Verschillende scholen hebben het bestellen van maaltijden inmiddels verboden, maar dit zorgt weer voor andere problemen. Jongeren hebben toch de behoefte om ongezond te eten en zullen dit ergens anders gaan halen, bijvoorbeeld in de dichtstbijzijnde supermarkt.

foto_bezorger

Maar waarom hebben jongeren toch steeds die drang naar ongezonde voeding? Hoewel jongeren een positieve houding tegenover gezond eten en drinken hebben, lijken ze ook een positieve houding te hebben richting ongezonde voeding, zoals snacks, snoep, en dranken met veel suiker.1 Er bestaat vaak een discrepantie tussen de houding van jongeren en het eigen gedrag. Zo vinden de meeste jongeren het niet normaal om iedere dag frisdrank te drinken, maar doet het merendeel dit zelf (ongemerkt) wel.1 Uit onderzoek blijkt dat jongeren het vooral belangrijk vinden dat iets lekker smaakt. In een studie waarin onderzocht is of jongeren gezond eten belangrijk vinden, blijkt dat met name smaak erg belangrijk is.2 Wat ook meespeelt is dat gezondheidsproblemen wat verder van jongeren af staan, onder andere door hun leeftijd, wat het lastiger voor hen maakt om de link tussen ongezond eten en gezondheid te leggen. Gezondheid is een ver-van-hun-bedshow.2

Omdat jongeren op de middelbare school voor het eerst zelfstandig worden in wat ze eten en omdat ze vaak meer zakgeld krijgen hebben ze meer mogelijkheden om ongezonde keuzes te maken wat hun voeding betreft.3,4 Vanwege deze nieuwe autonomie kunnen jongeren zich tegen hun ouders gaan afzetten en op school juist dingen te eten die ze thuis niet mogen eten. Wanneer ouders thuis voor gezonde maaltijden zorgen hebben jongeren het gevoel dat dit hun ongezonde eetgedrag rechtvaardigt, want ze krijgen immers gezonde voeding binnen via deze maaltijden.2 Bij het kopen van voedsel tijdens schooltijden wordt vaker een meer bewuste keuze gemaakt.5 Een van de redenen hiervoor is dat dit eten met eigen geld gekocht wordt. Het is overigens niet een vaststaand gegeven dat “ongezonde” producten een beter imago hebben bij jongeren dan “gezonde” producten. Gezonde dure producten kunnen ook een goed imago hebben vanwege de hoge prijs of het luxe karakter.

Veel jongeren geven aan dat ze het lastig vinden verleidingen van ongezonde voeding te weerstaan. Er wordt aangegeven dat ouders en vrienden geen gezond voorbeeldgedrag vertonen en het kan deel uitmaken van de cultuur op school of in de vriendengroep om gezamenlijk ongezonde voeding te kopen en te consumeren.6,7 Het gebeurt ook nog wel eens dat geld bij elkaar wordt gelegd, waardoor overleg ontstaat tussen jongeren over de te kopen ongezonde producten. Bij jongeren kan dan ook meespelen dat er angst is om buiten de groep te vallen.8 Het bestellen van maaltijden kan een manier zijn om populair (proberen) te zijn. Er kan namelijk worden laten zien dat de jongere het geld heeft om onbekommerd te bestellen.  Het kan echter ook zijn dat het bestelgedrag van ongezonde maaltijden op school juist overgenomen wordt van anderen, zoals bijvoorbeeld ouders of vrienden. Veel mensen bestellen al hun benodigdheden online, naast maaltijden, ook hun boodschappen, kleding of boeken. Dit voorbeeld koopgedrag kan doorwerken naar jongeren op het schoolplein, waarbij het gemak van het online bestellen waarop staat.

Met het hedendaagse gemak om direct toe te geven aan ongezonde verleidingen via een app op je telefoon rijst de vraag of een gezonde schoolkantine dan nog wel nut heeft. Het kan natuurlijk niet voorkomen dat jongeren ongezond eten, maar het kan het zeker wel verminderen. Naast de thuisomgeving biedt een school een van de meest invloedrijke omgevingen voor jongeren en moet daarin de gezonde opties wel faciliteren.

Deze blog werd geschreven door Maaike Koning (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet. 

Referenties
1. JOGG R. Pubers willen wel gezond leven, maar doen het niet. https://jongerenopgezondgewichtnl/userfiles/Nieuws/JUST_JOGG_TeamAlertRapport_NL4_defpdf.
2. Ridder MAM, Heuvelmans M, Visscher, T, Seidell, J. , Renders, C.M. . We are healthy so we can behave unhealthily : A qualitative study of the health behaviour of Dutch lower vocational students. Health Education 2010;110:30-42.
3. Ferris KA, Babskie E, Metzger A. Associations between food-related parenting behaviors and adolescents’ engagement in unhealthy eating behaviors: The role of nutrition knowledge. Int J Aging Hum Dev. 2017;84(3):231-46.
4. Lytle LA, Seifert S, Greenstein J, McGovern P. How do children’s eating patterns and food choices change over time? Results from a cohort study. Am J Health Promot. 2000;14(4):222-8.
5. Tacken GMLW, M.A. de; Veggel, R.J.F.M. van; Sijtsema, S.J.; Ronteltap, A.; Cramer, L.; Reinders, M.J. . Voorbij het broodtrommeltje ; Hoe jongeren denken over voedsel. Den Haag : LEI, onderdeel van Wageningen UR (Rapport / LEI : Onderzoeksveld Consumenten & gedrag ) – ISBN 9789086154784 – 134. 2010.
6. Salvy SJ, de la Haye K, Bowker JC, Hermans RC. Influence of peers and friends on children’s and adolescents’ eating and activity behaviors. Physiol Behav. 2012;106(3):369-78.
7. Salvy SJ, Kluczynski MA, Nitecki LA, O’Connor BC. Peer influence on youth’s snack purchases: a laboratory analog of convenience store shopping. Eat Behav. 2012;13(3):233-9.
8. Higgs S. Social norms and their influence on eating behaviours. Appetite. 2015;86:38-44.

Weersta die verleidelijke cue: Wees actief!

Ken je dit? Je wilt graag stoppen met roken, minder alcohol drinken of minder snacken? Maar het lukt niet! Het afleren van ongezonde gewoontes is vaak lastig. Ook omdat je in het dagelijks leven vaak geconfronteerd wordt met allerlei verleidelijke ‘cues’, of omdat bepaalde gevoelens of gemoedstoestanden het verlangen naar bepaalde producten oproepen. Nu toont onderzoek aan dat sporten en beweging kan helpen bij het weerstaan van verleidelijke ‘cues’ en bij het verminderen van gevoelens van verlangen (‘craving’)1-3. Het is dus niet verwonderlijk dat sporten steeds vaker als additionele therapie in de verslavingszorg wordt ingebouwd. Echter, helaas blijkt sporten in de context van therapie geen duidelijke extra effecten te genereren op de daadwerkelijke percentages onthouding op lange termijn na therapie4-5. Hoe komt dit?

runningshoes

Een verklaring is dat mensen het sporten op lange termijn niet volhouden en terugvallen in oude patronen. Daarnaast blijkt dat slechts enkele onderzoeken in therapiecontext sporten ook daadwerkelijk inzetten om gevoelens van verlangen naar bepaalde producten of middelen te weerstaan5. In de eerdere experimentele studies met veelbelovende effecten werd het sporten of bewegen daadwerkelijk gebruikt ten tijde van gevoelens van verlangen (‘Als je een sigaret wilt opsteken, dan ga je wandelen of push-ups doen’). Gevoelens van verlangen werden de kop ingedrukt door ze systematisch te vervangen door een activiteit (sporten of beweging) en de automatische connectie tussen de cue (bijvoorbeeld de geur van een sigaret of stress) en het gedrag (bijvoorbeeld roken) werd ‘verbroken’ (of beter gezegd: vervangen door nieuwe reacties). Er is hier vermoedelijk een parallel te trekken met ‘cue-exposure therapie’, waar mensen ook wordt geleerd om niet op cues in te gaan. De inzet van actieve strategieën maakt het makkelijker om verleidelijke (rook) cues in het dagelijks leven te weerstaan6.

Naast dat een activiteit zoals sporten je direct kan helpen om verleidelijke cues te weerstaan, zijn er ook velerlei positieve psychobiologische effecten van sporten. Maar wat nu als je een hekel hebt aan sporten? Mijn hypothese is dat elke activiteit die je zélf kiest behulpzaam kan zijn om cues te weerstaan. Zo is er ook een studie waarin mensen beschreven dat bijvoorbeeld het nemen van een slokje water zeer behulpzaam was op het moment dat ze naar een sigaret verlangden7. Het belangrijkste is dat je een activiteit kiest die je zelf vol kunt houden. Ook op lastige momenten.

Deze blog werd geschreven door Junilla Larsen (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Roberts, V., Maddison, R., Simpson, C., Bullen, C., & Prapavessis, H. J. P. (2012). The acute effects of exercise on cigarette cravings, withdrawal symptoms, affect, and smoking behaviour: systematic review update and meta-analysis. Psychopharmacology, 222(1), 1-15.
2. Ledochowski, L., Ruedl, G., Taylor, A. H., & Kopp, M. J. P. O. (2015). Acute effects of brisk walking on sugary snack cravings in overweight people, affect and responses to a manipulated stress situation and to a sugary snack cue: A crossover study. PloS one, 10.
3. Taylor, A. H., Oh, H., Cullen, S. J. M. H., & Activity, P. (2013). Acute effect of exercise on alcohol urges and attentional bias towards alcohol related images in high alcohol consumers. Mental Health and Physical Activity, 6, 220-226.
4. Hallgren, M., Vancampfort, D., Giesen, E. S., Lundin, A., & Stubbs, B. J. B. J. (2017). Exercise as treatment for alcohol use disorders: systematic review and meta-analysis. British Journal of Sports Medicine, 51(14), 1058-1064.
5. Ussher, M. H., Faulkner, G. E. J., Angus, K., Hartmann‐Boyce, J., & Taylor, A. H. (2019). Exercise interventions for smoking cessation. Cochrane Database of Systematic Reviews. doi:10.1002/14651858.CD002295.pub6
6. Albarracín, D., Wilson, K., Chan, M.-p. S., Durantini, M., & Sanchez, F. J. H. p. r. (2018). Action and inaction in multi-behaviour recommendations: a meta-analysis of lifestyle interventions. Health Psychology Review, 12, 1-24.
7. Angeli, M., Hatzigeorgiadis, A., Comoutos, N., Krommidas, C., Morres, I. D., & Theodorakis, Y. J. A. b. (2018). The effects of self-regulation strategies following moderate intensity exercise on ad libitum smoking. Addictive Behaviors, 87, 109-114.

Lang leve de liefde! Jongeren, Middelengebruik en Relaties

Het is inmiddels overduidelijk dat getrouwde stellen een betere gezondheid hebben, minder alcohol en drugs gebruiken en langer leven1,2. Factoren zoals hechting uit de vroege jeugd, toewijding aan de relatie en de sensitiviteit van de partner kunnen hieraan ten grondslag liggen3. Letterlijk dus ‘Lang leve de liefde’!

Wanneer jongeren flink experimenteren met roken, alcohol en drugs tijdens de puberteit wordt door de omgeving wel eens gedacht dat dit over zal gaan als ze een vriendje of vriendinnetje zullen krijgen. Maar is dit daadwerkelijk zo? Gebruiken ook jongeren die een relatie hebben minder alcohol en drugs?

Picture-Wedding-Toast.jpg

Om deze vraag te kunnen beantwoorden zijn grootschalige studies nodig die jongeren voor een lange tijd volgen en daarbij regelmatig hun middelengebruik meten en vragen naar hun romantische relaties. Er zijn wereldwijd maar een paar studies die dit gedaan hebben. De resultaten van deze studies laten zien dat de voordelige effecten van het huwelijk op middelengebruik niet gelden voor jonge adolescenten (rond de 16 jaar). Relaties bij jonge adolescenten hangen namelijk juist samen met méér alcohol en drugs gebruik4,5. Op deze jonge leeftijd zijn er nog meer negatieve effecten van relaties gevonden; zo zijn jongeren die op deze leeftijd een relatie hebben ook vaker depressief.

Omdat deze studies de jongeren gevolgd hebben totdat ze ongeveer totdat ze ongeveer 25 jaar oud zijn, is het vooral interessant te zien hoe de samenhang tussen alcohol en drugs gebruik en romantische relaties verandert tijdens de ontwikkeling. Zo is gevonden dat meer alcohol gebruik rond de 16 jaar de kans vergroot dat je tijdens de vroege volwassenheid een langdurige relatie (of meerdere langdurige relaties) hebt. En beide studies laten vervolgens zien dat er tijdens de jongvolwassenheid een omslagpunt zit. Stabiele relaties tijdens de jongvolwassenheid zijn namelijk juist voorspellend voor een afname in alcohol en drugs gebruik. Deze resultaten laten zien dat het belangrijk is alcoholgebruik onder jongeren ook te bekijken in de context van normatieve ontwikkeling en te realiseren dat alcoholgebruik, ondanks de overduidelijke negatieve gezondheidseffecten, ook bij kan dragen aan positieve ontwikkelingsuitkomsten op latere leeftijd, zoals het hebben van een stabiele relatie.

Als we al deze resultaten willen verklaren is het belangrijk dit vanuit een ontwikkelingsperspectief te doen. In één van de studies4 is bewijs gevonden dat het belangrijk is dat het krijgen van de relatie op het juiste moment in de ontwikkeling komt. Als dit te vroeg komt, kan de relatie andere ontwikkelingsgebieden belemmeren en op die manier bijdragen aan een toename in middelgebruik en ander risicogedrag. Wanneer stabiele relaties later tijdens de ontwikkeling komen en dit beter past bij de ontwikkeling kan het juist zorgen voor positieve gezondheidsuitkomsten, zoals minder middelengebruik. Het is hierbij erg belangrijk niet naar de exacte leeftijd te kijken maar naar het individuele ontwikkelingspad. Sommige jongeren zijn op eerdere leeftijd klaar voor een langdurige relatie dan anderen.

Kortom, lang leven de liefde dus, maar dan alleen wanneer je klaar bent voor toegewijde liefde!

Deze blog werd geschreven door Maartje Luijten (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Robles, T. F., Slatcher, R. B., Trombello, J. M., & McGinn, M. M. (2014). Marital quality and health: A meta-analytic review. Psychological bulletin140(1), 140.
2. Staff, J., Schulenberg, J. E., Maslowsky, J., Bachman, J. G., O’Malley, P. M., Maggs, J. L., & Johnston, L. D. (2010). Substance use changes and social role transitions: Proximal developmental effects on ongoing trajectories from late adolescence through early adulthood. Development and psychopathology22(4), 917-932.
3. Slatcher, R. B., & Selcuk, E. (2017). A social psychological perspective on the links between close relationships and health. Current directions in psychological science26(1), 16-21.
4. Furman, W., & Collibee, C. (2014). A matter of timing: Developmental theories of romantic involvement and psychosocial adjustment. Development and Psychopathology26(4pt1), 1149-1160.
5. Rauer, A. J., Pettit, G. S., Samek, D. R., Lansford, J. E., Dodge, K. A., & Bates, J. E. (2016). Romantic relationships and alcohol use: A long-term, developmental perspective. Development and psychopathology28(3), 773-789.

Alcoholgebruik onder de 18: ‘ouders doen niet wat ze kunnen’

Dat jongeren onder de 18 niet mogen drinken is algemeen bekend. Toch geeft 25% van de jongeren tussen de 12 en 16 jaar aan in de afgelopen 4 weken gedronken te hebben1. Als het gaat om alcoholpreventie is er dus nog een hoop werk aan de winkel. In preventiebeleid spelen ouders vaak een belangrijke rol. ‘Is dit wel terecht?’, kunt u zich afvragen. Het antwoord is ‘ja’, want uit onderzoek blijkt dat ouders een aanzienlijke invloed hebben op het al dan niet gebruiken van alcohol door hun minderjarige kinderen2.

Foto_Lieke

Een aantal weken geleden nam ik deel aan een bijeenkomst die was bedoeld om een eerste stap te zetten in de richting van een nieuw preventiebeleid rondom alcohol in mijn gemeente. Ik, uitgenodigd vanwege mijn taken als vrijwilliger bij een jongerenstichting die feestjes organiseert, kon het echter niet laten deze bijeenkomst te beschouwen vanuit mijn oogpunt als toekomstig orthopedagoog. Gestart werd met het bespreken van de knelpunten die de aanwezigen rondom het onderwerp ervaarden. Menigeen wees met de vinger naar de rol van ouders: “ouders doen niet wat ze kunnen”. Maar doet deze stelling er wel toe en hebben ouders daadwerkelijk invloed op het alcoholgebruik van hun kinderen?

De invloed van ouders is groot, zo blijkt uit wetenschappelijk onderzoek. Of jongeren op jonge leeftijd (tussen de 13 en 15 jaar) beginnen met drinken heeft voor ruim 20% te maken met de erfelijke aanleg en meer dan 50% met de gezinsomgeving3.  Hoewel ouders erfelijke aanleg doorgeven en hier niets aan kunnen veranderen, spelen zij weldegelijk een rol in de gezinsomgeving. Naast de invloed op het beginnen met drinken, hebben ouders ook invloed op hoe vaak er wordt gedronken en of er buitensporig wordt gedronken3. De mate van de invloed van ouders blijft bij jongeren tussen de 12 en 18 jaar ongeveer gelijk4.

Welk gedrag van ouders heeft er dan precies invloed? Ten eerste, het eigen alcoholgebruik. Wanneer ouders zelf drinken en/of alcohol in huis hebben, vergroot dit het risico op alcoholmisbruik door hun kinderen5. Ten tweede, de communicatie van ouders naar hun kind toe. Jongeren drinken minder als ouders hen wijzen op de negatieve gevolgen van alcohol6. Echter, wanneer ouders toegeeflijk zijn of een goedkeurende houding uitstralen als het gaat om alcoholgebruik, drinken jongeren meer5,6.

Naast het eigen alcoholgebruik van ouders en de communicatie over alcohol, heeft ook de algemene opvoeding invloed op het alcoholgebruik van kinderen. Een zogeheten warme opvoeding, een hechte en liefdevolle ouder-kind relatie, kan problemen met alcohol voorkomen7. Daarnaast werkt een gezonde mate van monitoring preventief ten aanzien van alcoholmisbruik, ouders weten in dit geval wat hun kind waar doet en met wie5.

Concluderend, blijkt dat ouders een grote invloed hebben op het gedrag van hun minderjarige kinderen als het gaat om alcoholgebruik. Preventiebeleid met betrekking tot deze jongeren richt zich dan ook niet voor niets op de ouders. Of het nu gaat om beginnen met drinken, hoe vaak er wordt gedronken of buitensporig drinken, ouders hoeven niet doelloos toe te kijken.

Deze blog werd geschreven door Lieke Overvelde voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag, master PWO, 2019.

Referenties
1. RIVM. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (2017). Alcoholgebruik scholieren naar geslacht. Verkregen van https://www.volksgezondheidenzorg.info/onderwerp/alcoholgebruik/cijfers-context/huidige-situatie#node-alcoholgebruik-scholieren-naar-leeftijd
2. Donaldson, C. D., Handren, L. M., & Crano, W. D. (2016). The enduring impact of parents’ monitoring, warmth, expectancies, and alcohol use on their children’s future binge drinking and arrests: A longitudinal analysis. Prevention science, 17(5), 606-614. doi:10.1007/s11121-016-0656-1
3. Vink, J. M. (2016). Zit middelengebruik en verslavingsgedrag in de familie? Over erfelijkheid en de zoektocht naar genen. Verslaving12(4), 243-255. doi:10.1007/s12501-016-0089-3
4. Schuler, M. S., Tucker, J. S., Pedersen, E. R., & D’Amico, E. J. (2019). Relative influence of perceived peer and family substance use on adolescent alcohol, cigarette, and marijuana use across middle and high school. Addictive Behaviors88, 99-105. doi:10.1016/j.addbeh.2018.08.025
5. Yap, M. B., Cheong, T. W., Zaravinos‐Tsakos, F., Lubman, D. I., & Jorm, A. F. (2017). Modifiable parenting factors associated with adolescent alcohol misuse: a systematic review and meta‐analysis of longitudinal studies. Addiction112(7), 1142-1162. doi:10.1111/add.13785
6. Kam, J. A., Basinger, E. D., & Abendschein, B. (2017). Do adolescent perceptions of parents’ alcohol consumption undermine or enhance what parents say about alcohol? The interaction between verbal and nonverbal messages. Communication Research44(3), 319-347. doi:10.1177/0093650214565922
7. Mak, H. W., & Iacovou, M. (2019). Dimensions of the Parent–Child Relationship: Effects on Substance Use in Adolescence and Adulthood. Substance Use & Misuse54(5), 724-736. doi:10.1080/10826084.2018.1536718

‘Even een ballonnetje doen…’: maar is dit wel zo onschuldig als het klinkt?

Na een festival of een avondje uit zie ik de straten tegenwoordig vol liggen met metalen patronen en felgekleurde ballonnen. Het zijn de restanten van lachgasgebruik; iets dat de laatste jaren – met name onder jongeren en jongvolwassenen – explosief lijkt te zijn toegenomen1. Lachgas innemen om een roes te ervaren, stamt al uit de partyscene van de jaren negentig. Het verschil met toen is dat het tegenwoordig echter ook op grote schaal buiten het uitgaansleven plaatsvindt, veelal onder jongeren2. Naast dat het overmatige lachgasgebruik leidt tot overlast en vervuiling, maken zorgprofessionals zich grote zorgen over de gevolgen van het gas voor de gezondheid.

Foto_Inge

Het gebruik
Lachgas is een bijnaam voor het kleurloze, zoetgeurende gas distikstofoxide (N2O). Het wordt al geruime tijd gebruikt in de geneeskunde als kortwerkend narcose- of pijnstillingsmiddel en wordt daarnaast industrieel ingezet; o.a. als drijfgas voor slagroomspuiten3. In het geval van recreatief gebruik, wordt lachgas veelal met behulp van zo’n spuit in een ballon opgevangen en wordt het vervolgens door de gebruiker uit de ballon geïnhaleerd. Het inademen van het gas zorgt voor een kortdurende bewustzijnsdaling en een gevoel dat vergelijkbaar is met dronkenschap. Het kan bovendien leiden tot een lachkick, vandaar de (bij)naam4. Lachgas is doorgaans afkomstig uit slagroompatronen, die gemakkelijk te verkrijgen zijn. Sinds 2016 valt de verkoop van het gas immers onder de Warenwet en hierdoor mag het vrij verhandeld worden3.

De risico’s
Er heerst nog veel onduidelijkheid over de precieze effecten van recreatief gebruik van lachgas en in welke mate het gevaarlijk is voor de gezondheid van gebruikers. Het is namelijk nog maar in beperkte mate onderzocht, waardoor er momenteel (nog) weinig sterk bewijs is. Door het overgrote deel van de gebruikers wordt lachgas gezien als een risicoloos middel en bovendien wordt het niet als een ‘echte’ drug beschouwd3. Uit het beperkte onderzoek dat is gedaan blijkt dat lachgas wel degelijk nadelige effecten heeft. Zo kan het bijvoorbeeld leiden tot hoofdpijn, verminderd zicht en concentratievermogen, duizeligheid, vermoeidheid en/of tintelingen in de ledematen. Deze klachten zijn vermoedelijk het gevolg van een tijdelijk gebrek aan zuurstof in de hersenen na het inhaleren van het gas1, 3-5. Daarnaast is in meerdere onderzoeken een verband gevonden tussen overmatig, aanhoudend lachgasgebruik en een tekort aan vitamine B-12. Deze vitamine is essentieel voor een goede werking van ons zenuwstelsel en immuunsysteem en kan dan ook nare, chronische klachten en/of stoornissen tot gevolg hebben1, 4-7. Verder zijn er aanwijzingen dat lachgas een negatieve invloed kan hebben op het ontwikkelend brein en de rijping van het zenuwstelsel. Om die reden wordt het gebruik van lachgas voor jongeren en zwangere vrouwen in elk geval sterk afgeraden1, 2, 6.

Wat nu?
Het is om te beginnen van belang dat je beseft dat lachgas in principe niet bedoeld is voor consumptie; het is daarom ook het beste om het niet te gebruiken. Wil je dit toch, houdt de risico’s dan in je achterhoofd en gebruik het in beperkte mate: de meeste mensen nemen één ballon met lachgas, dus één patroon5, 6. Inhaleer het gas daarnaast uit een ballon en niet direct uit de spuit of het patroon; dit is om bevriezing van de lippen en/of longen te voorkomen. Combineer het lachgas ook niet met andere verdovende middelen en wees je ervan bewust dat het tijdens of na het gebruik niet verstandig is om aan het verkeer deel te nemen. Ondanks dat de roes snel weer verdwijnt, blijven de effecten van het gas immers nog uren na-ijlen.

Deze blog werd geschreven door Inge Tankink, voor de cursus: Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag, master PWO, 2019.

Referenties
1. Van Goor, M., Nabben, T., Van Laar, M., & Van der Pol, P. (2018). Factsheet Lachgas. Utrecht: Trimbos-Instituut.
2. Nabben, T., Van der Pol, P., & Korf, D.J. (2017). Roes met een luchtje. Gebruik, gebruikers en markt van lachgas. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
3. Luijk, S. J., & Nijkamp, L. M. (2019). Recreatief lachgasgebruik en gezondheidsrisico’s. JGZ Tijdschrift voor Jeugdgezondheidszorg, 51(1), 2-7.
4. Niesink, R. (2014). Lachgas (distikstofoxide): farmacologische en toxicologische aspecten. Verslaving, 10(4), 62-72.
5. Kaar, S. J., Ferris, J., Waldron, J., Devaney, M., Ramsey, J., & Winstock, A. R. (2016). Up: The rise of nitrous oxide abuse. An international survey of contemporary nitrous oxide use. Journal of Psychopharmacology, 30(4), 395-401.
6. https://www.gezondheidenco.nl/lachgas-experimenteren-met-ballonnetjes/
7.  RIVM (2016). Beoordeling gezondheidsrisico’s lachgas (N2O). Bilthoven: RIVM (NL).
8. Lan, S. Y., Kuo, C. Y., Chou, C. C., Kong, S. S., Hung, P. C., Tsai, H. Y., … & PCHAN Study Group. (2019). Recreational nitrous oxide abuse related subacute combined degeneration of the spinal cord in adolescents–A case series and literature review. Brain and Development, 41(5), 428-435.

 

Dronken in de derde helft

Biertjes na de wedstrijd om de overwinning te vieren of om het verlies te verdrinken. Wat doet alcohol met je lichaam na een sportieve inspanning? En hoe hangt alcoholconsumptie samen met ons beweeggedrag?

Alcohol vertraagt het herstel van je spieren na een wedstrijd of een training. Tijdens het sporten raakt je vochtbalans verstoord door zweten, neemt je energievoorraad af doordat je spieren energie verbranden en ontstaan er kleine scheurtjes in je spiervezels wat we voelen als spierpijn1. Naast rust is voeding belangrijk voor een optimaal herstel na een sportieve inspanning. Hoeveel en wat je precies moet eten en drinken hangt af van de sport die je beoefent en hoelang de inspanning duurt. Helaas is gezonde voeding na de wedstrijd vaak van lagere prioriteit dan een biertje drinken met je teamgenoten.

Drinken in de derde helft_nov19

Als we kijken naar de manier waarop onze gedragingen met elkaar samenhangen, dan is de combinatie tussen alcoholconsumptie en sporten opmerkelijk. Doorgaans zien we dat een gezonde gedraging (wandelen) sterk samenhangt met andere gezonde gedragingen (groente- en fruitconsumptie). Ook ongezonde gedragingen (tv-kijken en vet eten) hangen sterk met elkaar samen2. Bij de combinatie alcohol en sport gaat deze clustering van gedrag niet op. Een ongezonde gedraging (alcoholconsumptie) hangt samen met een gezonde gedraging (bewegen). Een tijd lang werd gedacht dat mensen met een gemiddelde alcoholconsumptie (4 tot 14 glazen per week) gezonder waren dan hun niet-drinkende leeftijdsgenoten, doordat hun sterftecijfer lager was3. Later bleek dat deze relatie verklaard werd doordat gemiddelde drinkers actiever zijn en gezonder eten dan niet-drinkers.

De opmerkelijke samenhang tussen sport en alcoholconsumptie wordt volgens onderzoekers ondersteund door de overtuiging dat hard werken beloond mag worden en dat overwinningen gevierd moeten worden3. Trouwe supporters sluiten graag aan bij het vieren van een overwinning, zij beginnen vaak al voor de derde helft met hun eerste alcoholische versnaperingen. Klinkt als een gezellige bedoening, maar soms wordt vergeten dat men nog met de auto terug naar huis moet… Alcoholconsumptie op de sportclub kan dan ook leiden tot gevaarlijke situaties in het verkeer. Het terugdringen of de preventie van alcoholgebruik op sportlocaties is slechts onderwerp van een handjevol wetenschappelijke studies4,5. Aanbevelingen vanuit deze studies zijn: ontwikkel, evalueer en handhaaf alcoholbeleid op de sportclub, biedt alternatieven, zowel voor het drinken van alcohol als voor inkomsten voor de clubkas en neem de tijd voor de invoering van alcoholpreventie.

Vorig jaar is alcoholpreventie op sportlocaties opgenomen in het Nationaal Preventieakkoord, onder het thema ‘gezonde sportomgeving’6. Deelnemende partijen spreken hierin de ambitie uit dat in 2040 minimaal 80% van de sportverenigingen met een eigen accommodatie een gezonde sportomgeving bieden. Sportkantines worden de komende jaren gestimuleerd om expliciet alcoholbeleid te formuleren. Zo is het niet langer de bedoeling dat amateursportclubs contracten afsluiten met drankfabrikanten voor alcoholreclame langs de lijn en betekent dit het einde van de happy hours en meters bier in de kantine. Misschien moeten we alvast gaan nadenken over hoe we over een paar jaar onze sportieve overwinningen op een andere manier kunnen gaan vieren…

Deze blog werd geschreven door Pauline Geuijen (Radboudumc) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Barnes, J. (2014) Alcohol: impact on sports performance and recovery in male athletes. Sports medicine, 44(7):909-19. doi: 10.1007/s40279-014-0192-8.
2. Niedermeier, M., Frühaf, A., Kopp-Wilfing, P., Rumpold, G., & Kopp, M. (2018). Alcohol consumption and physical activity in Austrian college students – a cross-sectional study. Substance use & misuse, 53(10):1581-90. doi: 10.1080/10826084.2017.1416406.
3. Leasure, J., Neighbors, C., Henderson, C., & Young, C. (2015) Exercise and alcohol consumption: what we know, what we need to know, and why it is important. Frontiers in Psychiatry 6:156. doi: 10.3389/fpsyt.2015.00156.
4. Kingsland, M., Wiggers, J., Vashum, K., Hodder, R., & Wolfenden, L. (2016). Interventions in sports settings to reduce risky alcohol consumption and alcohol-related harm: a systematic review. Systematic Reviews, 5:12. doi: 10.1186/s13643-016-0183-y.
5. Kolar, C., von Treuer, K. (2015). Alcohol misuse interventions in the workplace: a systematic review of workplace and sports management alcohol interventions. International Journal of Mental Health and Addiction 13(5). doi: 10.1007/s11469-015-9558-x
6. Rijksoverheid (2018) Maatregelen in het Nationaal Preventieakkoord. Geraadpleegd van https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/gezondheid-en-preventie/nationaal-preventieakkoord

Hoe zorg je dat jouw kind vrijwillig gezond voedsel opschept?

Op 7 augustus 2019 lanceerde de Rabobank in samenwerking met Kelvin Boerma (bekend als Kalvijn) het YouTube-kanaal Opscheppers en op 22 september 2019 werd de eerste video geüpload2. Het doel van het kanaal is om kinderen kennis bij te brengen over voedselproductie en hen bewust te maken van gezonde opties1. Dat is hard nodig, want 13,5% van de Nederlandse kinderen tussen de 4 en 20 jaar heeft overgewicht 3. Het hebben van overgewicht heeft negatieve consequenties. Zo hebben kinderen met overgewicht een vergroot risico op het ontwikkelen van diabetes type 24, ofwel suikerziekte. Later in het leven is er onder andere een verhoogd risico op hart- en vaatziekten4. Het is dus tijd dat kinderen aan de slag gaan met gezond voedsel.

Foto_AnneFrance

Wat is jouw lievelingseten? Het is een vraag die vaak voorkomt in vriendenboekjes, of die aan kinderen gesteld wordt met hun verjaardag, als zij mogen kiezen wat er die avond gegeten wordt. Is het antwoord dat bij jouw kind opkomt een gezonde optie? Van veel kinderen is het lievelingseten één van de drie P’s, namelijk pizza, patat of pannenkoeken1.

Als het lievelingseten van jouw kind één van de drie P’s is, is dat natuurlijk nog geen probleem. Het eten van ongezond voedsel is nu eenmaal aantrekkelijker dan het eten van gezond voedsel. Dit komt doordat mensen een voorkeur hebben voor voedsel dat zout of zoet van smaak is5. Vooral in het geval van zoet voedsel, neemt het vetpercentage toe als de zoetigheid toeneemt5. Qua smaak heeft zoet of vet voedsel dus de voorkeur, maar het is een stuk ongezonder’.

Het eten van gezonde maaltijden zorgt ervoor dat je kind de benodigde voedingsstoffen binnenkrijgt. Maar hoe zorg jij dat jouw kind zich interesseert voor een gezond eetpatroon, zodat het hier ook zelf voor gaat kiezen? Als ouder heb je een voorbeeldfunctie wat betreft het eetpatroon van je kind. Zo zorgt de aanwezigheid van groente en fruit in huis voor een positief effect, omdat het kinderen aanmoedigt te kiezen voor een gezond tussendoortje6. Daarbij zorgt de steun die kinderen ervaren van hun ouders voor extra motivatie om groente en fruit te eten6. Naast dat het belangrijk is om gezond eten in huis te hebben, is het van invloed op kinderen of ouders het eten zelf ook nuttigen. Zien eten doet eten, is hier dan ook van toepassing. Als ouders zelf meer groente en fruit eten, gaan hun kinderen dit ook doen7. Van het omgekeerde effect is ook sprake, dat wil zeggen dat het minder eten of drinken van ongezond voedsel door ouders leidt tot een afname van de consumptie van het ongezonde voedsel bij hun kinderen7. Een ander positief effect is het samen maken van beslissingen omtrent eten, in plaats van keuzes opleggen via ouderlijke controle7. Een voorbeeld hiervan is om samen het lunchpakket van je kind te bepalen. En wil je toch een keer vrije tijd van je voorbeeldfunctie, maar wel je kind leren de gezonde keuze te maken? Dan is er altijd nog Opscheppers2, om je een handje te helpen.

Deze blog werd geschreven door Anne-France de Ronde voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag, master PWO, 2019.

Referenties

  1. Banken.nl. (20 september 2019). Rabobank motiveert kinderen gezonder te eten via nieuw kanaal op YouTube. Geraadpleegd van https://www.banken.nl/nieuws/21905/rabobank-motiveert-kinderen-gezonder-te-eten-via-nieuw-kanaal-op-youtube.
  2. YouTube-kanaal Opscheppers. Geraadpleegd van https://www.youtube.com/channel/UCOAhwYWknhHNBk8AxdlztsA.
  3. Rijksoverheid. (23 november 2018). Nationaal Preventieakkoord. Geraadpleegd van https://www.rijksoverheid.nl/documenten/convenanten/2018/11/23/nationaal-preventieakkoord.
  4. Chu, D. T., Nguyet, N. T. M., Dinh, T. C., Lien, N. V. T., Nguyen, K. H., Ngoc, V. T. N., … & Tran, Q. H. (2018). An update on physical health and economic consequences of overweight and obesity. Diabetes & Metabolic Syndrome: Clinical Research & Reviews, 12(6), 1095-1100.
  5. Bolhuis, D. P., Costanzo, A., & Keast, R. S. (2018). Preference and perception of fat in salty and sweet foods. Food Quality and Freference, 64, 131-137.
  6. Young, E. M., Fors, S. W., & Hayes, D. M. (2004). Associations between perceived parent behaviors and middle school student fruit and vegetable consumption. Journal of Nutrition Education and Behavior, 36(1), 2-12.
  7. Ma, Z., & Hample, D. (2018). Modeling Parental Influence on Teenagers’ Food Consumption: An Analysis Using the Family Life, Activity, Sun, Health, and Eating (FLASHE) Survey. Journal of Nutrition Education and Behavior, 50(10), 1005-1014.

Onderzoek in de school

Een aanzienlijk deel van het onderzoek naar middelengebruik en eetgedrag richt zich op jongeren. En dat is niet geheel toevallig. Uit onderzoek blijkt immers dat jongeren meer risicogedrag vertonen dan jongere kinderen en volwassenen. Zo wordt bijvoorbeeld het eerste glas alcohol in de meeste gevallen tijdens de adolescentie gedronken, en ook de eerste sigaret wordt vaak opgestoken in deze fase van het leven. Daarnaast gaan jongeren in deze ontwikkelingsfase steeds meer experimenteren met het eten van suiker- en/of vetrijke voeding, zoals de welbekende energiedrankjes en frikandelbroodjes.

Een groot aantal wetenschappelijke studies heeft al verschillende factoren geïdentificeerd die van invloed kunnen zijn op het middelengebruik en het eetgedrag van jongeren. Zo blijkt bijvoorbeeld de mate waarin jongeren hun impulsen kunnen onderdrukken en de mate waarin zij op zoek zijn naar spanning en sensatie in hun omgeving gerelateerd te zijn aan de mate waarin zij dergelijk risicovol gedrag laten zien. In de laatste jaren richt onderzoek zich echter steeds vaker niet enkel op deze individuele factoren van jongeren zelf, maar ook op de invloed van de omgeving waarin jongeren zich bevinden.

Eén van de belangrijkste omgevingen van jongeren is de schoolomgeving, een omgeving waar jongeren zich 5 dagen per week bevinden. Tijdens de lessen en de pauzes, maar ook buiten schooltijd om, brengen jongeren hier een steeds groter deel van hun tijd door met klasgenoten. Aangezien het voor jongeren erg belangrijk is om vriendschappen te sluiten, en om “erbij” te horen en geaccepteerd te worden door leeftijdgenoten, richt steeds meer onderzoek zich op de invloed van klasgenoten op het gedrag van jongeren. Bij dit type onderzoek ligt de focus zeker niet altijd enkel op de academische prestaties van jongeren, maar ook steeds vaker op middelengebruik van jongeren. Zo lijkt bijvoorbeeld het alcoholgebruik en het rookgedrag van jongeren samen te hangen met dat van hun van hun vrienden op school.

foto_scholen_netwerk.jpg

Om te onderzoeken of schoolvrienden ook het eetgedrag van jongeren beïnvloeden, hebben onderzoekers van het Behavioural Science Institute (BSI) van de Radboud Universiteit het “G(V)OED voor elkaar!” onderzoek opgezet. Middels vragenlijsten wordt bij jongeren op school nagevraagd hoe frequent ze bepaalde gezonde en ongezonde producten consumeren. Ook wordt nagegaan wie hun (beste) vrienden zijn in de klas. Zo kan onderzocht worden of het eetgedrag van jongeren en dat van hun (beste) vrienden gerelateerd zijn aan elkaar. Daarnaast wordt onderzocht of bepaalde typen jongeren meer ontvankelijk zijn voor de invloed van vrienden. Zo kan gedacht worden aan jongeren die een lager welbevinden ervaren of jongeren met ouders die minder regels hebben over het eetgedrag van hun kinderen. Voor dit onderzoek volgen we ongeveer 700 jongeren en hun ouders over de eerste jaren van de middelbare school, om ook eventuele veranderingen over de tijd in kaart te kunnen brengen. In het voorjaar van 2020 staat de vierde en laatste meetronde van dit onderzoek op de planning.

Naast dit type onderzoek naar middelengebruik en eetgedrag, wordt er binnen het BSI nog veel meer onderzoek gedaan naar gedrag binnen de schoolcontext. Zo wordt er onderzoek gedaan naar onder andere pestgedrag, de ontwikkeling van taalvaardigheden, de inclusie van leerlingen met beperkingen, en sombere en angstige gevoelens die jongeren kunnen ervaren. Aangezien dit onderzoek van grote relevantie kan zijn voor de praktijk en we graag onze samenwerking met scholen verduurzamen, presenteren we als BSI zijnde graag de “BSI Scholen Netwerk Middag” op 31 januari 2020. Een netwerkdag voor, door en samen met scholen rondom gedragsonderzoek bij kinderen en jongeren tot en met 18 jaar, waarop praktijkpartners worden uitgenodigd om een kijkje te nemen in de keuken van ons onderzoek. In verschillende interactieve informatiesessies komen diverse onderzoeksonderwerpen aan bod. Wilt u graag meer informatie over deze middag of wilt u zich graag aanmelden? Dan kunt u terecht op deze website. Wellicht tot dan!

Deze blog werd geschreven door Nina van den Broek (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Alcoholvrije alternatieven opstapje naar ‘het echte werk’?

De opkomst van alcoholvrij bier en andere dranken die lijken op alcohol  is een grote trend in Nederland. Dit blijkt uit de komst van verschillende alcoholvrije bieren, radlers, ciders, wijnen en zelfs gin (vanaf hier: alcoholvrije alternatieven). De toename in consumptie van alcoholvrije alternatieven is eenvoudig te verklaren door de voordelen die hieraan hangen: na consumptie mag iemand nog steeds een auto besturen, alcoholvrije alternatieven kunnen gedronken worden door zwangere vrouwen en zijn over het algemeen gezonder, ondanks dat ze in toenemende mate lijken op (en smaken als) de alcoholische tegenhangers.

Naast de voordelen van de groeiende alcoholvrije markt, is het voor jongeren echter nog onbekend in hoeverre alcoholvrije alternatieven invloed hebben op alcoholgebruik. Een mogelijk gevolg van het drinken van alcoholvrije alternatieven is namelijk dat de opstap naar alcoholhoudende dranken kleiner wordt. Hier is nog weinig onderzoek naar gedaan, maar een studie vindt zijn oorsprong in Japan. Net als in Nederland zijn er in Japan geen regulaties van de consumptie van alcoholvrije alternatieven onder jongeren.

KERN
In deze studie werd onderzocht of jongeren meer alcohol gaan drinken als ze al ervaring hebben met alcoholvrije alternatieven. Ondanks dat dit paper enkele jaren oud is (2016) en de gegevens uit Japan komen, is dit één van de weinige onderzoeken die zich richt op de gevolgen van de opkomst van alcoholvrije alternatieven.

bike beer

 
METHODE
Voor deze studie vulden in totaal 100,050 jongeren tussen 12 en 18 jaar uit Japan (waarvan 51,587 jongens) eenmalig een vragenlijst in. Hierin werd gevraagd naar de consumptie van zowel alcoholhoudende dranken als alcoholvrije alternatieven. Als jongeren aangaven dat ze beide ‘soorten’ dranken al eens geconsumeerd hadden, werd er gevraagd naar de volgorde van consumptie (eerst alcoholvrij en dan alcoholhoudend of andersom).

VONDSTEN

  • De consumptie van alcoholvrije alternatieven bereikte een piek rond 15 jaar oud. Daarbij werd gevonden dat meisjes gemiddeld meer alcoholvrije alternatieven dronken dan jongens. Dit heeft mogelijk te maken met de Japanse cultuur (vaker intolerant ten opzichte van alcoholgebruik onder vrouwen) en marketing (advertenties zijn vaker gericht op uiterlijk en gezondheid).
  • Er werd gevonden dat de consumptie van alcoholvrije alternatieven geassocieerd was met de consumptie van alcoholhoudende dranken.
  • De volgorde van alcoholvrije alternatieven en alcoholische dranken werd vastgesteld. Het bleek dat voor alcoholgebruik vaker voorafging aan het consumeren van alcoholvrije alternatieven. Dit suggereert dat alcoholvrije alternatieven geen trigger zijn voor het drinken van alcoholische drankjes. Daarnaast bleek dat dit niet verschilde voor jongens en meisjes.
  • De proportie jongeren die alcoholvrije alternatieven eerder dronk was groter onder jongere studenten. De onderzoekers merken op dat het mogelijk is dat alcoholvrije alternatieven een ‘gateway’ zijn naar alcoholhoudende dranken.

De studie heeft verschillende beperkingen. Een belangrijk punt is dat deze studie specifiek is voor de Japanse cultuur: een land waar alcoholvrije alternatieven veel geconsumeerd worden en makkelijk te verkrijgen zijn.

Het stijgend aandeel van alcoholvrije alternatieven is ook in Nederland zichtbaar en maakt een studie als deze een belangrijk startpunt voor onderzoek in onze cultuur. Gebaseerd op deze studie zou het interessant zijn om bepalen of jongeren in Nederland een verhoogd risico lopen om eerder te beginnen met alcohol of om meer te gaan drinken, wanneer ze al op jongere leeftijd in aanraking zijn gekomen met alcoholvrije alternatieven.

DETAILS
Kinjo, A., Imamoto, A., Ikeda, M., Itani, O., Ohida, T., Kaneita, Y., … & Osaki, Y. (2016). The Association Between Alcohol-Flavoured Non-Alcoholic Beverages and Alcohol Use in Japanese Adolescents. Alcohol and Alcoholism52(3), 351-357.

Deze sci-fly werd geschreven door Koen Smit (Trimbos Instituut/ Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Ouderlijk welzijn in de opvoeding van jonge kinderen: A “two-way street” met implicaties voor gezondheidsinterventies

Vraag een ouder wat hem of haar het meest gelukkig maakt en het antwoord luidt: “Mijn kind(eren)!”. Er zijn inderdaad studies die aantonen dat ouders hogere welzijnscijfers rapporteren tijdens activiteiten met hun kind dan zonder hun kind.Echter, wanneer je de geluksniveaus van ouders met kinderen vergelijkt met die van hun kinderloze leeftijdgenoten, wordt een schril contrast zichtbaar. Ouders van kinderen, met name die van jonge kinderen, zijn over het algemeen minder gelukkig en ervaren vaker gevoelens van depressie en angst.Het krijgen en opvoeden van kinderen lijkt dus het welzijn van ouders te bepalen.

RADblog_Levie_Sept2019_foto

Omgekeerd bepaalt ouderlijk welzijn ook de opvoedingen dit heeft weer gevolgen voor de ontwikkeling en het welzijn van kinderen.Eerder onderzoek op het gebied van eetgedrag heeft aangetoond dat ouders met verminderd welzijn vaker specifieke opvoedtechnieken gebruiken die gerelateerd zijn aan overgewicht bij kinderen. Zo dwongen ouders met depressieve gevoelens hun kinderen vaker om hun eten op te eten, stond de tv in deze gezinnen tijdens het eten vaker aan, en aten kinderen van depressieve ouders minder vaak met het gezin aan tafel.Daarnaast gaven moeders met symptomen van depressie, angst of stress hun kind vaker eten als troost (emotioneel voeden) of beloning (instrumenteel voeden)en hadden gestreste moeders vaker kinderen die minder bewogen en meer stilzaten.7

Waarom passen ouders met verminderd welzijn vaker ongewenste opvoedtechnieken toe? Een mogelijke verklaring ligt in de beperkte psychologische beschikbaarheid en weerbaarheid van de ouders. Ouders met depressieve klachten bleken bijvoorbeeld voornamelijk bezig te zijn met hun eigen problemen.Somberheid, stress en angst maken het lastiger om aan te voelen wat een kind nodig heeft en om de opvoeding op deze behoeften af te stemmen. Sensitief ouderschap komt daardoor in het geding en automatische reactiepatronen liggen op de loer. Depressieve of gestreste ouders hebben misschien wel de intentie om niet toe te geven als het kind om snoep zeurt, maar staan niet in hun kracht om deze grens ook daadwerkelijk te verdedigen. Daarnaast is het denkbaar dat ouders die niet lekker in hun vel zitten zelf meer ongezond- en/of risicogedrag vertonen, zoals ongezond eten, weinig bewegen en roken, en hiermee een ongewenste voorbeeldfunctie voor hun kind vertonen.

Gegeven de relatie tussen ouderlijk welzijn en de ontwikkeling van het kind, kan het bevorderen van positief psychosociaal welzijn onder ouders mogelijk bijdragen aan het voorkomen van ongezonde en/of risicogedragingen en daaraan gerelateerde gezondheidsuitkomsten. Gezondheidsinterventies doen er daarom goed aan om te verkennen wat de mogelijkheden zijn tot het integreren van ouderlijk welzijn in hun programma. Enkele programma’s experimenteerden al met een geïntegreerde oudercomponent, zoals de Group Triple P obesitasinterventie. Deze module, gericht op stress en negatieve emoties in de opvoeding, werd door zowel ouders als professionals positief beoordeeld.9

Daarnaast loopt op de Radboud Universiteit het overgewichtpreventieprogramma Samen Happie!, waarin ook aandacht wordt besteed aan het welzijn van ouders. Een van de doelen van dit project is om te onderzoeken welke rol het welzijn van ouders speelt in de opvoeding die zij hun kind geven. Tegelijkertijd proberen we het welbevinden van ouders een boost te geven via oefeningen op het gebied van mindful ouderschap, positieve emoties en stressreductie. Deze krijgen ouders aangeboden via de Samen Happie! app en ouderbijeenkomsten. Op 28 november 2019 vindt bij de Radboud Universiteit het mini symposium “Gezond opvoeden: Hoe help je ouders op weg?” plaats, waarin het Samen Happie! project uitgebreid aan bod zal komen. Het volledige programma voor die middag vind je hier. Wil je op de hoogte blijven van het project of meer informatie ontvangen? Stuur dan een mailtje naar samenhappie@ru.nlof meld je aan voor het symposium.

Deze blog werd geschreven door Levie Karssen (junior onderzoeker bij het Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

1. Musick, K., Meier, A., & Flood, S. (2016). How parents fare: Mothers’ and fathers’ subjective wellbeing in time with children. American Sociological Review, 81, 1069-1095.
2. Herbst, C. M., & Ifcher, J. (2016). The increasing happiness of US parents. Review of Economics of the Household14, 529-551.
3. Wilson, S., & Durbin, C. E. (2010). Effects of paternal depression on fathers’ parenting behaviors: A meta-analytic review. Clinical Psychology Review30, 167-180.
4. Kuckertz, J. M., Mitchell, C., & Wiggins, J. L. (2018). Parenting mediates the impact of maternal depression on child internalizing symptoms. Depression and Anxiety35, 89-97.
5. Goulding, A. N., Rosenblum, K. L., Miller, A. L., Peterson, K. E., Chen, Y. P., Kaciroti, N., & Lumeng, J. C. (2014). Associations between maternal depressive symptoms and child feeding practices in a cross-sectional study of low-income mothers and their young children. International Journal of Behavioral Nutrition and Physical Activity11, 75.
6. Rodgers, R. F., Paxton, S. J., McLean, S. A., Campbell, K. J., Wertheim, E. H., Skouteris, H., & Gibbons, K. (2014). Maternal negative affect is associated with emotional feeding practices and emotional eating in young children. Appetite80, 242-247.
7. O’Connor, S. G., Maher, J. P., Belcher, B. R., Leventhal, A. M., Margolin, G., Shonkoff, E. T., & Dunton, G. F. (2017). Associations of maternal stress with children’s weight‐related behaviours: A systematic literature review. Obesity Reviews18, 514-525.
8. Murray, L., Kempton, C., Woolgar, M., & Hooper, R. (1993).  Depressed mothers’ speech to their infants and its relation to infant gender and cognitive development. Journal of Child Psychology and Psychiatry34, 1083– 1101.
9. Van Mourik, K., Crone, M. R., & Reis, R. (2018). Relevance of the intervention module “Coping with stress and unhelpful emotions” for parents living in multi-ethnic deprived neighborhoods. Children and Youth Services Review, 88, 426-433.

Sci-fly: Nicotineverslaving – onderzoek naar de neurobiologische risicofactoren

De meest voorkomende verslaving onder jongeren is die aan sigaretten, ofwel nicotine. Sigaretten zijn, in vergelijking tot andere drugs, eenvoudig te verkrijgen en daardoor komt experimenteren met roken onder jongeren veel voor. Terwijl sommige jongeren gemakkelijk van de sigaretten af kunnen blijven nadat ze een aantal keer gerookt hebben, lijkt dit voor anderen veel moeilijker. Waarom zijn sommige jongeren gevoeliger voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving in vergelijking tot anderen? Onderzoek naar de onderliggende neurobiologische risicofactoren kan inzicht geven.

Uit eerder onderzoek weten we dat drugs gerelateerde beloningen (bijvoorbeeld een sigaret of een pakje sigaretten) zorgen voor een verhoogde activiteit in het beloningsgebied in de hersenen van verslaafde volwassenen. Niet-drugs gerelateerde beloningen, zoals geld, zijn juist minder interessant en resulteren in verminderde activiteit. Eerder onderzoek was met name gefocust op volwassenen, maar deze studie was een van de eerste studies die dit fenomeen testte in adolescenten.

KERN
De onderzoekers vonden dat het beloningsgebied in de hersenen van jongeren die roken minder actief is bij het zien van alledaagse beloningen, zoals geld, in vergelijking met jongeren die niet roken. Deze verminderde activatie van het beloningsgebied voor alledaagse beloningen werd zelfs waargenomen in jongeren die in hun leven slechts 10x gerookt hebben. Verminderde activiteit in het beloningsgebied van het brein voor alledaagse beloningen is dus mogelijk een risico factor voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving.

rokers brein beloning geld

ONDERZOEKSMETHODE
Het doel van deze studie was om meer inzicht te krijgen in de neurobiologische risicofactoren verantwoordelijk voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving. Om dit te onderzoeken werden 43 jongeren die roken vergeleken met 43 jongeren die niet roken. Met behulp van fMRI werd gekeken hoe het brein reageert op alledaagse beloningen (geld) en of er verschillen zijn tussen de 2 groepen in de activatie van het beloningsgebied in het brein. Er werd ook gekeken of de activatie in het beloningsgebied van het brein gerelateerd is aan het aantal sigaretten dat iemand gemiddeld genomen rookte in de maand voorafgaand aan het onderzoek. Daarnaast werd een kleine groep van milde rokers (14 jongeren, die minder dan 10x gerookt hebben in hun leven) vergeleken met de groep rokers.

VONDSTEN
Het beloningsgebied in de hersenen van de rokers in vergelijking tot de niet-rokers was minder actief voor alledaagse beloningen.

  • De activatie in dit gebied hing samen met het aantal sigaretten dat iemand gemiddeld genomen had gerookt in de maand voorafgaand aan het onderzoek. Dat wil zeggen dat hoe vaker iemand gemiddeld genomen rookte in de afgelopen maand, hoe lager de activiteit in het beloningsgebied.
  • De verminderde activiteit in het beloningsysteem werd ook waargenomen in de groep jongeren die minder dan 10 keer in hun leven gerookt hadden. Op basis van dit resultaat suggereren de onderzoekers dat jongeren die minder gevoelig zijn voor geld beloningen (minder activiteit in het beloningsgebied in de hersenen bij het zien van geld beloningen) mogelijk vatbaarder zijn voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving. Omdat de jongeren slechts 10x of minder gerookt hebben in hun leven, zijn de veranderingen in de activiteit van het brein niet het gevolg van chronisch nicotine gebruik. Deze data wijst erop dat verminderde activiteit in het beloningsgebied juist resulteert in roken. Echter, meer longitudinaal onderzoek is nodig om dit verder te onderzoeken.
  • De huidige studie suggereert dat verminderde activiteit in het beloningsgebied voor alledaagse beloningen mogelijk een risico factor is voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving.

DETAILS
Peters, J., Bromberg, U., …, Büchel, C. (2011). Lower  ventral striatal activation during reward anticipation in adolescent smokers. Am J Psychiatry,  168(5):540-9.

Deze sci-fly werd geschreven door Joyce Dieleman (Trimbos Instituut/ Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

‘Een wijntje drinken tijdens de zwangerschap, ik doe het soms…’

‘Geen alcohol drinken vóór, tijdens en ná de zwangerschap als je borstvoeding geeft’, het lijkt een vanzelfsprekend advies van de Gezondheidsraad1 gezien de negatieve gezondheidsgevolgen voor het ongeboren kind. Echter, uit de cijfers over alcoholgebruik vóór en tijdens de zwangerschap van de Monitor Middelengebruik en Zwangerschap – uitgevoerd door het Trimbos-instituut in 2016 en 20182 – blijkt dit advies voor sommigen moeilijker uitvoerbaar dan je zou denken, zeker onder hoogopgeleide Westerse vrouwen.

Alcohol vóór de zwangerschap
Hoewel de meerderheid van de vrouwen geen alcohol drinkt vanaf het moment dat ze weten dat ze zwanger zijn, heeft 44% van de vrouwen in de vier weken vóór de zwangerschap alcohol gedronken. Van de vrouwen die vóór de zwangerschap alcohol hebben gedronken, dronk 1,7% (bijna) dagelijks, 37% wekelijks, 42% enkele keren en 19% enkele slokjes. Het gaat dan om gemiddeld minder dan twee glazen per keer.2 Vooral 30-34 jarige vrouwen drinken alcohol vóór de zwangerschap en lopen daarmee een verhoog risico op een miskraam en foetale sterfte.3

Alcohol tijdens de zwangerschap
Vanaf het moment dat vrouwen weten dat ze zwanger zijn, vind er een daling plaats van het alcoholgebruik tot 4,2%. Het gaat dan in de meeste gevallen om het drinken van een slokjes alcohol. Vrouwen die alcohol drinken tijdens de zwangerschap lopen een verhoogd risico op miskramen, foetale sterfte en vroeggeboorte van het ongeboren kind. Daarnaast kan het geboren kind een laag geboortegewicht hebben en een achterstand in de motorische ontwikkeling oplopen. Bovendien wordt de kans op het Foetaal Alcohol Syndroom (FAS) groter als vrouwen overmatig drinken (i.e., > 14 glazen per week) of binge drinken (i.e., het drinken van ≥ 5 glazen per gelegenheid).2 Kinderen met FAS kunnen blijvende mentale en fysieke problemen hebben.4

Alcohol ná de zwangerschap
Nederlandse prevalentiecijfers omtrent het alcoholgebruik bij vrouwen die borstvoeding geven ontbreken. Er wordt geschat dat ongeveer de helft van de Westerse vrouwen die borstvoeding geven alcohol drinkt.5 Het geboren kind die via borstvoeding alcohol binnen heeft gekregen, drinkt niet alleen minder moedermelk, maar krijgt ook een ander slaap- waakritme. Er wordt aanbevolen om direct na het drinken van één standaardglas alcohol (i.e., bevat 10 gram ethanol in Nederland) gedurende drie uur geen borstvoeding te geven en geen moedermelk af te kolven voor latere voedingen. Bij het drinken van meer glazen alcohol wordt de duur van die periode langer (i.e., het aantal standaardglazen * drie uur = tijd geen borstvoeding/kolven).3

Alcoholvrij Zwanger
Heb je het warm gekregen met je groeiende buik of lacterende borsten na het lezen van bovenstaande, check dan de gratis cursus ‘Alcoholvrij Zwanger’: www.alcoholvrijzwanger.nl. Deze cursus richt zich op zwangere vrouwen die meer willen weten over alcohol tijdens de zwangerschap en biedt informatie, filmpjes, vragen en persoonlijke adviezen. Hoewel jouw geheugen je nu wellicht soms in de steek laat, onthoud dat geen alcohol drinken vóór, tijdens en ná de zwangerschap het beste is voor de gezondheid van jouw (ongeboren) kind.

Foto_zwanger_alcohol.jpg

Meer weten over Alcohol en Zwangerschap? Check de website van het Expertisecentrum Alcohol waar betrouwbare en toegankelijke wetenschappelijke kennis omtrent alcohol en alcoholpreventie voor professionals wordt gegeven: https://expertisecentrumalcohol.trimbos.nl/

Deze blog werd geschreven door Carmen Voogt (Trimbos-instituut en Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

  1. Gezondheidsraad (2015). Richtlijnen goede voeding 2015. Den Haag: Gezondheidsraad.
  2. Tuithof, M., Siauw, R., van Dorsselaer, S., & Monshouwer, K. (2017). Factsheet Monitor Zwangerschap en Middelengebruik. Utrecht: Trimbos-instituut.
  3. Gezondheidsraad (2005). Risico’s van alcoholgebruik bij conceptie, zwangerschap en borstvoeding. Den Haag: Gezondheidsraad
  4. Popova, S., Lange, S., Shield, K., Mihic, A., Chudley, A. E., Mukherjee, R. A., … & Rehm, J. (2016). Comorbidity of fetal alcohol spectrum disorder: a systematic review and meta-analysis. The Lancet, 387(10022), 978-987.
  5. Haastrup, M. B., Pottegård, A., & Damkier, P. (2014). Alcohol and breastfeeding. Basic & clinical pharmacology & toxicology, 114(2), 168-173.

Boek: Eetgedrag in balans

We worden overspoeld door een enorm aanbod van ongezonde en goedkope voedselverleidingen. Er zijn cafetaria’s op iedere hoek van de straat en in supermarkten ligt een overdaad aan snoepgoed. Om met deze ongezonde omgeving met voedselverleidingen om te gaan, heb je extra kennis en handvatten nodig om kinderen gezond op te voeden. Wetenschappelijke kennis over een gezonde eetopvoeding vindt haar weg niet altijd naar de praktijk. En dat is erg jammer, want er is al veel over bekend. Deze blog gaat over het boek “Eetgedrag in balans”, waarin een brug tussen wetenschap en praktijk wordt gemaakt. In het boek wordt aandacht besteed aan het vinden van de juiste balans als opvoeder in de mate van controle die je uitoefent op het eetgedrag van kinderen. Kinderen te veel dwingen om bijvoorbeeld groente te proeven of kinderen verbieden om bepaalde producten te eten werkt namelijk niet.

In het boek vind je tips die je kunt toepassen om ervoor te zorgen dat het makkelijker wordt voor kinderen om een gezond eetpatroon aan te leren. Zo wordt bijvoorbeeld besproken hoe je groente herhaaldelijk aanbiedt. Hierbij kun je bijvoorbeeld denken aan de variatie in momenten, de hoeveelheid en de combinatie met andere educatieve informatie (zoals groente en fruit boekjes en speelgoed) die je aanbiedt. Ook wordt besproken hoe je kinderen kunt aanmoedigen om groente en fruit te eten en hoe je kinderen vervolgens ook kunt belonen als ze daadwerkelijk een hapje proberen te proeven. De rol van de opvoeder wordt hierbij centraal gesteld. Je eigen gedrag, emoties en uitleg die je geeft als opvoeder kunnen bijvoorbeeld actief worden ingezet om kinderen te stimuleren. Als je bijvoorbeeld blij kijkt als je een hapje proeft, zullen kinderen ook sneller geneigd zijn om een hapje te proeven. Op identieke wijze zullen kinderen ook geneigd zijn om je ongezonde gedragingen als opvoeder over te nemen.

In “Eetgedrag in balans” wordt ook besproken hoe je er juist voor kunt zorgen dat kinderen niet te veel eten. Zo kun je als rolmodel bijvoorbeeld letten op wat, wanneer, hoeveel en hoe snel je eet. Naast je eigen gedrag, emoties en uitleg die je geeft, zijn regels ook belangrijk om te voorkomen dat kinderen te veel eten. Dit geldt zeker naarmate kinderen ouder worden. In het boek worden praktische tips gegeven waar je op kunt letten bij het invoeren van regels. Zo is het bijvoorbeeld belangrijk om regels positief te formuleren. Dus in plaats van: ‘Je mag niet twee biscuitjes’, zeg je: ‘Je mag 1 biscuitje’. Ook is het belangrijk om uit te leggen waarom je een regel hanteert, de regel consequent toe te passen en kinderen te belonen als ze zich aan de regel houden. In het boek worden ook praktische tips gegeven om de voedselomgeving vorm te geven. Zo kun je bijvoorbeeld kleinere borden gebruiken en kinderen daarbij zelf hun eigen eten laten opscheppen. Ook kun je de variatie van ongezond voedsel beperkt houden, buiten het zicht van kinderen opbergen en suikerhoudende drankjes standaard vervangen door water (met een smaakje). Dit klinkt misschien betuttelend, maar het vervangen van suikerhoudende drankjes door water is één van de meest simpele en consistente ‘dieet’-veranderingen die effect hebben op het terugdringen van overgewicht bij kinderen in de huidige ongezonde maatschappij.

Tot slot wordt in “Eetgedrag in balans” ingegaan op hoe je jouw kennis kunt delen met (andere) ouders door bijvoorbeeld op zoek te gaan naar een gedeelde motivatie en gedrag dat wel veranderd kan worden. Hier ligt naar mijn mening een belangrijke rol voor pedagogisch medewerkers en leerkrachten weggelegd.

Schermafbeelding 2019-07-01 om 18.20.23

Meer weten? Lees verder in het boek “Eetgedrag in balans”, dat onder andere verkrijgbaar is via bol.com.

Deze blog is geschreven door Dr. Junilla Larsen (Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs & dieet.

Sci-fly: Cannabisgebruik verminderen, maar niet stoppen – behulpzaam of niet?

Onderzoek naar de behandeling van verslavingen focust zich normaliter op onthouding van middelen – volledig stoppen met iets gebruiken, om vervolgens te kunnen herstellen. Tot voor kort werd er niet of nauwelijks gekeken naar de vermindering van middelengebruik, en hoe dit in verhouding staat met onthouding. Als een verslaafd persoon simpelweg minder gaat gebruiken, kan hij/zij daar dan de vruchten van plukken? Of houdt diegene zichzelf hiermee voor de gek? De verminderingsstrategie wordt vaak afgeraden in de behandeling (ten voordele van de onthoudingsstrategie). Desondanks kunnen er positieve effecten verbonden zijn aan de verminderingsstrategie, bijvoorbeeld voor de fysieke en mentale gezondheid. Als iemand deze voordelen ervaart, zou het misschien zelfs motiverend kunnen werken bij het afbouwen van middelengebruik, of om de vervolgstap te zetten naar volledige onthouding.

plaatje_vermindering.png

KERN
– In dit onderzoek werden (ex-)cannabisverslaafden verdeeld in drie groepen op basis van hun recente middelengebruik: 1) onthouding, 2) licht gebruik, en 3) zwaar gebruik.
– Deze groepen werden vervolgens vergeleken op verschillende maten van fysieke en mentale gezondheid.
– De onthoudingsgroep en de lichtgebruikers rapporteerden betere uitkomsten op fysieke en mentale gezondheid dan de zwaargebruikers. Dit gold bijvoorbeeld voor de algemene gezondheid, eetlust, en symptomen van depressie- of angststoornissen.

ONDERZOEKSMETHODE
Deze studie onderzocht of een verminderde mate van cannabisgebruik gerelateerd zou zijn aan positieve gezondheidsuitkomsten, in vergelijking met zwaar gebruik of onthouding. Zulke uitkomsten zouden een positieve bijdrage kunnen leveren aan het behandelingsproces – bijvoorbeeld om mensen te motiveren, of als volledige onthouding (nog) onmogelijk is. Een groep Amerikaanse onderzoekers heeft hiervoor vragenlijstonderzoek gedaan bij 111 mensen met een geschiedenis van problematisch cannabisgebruik (denk hierbij bijvoorbeeld aan deelnemers van Marijuana Anonymous bijeenkomsten in de VS). Op basis van hun gebruiksgeschiedenis van de afgelopen 30 dagen werden zij verdeeld in drie groepen: 1) de onthoudingsgroep, 2) lichtgebruikers (3 of minder dagen per week) en 3) zwaargebruikers (>4 dagen per week). Deze drie groepen werden vergeleken op verschillende maten van fysieke en mentale gezondheid.

VONDSTEN
– Over het algemeen scoorden zwaargebruikers van cannabis het slechtst van alle groepen.
– De verschillen tussen de onthoudingsgroep en de lichtgebruikers waren klein en statistisch niet-significant.
– In verhouding tot de zwaargebruikers, hadden de onthoudingsgroep en de lichtgebruikers betere scores op algemene gezondheid, eetlust en depressie.
– Volledige onthouding was daarnaast nog gerelateerd aan een hogere slaapkwaliteit en minder angstsymptomen.
– Verminderd cannabisgebruik wordt dus geassocieerd met een aantal positieve gezondheidsuitkomsten, in verhouding tot zwaar gebruik (>4 dagen per week)

Verminderd cannabisgebruik lijkt dus enkele voordelen met zich mee te brengen, maar onderzoeken over langere periodes zijn nodig om deze stelling verder te kunnen bevestigen. Daarnaast is het nog onbekend in hoeverre dit motiverend zou kunnen werken bij het stopproces.

DETAILS
Mooney, L. J., Zhu, Y., Yoo, C., Valdez, J., Moino, K., Liao, J. Y., & Hser, Y. I. (2018). Reduction in Cannabis Use and Functional status in physical health, mental health, and Cognition. Journal of Neuroimmune Pharmacology13(4), 479-487

Deze sci-fly werd geschreven door Dennis Trommelen, masterstudent Behavioral Science Institute, Radboud Universiteit Nijmegen.

Drieling dol op Chinees eten – is voedselvoorkeur erfelijk bepaald?

Vorige week heb ik de indrukwekkende documentaire ‘Three Identical Strangers’ gezien. Deze documentaire gaat over 3 jongens die vlak na de geboorte geadopteerd zijn door drie verschillende gezinnen. Ze weten niets van elkaars bestaan. Totdat één van de jongens op 19-jarige leeftijd naar een nieuwe school gaat en daar door iedereen ‘herkend’ wordt. Zijn dubbelganger bleek het jaar daarvoor op die school gezeten te hebben. Ze ontdekken dat ze tweelingbroers zijn. Dit wordt groot nieuws en staat in alle kranten. Een leeftijdsgenoot ziet in de krant een foto staan van twee jongens die als twee druppels water op hemzelf lijken. Hij blijkt broer nummer drie te zijn… ze zijn een identieke drieling (zie foto1)! Het wordt een enorm mediacircus. Ze zijn te gast in talkshows, geven interviews en iedereen vindt het een geweldig verhaal. De gelijkenissen worden benadrukt, hun uiterlijk is identiek, hun gebaren zijn hetzelfde, ze roken hetzelfde merk sigaretten en ze houden alle drie van Chinees eten… Later blijken er ook wel verschillen te zijn, en de rest van de documentaire laat een droeviger verhaal zien2.

foto-three-identical-strangers.jpg

Een belangrijk onderdeel van de documentaire is de vraag waarom deze drie jongens in drie verschillende gezinnen werden geplaatst. Waarom konden ze niet bij elkaar blijven en samen opgroeien? En waarom wisten de jongens (en hun adoptie ouders) niet van het bestaan van de broers? In de documentaire is te zien dat het adoptiebureau de ontwikkeling van de jongens nauwgezet volgde. Tegen de adoptieouders werd gezegd dat ze wilden kijken of adoptiekinderen zich hetzelfde ontwikkelen als niet-geadopteerde kinderen. Echter, uit de documentaire blijkt dat de scheiding van de drieling onderdeel was van een psychologisch experiment van psycholoog Peter Neubauer3, die met dit experiment antwoord hoopte te vinden op de nature (aangeboren) versus nurture (aangeleerd) kwestie. Door genetisch identieke personen te plaatsen in verschillende omgevingen zou je kunnen zien wat belangrijker is voor hun ontwikkeling: hun erfelijke aanleg of de opvoeding. Een bizar en onethisch experiment wat in deze tijd ondenkbaar is.

Gelukkig zijn er andere manieren om de nature – nurture vraag te beantwoorden, bijvoorbeeld door het vergelijken van eeneiige en twee-eiige tweelingparen die samen in hetzelfde gezin opgegroeid zijn en op vrijwillige basis deelnemen aan wetenschappelijk onderzoek. Als eeneiige (genetisch identieke) tweelingparen meer op elkaar lijken dan twee-eiige tweelingparen (die de helft van hun genen delen) speelt erfelijke aanleg (ook) een rol. Op deze manier zijn al vele vragen beantwoord over de rol van erfelijke aanleg en opvoeding bij persoonlijkheid en gedrag (zie bijvoorbeeld een eerdere blog over rookgedrag4).

Momenteel buigen we ons over de vraag in hoeverre erfelijke aanleg een rol speelt bij de voorkeur voor bepaald voedsel. Lust je graag spruitjes? Of is sushi je lievelingseten? Engels onderzoek laat zien dat er voedingsclusters zijn (bijvoorbeeld fruit, vlees, sterke kruiden of zoete snacks) waar sommige mensen hoog in scoren en andere mensen lager, en dat erfelijke aanleg een rol speelt bij deze voorkeuren5. De drie jongens in de documentaire waren alle drie dol op Chinees eten. Is dat toeval? Op de avond dat ik de film ‘Three Identical Strangers’ bekeek at ik van te voren een hapje met Dorret Boomsma (oprichter van het NTR: Nederlands Tweelingen Register6), haar dochter en twee eeneiige tweelingparen: Kirsten (de student die het voedselvoorkeur onderzoek uitvoert) en haar tweelingzus Carmen, en Erik en Peter (net als de drieling in de film zijn Erik en Peter opgegroeid in verschillende gezinnen en hebben ze elkaar pas later leren kennen). Beide tweelingparen bestelden hetzelfde drankje, maar ze namen wel iets anders te eten… Kunnen we hier conclusies uit trekken? Om valide conclusies te trekken over de vraag of erfelijke aanleg een rol speelt bij voedselvoorkeur zijn zeer grote samples en betrouwbare vragenlijsten nodig. In samenwerking met het NTR analyseren we momenteel de rol van erfelijke aanleg bij voedselvoorkeur in bijna 8000 volwassen tweelingen. Laten we de resultaten van deze grote en valide studie maar afwachten voordat we conclusies trekken!

Deze blog is geschreven door Prof. dr. Jacqueline Vink (Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs & dieet.

Referenties
1. Bron foto: http://moveablefest.com/tim-wardle-three-identical-strangers/
2. Zie o.a. https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/three-identical-strangers-is-onrustbarende-en-droeve-film-over-menselijke-fascinatie-voor-het-meerlingschap~bd6734a7/
3. Wikipedia pagina over Peter Nuebauer: https://en.wikipedia.org/wiki/Peter_B._Neubauer
4. Blog: https://rad-blog.com/2016/06/13/roken-op-world-no-tobacco-day/
5. Sharafi M, Lachance G, Pirastu N, Mohney RP, MacGregor A, Feskens EJ, Duffy V, Spector TD, Menni C. Food Preference Patterns in a UK Twin Cohort. Twin Res Hum Genet. 2015 Dec;18(6):793-805.
6. Website Nederlands Tweelingen Register: https://tweelingenregister.vu.nl/